3
(geschreven op 24 februari 2007)
Als het goed is zijn vakanties toch wel een soort hoogtepunten in een
jaar. Los van alle dagelijkse beslommeringen ga je immers allerlei
dingen alleen maar voor je plezier ondernemen. Twee keer zijn we met
vrienden op vakantie gegaan, zeven keer gingen we afzonderlijk
van elkaar. De andere keren gingen we met ons tweeën. Op twee na waren het
actieve vakanties: we sjouwden met rugzakken of we reden op vol beladen
fietsen. Eén was 'half actief': we fietsten dagelijks, zonder bagage, vanaf
een naturistencamping in de Dordogne. Over de andere vertel ik hierna iets
meer. Aan al die vakanties heb ik alleen maar mooie herinneringen, zelfs aan
die waarbij er iets mis ging.
Pas in 1969 gingen we samen op vakantie. Dat had niets
met moralistische regeltjes te maken. (De moraal met betrekking tot wat
niet-gehuwden allemaal wel en vooral niet mochten was toen nog iets minder
soepel dan tegenwoordig. Het was overigens niet onze moraal.) Toen we elkaar
in 1967 ontmoetten hadden we allebei onze vakanties al gepland. In 1968
waren er praktische redenen om niet samen te gaan. We werkten beiden in de
boekhandel en verdienden dus nauwelijks wat. Ik kon als reisleider helemaal
voor niks naar Lapland en kreeg zelfs nog twee gulden per
dag vergoeding. Het gaf ook wel aan dat we toen al niet geloofden in "We
horen bij elkaar, dus we doen alles, zeker vakanties, samen".
Een reeksje vakanties steekt wel een klein stukje boven
de andere uit: de voettochten door Lapland. Als je een tijdje met iemand
helemaal alleen wilt zijn, geen andere mensen voortdurend om je heen, is
Lapland, meer in het bijzonder het nationale park Sarek, "the place to be".
Je kunt er dagen lang lopen zonder een ander mens te ontmoeten. Je loopt
bergop bergaf; rivieren, die ijskoud zijn, moet je doorwaden; er hangt
vrijwel constant een zwerm muggen om je heen; een enkele keer ligt de
temperatuur dicht bij het vriespunt; je zakt hier en daar tot aan je knieën
in de modder; je moet doorlopen als je liever wilt stoppen, omdat er geen
paar vierkante meter te vinden is waar je een tent kunt opzetten. Leuk, hè?
Geloof me maar: het is elke dag opnieuw een geweldige ervaring aan het einde
van de dagtocht samen, met een kop koffie en een slokje whisky, voor je tent
te zitten. Tijdens die vakanties in Lapland heb ik Boukje nog weer
beter leren kennen. In gewone huiselijke omstandigheden kon ze wel eens
paniekerig zijn over heel simpele dingen. In Lapland waar het er soms echt
op aan kon komen, was daar geen spoor van te bekennen. Bij het doorwaden van
een rivier ging ik altijd als eerste. Op een keer ging ik daarbij onderuit
en dreigde ik met de stroom meegesleurd te worden. In een mum van tijd had
Boukje haar rugzak afgegooid en stond ze op de juiste plek om mij op de kant
te helpen. Een andere keer maakte ik in een moeras een misstap en zat
vervolgens tot aan mijn kruis vast in de modder. Het optillen van één been
leidde tot het iets dieper zakken van het andere. Boukje stond al op vaste
grond, raakte geen moment in paniek, maar hielp mij rustig dezelfde vaste
grond te bereiken. Eén keer is het voorgekomen dat ze na drie dagen wakker
werd met een volledig verlamde rechterarm. Waarschijnlijk had de rugzak op
een verkeerd zenuwknoopje gedrukt. Lapland is niet de meest geschikte plek
om plotseling het gebruik van een arm en hand volledig te moeten missen. We
zaten op een soort point of no return en doorlopen was handiger dan
teruglopen. Boukje liep onverdroten door. Ik pakte dagelijks haar rugzak in,
deed al haar knoopjes en ritsjes dicht, knoopte haar veters en liep haar te
bewonderen. De vakantie werd wat korter dan gepland, maar was toch leuk
geweest. (Die lamme arm werkte na enkele weken weer volledig.)
Merkwaardigerwijs was één van onze mooiste vakanties
geen 'doevakantie', maar een verblijf van twee weken op het Griekse eiland
Karpathos. Dat was zo'n twee maanden nadat Boukje één oog was kwijtgeraakt in
verband met een melanoom. Uiteraard was ze enige tijd daarna behoorlijk
ontdaan, maar ze had toch heel snel geaccepteerd dat ze een kunstoog had:
"Ik heb nog een oog." Elke dag op dat eiland was vrijwel gelijk aan de vorige. Ik was
altijd het eerste wakker en zat een uurtje met een kop thee en een boek op
een piepklein balkonnetje, waarop voor twee zittende mensen ook maar net
plaats was. We ontbeten op een terrasje bij het haventje. Daarna liepen we
in niet veel meer dan een kwartier naar een klein strandje, waar we een
ligstoel met parasol huurden. We lagen te lezen en gingen af en toe het
water in. (Ik had allerlei scenario's bedacht voor het geval in het water
haar kunstoog eruit zou vallen. Dat gebeurde een heel enkele keer, maar daar
gelukkig niet.) Rond één uur gingen we op een aanpalend terrasje lunchen met
een karaf rezzina. Elke dag draaiden ze daar dezelfde Griekse muziek. Na de
lunch gingen we weer lezen, weer een beetje zwemmen en af en toe wat dutten.
Rond vier uur liepen we terug naar het appartement en dronken het een en
ander. Na drie dagen verschillende restaurants aten we de rest van die
vakantie steeds in hetzelfde. Het klinkt niet buitengewoon boeiend, maar als
de vrouw van wie je houdt kort na zo'n ingreep heel ontspannen plezier in
haar leven heeft en er blij mee is dat jij erbij bent, is het leven waar dan
ook heel mooi.
Aan alle vakanties kan ik terugdenken zonder ook maar
één moment van weemoed of verdriet. Waarom zou ik verdrietig worden van
mooie herinneringen? Ik word er eerder blij van. Wat ik ook ga doen op 2
juni a.s., het wordt zeker geen droevige of treurige dag. Het zal eerder een
soort feestdag worden. Ruim een jaar na Boukjes overlijden ben ik naar een
eerstelijnspsycholoog gegaan omdat ik het verwerken in mijn eentje niet
helemaal redde. Tijdens een van de (ik geloof tien) sessies vertelde ik het
verhaal van onze ontmoeting. Toen ik uitgepraat was zei de psycholoog: "Weet
je dat je zat te stralen?" Dat hoop ik 2 juni ook te doen.