10
(geschreven op 3 maart 2007)
Was 29 juli 1996 de 'zwartste dag' uit mijn leven? Als
ik heel eerlijk ben - en dat probeer ik nu te zijn - zeg ik "Nee". We hebben
als het ware naar die dag toe geleefd. Boukjes overlijden kwam niet helemaal
onverwacht. De zwartste dag was 14 mei 1996. De manier waarop Boukje, van
die dag af, met haar naderende dood omging heeft zelfs de dag van haar
overlijden minder zwart gemaakt.
Toen Boukjes oog met het melanoom verwijderd werd, werd
haar verteld dat de kans op uitzaaiingen heel klein was. We leefden dus
onbezorgd verder. Eind april of begin mei 1996 ging ze naar Leiden voor een
controleonderzoek. Ze voelde zich rond die tijd niet helemaal lekker. Op 14
mei moest ze terug komen omdat er nog wat aanvullend bloedonderzoek gedaan
moest worden. We vonden dat geen van beiden vreemd of opmerkelijk. Ze voelde
zich bij het eerste onderzoek niet helemaal lekker, dus er zou wil iets met
het bloedbezinksel of zoiets aan de hand geweest zijn. Noch Boukje, noch ik
vond het dan ook nodig dat ik met haar mee zou gaan naar Leiden. Aan het
eind van de middag kwam ze thuis. Ik zat in de huiskamer. Ze riep me vanuit
de hal. Ze barstte in huilen uit en vertelde dat er uitzaaiingen naar
verschillende kanten waren, dat er niets meer aan te doen was en dat ze niet
lang meer te leven had. We hebben een tijd in het halletje staan huilen en
later op de bank nog een tijd doorgehuild.
(Ik heb net geluisterd naar het 'Dies irae' uit het
Requiem van Verdi, een paar minuten muziek die passen bij wat ik die dag in
de hal, en nog altijd als ik eraan terugdenk, voelde: verdriet, wanhoop,
onmacht, woede.)
Nog altijd vind ik het verschrikkelijk me voor te
stellen dat Boukje met die wetenschap de reis met trein en
tram naar huis en mij in haar eentje heeft moeten of willen maken. Het is een van de zeer
weinige dingen waar we niet over gesproken hebben. Ik heb daar zeer bewust
ook nooit naar gevraagd. Boukje vertelde alles wat ze kwijt wilde en dat was
ook zo ongeveer alles wat haar beroerde. Als zij het niet wilde of kon vertellen
had ze daar, in ieder geval voor zichzelf, een goede reden voor. Als ik
ernaar gevraagd had zou ze zich gedwongen gevoeld hebben óf het te
vertellen, óf te zeggen dat ze het liever niet vertelde. Het laatste zou ze
mogelijk nog erger gevonden hebben.
We zijn de volgende dag samen naar Leiden gegaan voor
een gesprek met een oncologe. Die heeft alles nog eens uitgelegd. De
slotconclusie was dat we, wat de prognose betrof, niet in jaren, maar in
maanden moesten denken. Ze vertelde ook dat in de Daniël den Hoedkliniek in
Rotterdam (een gespecialiseerde kankerkliniek) net was begonnen met het bij
patiënten uittesten van een nieuwe medicijnkuur: een combinatie van diverse
cytostatica en interferon. Ze maakte ter plekke een afspraak voor Boukje. Na
afloop van het gesprek gingen we een kop koffie drinken in de
stationsrestauratie. Boukje was heel kalm.
Het eerste gesprek in de Daniël den Hoedkliniek was met
een nog jonge arts die de indruk wekte niets liever te willen dan nog een
patiënt om de nieuwe behandeling te testen. We kregen de nodige documentatie
mee, waaronder een lange lijst van onplezierige bijwerkingen. Duidelijk was
ook dat het niet om genezing ging, maar om vertraging van het proces.
Boukje moest beslissen wat ze wilde. Natuurlijk hebben
we er samen over gepraat, o.a. over de vraag of het voor toekomstige
patiënten van belang zou kunnen zijn, dat Boukje zou meewerken aan een
onderzoek naar de mogelijkheden van een nieuwe therapie. Zeer toevallig was
er juist in die dagen een documentaire op tv waarin een vrouw met
hersentumor vertelde over haar deelname aan zo'n soort onderzoek. Ze was er
na enige tijd mee gestopt. Als ik mij goed herinner omdat zij de extra
belasting niet meer wilde en uiteindelijk voor zichzelf koos.
Ik heb mijn uiterste best gedaan met mijn gedachten en
gevoelens niet Boukjes beslissing te beïnvloeden. Ik wilde haar alleen
helpen een besluit te nemen waar zij volledig achter stond, ongeacht of ik
het het juiste besluit en de juiste motieven vond. De consequenties van dat
besluit zou ik volledig accepteren. We hebben de huisarts alle documentatie
toegestuurd en ook met haar een gesprek gehad. Ze was heel duidelijk: "Niet
doen." Het was de bevestiging van een besluit dat Boukje in feite al genomen
had: liever de korte tijd die ze nog had zo plezierig mogelijk doorbrengen,
dan constant alleen maar beroerd zijn van alle bijwerkingen van medicijnen
die uiteindelijk niets oplosten. Ik vond het verschrikkelijk haar al gauw te
moeten verliezen. Ik was het volledig met haar eens.
Toegevoegd op 13 maart 2007
In dit verband wil ik toch even iets vermelden dat zeer
recent plaatsvond en me getroffen heeft. Een doodenkele keer zoek ik op het
internet nog wel eens naar meer of nieuwe, informatie over het oogmelanoom.
Kort geleden kwam ik een artikel tegen in het publieksvoorlichtingsblad van
het LUMC. Ik had nog een enkele vraag en wist, via een andere website, het
e-mail(werk)adres (bij het LUMC) van de onderzoekster te achterhalen.
Afgelopen dinsdag stuurde ik haar een mailtje waarin ik o.a. het volgende
schreef: "Toen de diagnose gesteld werd, werd erbij gezegd dat de kans op
uitzaaiingen buitengewoon klein was. Achteraf ben ik daar wat aan gaan
twijfelen, maar desondanks ben ik nog steeds blij dat het zo gezegd is,
omdat we daardoor de laatste ruim anderhalf jaar samen nooit voortdurend op
het ergste zaten te wachten, maar onbezorgd allerlei leuke dingen hebben
gedaan." Niet alleen kreeg ik al na enkele uren antwoord, maar een zeer
positief antwoord, waaruit ik het volgende citeer: "Als
je dat zou willen, zou ik je graag een keer uitleggen wat we doen. Ooit had
ik een jonge vrouw als patiënt, die toen even oud was als ik toen. Zij was
een half jaar later overleden aan een melanoom. Dat heeft toen veel indruk
gemaakt. Intussen doe ik al meer dan 20 jaar onderzoek aan deze ziekte. Om
je gerust te stellen: er zijn geen behandelingen om het ontwikkelen van
metastasen te voorkomen, en de mogelijkheden om er iets aan te doen zijn nog
steeds, 10 jaar later, eigenlijk afwezig. Het is dus maar goed dat jullie
van het risico niets wisten, en een gezellige tijd hadden. Helaas kan deze
ziekte inderdaad dodelijk zijn. Deze week heb ik vakantie en volgende
week mag ik een ander ziekenhuis bezoeken.
Laat mij weten als je een keer langs wilt komen. Dan kan ik je ook aan een
stel jonge nieuwe onderzoekers voorstellen, natuurlijk als je wilt." Ik heb
haar teruggemaild dat ik dat graag wil.
Vanmiddag had ik een gesprek met Martine Jager, oogarts in het LUMC en
de afzendster van het hierboven weergegeven mailtje. Hoe beschrijf je
zo'n gesprek nou? Misschien het beste met: "Jammer dat het voorbij was."
Als ik een aantal trefwoorden moet noemen: plezierig, verhelderend,
passend (bij deze serie 'herinneringen'), verheugend. Om met het laatste
te beginnen: in mijn mailtje had ik ook geschreven: 'Voor het onderzoek
gebruikten we patiëntenmateriaal dat al een tijdje opgeslagen lag. Inderdaad
ja, verwijderde oogbollen.' Ik weet uiteraard niet of die gegevens nog zonder
al te veel moeite te achterhalen zijn, maar zou het een plezierige gedachten
vinden als mijn vrouw, zij het postuum, een bescheiden bijdrage heeft geleverd
aan wetenschappelijk onderzoek dat wellicht ten voordele kan komen aan toekomstige patiënten."
Inderdaad heeft Boukje
postuum nog meegewerkt aan onderzoeken, o.a. een onderzoek van de
Radbouduniversiteit. Dat zou ze zelf ook heel erg gewaardeerd hebben.
Ik weet nu ook dat dat de kans op uitzaaiingen inderdaad beduidend groter
is dan destijds
gezegd werd, (of: ik begrepen heb). Achteraf ben ik er nog steeds blij
mee dat we in de veronderstelling leefden dat er 'weinig of niets aan de
hand' was. De stelling "De arts moet de patiënt altijd alles vertellen",
die ik geneigd ben aan te hangen, zal ik niet meer zo absoluut
propageren.
In het LUMC is men inmiddels een nieuw onderzoek begonnen. Uit andere
onderzoeken is gebleken dat de groei van bloedvaten geremd kan worden.
Tumoren, dus ook het oogmelanoom, maken als ze groter zijn dan 2 mm hun
eigen bloedvaten, anders kunnen ze niet verder groeien. Onderzocht wordt
nu of langs deze weg de groei van het oogmelanoom geremd kan worden.
Tenslotte hoorde ik nog dat er mogelijk een Oogstichting wordt
opgericht. Je ziet veel reclame voor allerlei fondsen, zoals de Hartstichting en de
Nierstichting, maar weinig of niets voor het oog, terwijl er juist veel geld nodig
is om goed onderzoek te kunnen doen. Het is belangrijk dat daar verandering in gaat komen,
wat van belang kan zijn voor het inzamelen van geld dat voor verder onderzoek van
oogziekten gebruikt kan worden.
Er kwamen nog wel andere dingen aan de orde (orgaandonatie en gebruik
van proefdieren bijvoorbeeld), maar die zijn in dit verband niet van
direct belang