Epiloog
(geschreven op 4 maart 2007)
Ik heb nooit afscheid van Boukje genomen. Vanaf 14 mei
1996 wisten we dat we niet lang meer samen zouden zijn, maar niet hoe lang
of kort dat nog zou zijn. We gingen dat niet uit de weg. We praatten erover
en huilden erover, maar echt niet iedere dag. Ik ging gewoon naar mijn werk,
al zal ik daar toen niet geweldig gepresteerd hebben. Alleen de laatste week
kon ik het niet meer opbrengen, al wist ik toen nog niet dat het de laatste
week zou zijn. Boukje wilde eigenlijk ook, zo lang dat nog
kon, gewoon doorwerken, maar dat lukte toch niet. Ze wilde in ieder geval
niet alsnog even snel allerlei dingen doen waar ze eerder in haar leven nooit toe
gekomen was. Wat ze wilde, en deed, was mensen ontmoeten die haar lief waren
en daarmee nog eens iets samen doen, al was het maar zoiets simpels als een
eindje wandelen.
In die korte periode tussen 14 mei en 29 juli heeft
Boukje alsnog, onopzettelijk en zonder het zich te realiseren, een nieuw
facet toegevoegd aan het beeld dat ik van haar had. Ik heb het nooit precies
kunnen omschrijven. Het dichtst in de buurt komt volgens mij "moed". Tot die
tijd heb ik niet kunnen vermoeden dat iemand zo rustig, zonder zelfbeklag,
nog altijd genietend van simpele dingen en met liefde en aandacht voor
anderen een snel naderende dood tegemoet kon leven. We hebben niet of
nauwelijks gesproken over hoe ik verder zou moeten leven. Ik vond dat toen
ook totaal niet relevant. "Wie dan leeft, wie dan zorgt" was letterlijk van
toepassing. We hebben nooit een moment genomen om "de rekening op te maken",
want het leven, haar leven, ging ondanks alles nog gewoon door. Morgen zou
er weer een dag zijn. Wat er gezegd moest worden, werd toch wel gezegd.
We hadden in de badkamer een ligbad dat we maar zelden
gebruikten. Tijdens de laatste weken vroeg Boukje me een keer het bad voor
haar vol te laten lopen. Het leek haar wel weer eens lekker. Ze vond het ook
heerlijk en heeft een klein half uur liggen genieten. Ik ben bij haar
blijven zitten. Ik was vooral ontroerd. Dat is, geloof ik, het juiste woord.
Ik weet niet zeker meer wat het laatste was dat ik
tegen Boukje gezegd heb, maar zeer waarschijnlijk was het niet veel meer dan
"Welterusten". Ze was nog een beetje wazig van de morfine, maar heeft nog
wel gezegd dat ik de volgende dag een schone broek moest aantrekken. De dag
voor haar overlijden was de enige waarop ze heel veel pijn had. (Nu ik dit
schrijf zit ik weer te huilen.) Het was een zondag. Veel pijn heeft ze
daarvoor gelukkig niet gehad. Ze was ook zonder al te veel
pijn opgestaan. Ik had sinaasappels voor haar geperst en terwijl ze het sap
dronk, sloeg opeens die pijn toe. Het heeft ongeveer drie uur geduurd
voordat de dienstdoende huisarts kwam om haar morfine te geven. (Onze eigen
huisarts was die ochtend net uit de nachtdienst gekomen en sliep.) Ik weet
heel goed dat die uren voor Boukje veel erger waren dan voor mij. Ik weet
ook dat veel mensen veel vaker hebben moeten toezien hoe een partner of
ander geliefd persoon pijn leed, maar zulke uren hoop ik nooit meer door te
maken: volkomen machteloos toezien dat de persoon van wie je houdt zo veel
pijn heeft. Door de morfine viel ze gelukkig in slaap. In de loop van de
middag kwam Sjouk, die ook zou blijven slapen. Rond een uur of zes, ik zat
met Sjouk in de huiskamer, riep Boukje mijn naam uit de slaapkamer en ging
ik naar haar toe. Ze lachte en was blij. De pijn was weg. Ik heb uit de
videotheek een mooie romantische film gehaald waar ze samen met Sjouk in bed
naar gekeken heeft. Ik zat in de huiskamer, niet alleen omdat die film niets
voor mij was, ook omdat ze samen was met degene met wie ze al sinds hun
conceptie een zeer hechte band had en ik even niet nodig was. Dat laatste
had Boukje me niet gezegd, dat vond ik. Ze is blij gaan slapen. Ik durf
zelfs te zeggen: ze is gelukkig gaan slapen, omdat de twee mensen van
wie ze het meest hield, Sjouk en ik, dicht bij haar waren. Ze is niet meer
wakker geworden. De volgende dag is ze tijdens het bezoek van de huisarts,
die elke maandag even langskwam, overleden. Toen de huisarts kwam leefde ze
nog. Ik zat nog even met haar (de huisarts) te praten in de huiskamer. Ze
vroeg of er nog voldoende morfinepleisters waren. Ik ging kijken in de
slaapkamer. Boukje was overleden. Achteraf ben ik nog altijd blij dat Sjouk
er toen was. Niet alleen omdat ik in ieder geval niet in mijn eentje hoefde te
huilen, maar ook omdat ik het heel moeilijk gevonden zou hebben juist haar
via de telefoon te moeten vertellen dat Boukje er niet meer was.
Ik heb nog altijd geen afscheid genomen van Boukje en wil dat ook
helemaal niet. Ze is nog altijd een wezenlijk deel van mijn leven.
Alleen ergens van genieten of plezier hebben, alleen verdrietig zijn,
het was voor haar ondenkbaar. Ze wilde delen, vooral, maar zeker niet alleen,
met mij. Dat ik deze 'herinneringen' niet alleen heb opgeschreven, maar
ook met anderen deel, is helemaal te danken aan Boukje, van wie ik, ruim
tien jaar na haar overlijden, nog altijd leer; zelfs afgelopen vrijdagavond nog.
De foto hierboven zie ik elke dag. Ik heb hem verwerkt
in de 'desktop' van mijn pc. Hij maakt me soms blij, soms droevig. Sjouk
heeft een andere foto van Boukje in een collage verwerkt, waarnaast ik al
ruim tien jaar elke zaterdag een nieuwe roos zet.
Ik lees niet vaak gedichten, maar in een sonnet van William Shakespeare
wordt wel heel goed weergegeven wat ik nog altijd voel als ik aan
Boukje denk. Ik citeer hier de eerste twee en laatste zes regels.
Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate: (...)
But thy eternal summer shall not fade,
Nor lose possession of that fair thou ow'st,
Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou growest.
So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this and this gives life to thee
Zal ik je met een zomerdag vergelijken?
Veel zachter en veel zonniger ben jij.(...)
Jouw zomer zal voor eeuwig zomer blijven,
En nooit jouw pracht verloren laten gaan;
De dood zal jou niet in zijn schaduw krijgen,
Wanneer jij in mijn zinnen blijft bestaan.
Zolang er nog iemand leest en leeft,
Zolang leeft ook de zin die leven geeft.
(De hertaling is van Arie van der Krogt.)