Een van de laatste dingen die Boukje afgelopen zondag zei, was dat ik maandag een schone broek moest aantrekken. Ze wilde graag dat ik er een beetje leuk, althans presentabel, uitzag. Meestal hield ik me daar niet zo erg aan. Ik trok aan wat het meest voor de hand hing. Bouk werd niet boos, ze accepteerde mij en mijn eigenaardigheden. Ze pikte niet alles, maar ze pikte wat niet te vermijden was.

Twee jaar geleden, toen ze haar rechteroog kwijtraakte, was ze verdrietig, maar ze accepteerde het onvermijdelijke, "want", zei ze, "ik heb nog een oog." Iets meer dan twee maanden ge≠leden hoorde ze, vol≠komen onverwacht, dat ze niet lang meer zou leven. Ze was verdrietig, maar ze accepteerde het. Ze accepteerde dat ze ziek was, ongeneeslijk ziek. Wat ze niet accepteerde was: patiŽnt zijn, object van zorg. Zeer bewust nam ze het besluit: liever korter leven, maar met nog veel leuke en plezierige dingen en ervaringen, dan langer leven met een hoop narigheid.

Het klopt niet helemaal wat ik zeg, maar ik zeg het toch maar: de laatste twee maanden van haar leven waren, ondanks haar ziekte, voor Bouk onvergetelijk. Niet eens zo zeer om de dingen die ze deed: een dagje naar de Efteling, een middagje in een tuin, een wandeling hier vlakbij, een dagje op de boot, iets drinken op een terras in Kijkduin, een bezoekje aan een museum of galerie, een telefoongesprek of gewoon thuis of bij anderen wat praten. Voor Bouk werden al die dingen pas echt waardevol, als ze die kon doen samen met iemand van wie ze hield of die ze gewoon aardig vond. Ze wilde niet in haar eentje genieten of verdriet hebben, maar haar ervaringen, positieve en negatieve, met anderen delen. Ze vond het altijd jammer als ik niet toe kwam aan het lezen van een boek dat zij mooi vond. Dat was ook weer geen ramp, want er was altijd wel iemand anders die het gelezen had, of die graag met haar dezelfde film wilde zien, of naar hetzelfde museum wilde, of ook gewoon wilde winkelen.

Ruim 29 jaar hebben Bouk en ik veel samen gedaan en veel ervaringen gedeeld. We zijn getrouwd niet met de gedachte, dat we daardoor dus voor altijd heel gelukkig zouden zijn, maar met het vermoeden dat het best eens zou kunnen lukken. We hoefden niet bij elkaar te blijven voor de kinderen, want die hadden we niet, niet om materiŽle redenen en niet omdat het nu eenmaal zo hoorde. Het was ook niet altijd rozengeur en maneschijn. Eigenlijk pasten we helemaal niet bij elkaar. Ik heb wel eens gezegd dat we geen echtpaar waren, maar een discussiegroep. We konden het over van alles en nog wat totaal oneens zijn; daar praatten we dan over en na veel praten bleek dat we het nog volstrekt oneens waren. We hadden dan toch een gezamenlijke conclusie: "Wat dan nog?" We bleven het gezellig oneens, omdat we van ťťn ding over≠tuigd waren: we praten met elkaar zo lang we van elkaar houden en we houden van elkaar zo lang we met elkaar praten. We hebben tot de laatste dag met elkaar gepraat.

De laatste maanden waren niet makkelijk, maar ze waren wel draag≠ijk, vooral dankzij Bouk. Ze sloot niet de ogen voor de harde werkelijkheid, maar ze vond de werkelijkheid van vandaag belangrijker dan de werkelijkheid van morgen. De echte werkelijkheid was, dat ze, tot het laatste toe, kon samenleven en omgaan met mensen van wie ze hield en die van haar hielden. AI die mensen hebben er ook aan bijgedragen dat de laatste maanden, ondanks alles, mooie en waardevolle maan≠den waren. Ik ga niet hier iedereen persoonlijk bedanken voor de steun die zij of hij voor Bouk, en daardoor ook voor mij, geweest zijn. Bouk was daar heel dankbaar voor en ik zal dat blijven.

We zijn hier bedroefd bij elkaar, terecht bedroefd. Maar kort voor haar overlijden zei Bouk nog, dat het lied "Le moribond", "De stervende", van Jaques Brel haar eigenlijk wel aansprak. In dat lied zegt de ster≠vende: "Ik wil dat ze lachen, ik wil dat ze dansen, ik wil dat ze zich geweldig amuseren." In de geest van dat lied zou Bouk nu gezegd hebben: "Adieu, tous ensemble, je vous aimait bien. Vaarwel, allemaal, ik hield veel van jullie." Laten we ons haar zo blijven herinneren.

Den Haag, 2 augustus 1996