2
(geschreven op 23 februari 2007)
Dat 'misverstandje' over die arm en dat jack is een
constante gebleken in onze relatie. Boukje vond dat ik moest aanvoelen wat
ze wilde of bedoelde, hoe ze iets ook zei of vroeg. Ik vond, dat wanneer ze
een glas wijn wilde, ze niet moest zeggen dat ze zin had in iets lekkers, maar
moest vragen of ik een glas wijn voor haar wilde inschenken. Het lag
uiteraard meestal wat gecompliceerder, maar daar kwam het wel zo'n beetje op
neer. We zijn daar nooit helemaal uitgekomen. Dat was ook geen punt. Het was
vaak aanleiding tot een goed gesprek, want met praten zijn we na 2 juni 1967
nooit gestopt. Praten was als het ware de rode draad die door ons samenleven
liep. Bij haar crematie heb ik daarover gezegd: "Ik heb wel eens gezegd dat
we geen echtpaar waren, maar een discussiegroep. We konden het over van
alles en nog wat totaal oneens zijn; daar praatten we dan over en na veel
praten bleek dat we het nog volstrekt oneens waren. We hadden dan toch een
gezamenlijke conclusie: 'Wat dan nog?' We bleven het gezellig oneens,
omdat we van één ding overtuigd waren: we praten met elkaar zo lang we van
elkaar houden en we houden van elkaar zo lang we met elkaar praten. We
hebben tot de laatste dag met elkaar gepraat."
Bij mij lag dat praten niet direct voor de hand. In april 2006
ontmoette ik, tijdens een reünie, voor het eerst na ruim veertig jaar,
mijn vriendinnetje van de kweekschool. Ik vond haar nog steeds, of weer, erg
aardig. Opvallend was dat ze al na vrij korte tijd zei: "Wat praat je veel."
Daar stond ik destijds en jaren daarna dus niet bepaald om bekend. Ik heb
dat duidelijk van, of door of bij Boukje geleerd. Daarbij ging het uiteraard
niet alleen om het praten maar om het ook nog iets zeggen.
Natuurlijk zaten Boukje en
ik niet elk moment dat we samen waren diepgravend van gedachten te wisselen
over "life, the universe and everything". Zoals bij elk normaal stel ging
het meestal over dagelijkse dingen. De kattenbak had al verschoond moeten
zijn. Wordt het geen tijd voor een nieuw verfje of behangetje? Hoe gaat het
met die zieke collega? Je moet je moeder weer eens bellen. De koffiemelk is op.
Hoe was de film? Van die dingen. Maar een opmerking over, bijvoorbeeld,
de kattenbak kon ook leiden tot een discussie over de verdeling van taken in
ons huishouden. Dat leidde dan weer tot discussies over man-vrouwrelaties en
voor we het wisten zaten we dan weer te praten over de Boukje-Evertrelatie.
Uiteindelijk ging elk wel iets diepgravender gesprek daarover, expliciet of
impliciet. Met Boukje praten was, voor mij, meer dan het uitwisselen van
argumenten. Daar ging het in wezen niet om, of om wie er nou gelijk had. De
essentie was: nog een beetje duidelijker maken wie en hoe we waren en wat we
voor elkaar betekenden. Ik kan me niet herinneren - en mijn geheugen werkt
nog redelijk - dat we bij zulke gesprekken ooit dicht bij elkaar, of lekker
dicht tegen elkaar aan zaten, maar intiemer kon niet. Het was een omarming
zonder lichamelijk contact. Het was vaak een heel mooi voorspel. Dan was ze
Boukje.
Zojuist heb ik weer even
geluisterd naar "Without a worry in the world" van Rod McKuen. Dat is een
vertaling/bewerking van "Les Métèques" van George Moustaki. De laatste
regels van die song slaan nogal op mij:
Yes, I've got troubles of my own.
I'll try to solve them all alone.
I won't inflict them on the world.
Boukje had die eigenschap
van mij redelijk snel door en wist er steeds beter doorheen te prikken. Wat
dit betreft wilde ze niet tot de 'world' behoren.