Copyright © Evert van Wijk 2008


Deel 1: Voorspel

1.

Het was liefde op het eerste gezicht. Het huis ligt ongeveer een kilometer buiten het dorp, een eindje van de smalle weg af, die een flauwe bocht maakt. Aan de overkant van de weg ligt landbouwgrond, aan onze kant een klein bosperceel. Van de weg af is het huis nauwelijks te zien door de meer dan manshoge haag die erom heen staat. Door de opening in de haag kon net onze auto. Het huis ligt in het midden van een vierkant grasveld van 64 bij 64 meter. Een grindpad hebben we vervangen door tegels en om het hele huis ligt nu een vier meter breed betegeld terras. Rondom het huis staan vier platanen.
Het grondoppervlak van het huis is 16 bij 16 meter met afgesneden hoeken, zodat een achthoek is ontstaan. Op de begane grond zijn twee kamers, een keuken en een badkamer/toilet. De bovenverdieping bestaat uit drie kamers en een hal met toilet.
Het huis was structureel goed, maar geruime tijd niet onderhouden. Er moest nog heel wat aan gebeuren, maar dat namen we graag voor lief. Voor Stef was het de ideale plaats om te werken, dat wil zeggen het schrijven van zijn tweede boek.
"Langs de weg voor het huis komt nauwelijks verkeer", had de makelaar ons verzekerd. Na een kilometer of twee loopt hij dood, als verharde weg dan. Eigenlijk komt er alleen af en toe een boer op zijn tractor langs. Een kleine tachtig jaar geleden had de wat excentrieke, ongetrouwde huisarts van het dorp het laten bouwen. Hij had ook de haag laten planten. De laatste eigenaar, een achterneef van die huisarts, had het nog gebruikt als vakantiewoning. De laatste vijf jaar had het ongebruikt leeggestaan. Geen dorpeling taalde ernaar, anderen vonden het net te ver, net te bouwvallig of net iets anders 'te'. De koopprijs was daarom niet geweldig hoog. De opknap- en inrichtingskosten kwamen op het dubbele uit. Het had iets goedkoper kunnen zijn, maar na veel aarzelen besloten we toch in de achtertuin een zwembad aan te laten leggen. Een bouwvallig schuurtje vervingen we door een garage. In het schuurtje lag nog allerlei oude rommel. Er lag een bewerkte plank waarvan een deel was afgebroken. Er waren letters in gesneden of gebeiteld: "SAAVE". Er zal wel meer op gestaan hebben. Misschien was het wel de naam die de huisarts aan het huis had gegeven. De opening in de haag lieten we iets verbreden. Er kwam geen hek in, maar eiken deuren. Uiteindelijk zag het er zo uit. plattegrond tuin en huis
Die huisarts moet iets met vierkanten gehad hebben. Die vier bomen staan ook precies op de diagonalen van het grote vierkant. Wij vonden het wel leuk dat vierkantidee vast te houden bij de aanleg van het zwembad en de garage, die beide precies tien bij tien zijn. We zijn geen van beiden tuiniers, dus het grasveld bleef helemaal grasveld. Iemand van een hoveniersbedrijf komt af toe het gras en de haag bijhouden.
We hadden het allemaal ook niet verwacht, maar het eerste boek van Stef was een geweldig succes. Het was in vijf talen vertaald. De uitgever had het een literaire thriller genoemd. Stef vond het best. Zelf zei hij dat hij met maar één ambitie aan het schrijven begonnen was: een lekker spannend verhaal schrijven. Twee jaar lang, we woonden toen nog in een simpel flatje in Amsterdam, zag ik hem alleen bij het eten en het naar bed gaan en opstaan. Elke avond, elk vrij uur in het weekend zat hij in zijn kamertje te schrijven en zich te ergeren aan de tram die met veel lawaai door de bocht ging en ander verkeerslawaai. Hij was de eerste om toe te geven dat zijn werk als leraar Engels onder zijn schrijfdrift leed. Hij was eerlijk genoeg om te erkennen dat hij veel te weinig aandacht aan mij besteedde. Hij deed één concessie: tijdens onze vakanties, de lange en de korte, ging er geen laptop en geen schrijfblok mee. Het enige schrijfgerei dat meeging zat in mijn tasje. Ik kon natuurlijk niet voorkomen dat hij af en toe dwars door me heen keek naar de avonturen van zijn hoofdpersoon, maar op de goede momenten had hij alle aandacht voor me.
Na de derde druk en de zekerheid dat er nog meer drukken zouden komen, wilde Stef meer aandacht aan het schrijven, meer aandacht aan het gewone dagelijks leven en vooral meer aandacht aan mij besteden. Voor het schrijven wilde hij vooral rust, stilte. Hij zegde zijn baan op en de weekends besteedden we samen aan het rijden door allerlei delen van het land, nadat we makelaarssites op het internet afgestroopt hadden. We zagen veel mooie en leuke huizen, maar altijd ontbrak dat ene essentiële element: stilte, gegarandeerde stilte, of de prijs was ook voor ons te hoog. We moesten er ook rekening mee houden dat ik nog een paar jaar zonder onderbreking wilde doorwerken en dat ik, als het even kon, op de fiets naar mijn werk wilde gaan. In het dorp zo'n acht kilometer van ons dorp vandaan kon ik op de enige basisschool daar meteen beginnen in groep vijf en zes.
Stef gaat altijd methodisch te werk. Hij staat vóór mij op en maakt het ontbijt. Hij fietst met me mee naar mijn werk en doet op de terugweg de boodschappen. Als het een keer heel slecht weer is brengt en haalt hij me met de auto. Zodra hij thuis is gaat hij aan het werk tot precies vier uur. Dan doet hij alle voorbereidingen voor het eten. Tegen vijf uur ben ik meestal wel thuis. We hebben alle tijd om met elkaar te praten over de gewone dagelijkse beslommeringen en over belangrijkere zaken. Ik mag altijd lezen wat hij geschreven heeft, maar ik mag er nog geen enkele mening over geven. Dat mag pas als hij er mee klaar is. Bij het eerste boek ging het precies zo en dat heeft tot aardig wat wijzigingen geleid. Ik was dan ook behoorlijk trots dat op de titelpagina "Voor Annet" stond. Ik vroeg wat er dan in zijn tweede boek kwam te staan. Dat vond hij nogal duidelijk: "Voor Katrien", mijn tweede naam.
"En je zesde boek dan?" Mijn ouders hadden niet meer dan twee grootmoeders en drie tantes te vernoemen.
"Tijd zat om daar goed over na te denken", vond hij.

2.

Een voordeel van ons huis is dat we altijd kunnen kiezen tussen in de zon of in de schaduw zitten. We zitten dus heel vaak buiten een glaasje te drinken voor het eten. De eerste keer dat we dat deden, een mooie dag in mei, zei Stef: "Ik voel me een vuige kapitalist als ik hier zo zit. Mijn ouders hebben zich van alles ontzegd om mij leraar te laten worden. Ze zitten nog steeds zuinig te doen in hun flatje in Osdorp. Mag ik nog zeggen dat ik een beetje links ben?"
Ik zei dat hij onzin zat te praten. Hij was er nooit op uit geweest om vreselijk rijk te worden, maar het geld dat bij bakken binnenkwam, kwam op een heel eerlijke manier binnen en hij zat niet één keer per jaar allerlei aftrekposten bij elkaar te verzinnen. Bovendien had hij heel veel mensen een paar plezierige, ontspannende uren bezorgd met zijn boek en met zijn volgende boek zou het vast weer zo gaan. Ik vond het tenminste weer heel spannend.
"Ging het goed met Katrien vandaag?" Hij had nog geen titel voor zijn nieuwe boek, dus we hadden het altijd over Katrien.
"Nee. Het is net als bij nummer één. Ik weet het eind al, maar ik weet nog niet precies hoe ik het tot dat eind spannend moet houden."
Ik vroeg of ik een inhoudelijke opmerking mocht maken, geen mening, een opmerking. "Ik zal echt niet zeggen wat ik ervan vind." Hij vond het goed.
"Katrien is romantischer dan nummer één. Die vrouw die er nogal vaak in voorkomt zou je bijna een tweede hoofdpersoon kunnen noemen. Heb je dat bewust gedaan? Wil je meer vrouwelijke lezers of zo? Wil de uitgever dat?"
"Ik ben er niet bewust mee begonnen. Ik begon haar na een tijdje aardig te vinden, zoiets was het. Ze gedraagt zich, zeker in het begin, als een bitch, maar dat is ze in feite niet. Ik heb vandaag ook hevig zitten denken of hij en zij elkaar echt aardig moeten gaan vinden. Dat kan nu nog alle kanten op."
"Heb je enig idee hoe ze eruit ziet?"
"Fraaie vormen. Ze zou je tweelingzuster kunnen zijn."
"Je gaat me toch niet vertellen dat je me lief ging vinden, hoewel ik als een bitch overkwam?"
"Je vroeg hoe ze eruit zag, niet wat haar karakter was. Ik vond je lief vanaf het moment dat ik je zag. Dat weet je."
Daar moest ik hem gelijk in geven. Mijn ouders hebben een kampeerboerderij. Er kunnen een stuk of tien tenten staan. Zeven jaar geleden was hij in zijn eentje, in de meivakantie, een weekje door Nederland aan het fietsen. Zijn toenmalige vriendin had hem net de bons gegeven. Hij was op een dinsdag aangekomen, vond de camping en de omgeving leuk en besloot een paar dagen te blijven staan en van daar uit rond te fietsen. Ik was net twintig, was aan mijn eerste baan bezig en woonde op een flatje in Amsterdam. Ik had op dat moment geen vriendje en ook nog nooit een echt serieus vriendje gehad. Het weekend ging ik nog vaak naar mijn ouders en toen was ik ook op vrijdagavond gekomen.
De volgende ochtend wilde hij melk en kaas hebben. Dat verkopen mijn ouders ook. Een schuurtje hebben ze als een soort winkeltje ingericht. Als ik er toch was ging ik 's morgens in dat winkeltje staan, zodat mijn ouders weer eens konden uitslapen. Stef was de eerste klant. Ik gaf hem zijn halve liter melk en stuk kaas en hij betaalde. Hij liep naar de deur en bedacht zich toen.
"Werk je hier altijd of alleen in de weekends?" vroeg hij.
"Af en toe in de weekends."
"Als het druk wordt of zo."
"Nee, als ik hier toch ben mogen mijn ouders uitslapen."
"O, op die manier. Aardig van je." Daarna ging hij weg.
's Zondagsmorgens kwam hij weer een halve liter melk halen en weer een stuk kaas. Ik vroeg of hij dat stuk van zaterdag al helemaal op had. Dat bracht hem enigszins in verwarring en hij had niet meteen een antwoord. Op dat moment kwamen er andere mensen binnen en ging hij weg met alleen melk.
Het was die dag mooi weer dus ik ging 's middags in mijn bikini in de zon zitten. Ik zag hem voor zijn tentje liggen lezen in een zwembroek. Ook van een afstandje zag hij er leuk uit. Ik ga niet zo methodisch te werk als Stef. Ik ben wat impulsiever. Ik ging dus naar hem toe en bij hem in het gras zitten.
"Je bent je kaas vergeten vanochtend", zei ik.
Hij moest lachen. "Ik hoefde geen kaas. Dat had jij ook wel door. Ik wou nog even met je praten."
"Praat maar een eind weg", zei ik.
We waren er al gauw achter dat we zo'n beetje hetzelfde beroep uitoefenden, allebei in Amsterdam woonden, vijf jaar in leeftijd verschilden en geen relatie hadden. Drie maanden later vonden we onze relatie goed genoeg om in zijn flat te gaan samenwonen. In de eerste week vroeg ik hem wat hij gedaan zou hebben als ik die zondag niet naar hem toe was gekomen.
"Ik lag niet te lezen. Ik lag vreselijk na te denken. Dat was ineens niet meer nodig."

3.

We wonen wel wat afgelegen, maar we sluiten ons niet af. Het dorp heeft één kroeg, Café Landrust, maar niemand zegt ooit dat hij naar "Landrust" gaat. Je gaat naar "Adrie". Zo heet de uitbater, die zowel de kroeg als de naam van zijn vader en grootvader heeft. We gaan zeker één keer in de veertien dagen op vrijdag- of zaterdagavond naar Adrie. Het is geen echt eetcafé, maar ze hebben altijd goede patat, een goede salade en een keuze uit kip, biefstuk of een karbonade. Als Adrie er weer eens zin in heeft maakt hij een geweldige saté.
De tweede keer dat we er waren kwam een vrouw op ons af. "Volgens mij bent u Stef van Aarden, de schrijver." Op de achterkant van nummer één staat een duidelijke foto van Stef, dus hij kon het niet ontkennen.
"Geweldig boek", zei ze. "Ik heb het al twee keer gelezen. Weet u wat ik leuk zou vinden?"
"Mijn handtekening", zei Stef berustend. Hij weigert naar signeersessies te gaan, maar als iemand het hem zo rechtstreeks vraagt wil hij niet weigeren.
"Ik woon om de hoek", zei de vrouw. "Ik ga het halen."
Ze was in een paar minuten terug. Ik had intussen het Post-it blokje uit mijn tas gehaald. Stef zette zijn handtekening op een velletje en plakte het op de titelpagina.
De vrouw was uiteraard verwonderd. "Waarom doet u dat zo?"
"In de eerste plaats", zei Stef, "houd ik niet van het schrijven in boeken. In de tweede plaats wil ik niet dat mijn boeken ook maar een cent meer waard worden alleen omdat mijn handtekening erin staat. In de derde plaats vindt u het over een tijdje misschien toch niet zo goed, of u vindt mijn tweede boek waardeloos. Dan kunt u de handtekening heel makkelijk verwijderen. Wilt u iets van ons drinken? Dit is Annet, mijn vrouw."
De vrouw zei dat ze Ans heette en hoewel ze over die handtekening duidelijk een beetje teleurgesteld was, werd het toch een leuk gesprek. Al gauw wisten ook de andere gasten dat er een bekende schrijver in hun dorp was komen wonen. Nadat we nog een paar keer geweest waren was het nieuwtje er wel vanaf en waren we niet meer dan gewone stamgasten en hadden de andere stamgasten door dat bekende schrijvers net gewone mensen zijn die na diverse biertjes en diverse glazen wijn ook vaak een plasje moeten doen. We waren de enige 'import' in het dorp in lange tijd en werden probleemloos geaccepteerd, al kwamen we er eigenlijk alleen voor de kroeg. De dichtstbijzijnde supermarkt is in het dorp waar ik werk. Geen van mijn collega's woont daar en behalve voor mijn werk en de boodschappen komen we er dan ook nooit. De enige die we daar kennen is de man van het hoveniersbedrijf.
Toen we zo'n half jaar in ons huis woonden werd in een boerderij een eindje buiten het dorp, aan de andere kant, 's avonds laat ingebroken. De boer werd mishandeld, zijn vrouw verkracht. Dat zette ons toch wel aan het denken over ons idyllische plekje. We hadden het wel eens over zoiets gehad, als ver verwijderde mogelijkheid. Ik had toen gezegd dat ik toch nooit alleen thuis was. Samen thuis zijn bleek geen garantie voor veiligheid werd ons duidelijk.
Stef liet er geen gras over groeien. Hij nam nog diezelfde week contact op met een veiligheidsbedrijf. Twee maanden later zei ik: "Dit huis heeft geen naam. Zullen we het 'Ons fortje' noemen?"
Het was natuurlijk helemaal geen onneembaar fort geworden, maar wat we konden doen om het wat veiliger te maken, hadden we gedaan. Ook dat veiliger was nog een relatief begrip zei de man van het bedrijf ons. "U moet altijd beseffen dat wat wij aangebracht hebben niet meer doet dan waarschuwen. Als het goed is heeft u de tijd om 112 te bellen, u te verschansen en iets te pakken waarmee u zich wat beter kunt verdedigen. De praktijk leert dat plotselinge verlichting en het geluid van het alarmsysteem de meeste inbrekers afschrikken. De camera's laten zien waar ze zich bevinden."
De lampen en de camera's hangen in de bomen aan de vier zijden van het huis. We hebben een monitor in de hal en een in de slaapkamer. Ook bij de ingang, aan de buitenkant, hangt een camera, zodat we kunnen zien wie er aanbelt. Op verschillende plekken in de haag waren ook sensoren aangebracht.
De eerste zomer dat wij er woonden gingen we niet op vakantie. We voelden ons al op vakantie. Stefs en mijn ouders kwamen een keer langs en diverse vrienden uit Amsterdam. Het was een warme zomer en ons zwembad viel dus zeer in de smaak. Onze beste vrienden bleven een paar dagen. Hij is een ex-collega van Stef, zij werkt ook in het onderwijs, maar bij een andere school. Toen we nog in Amsterdam woonden, fietsten we in weekends wel eens met ons vieren naar het Twiske, omdat daar een plek is waar je bloot in de zon mag liggen. Ze wilden na een fietstocht wel het zwembad induiken.
Anneke riep: "Stom, ik heb geen zwemkleren meegenomen."
Ik kon natuurlijk een lang verhaal houden, maar een praktische demonstratie leek me duidelijker. Ik trok mijn kleren uit en dook het water in. De anderen doken me al snel na. Anneke kwam naar me toe.
"Ik ben echt stom. Er komt hier geen hond langs en als er al een langs komt, ziet hij nog niets. Jullie doen dit natuurlijk altijd. Vandaar dat je helemaal mooi bruin bent." Bij de borrel op het terras zei ze: "Henk, ik wil ook een huisje op het platteland waar je in je nakie in de zon een glaasje wijn kunt drinken."
Henk zei dat als hij moest kiezen hij toch de voorkeur gaf aan het op elk gewenst moment in korte broek door Amsterdam te wandelen.

4.

Het was de laatste zomerse dag van het jaar. Dat wist ik toen nog niet, ik wist alleen dat het lekker weer was. Met een licht windje in de rug fietste ik rustig naar huis. Stef zat op het terras aan de zijkant voor de open deuren van de woonkamer. Er stond een pilsje op het tafeltje. Dat was ongewoon, hij begon nooit te drinken voor ik thuis was. Aan zijn houding kon ik zien dat hij zich niet happy voelde.
Ik zette niet eerst mijn fiets weg, maar liet die in het gras vallen. Ik gaf Stef een zoen en ging bij hem zitten. "Zeg het maar, Stef. Ruzie met Katrien?"
Er kon in ieder geval een glimlachje van af. "Zo zou je het kunnen zeggen, ja. Wil je wijn?"
"Schenk maar in en pak een handdoek. Ik neem even een duik."
Stef wachtte bij de rand van het zwembad en droogde me af. We gingen weer zitten en ik nam mijn eerste slok. "Wat is er met Katrien?"
Hij dacht nog wat na. "Ik had niet moeten zeggen dat Petra, die vrouw, op jou lijkt. Als ik nu over haar wil schrijven, zie ik steeds jou voor me."
Ik probeerde het nog luchtig te houden. "Je ziet me nu ook voor je, helemaal naturel. Is dat storend?"
"Dat is helemaal niet storend, dat weet je ook wel."
"Wat is dan wel het probleem?"
"Ik heb je verteld dat ik zat na te denken of ik die twee elkaar aardig zou gaan laten vinden. Het leek me wel interessant het die kant op te laten gaan. Hij, Lex dus, begint door te krijgen, om te beginnen, dat ze er heel aantrekkelijk uitziet. Dan moet je de lezers laten weten wat hij dan wel zo aantrekkelijk vindt. Dan verschijn jij dus in beeld."
"Dan zou je toch een bijna lyrische beschrijving kunnen geven?" Ik stond op en liet de handdoek die ik nog om mijn schouders had op de grond vallen. "Dit vond je helemaal in het begin al mooi en toen zat er nog een bikini om heen."
"Ga maar weer zitten, lieverd. Daar zit precies het probleem. Als ik dat ga beschrijven zie ik jou niet meer. Dan zie ik alleen maar een reeks buitengewoon fraaie onderdelen. Ik voel me een voyeur, alsof ik binnen naar een monitor zit te kijken terwijl jij je buiten uitkleedt en naar het zwembad loopt. Begrijp je een beetje wat ik bedoel?"
Ik hoefde niet zo lang na te denken. "Dat is lief van je, Stef. Je wilt niet dat ik niet meer dan een lekker lichaam voor je wordt, een lustobject om het nog wat erger te maken. Dat weet ik toch?"
"Ja, dat weet je en dat weet ik, maar ik ben bang dat als ik je ga beschrijven dat al het andere wat jij ook bent op de achtergrond raakt. Ik heb geprobeerd om aan eerdere vriendinnetjes te denken. Dat vond ik ook niet eerlijk."
"Nou, als ik dan die Petra ben, dan ben jij die Lex, die haar duidelijk weet te maken, na nog wat spannende dingen, dat ze meer voor jou is gaan betekenen dan alleen maar een mooi lichaam."
"Nee, zo werkt het niet, bij mij niet tenminste. Ik ben alleen maar de verteller, een buitenstaander."
"Weet je wat we doen?" zei ik. "We laten het even rusten. Ik ga deze aantrekkelijke vormen verhullen. We wandelen naar het dorp en we gaan ons te buiten aan bier, patat, biefstuk en wijn. Misschien zit alles wel mee en heeft Adrie weer eens saté gemaakt."
Het zat inderdaad mee. We gingen aan de bar zitten en Adrie zei: "Als jullie saté willen, moet je het nu zeggen, want ik ben er al bijna doorheen. Je mag rustig eerst nog een pilsje nemen of meer, dan zeg ik wel dat jullie je portie gereserveerd hebben."
Dat leek ons een goed plan. We wilden toch nog wel wat ongestoord doorpraten, dus we gingen aan een tafeltje zitten. Bij Adrie is het een ongeschreven regel dat twee mensen aan een tweepersoons tafeltje niet gestoord worden.
Tijdens de wandeling hadden we niet veel gezegd. Ik had lopen nadenken.
"Zou het anders zijn," vroeg ik, "als je geen thriller schreef, maar een gewone roman, over intermenselijke verhoudingen, zeg maar? Nu is de verhouding tussen die twee een zijlijntje, dat ook weer niet teveel van de hoofdlijn mag afleiden. Op die relatie kun je niet al teveel ingaan, dus houd je het letterlijk bij de oppervlakte."
"Een zijlijntje moet je ook netjes afwikkelen. De lezer moet zich aan het eind niet hoeven af te vragen wat hij nou precies gedaan heeft met die fraaie borsten."
"Hij laat zich niet afleiden van zijn opdracht en ziet haar ranke gestalte tegen de achtergrond van de ondergaande zon in de verte verdwijnen. 'Zal ik haar ooit weerzien?' vroeg hij zich af. The end."
"Ja, ik kan als tussendoortje iets voor de Boeketreeks gaan schrijven."
"Is het al duidelijk of ze bij de good guys of de bad guys behoort?"
"Voor mij wel, in het verhaal nog niet. Dat is nog niet zo ver."
"OK, wilde gok. Hij is eigenlijk behoorlijk verliefd op haar, maar ze hoort inderdaad bij de bad guys. Zit daar een deel van het probleem? Die mooie vrouw die jij voortdurend voor ogen hebt behoort helemaal niet tot de bad guys."
Stef stond op en liep naar de bar om de saté te bestellen en nog twee pilsjes te halen. Hij wilde ook nog wat nadenken, wist ik.
"Je sloeg de spijker op zijn kop", zei hij. "Ik laat haar, denk ik, maar gewoon de bitch blijven die ze in het begin was. Hij vindt hoogstens dat ze wel een goed figuur heeft. Dan hoef ik niets te beschrijven. Geen romantiek. Dat is niet mijn sterkste punt."
"In het gewone leven wel, hoor", zei ik.

5.

Het werd laat die avond, maar we konden de volgende ochtend uitslapen. We dronken onze koffie aan de stamtafel, waar we ons door anderen konden laten afleiden. Ans was er ook en vroeg wanneer Stefs tweede boek zou uitkomen. Dat vraagt ze vrijwel elke keer als we haar ontmoeten en dat begon zo langzamerhand te irriteren. We zagen haar nooit met een man komen of gaan, ook niet met een vrouw trouwens. Ze is een jaar of veertig. Ze is geen uitgesproken schoonheid, maar ook zeker geen potje waarop geen dekseltje zou passen. Ze is ook niet dom, want aan die stamtafel kan ze over heel wat dingen meepraten zonder uit haar nek te kletsen. Ze heeft alleen iets opdringerigs. Ze wil aandacht. Ik kan me voorstellen dat een relatie op een voor haar vervelende manier is beëindigd en dat ze op één of andere manier wil laten zien dat ze best de moeite waard is. Als ze wat minder hard haar best doet zou dat best kunnen lukken. Ik ga niet zeggen dat alle mannen alleen maar de vrouw willen hebben waar ze achteraan gejaagd hebben, maar de meeste hoeven ook geen prooi die zichzelf komt aanbieden.
Stef riep maar weer eens dat het de ene dag vlotter liep dan de andere, maar dat Katrien bij de eerstkomende Boekenweek zeker in de boekhandels zou liggen.
"Gaat het Katrien heten?" wilde Ans weten.
Ik wilde voorkomen dat Stef zou vertellen waar Katrien vandaan kwam. Hij is geneigd om op vragen het juiste antwoord te geven. Ik zei dus gauw dat er nog geen titel was en dat Katrien een werktitel was. Waarschijnlijk zouden wij het onder elkaar zo blijven noemen, zoals we het ook altijd over nummer één hebben en niet over "Ongenode gasten", zoals nummer één echt heet. Toen hij het manuscript naar een uitgever had gestuurd zei hij: "Let maar eens op, dat wordt nummer één in de top tien." Dat bleek later te kloppen.
Aan de stamtafel ontspon zich een hevige discussie over soaps en andere tv-programma's. Het ene woord haalde het andere drankje uit en het was bijna half één toen we besloten maar eens naar huis te gaan.
Het bleek te regenen, niet hard, maar we hadden geen jassen aan en aan een paraplu hadden we ook niet gedacht. Het was nog steeds niet koud dus we liepen gewoon de regen in. Stef probeerde nog "Singing in the rain" te zingen, maar toonvastheid is zeker niet een van zijn sterke kanten.
We waren een meter of tweehonderd op weg, toen er autolichten om de bocht verschenen. Dat was vreemd, want het enige huis aan de weg is het onze. De enige zijwegen zijn landweggetjes die alleen de boeren gebruiken. Ik ging nog wat dichter tegen Stef aan lopen. Hij sloeg een arm om mijn schouders. De auto minderde vaart en stopte. Er werd een raampje opengedraaid. Er staan maar een paar lantaarns langs de weg en niet op het punt waar wij stonden. In de auto ging ook geen lichtje aan. Ik zag niet veel meer dan dat het twee mannen waren.
"Kunt u ons misschien helpen?" vroeg de man achter het stuur. "We zijn een beetje verkeerd gereden, geloof ik. Deze weg loopt dood."
Stef vroeg waar ze moesten zijn. Dat bleek het andere dorp te zijn. Stef vertelde hoe ze moesten rijden. De man bedankte hem en ze reden door.
"Hoe kun je nou verkeerd rijden met zo'n gps-ding in je auto?" vroeg ik Stef. "En wat moet je om deze tijd in dat dorp als je er in ieder geval niet woont?"
"Zo'n gps-ding kan ook wel eens gestoord raken, daarom zijn ze verkeerd gereden en daarom komen ze op een wat vreemd tijdstip bij vrienden of familie aan. Ze waren misschien toch al verlaat door een file."
"En toevallig hadden ze geen mobieltje bij zich om vrienden of familie te bellen waar ze zouden kunnen zitten en hoe ze moesten rijden."
Een van de weinige lantaarns langs de weg staat tegenover ons huis. In het natte gras waren duidelijk bandensporen te zien. Het was zeer onwaarschijnlijk dat er diezelfde avond nog een andere auto langs onze weg had gereden. Ik vond het niet leuk en dat zei ik tegen Stef.
"Ze hebben hier even stil gestaan om op de kaart te kijken. Ons huis is het enige herkenningspunt langs deze weg. Er is niets van voetafdrukken te zien."
Daar zat wel iets in. De houten deuren zaten gewoon op slot. We waren inmiddels doornat, tot op onze huid. Ik kreeg een idee. Ik trok Stef mee langs het huis tot bij het zwembad, duwde hem erin en sprong hem achterna. In het water trokken we de kleren van elkaars lijf en deden we nog wat plezierige dingen. We droogden ons af in de badkamer. Stef zei dat hij helemaal door zijn slaap heen was en nog een cognacje nam. Ik wilde wel meedoen.
We praatten nog wat na over die avond. "Wat vind jij van Ans?" vroeg Stef.
Dat vertelde ik hem. "Misschien valt ze gewoon op jonge kerels", zei ik er nog bij. "Voor een man van begin dertig zie je er nog best goed uit viel me net bij het zwembad weer eens op. Ze houdt vast ook van dat viriele, atletische type."
"Of ze houdt van rondborstige jonge meiden die zich verkwanseld hebben aan een succesvolle jonge schrijver."
"Drink je glas maar leeg, kunnen we gaan slapen."

6.

's Zaterdags gingen we samen met de auto boodschappen doen. Dat doen we een enkele keer als we weer een voorraadje wijn en bier in huis willen halen, die Stef liever niet bij het dagelijks boodschappen doen in zijn fietstas meezeult. Het regende weer een beetje. Bij thuiskomst pakte ik de paraplu en deed de deuren open. Tegen Stef zei ik: "Kijk even op die monitor in de hal of je me ziet staan."
"Waarom dat?"
"Ik wil zeker weten dat er niet met die camera geknoeid is."
Een paar minuten later riep hij door de intercom: "Onder die paraplu zie je er net zo beeldschoon uit als altijd."
Ik beperkte me tot: "Slijmbal!"
De rest van de middag besteedden we aan huishoudelijk werk. Stef bracht het tuinmeubilair naar de garage. Ik deed de was in de wasmachine. Stef deed de was in de droogtrommel. Ik lapte wat ramen aan de binnenkant, Stef aan de buitenkant. Samen haalden we de was uit de droogtrommel om die over de diverse kasten en laden te verdelen. Daarna pakten we ieder ons eigen boek.
Sinds Stef fulltime schrijver was waren de weekends en de avonden "voor ons". Dat betekent niet dat we voortdurend tegen elkaar aan zitten te klitten. Het betekent niet meer dan dat hij dan niet schrijft. Tijdens mijn schoolvakanties schrijft hij overdag gewoon door. Dan moet ik hem ook niet storen. Hij beschouwt zichzelf als iemand met een vijfdaagse werkweek, vier vakantieweken en een stel snipperdagen.
"Ik ben geen gedreven schrijver die een boodschap wil uitdragen", heeft hij een keer gezegd. "Ik ben geen kunstenaar. Ik kan toevallig een spannend verhaal schrijven waar zoveel mensen geld voor willen neerleggen dat wij dit alleraardigste optrekje konden aanschaffen. Als ik schrijf ben ik gewoon aan het werk. Ik geef direct toe dat ik mijn snipperdagen niet tel. Als jij in de herfstvakantie naar Parijs wil en in de voorjaarsvakantie naar Londen en je wilt graag dat ik meega, ga ik niet kijken of ik nog wel vrije dagen heb. Het heeft zich nog niet voorgedaan, maar het zou best kunnen dat ik een keer zeg dat je maar met iemand anders moet gaan, omdat ik net heel goed op dreef ben."
Voor de zomervakantie zitten we natuurlijk aan de schoolvakantie vast, maar dat is niet zo'n probleem. Voor twee fietsen en een klein tentje is altijd wel ergens een plekje te vinden, zeker in Engeland of Frankrijk.
Om een uur of vijf, we hadden net wat ingeschonken, ging de telefoon. Ik zat er het dichtst bij, pakte hem op en riep: "Met Annet." Aan de andere kant werd niets gezegd. Ik zei ook niets. Op de achtergrond hoorde ik muziek, waarschijnlijk een radio. Stef keek vragend naar me toen ik maar steeds niet zei. Ik deed mijn hand ervoor en zei dat de andere kant niets zei. "Breek dan af", zei Stef.
"Kijken wie het het langst volhoudt. Zij betalen."
Zij, wie het ook waren of was, braken na ruim een minuut af.
"Dat was niet zomaar verkeerd verbonden", zei ik. "Beleefde mensen verontschuldigen zich. Onbeleefde mensen breken zonder wat te zeggen af. Wat voor mensen zeggen een hele tijd niets?"
Stef kwam naast me op de bank zitten. "Maakt het je bang of zo?"
"Ik weet het nog niet. Vannacht twee mannen in een auto die hier op die tijd niets te zoeken hebben. Nu dat telefoontje. Is dat puur toeval? Wilden ze weten of we thuis waren?"
"Lieverd, wat valt hier nou te halen? We hebben geen bijzondere kunstwerken of zo. Ze komen niet helemaal hierheen om alleen een tv of computer te jatten."
"Misschien komen ze wel helemaal hierheen om een vrouw te verkrachten, nadat ze eerst de man goed in elkaar hebben geslagen. Weet je nog?"
"Van die mensen wist het hele dorp dat ze nogal wat antiek in huis hadden."
"Het hele dorp weet dat hier een aantrekkelijke jonge vrouw woont. Dat durf ik best van mezelf te zeggen. Weet jij of hier de afgelopen zomer niet mensen door de haag hebben staan loeren terwijl wij hier vrolijk en nietsvermoedend in ons blootje rondliepen? Ik vind het hier heerlijk en ik wil het hier, verdomme, heerlijk blijven vinden."
Stef zij een tijdje niets. Hij hield me alleen maar vast.
"We hebben alle voorzorgen genomen die we konden nemen, Annet. In Amsterdam zouden we allerlei andere gevaren lopen. Denk alleen maar aan het verkeer."
Hij had gelijk natuurlijk. Nergens kun je risicoloos leven. Ik heb ook nog het geluk dat ik zelden of nooit alleen thuis ben. Ik loop meer kans op aanranding als ik van school naar huis fiets langs ook niet zo'n drukke weg, waar hier en daar bosjes lang staan. Bovendien zat ik me waarschijnlijk onnodig allerlei enge dingen in het hoofd te halen, waren het gewoon twee mannen die de weg kwijt waren en een puber die een willekeurig nummer op zijn mobieltje had ingetoetst.
"OK, ridder Stef, stijg op je witte paard en rijd in de richting van de wijnfles. Als het glas weer leeg is zal deze schone maagd opnieuw laten zien dat zij ook wel een beetje kan koken."
Stef moest het laatste woord hebben. "Dat schoon, daar kan ik me iets bij voorstellen. Dat maagd zegt me niets. Je zal voor mijn tijd wel eens met een schildknaapje gespeeld hebben."

7.

In november liet Stef Katrien, geheel volgroeid, definitief van zijn harde schijf verhuizen naar haar eigen woning: een cd-rom. Op de harde schijf zou haar plaats worden ingenomen, daar gingen we tenminste vanuit, door Elise. We hebben nog heel wat afgepraat over de relatie Petra-Lex. Stef wilde toch de overgang van bitch naar "toch wel aardig" en misschien zelfs "heel erg aardig" niet zomaar opgeven. Daarmee kon ze ook de overstap van bad guys naar good guys maken. Dat paste beter in het verhaal. Na een week of twee kon hij ook over Petra schrijven zonder dat mijn ranke gestalte steeds schoof voor de ranke gestalte waar Lex met steeds meer plezier naar keek.
Er was nog één klein probleempje. "Hoever laat ik ze gaan?" vroeg Stef.
"Je bedoelt," zei ik, "doen ze 'het' of wordt er alleen gezoend, al of niet hartstochtelijk?"
"Precies. Geen moderne lezer zal geschokt zijn als ze 'het' doen, maar dan kom ik bij de volgende vraag: hoe ver gaat Stef van Aarden in de beschrijving van wat zich bij 'het' afspeelt? Ik hoef ook niet in de recensies te lezen dat Stef van Aarden nu ook een gezonde portie seks in zijn overigens zeer spannende verhaal verwerkt heeft."
Ik zei dat ik best over seks wilde lezen, maar dat wat mij betreft niet iedere handeling minutieus beschreven hoefde te worden. "Je moet suggereren, dan kunnen de lezers het geheel naar eigen wens en voorkeur invullen."
Daarna ging het als een trein. Ik had er vrede mee dat hij één hele zondag in zijn schrijfhok zat, want daarna mocht ik commentaar leveren. Ik had aanzienlijk minder commentaar dan bij nummer één. Ik moest hem er wel op wijzen dat sentimenteel heel wat anders is dan romantisch en dat verliefde vrouwen net als verliefde mannen ook hun hersens gewoon kunnen laten doorwerken. "En wat het suggereren betreft ..." Ik liet hem even in spanning afwachten. "Die scène in het voorlaatste hoofdstuk, waarin zij naar zijn kantoor komt voor het maken van definitieve afspraken? Die scène wil ik nu best even helemaal invullen."
Stef maakte een afspraak met de uitgever om de cd-rom op zaterdag zelf te brengen. Ik wilde ook wel weer een keer naar Amsterdam. We gingen met de trein. We hadden in een café op het Leidseplein afgesproken en zouden daarna met de uitgever ergens gaan eten. Ongecorrigeerde stukken had Stef al eerder aan de uitgever gestuurd per e-mail, zodat die zich vast een oordeel kon vormen.
Het eerste wat Ad, de uitgever, vroeg, was wie Katrien was. Hij wist dat Stef met ene Annet getrouwd was, maar had mij nog niet eerder gezien.
"Dit is Katrien", zei Stef."
"Ik dacht dat je net Annet zei."
We hielpen hem uit de droom en Stef vertelde Ad dat ik de titel, "De Tweede Gast", had bedacht. Ik voegde eraan toe dat naar ons idee - "Jouw idee", zei Stef - het volgende boek ook 'gast' in de titel moest hebben. De verhalen hadden wel niets met elkaar te maken, maar als Katrien net zo'n succes was als nummer één, zou het publiek gaan uitkijken naar een derde 'gast'.
Stef legde uit wat ik met Katrien en nummer één bedoelde en daarna zei Ad dat hij al had willen zeggen dat hij dat gastenidee heel goed vond. Over het verhaal was hij zeer enthousiast. "Dat gaat weer als warme broodjes over de toonbank", verzekerde hij ons. We gingen niet al te laat eten, want we wilden de trein terug niet missen.
Van het station naar huis was met de auto, die bij het station stond, nog twintig minuten. Ik sliep al half, maar was klaarwakker toen Stef vrij abrupt stopte. We waren net de laatste bocht om. De lichten in de tuin waren aan! We konden het alarm horen. Stef pakte zijn mobieltje en belde 112. Hij vertelde wat er aan de hand was en waar. Hij luisterde nog even en zei: "OK!" Daarna zette hij zijn mobieltje uit.
"Wat zeiden ze?" vroeg ik.
"Niet meer doen dan kijken en in de auto blijven zitten. Zo nodig wegrijden. Niet flink en dapper doen. Ze zijn er met een minuut of tien."
Het waren tien heel lange minuten. De politiewagen stopte naast ons. Stef gaf één van de twee agenten de sleutels. Zij lieten hun wagen staan en liepen naar het huis, een van hen maakte het hek open. De andere liep buitenom naar de achterkant. Ongeveer vijf minuten later kwam de andere tevoorschijn. Hij ging ook de tuin in. Weer vijf minuten later kwam een van hen naar buiten en wenkte ons. We reden de tuin in, gingen naar binnen en zetten het alarm af. De agenten kwamen ook binnen.
Stef pakte de cognacfles en glazen. Ik schonk voor de agenten glazen fris in. Ze vertelden dat er niets bijzonders te zien was. Er was niets beschadigd en er was dus niet ingebroken. Het was heel goed mogelijk dat een dier, konijn, egel, haas, het alarm had doen afgaan.
Stef zei dat de sensoren in de haag een meter boven de grond zaten, juist vanwege dieren.
"Het is allemaal gevoelige apparatuur, meneer", zei een van de agenten. "We maken vaker mee dat het om onduidelijke redenen in werking treedt. We kunnen morgen als het licht is nog terugkomen om te zien of we sporen vinden."
Ik zei dat ik dat wel fijn zou vinden. Ze zouden er om een uur of negen zijn. We bedankten ze en ze vertrokken. We dronken onze cognacjes en gingen naar bed. Ik vroeg Stef wel of hij in ieder geval alle lichten handmatig weer wilde aanzetten. Dat gaf me een toch iets veiliger gevoel. Erg goed geslapen heb ik die nacht niet.

8.

Het sporenonderzoek door de politie leverde niets op. De apparatuur gaf aan dat het alarm net voor half twaalf was afgegaan, een kwartiertje voor we thuiskwamen. Ik zat me af te vragen of dat nou weer toeval was. Stef zei dat niemand kon weten hoe laat we thuis zouden komen. Daar had hij natuurlijk gelijk in.
De daarop volgende maanden ging het leven zijn gewone gangetje. Er gebeurde niets bijzonders. Stef was al weer druk bezig met de grote lijnen voor Elise. De kerstdagen brachten we bij mijn ouders door, Oud en Nieuw kwamen Stefs ouders bij ons. In de voorjaarsvakantie gingen we een lang weekend naar Antwerpen. Het was slecht weer, maar we hadden een hoop lol.
Een week voor de Boekenweek lag Katrien in de winkels. Het werd weer een hit. Dat vonden we een goede reden om de meivakantie te gebruiken voor een bezoek aan Rome. Stef boekte via internet een behoorlijk luxe uitziend hotel in het centrum van Rome en een gewone lijnvlucht. Ik stelde voor dan ook maar business class te vliegen, maar hij vond dat we toch al vreselijk kapitalistisch bezig waren. We spraken met Adrie af dat zijn zoon van zestien elke avond om een uur of tien even bij ons huis zou kijken.
Rome was in één woord: indrukwekkend. Al het gesjouw door de stad was ook zeer vermoeiend, dus na twee dagen lieten we ons door taxi's van het ene monument naar het andere brengen. Ik zocht alles uit, Stef kwam braaf met me mee. Als je 'alles' van Rome wilt zien, moet je er gaan wonen natuurlijk. We waren gewoon toeristen die ons tot de hoogtepunten en lekker eten beperkten. Wat me het meest is bijgebleven is een tombe waarin een aantal kapelletjes was gebouwd. Het bijzondere is dat al die kapelletjes zijn samengesteld uit schedels en botten van mensen.
We hadden een gunstige vlucht terug, zodat we om een uur of vijf in ons dorp arriveerden. We gingen eerst bij Adrie naar binnen, want daar kwamen we toch langs. Zijn zoon had niets opgemerkt. Voor we gingen zei hij dat hij saté had. We keken naar elkaar en zeiden allebei "Ja".
We reden naar huis, zetten de koffers uit de auto in huis, pakten de fietsen en reden weer naar Adrie. Adries zoon, ook Adrie, was er ook net. We vroegen wat wij terug konden doen voor zijn controles. Dat hoefde dus niet, kleine moeite en zo, maar we drongen aan. Het hoge woord kwam eruit: hij had gezien dat wij een zwembad hadden. Zou hij ....? Ik zei dat het prima was, als hij van tevoren belde of het uitkwam. We zouden gasten kunnen hebben. Ik zei er niet bij dat de gastvrouw en gastheer niet alleen zonder gasten, maar ook zonder kleren aan het zwemmen of zonnebaden konden zijn.
We maakten het niet te laat. Om een uur of negen fietsten we naar huis. We douchten, dronken nog een cognacje, Stef controleerde of het alarmsysteem nog steeds aan stond en we gingen naar bed.
Hoogstens een kwartier later brak de hel los. Zo voelde het, maar het was ons eigen alarmsysteem dat we voor het eerst en van zeer dichtbij en onverwacht hoorden. Stef zette de monitor aan. Ik had het mobieltje al in mijn hand. Het was geen dier dit keer. We zagen twee figuren, mannen, naar de toegangsdeuren lopen en er overheen klimmen, naar buiten. Stef drukte op een knopje. We zagen ze aan de andere kant van de deuren. Ze keken recht in de camera, maar hadden van die bivakmutsen op. Ze wuifden en verdwenen uit beeld. Ik toetste 112. Stef zette het geluid van het alarmsysteem af.
De politie kwam na een klein kwartier. Het waren twee andere agenten dan de vorige keer. Stef liet ze de opnamen zien die het alarmsysteem automatisch maakt. Deze keer kon de politie er niet omheen: de bivakmutsen toonden aan dat het niet ging om een paar toevallige voorbijgangers. Stef maakte een opmerking die mij al een tijd op de tong brandde: "Dat waren niet zomaar inbrekers. Ze wisten wat er zou gaan gebeuren. Ze wilden ons intimideren of bang maken. Ze wuifden naar de camera, naar ons. Weet u wat dat betekent, naar mijn idee?"
Ik gaf het antwoord: "Ze komen terug."
"Heeft u een auto gehoord, of een motor?" wilde een van de agenten weten.
Stef zei dat we niets anders gehoord hadden dan de herrie van het alarmsysteem. De agenten gingen naar buiten om te zien of er sporen waren. Stef en ik zaten elkaar een tijdje aan te kijken.
"Wil je hier weg?" voeg Stef.
Ik lachte. "Wat doe jij als je iets van mij gedaan wilt krijgen?"
"Je bedoelt: wat doe ik niet? Ik ga vooral niet lopen zeuren of drammen."
"Juist. Dan gooi ik de kont tegen de krib. Ik weet niet wat die kerels willen, maar als ze denken ons op deze manier weg te jagen, hebben ze het goed mis."
"Ben je niet bang?"
"Ja, ik ben zeker bang. Niet nu, want ze zullen vannacht niet meer terugkomen. Het is misschien meer bezorgd dan bang. Ik vind het een eng idee dat ik in de gaten word gehouden. Ze wisten dat we weg waren en ze wisten dat we vandaag zijn teruggekomen. We hebben in de kroeg verteld dat we een week naar Rome gingen. Die kerels hebben een week de tijd gehad om ons huis in de brand te steken of helemaal te vernielen. Waarom hebben ze dat niet gedaan? Dat alarmsysteem maakt een hoop lawaai, maar horen ze dat in het dorp?"
Stef vond het heel vreemd dat er maanden lang helemaal niets gebeurd was, voor zover we wisten. Er viel niets te bewijzen, maar hij was ervan overtuigd, en ik was het daar helemaal mee eens, dat de twee mannen die we op de monitor gezien hadden dezelfde waren als die we toen in die auto gezien hadden. Ze hadden ook voor dat eerste alarm gezorgd. Het zou mij ook niet verbazen als zij dat telefoontje gepleegd hadden.
De agenten kwamen terug en vertelden dat er geen enkele aanwijzing te zien was. Het leek hun helemaal niet onwaarschijnlijk dat de mannen gewoon fietsen gebruikt hadden. Ze keken nog een keer naar de monitorbeelden. "Naar vingerafdrukken hoeven we ook niet te zoeken", zei de een. "Ze hadden handschoenen aan." De ander zei dat ze rapport van het gebeurde zouden maken. Het zou wel handig zijn als ze een kopie kregen van de monitorbeelden. Stef beloofde dat hij die kopie zou maken en langs zou komen brengen. De agenten vertrokken. Stef liep met ze mee om af te sluiten. Ik ging vast naar bed. Ik heb niet meer gemerkt dat Stef bij me kwam liggen.

9.

De volgende dag, zaterdag, werd ik alleen wakker. Ik hoorde dat Stef in de keuken bezig was. Na een minuut of tien kwam hij voorzichtig om de deur van de slaapkamer kijken. "Het is lekker weer", zei hij. "Ik zal het ontbijt op het terras serveren. Ben je zover?" Door uit bed te stappen en hem een zoen te geven gaf ik aan dat ik er helemaal klaar voor was.
Het was lekker weer eens in de zon te ontbijten. We hadden nog een redelijk kleurtje overgehouden van het vorig jaar.
"Is het wel verstandig dat we hier zo zitten?" vroeg Stef.
"Die kerels komen hier niet om zich aan een bloot stel te vergapen. Ik geloof hoe dan ook niet dat ze overdag komen. De vraag is alleen: waarom komen ze? Is het gewoon pesterij? Hebben we zonder het te weten een paar mensen in het dorp op stang gejaagd of kwaad gemaakt? Ligt er een schat begraven ergens in de tuin, die ze rustig willen opgraven als ze ons eruit gejaagd en het huis gekocht hebben?"
Stef vond het ook nog mogelijk dat ouders van kinderen uit mijn klas om één of andere reden kwaad op mij zouden kunnen zijn. Daar had ik nooit iets van gemerkt. We besloten ons niet uit te putten in allerlei veronderstellingen en eerst de gewone zaterdagse dingen te doen. Stef zette ook de monitorbeelden op een cd. Die konden we dan meteen naar de politie brengen. Het bureau is vlak bij de supermarkt. De man die daar de leiding had vroeg of we nog officieel aangifte wilden doen. Per slot van rekening hadden die mannen zich zonder toestemming op ons terrein bevonden. Dat regelden we meteen maar. De politieman bekeek de monitorbeelden. Hij was eerlijk genoeg om te zeggen dat die beelden alleen weinig aanknopingspunten boden. Hij had het rapport van zijn collega's gelezen, dus ook wat wij over de andere incidenten gezegd hadden. Hij zei ervan dat het niet of nauwelijks te bewijzen was dat er inderdaad een samenhang was, zeker door de tijdsverschillen ertussen. "Afgelegen huizen hebben nu eenmaal een zekere aantrekkingskracht, dat begrijpt u wel."
We begrepen het, maar daar schoten we geen fluit mee op, constateerden we toen we 's middags op het terras aan de borrel zaten. Ik vroeg me af of we wel rustig ontspannen een paar weken met vakantie zouden zijn. We konden Adrie junior wel weer vragen of hij elke avond even ging kijken maar dat zou gauw genoeg ook bekend zijn. Zouden we niet een ander stel die weken in ons huis kunnen laten zitten? Die konden zich dan de kosten van een dure bungalow besparen. We konden geen tropisch zwemparadijs aanbieden, maar ons zwembad bood waarschijnlijk meer ruimte per persoon.
"Speciale aanbieding", zei Stef, "Son et Lumière", u aangeboden door de grote onbekenden. Dat zullen we er toch minstens bij moeten vertellen. Denk je dat er dan nog iemand zin heeft?"
We hadden destijds in het beveiligingssysteem kunnen laten opnemen dat er ook elders een signaal gegeven werd als er iets aan de hand was. De deskundige had erbij gezegd dat een beetje inbreker er vanuit gaat dat dit gebeurt en dat hij dus snel moet toeslaan. We zaten alleen nergens in de buurt van een paar stevige mannen die de zaak op zeer korte termijn konden komen klaren.
"We kunnen het altijd aan Henk en Anneke voorleggen", zei ik. "Die zijn hevig aan het sparen voor veranderingen in hun huis en zouden dit jaar niet op vakantie gaan. Zal ik vragen of ze morgen komen?"
Stef vond het best en ik ging naar binnen om te bellen. Ik kreeg Anneke aan de lijn, die meteen enthousiast was. "Ik zei een half uurtje geleden nog tegen Henk: 'Die twee zitten nu vast met hun blote bofkonten in de zon.' Als we hier morgenochtend om zes uur weggaan kunnen we bij jullie in de zon ontbijten."
Ik had een nog beter idee. "Als jullie nu weggaan, kunnen jullie vanavond nog mee-eten. Wacht even, ik loop even naar buiten om Stef te vragen of hij iets lekkers wil maken." Stef vond het al weer best.
We aten binnen want zonder zon was het nog net even te fris. Bij de koffie sneden we het onderwerp aan.
"Wat doen we?" vroeg Stef me. "Eerst vertellen of eerst vragen?"
Eerst vertellen leek me het eerlijkst, anders maakten we ze misschien blij met een dode mus. Stef deed het hele verhaal en het duurde wel enige tijd voor we daarover uitgepraat waren.
"Jullie wilden ook nog iets vragen", zei Henk. Ik legde ons probleem en de mogelijke oplossing voor.
"Tjee", zei Anneke. "Vinden jullie het heel erg als we niet meteen gillend enthousiast roepen dat we het doen? Ik wil graag een paar weken in mijn blote kont rondlopen, als het tenminste mooi weer wordt, maar ... uh ... nou ja, je begrijpt wat ik bedoel."
We begrepen het heel goed. Ze hadden nog tijd zat om er goed over na te denken.
Ik sliep niet echt lekker die nacht. Ik was veel wakker en dan maalden er allerlei gedachten en beelden door mijn hoofd en geen van alle was plezierig. Om half acht hield ik het niet meer uit in bed. In de keuken maakte ik een kop thee en bladerde ik nog wat door de bijlagen van de krant van zaterdag. Aan echt lezen kwam ik ook niet toe. Daar was ik te ongedurig voor. Ik ging naar buiten. Echt warm was het nog niet, maar ik had geen zin weer naar binnen te gaan om een badjas aan te trekken. Door het natte gras liep ik naar de haag. Ik had er nog nooit met mijn neus bovenop gestaan. Als je er doorheen wilde kijken moest je wel heel erg je best doen om bladeren opzij te houden. Dat zou niet echt onopvallend gaan. Ik liep de hele haag langs en zag nergens een plek waar je zonder meer doorheen zou kunnen kijken, zelfs niet tussen posten waaraan de deuren hingen en de haag door. Het gaf toch een iets geruster gevoel. Mensen mogen me best bekijken, maar dan moeten ze wel zo sportief zijn om mij hun te laten bekijken.
Anneke was de tweede die uit bed kwam. Ze stond zich behaaglijk uit te rekken in de zon. Het was al snel warmer geworden. Op de thermometer zag ik dat het 21 graden was, best veel voor eind mei.
Anneke had een hele pot thee gezet, waarmee we op het terras gingen zitten.
"Henk en ik hebben nog een tijdje liggen praten gisteravond", zei Anneke. "Het is natuurlijk hartstikke verleidelijk om hier een paar weken te zitten. Je kunt leuk fietsen in de omgeving. We kunnen een beetje zwemmen als we daar zin in hebben en ik kan ook een keer lekker helemaal bruin worden. Die enkele keer in het Twiske schiet ook niet op. Ik heb ook nog bedacht dat er maar weinig kans is dat er iets gebeurt als wij hier zijn. We vinden het heel vervelend voor jullie, maar het zou heel goed kunnen dat het niet meer is dan pesterij. Ik ben er al helemaal uit. Dus als Henk ook wil, kunnen jullie je vakantie gaan plannen."

10.

Het onderwijs in Henks en Annekes regio ging een week later met vakantie dan dat in mijn regio. Ik had dus alle tijd de kampeerspullen bij elkaar te zoeken en te controleren. De fietsen lieten we een complete servicebeurt geven, zodat we ons alleen zorgen zouden moeten maken om lekke banden. Onze fietstocht zou direct buiten het hek beginnen. Door de Ardennen zouden we richting Vogezen gaan. Verder hadden we niet gepland. We konden ook altijd nog, als het weer daartoe aanleiding gaf, een stuk met de trein naar het zuiden gaan. We wisten ook nog niet hoe lang we weg zouden blijven, drie of vier weken. Het maakte Henk en Anneke niets uit.
Stef had inmiddels een paar hoofdstukken van Elise geschreven. Ik laat hem altijd eerst een tijd zijn gang gaan voor ik ga 'meelezen'. De eerste nieuwigheid, voor Stef dan, was dat er een ik-figuur was. De tweede nieuwigheid was dat deze ik-figuur en hoofdpersoon een vrouw was. Ze is begin dertig en werkt bij een middelgrote gemeente als hoofd van de afdeling Welzijn. Ze heeft een huwelijk van twee jaar achter de rug. Twee mishandelingen vond ze ruim voldoende. In het begin van hoofdstuk drie ontmoet ze in een kroeg een man die haar duidelijk aardig vindt en zij is ook wel gecharmeerd van hem. Hij is een Irakees die asiel heeft gekregen. Hij drinkt vrolijk alcohol want is helemaal van Allah los. Aan het eind van dat hoofdstuk gaat de telefoon als ze net thuis is. De andere kant zegt niets.
"Is ze op zoek naar een huis op het platteland?" vroeg ik Stef. "Gaat ze met hem op zoek naar zo'n huis?"
Stef wilde nog niet al zijn kaarten op tafel gooien. "Dat is een optie. Het zou ook kunnen dat er wat vreemde dingen gebeuren rond dat huis."
"Het wordt toch niet deels een autobiografie, hè?"
"Nee hoor. Dat huis krijgt niet zo'n hoge haag en het is een heel fatsoenlijke dame. Ze heeft zelfs geen bikini, maar een heel degelijk badpak."
"Saai mens."
"Karakters moeten zich kunnen ontwikkelen in een verhaal." Stef bleef zijn boeken consequent verhalen noemen, geen romans. Toen Katrien uitkwam was hij gevraagd voor een talkshow. De uitgever had behoorlijk aangedrongen: mooie reclame. Stef zei dat voor reclame de STER was uitgevonden en dat hij voor een onbenullig gesprekje van hooguit een kwartier geen vier uur heen en weer naar een studio ging rijden. Katrien werd toch wel verkocht.
We zouden op zondag vertrekken. Henk en Anneke kwamen op vrijdagavond. Het was wat druilerig weer, maar tot Annekes tevredenheid waren de vooruitzichten gunstig.
Na het eten zaten we te dubben: moesten we anderen laten weten dat we een paar weken weg waren, maar dat vrienden in ons huis zouden verblijven? We konden ons niet voorstellen dat dezelfde personen Henk en Anneke zouden willen pesten. Het zou voor hun een extra garantie kunnen zijn voor een ongestoorde tijd. We kwamen er nog niet uit.
Henk had nog een andere vraag: "Stel nou, dat die grapjassen inderdaad weer langskomen, maar het blijft opnieuw bij een geluids- en lichtshow. Willen jullie dat dan weten?"
"Dat laten we helemaal aan jullie over", zei Stef. "Als jullie meteen naar jullie eigen huis willen, moeten jullie dat om ons niet laten."
"Die klootzakken hebben in ieder geval bereikt, dat we ons met dat soort vragen zitten bezig te houden", zei ik.
Ik was 's zaterdags het eerst op. Ik zette thee en koffie en ging de krant uit de bus halen. Onder de krant lag een envelop. Er zat geen postzegel op. Met ballpoint was erop geschreven "van Aarden". Ik wilde hem oppakken, maar bedacht me. Ik vloekte hardop. Dit was een nieuwe stap van 'hun', daar was ik van overtuigd. Ik liet de brief liggen en ging naar binnen. Ik wachtte rustig tot de anderen uit zichzelf opstonden. Het was terrasweer. Na een half uurtje kwam Henk als laatste naar buiten. Toen die ook zijn eerste koffie op had vertelde ik van de brief.
"Waarom heb je hem niet meegenomen?" vroeg Stef.
"Vingerafdrukken?"
"Slimmerik. Ik bel de politie. Waar ligt het telefoonboek ergens? Laat maar, ik kijk wel via het internet." Een paar minuten later kwam hij vertellen dat ze iemand van de recherche zouden sturen. Die zou er rond een uur of tien zijn.
Hij belde om precies tien uur aan. We liepen met ons vieren naar het hek. De rechercheur stelde zich voor als Hans van Berkel. Ik vertelde nog even kort waarom we het nodig gevonden hadden de politie te bellen. "Mooi denkwerk", zei hij. Hij haalde een grote envelop en een pincet uit zijn wagen. Ik maakte de brievenbus open. Hij pakte de envelop eruit en deed die in de zijne. Dat was het dan.
"We gaan er meteen mee aan het werk", zei Van Berkel. "Ik neem aan dat u er geen bezwaar tegen hebt dat we de inhoud lezen? In de loop van de middag zal ik u bellen. Wat zijn uw nummers?" Hij vertrok en wij gingen naar binnen.
Alle boodschappen had ik op vrijdag al gedaan. We zaten eigenlijk een beetje met onze ziel onder de arm. Stef en Henk besloten maar een eind te gaan fietsen. Ze zouden onderweg wel ergens een broodje eten. Anneke wilde meteen aan het bijkleuren gaan werken. Ik wilde ook wel fietsen, maar ik besloot haar gezelschap te houden. Van Berkel belde om drie uur. "Geen vingerafdrukken, daar is over nagedacht. Er zat één velletje in de envelop. Daar staat niet meer op, met een ballpoint geschreven, dan een datum, 18 augustus. Zegt die datum u iets?"
Ik moest even nadenken. "Dan beginnen de scholen hier weer. Verder zegt het me niets."
We gingen bij Adrie eten. We waren het over één ding eens: vóór 18 augustus zou er niets gebeuren. We vertelden bij Adrie ook dat we een week of vier met vakantie gingen.

11.

Op zich was onze fietstocht heel plezierig. Het weer was niet geweldig, maar erg veel regen hadden we ook niet. De temperatuur was in het algemeen voor het fietsen door bergachtig terrein wel goed. Tot complete ontspanning kwamen we toch niet. We bleven nadenken en dus praten over al het gedoe thuis.
"Door dat briefje met die datum zitten ze eigenlijk nog meer te zieken dan door dat alarmsysteem te laten afgaan", zei ik tegen Stef toen we een dag of tien op weg waren. "Daar is heel goed over nagedacht. Ze weten verdomd goed dat we ons tot die datum toch een beetje zorgen zullen maken. Ze hoeven op die datum niks te doen, want ze hebben toch al succes. Wie bedenkt zoiets? Wat hebben ze tegen ons?"
Daar kon Stef ook geen zinnig antwoord op geven. "Weet je wat ik het liefst zou doen? Omkeren en naar huis fietsen. Als ik mezelf toch niet helemaal op mijn gemak voel, doe ik dat liever thuis."
"Kun je ook weer met Elise verder."
"Nee, ik houd me aan de vakantie. Die vier weken zijn niet voor Elise, maar voor Annet. Die is nog steeds numero uno."
"Je bent een lieverd. Ik ga meteen Anneke en Henk bellen."
Ik kreeg Anneke aan de lijn en vertelde onze plannen. "Jullie hoeven echt niet meteen op te krassen, hoor. Ik denk dat ik het zelfs wel plezierig vind als jullie nog een tijdje blijven. Geeft wat meer afleiding. Ben je al aardig bruin?"
"We hebben tot nu toe veel meer zon gehad dan jullie, als jullie tenminste nu ergens in de Vogezen zitten."
"Zitten we. Ga er maar vanuit dat we over een weekje thuis zijn. We bellen nog wel even."
We kwamen op dinsdagmiddag om een uur of half vier thuis. Het was bloedheet. We namen nauwelijks te tijd om te zoenen en handjes te schudden. We liepen meteen door naar het zwembad waar Anneke net uitgekomen was. Ze had druipend de deur voor ons open gemaakt. "Heb je wel gekeken wie er aanbelde?" vroeg ik haar toen ze langs dreef.
"Wie konden het nu anders zijn dan jullie?"
"De postbode, met een aangetekende brief."
"Postbodes willen ook wel eens verrast worden."
Bij de borrel zei Henk dat zij ons een maaltijd bij Adrie aanboden. Daar kon je ook merken dat het vakantie was. "Ik had jullie nog niet verwacht", zei Adrie. "Er is toch niets vervelends gebeurd?"
Ik had geen zin om alles te vertellen. Niemand anders dan ik kent Stefs schrijfgewoontes, dus ik zei maar dat hij een hevige aanval van creativiteit had gekregen. Daar moest hij iets mee doen en gewoon schrijven op papier gaat allang niet meer. Dat laatste is wel waar. Stef zit tijdens het schrijven al veel te veranderen en op papier zou dat een storend rotzooitje worden.
Om een uur of tien kwam Ans binnen. Ze was ook verbaasd ons al weer te zien, zo verbaasd dat ze helemaal vergat te vragen hoe het met Elise ging. Ze bleef ook maar kort, niet langer dan één glas wijn. Ze had Katrien natuurlijk aangeschaft, deed er zeer enthousiast over, maar had niet weer om een handtekening gevraagd.
Om een uur of elf wandelden we naar huis. Toen we de bocht in de weg naderden voelde ik spanning in me opkomen. Ik wist meteen dat het onzin was. We zouden allang het alarm gehoord hebben. Er waren ook geen lichten aan.
Stef deed, dat is een automatisme bij hem, de brievenbus open. Zijn hand ging erin en kwam eruit met een envelop. Er stond niets op. Stef scheurde hem open. Er zat één velletje uit een klein blocnote in. Er waren maar twee woorden op geschreven: "Of eerder."
"Ze weten verdomme nu al dat we weer terug zijn", zei Stef. "Wie zaten er allemaal bij Adrie?"
We gingen naar binnen. Het was nog warm genoeg om buiten wat te drinken. Anneke zei dat ze terwijl wij weg waren niet bij Adrie waren geweest waren en dus ook niemand verteld hadden dat wij eerder terug zouden komen. De mensen die we bij Adrie gezien hadden kenden we allemaal minstens van gezicht.
"Zijn jullie door het dorp gekomen vanmiddag?" vroeg Anneke.
"En door het dorp waar ik werk", zei ik.
"Iemand heeft de moeite genomen om hier naar toe te komen en gezien dat we lopend naar het dorp gingen. Ze kunnen intussen weten dat we dan naar Adrie gaan en dus niet gauw terug zijn." Stef dacht even na. "Waar verstoppen ze zich als ze ons willen bespioneren?"
Ik zag nog wel een andere mogelijkheid: "We komen langs hun huis als we naar Adrie gaan. Ze hebben ons twee keer voorbij zien komen." In de omgeving van ons huis konden ze zich alleen in het bos verbergen. Het is geen geweldig groot stuk bos, alles bij elkaar niet veel meer dan vier voetbalvelden, maar er is genoeg plek om je te verschuilen. Dat moest ik ook wel toegeven.
Henk vroeg of er aan de andere kant een weg of pad was. Daar loopt inderdaad een pad waarop, als het niet te veel geregend heeft, makkelijk te fietsen is. Vanuit het dorp kun je op verschillende manieren op dat pad komen.
We besloten de volgende dag dat stuk bos eens goed te doorzoeken. Misschien zouden we iets vinden wat een aanwijzing zou kunnen zijn. We waren in ieder geval ook een beetje constructief bezig.

12.

Bij het ontbijt de volgende ochtend bespraken we ons actieplan. Henk vroeg of er veel mensen in onze buurt kwamen. Ik zei dat wij als we in de tuin zitten natuurlijk ook niemand voorbij zien komen. Auto's horen we nooit. Een echt toeristisch gebied is het ook niet. Het ligt net een beetje buiten alles. Stef zit nog wel eens naar die crime scene films op tv te kijken. Voor het geval we echt iets zouden vinden nam hij een plastic tas, diverse plastic zakjes en een pincet mee. Om een uur of tien begonnen we aan de zijkant van het bos. We liepen ongeveer tien meter uit elkaar. Ons geduld werd lang op de proef gesteld. We kwamen van de achterkant vandaan en waren een meter of vijftien van de weg toen Henk "Bingo!" riep. In dat gedeelte van het bos, zeg maar de kant van het dorp, groeit ook wat laag struikgewas. Daar vonden we een leeg bierblikje en een verkreukelde wikkel van een Marsreep. Stef pakte beide dingen op en deed ze in een plastic zakje. Hij knoopte zijn zakdoek om een tak van de dichtstbijzijnde boom. We deden voor alle zekerheid de rest van het bos ook nog, maar vonden niks meer. We controleerden of iemand zich op die plek zo kon verbergen dat hij van de weg af niet te zien was. Dat kon. Henk had zich 'verstopt'. Hij liet ons een eindje in de richting van het dorp en weer terug lopen. We zagen hem niet, maar hij kon ons goed volgen, zei hij.
We waren tegen half twee weer thuis en wel toe aan een koele duik en een lunch.
Stef belde met de politie. Van Berkel was er niet, maar ze zouden hem vragen ons te bellen. Hij belde om een uur of half vier. Stef vertelde wat wij gedaan en gevonden hadden. Hij wilde meteen langs komen. Hij kon met een half uurtje bij ons zijn. We vonden het wel jammer dat we iets aan moesten trekken, maar gingen er vanuit dat een politieman bij dat weer niet vreemd zou opkijken van twee vrouwen in bikini, heel gewone bikini's, geen touwtjes tussen billen en een klein driehoekje op een strategische plek.
Van Berkel - "Zeg maar Hans." - kwam weer precies op tijd. Hij zou best een biertje lusten, maar nam toch koffie. We waren solidair en lieten de drank ook nog even staan. Stef vertelde ook van het briefje dat we ontvangen hadden en gaf het aan Hans. "Ik ben er maar van uitgegaan dat hier ook geen vingerafdrukken op te vinden zouden zijn, maar stop het maar in je dossier. Ik heb tenminste het idee dat het een dossier kan worden, al kijk ik daar niet naar uit." Hij gaf Hans ook de andere 'bewijsstukken'.
"Jullie zijn lekker bezig geweest", zei Hans. "Ik mag wel zeggen: goed bezig geweest. Kan ik jullie bellen als er een vacature bij ons is?"
"Ik bedenk het liever dan dat ik het meemaak", zei Stef.
Hans keek naar hem. "Krijg nou wat! Waarom zie ik dat nu pas? Jij bent de schrijver Van Aarden. Ik denk altijd dat bekende schrijvers in Amsterdam wonen, of op zijn minst in de Randstad. Woont er eentje bijna om de hoek. Je hebt in ieder geval een begin voor een nieuw boek. Laten we maar hopen dat het een happy end krijgt. Ja, sorry hoor, ik heb je boeken niet gelezen. Mijn dagelijkse leven is vaak spannend genoeg. Ik lees heel gewone romans als ik weer eens tijd heb. Mijn vrouw heeft jouw boeken wel gelezen. Zij zou je meteen herkend hebben. Maar goed, ter zake."
Hans was het helemaal met ons eens dat het heel onwaarschijnlijk was dat een toevallige voorbijganger een eindje het bos zou inlopen om daar een Marsreep te nuttigen en een blikje bier leeg te drinken.
"Jullie hebben echt geen idee wie hier achter zou kunnen zitten?"
Tijdens ons gepoedel in het zwembad had ik wel een idee gehad, waar ik met de anderen nog niet over had gesproken. Dit leek me een goed moment. "Kijk, die boeken van Stef lopen als een trein. Ieder mens zal begrijpen dat we daar een aardige cent mee verdienen. Daarnaast heb ik ook nog eens een volledig salaris. We lopen er niet mee op te scheppen. We doen niet mee aan jetsetterige dingen. We gedragen ons niet als BN'ers. We zijn verknocht aan dit huis, maar vreselijk bijzonder is het niet. De ligging is vooral belangrijk. Het enige opvallend luxe is het zwembad, maar daar lopen we ook niet mee te koop. Waar ik mee zeggen wil dat ik niet weet waarom iemand een geweldige hekel aan ons zou kunnen krijgen. Ik kan me eigenlijk alleen maar voorstellen dat iemand ons aan het bang maken is en ons vervolgens gaat afpersen. Betalen of er gebeurt echt iets ergs."
Dat was een mogelijkheid volgens Hans. Hij wilde ons niet bang maken, maar het zou van alles kunnen zijn.
"En wat kunnen jullie er aan doen?" vroeg ik.
"Jullie begrijpen dat we niet voor onbepaalde tijd een peloton agenten om jullie huis kunnen zetten. We kunnen op onregelmatige tijdstippen een wagen langs laten rijden. Dat schrikt misschien wat af. Het lijkt me niet onmogelijk dat we op dat blikje wel vingerafdrukken vinden, maar dat hoeven geen bekende vingerafdrukken te zijn. Dan heb je voorlopig alles wel gehad wat we kunnen doen. Het spijt me, echt."
We verzekerden hem dat we alle begrip voor de politie hadden en niet het onmogelijke verwachtten.
Hans wilde ook de plek bekijken waar het bierblikje gevonden hadden. Stef en Henk liepen met hem mee.
"Jullie mogen van mij de vier weken hier helemaal volmaken", zei ik tegen Anneke, die het bovenstukje van haar bikini losmaakte zodra Hans zich omgedraaid had.
"Als we jullie niet in de weg zitten, willen we dat best. Wat mij betreft zitten we hier zes weken, maar we zullen toch een keer naar huis moeten."
"Ja, dan zullen wij in angstige spanning verder afwachten." Ik probeerde het op een beetje luchtige toon te zeggen, maar slaagde daar niet helemaal in.
"Kom op, meid, misschien gebeurt er helemaal niets meer", zei Anneke. Ze stond op, aaide me over mijn bol en trok het bovenstukje van mijn bikini los. "Geniet van de zon, zo lang het kan. Je wilt vast wel een glaasje wijn."
We hadden net een slok genomen toen we de mannen, druk pratend, hoorden aankomen. Hans kwam ook een paar stappen de tuin in en zwaaide naar ons. Wij zwaaiden terug. Hij zei nog iets en vertrok.
"Wat zei Hans, voor hij wegging?" vroeg ik.
"Mannenpraat, je kent dat wel", zei Henk. "Wat een doordeweekse politieman zo al zegt als hij onverwacht twee blote dames ziet."
Stef hielp me uit de droom. "Ik moet er helaas vandoor. Dat zei hij. Mogen wij blijven?"
"Als jullie een aangename maaltijd bereiden wel."

13.

De anderhalve week dat Anneke en Henk nog bij ons waren, waren heel leuk. Ze zijn geen mensen die je bezig hoeft te houden. Ze gingen diverse dagen samen fietsen en als ze thuis bleven konden ze zich ook uitstekend vermaken met een boek. Het weer werd wat minder mooi, meer bewolking en meer regen. Anneke vond het geen ramp, ze was mooi bijgekleurd. De laatste vrijdagavond namen ze ons nog een keer mee naar Adrie. Ze hadden geluk, want ze konden zijn saté voor het eerst uitproberen. Ze waren laaiend enthousiast.
Om half elf op zaterdagochtend wuifden we Anneke en Henk na. We liepen hand in hand terug naar het terras waar ik nog een keer koffie inschonk. We keken elkaar aan.
"En nu maar afwachten", zei ik. "Ik weet niet meer wat ik wil, Stef. Het ene moment wil ik hier weg, het andere moment ben ik kwaad op mezelf omdat ik weg wil. Ik wil ons niet laten wegjagen. Dit is jouw werkplek."
"Ik voel ook zoiets, lieverd. Normaal krijg ik na een paar weken vrij de kriebels. Dan wil ik weer schrijven. Dat heb ik nu niet. Ik weet niet eens of ik maandag wel verder kan. Dat vind ik nog het ergste. Ze pikken mij mijn werk af. Ze zijn ook zo onzichtbaar. Je hebt geen idee in welke richting je moet zoeken. Ik weet dat het nergens op slaat, maar als ik maandag niet tot schrijven kom, ga ik kijken of ik iets meer over die huisarts te weten kan komen die dit huis heeft laten bouwen. Waarom is het stuk grond precies vierkant? Waarom is het huis een achthoek en staat het precies in het midden? Waarom staan die vier bomen ook precies in een vierkant? Waarom vallen de diagonalen van die vierkanten precies samen?"
Ik zei dat Adrie me een keer verteld had dat Joop, een van de oudere stamgasten, daar wel eens ingedoken was. We zouden een keer met hem kunnen afspreken bij Adrie. Ik had nog twee weken vrij, dus dat kon ook op een middag.
We zaten nog wat door te filosoferen tot we een auto hoorden die stopte. Stef liep vast naar de hal. Even later werd de deur van de andere kant opengeduwd. Het was Hans. Direct achter hem aan kwam een vrouw.
"Dit is Loes, mijn vrouw. Ik had jullie al een paar dagen geleden kunnen bellen," zei hij, "maar er kwam steeds wat tussen. We waren toevallig in de buurt, dus ik dacht: laat ik dan meteen maar even langs gaan. Of komen we ongelegen?"
"Nee hoor," zei ik. "Willen jullie koffie?"
Voor ik naar de keuken ging om nog wat koffie te zetten, vertelde Hans dat er bruikbare vingerafdrukken op het bierblikje waren aangetroffen, maar zoals hij al vreesde waren het geen bekende afdrukken. Toen ik met de koffie terugkwam was Loes al in gesprek met Stef over zijn boeken, want over onze zaak kon Hans verder geen nieuws vertellen.
"Zo, dan nu even eerlijk", zei ik. "Hans, je lijkt me niet iemand die zo'n telefoontje niet gauw tussendoor kan plegen. Dus ik denk dat Loes je heeft opgestookt een excuus te verzinnen om haar met de beroemde schrijver kennis te laten maken."
Loes was eerlijk. "Klopt helemaal. Het kostte me enige overtuigingskracht, maar hij kan me toch niets weigeren. Ik was ook een beetje nieuwsgierig naar het huis, of liever: naar de hele plek. Voelen jullie je niet een beetje ingesloten door die hoge haag?"
"Helemaal niet", zei ik. "Het geeft een hoop privacy."
"Dat heb ik begrepen, ja. Hans vertelde dat hij de vorige keer dat hij hier was twee dames zag die dachten dat hij al weggegaan was."
Ik vond ze wel een leuk stel. Ze leken me een paar jaar ouder dan Stef, ergens in de tweede helft van de dertig. "Ja, dat scheelt een hoop gedoe, als je op een warme dag een paar keer een frisse duik wilt nemen."
"Wat! Hebben jullie een zwembad?"
Ik liet ze zien dat we geen sprookjes vertelden. "Het is natuurlijk vreselijk kapitalistisch," zei Loes, "maar mag ik ook een beetje jaloers zijn?"
Het leek me wel leuk om ze wat beter te leren kennen. Het liep toch tegen lunchtijd, dus ik vroeg of ze meelunchten. Ze aarzelden maar heel even.
Loes is directiesecretaresse bij een farmaceutisch concern. "Officieel ben ik natuurlijk helemaal geen directiesecretaresse, maar managementassistent. Het is ook wel een heel andere baan dan jaren geleden. Ik zit geen briefjes in steno op te nemen en uit te typen. Ik zit vooral het dagelijks leven van drie belangrijke heren in goed georganiseerde banen te leiden. Ik doe dat nu een jaar of vijf en het bevalt me nog steeds uitstekend. Ik heb ze ook heel duidelijk gemaakt dat ik alleen hun zakelijke leven regel. Ik houd niet bij wat hun trouwdag of de verjaardagen van hun vrouwen en kinderen zijn en als hun vrouwen hun niet begrijpen gaan ze maar naar een gezinstherapeut. Verder kan ik het goed met ze vinden. Ik zou het ook wel fijn vinden als Hans wat regelmatiger thuis was, maar ja, hij vindt zijn werk ook leuk."
Hans kon ook boeiend over zijn werk vertellen, dus het was al bijna vier uur toen ze opstapten. Ik zei dat als ze een keer wilden zwemmen en zonnen ze welkom waren. "Badkleding is toegestaan, maar wij doen er niet aan."
"When in Rome, do like a Roman", zei Loes. "Jullie zien ons nog, mij in ieder geval, voor de zomer om is."

14.

De volgende week was rustig. Het gevoel van spanning begon zelfs wat op de achtergrond te raken. 's Maandags wilde het schrijven van Stef inderdaad niet goed op gang komen, maar dinsdag ging het al een stuk beter. Er kwam weer meer zon, maar daar lag ik de meeste tijd alleen in. Vóór de lunch wilde Stef nog wel eens een duik nemen, maar na drie kwartier ging hij weer gewoon aan het werk.
's Zaterdagsochtends belde Loes dat ze stond te trappelen. Ik zei dat ze vanaf één uur welkom was. Ze was op een racefiets gekomen en had dus zo'n racebroek en raceshirt aan. Toen ze die uitgetrokken had kon ik zien dat ze vaak fietste. Haar benen en armen waren een stuk bruiner dan de rest. Ze zag hoe ik naar haar keek en lachte. "Ik weet het, het is geen gezicht eigenlijk. Ik heb wel eens gedacht 's winters elke week een keer in de zonnebank te gaan liggen, maar dat vind ik overdreven. Hans vindt het trouwens wel iets grappigs hebben."
"Komt Hans ook nog?"
"Ligt eraan hoe laat hij klaar is. Zal ik eerst douchen voor ik het water in duik? Ik fiets er altijd behoorlijk op los."
"Er is een douche bij het zwembad, een koude douche."
Stef lag bij het zwembad te lezen. Hij keek geamuseerd naar Loes. "Zou jou ook wel staan," zei hij tegen mij, "zo'n strak zittend licht pakje. O ja, dag Loes. Ik ben er vanuit gegaan dat jullie blijven eten."
"Shit! Ik bedoel, ja, leuk, maar ik heb niet eens een bloemetje meegenomen of zo. Moet ik trouwens Hans wel even bellen, maar eerst een duik."
Na een kwartiertje ronddobberen liep Loes naar haar fiets. Met haar mobieltje aan haar oor kwam ze terug lopen. "Ja, doe dat. OK, tot straks." Tegen ons zei ze: "Hij denkt nog een uurtje bezig te zijn. Hij komt ook met de fiets. Dat zal wel iets van vier uur worden."
"Wil hij wel gestoord worden als hij aan het werk is?"
"Ik stuur gewoon een sms-je, één letter. Dan kan hij zelf bepalen of hij terugbelt. Smeer jij mijn rug even in?"
Hans kwam tegen half vijf. Hij droeg geen fietskleding, maar gewoon een korte broek en een T-shirt. Uit zijn fietstas kwamen twee flessen wijn. Hij begon ook met een duik in het zwembad.
We dronken onze aperitiefjes op het grasveld. We konden het uiteraard niet laten ook over 'de situatie' te praten. "Neem nou eens aan," zei Hans, "dat jullie wakker worden en jullie zien mannen niet van het huis weg lopen, maar ernaar toe. Wat doen jullie, behalve 112 bellen?"
"Getver, Hans", zei Loes. "Zit ze nou niet bang te maken. Het is zo al lullig genoeg."
Ik vond het niet erg. "Als er toch iets gebeurt, kunnen we er beter goed op voorbereid zijn. We doen de slaapkamerdeur op slot en hopen dat de politie er heel gauw is. Wat kunnen we nog meer doen?"
"Wel eens aan een flinke hond gedacht?"
"Stef is allergisch."
"Goed, ze breken zich door zo'n schuifpui en je hoort ze trap opkomen."
"Hans, kap nou!" riep Loes weer.
"Nee, ik begrijp al wat Hans bedoelt", zei Stef. "Die slaapkamerdeur stelt ook niets voor. Daar kom ík nog doorheen. We moeten zorgen dat ze niet op de bovenverdieping komen. Een stevig luik in het trapgat dus, met heel stevige grendels."
Dat leek ons helemaal geen slecht idee, maar ik zag toch een bezwaar. "De heren worden pissig en steken de zaak in de fik, voor ze weggaan. Springen wij uit het raam?"
"Als je aan de vensterbank gaat hangen, ben je echt niet ver van de grond. Wat dacht je trouwens van een touwladder? Los van de situatie nu zou dat toch al een goed idee zijn, want een brandje kan altijd voorkomen. Gebruiken jullie wel eens kaarsen?"
Ik zei dat we niet 'wel eens' maar vaak kaarsen aansteken 's avonds. Ik ben wel eens uit bed gesprongen omdat ik er niet helemaal zeker van was dat ik alle kaarsen gedoofd had.
Stef ging zich met het eten bemoeien. Hans ging met hem mee om een handje te helpen.
"Die gaan nog een paar gruwelscenario's doornemen," zei Loes, "die niet voor onschuldige vrouwenoren bestemd zijn. Ik vind het behoorlijk lullig voor jullie. Woon je in een klein paradijsje waar je echt nog Adam en Eva kunt spelen van voor de tijd dat ze een vijgenblad nodig meenden te hebben, krijg je dit. Als dat stomme mens niet naar die slang had geluisterd had, hadden jullie al die ellende niet gehad. Waren er alleen maar zeer brave mensen geweest."
"En had Hans een andere baan gehad, waardoor hij vaker thuis was. Hé, wacht, ik zit nog wel eens na te denken over een naam voor ons huis. Je hebt me op een idee gebracht: Hofje van Eden."
Loes en Hans gingen om tien uur weg. We riepen dat ze nog eens terug moesten komen, ook als het regende of sneeuwde, en dat zouden ze zeker doen.
Tot een uur of elf dronken en praatten we nog wat. We gingen samen onder de douche. Het spelletje dat we daar begonnen zetten we in bed voort, maar niet voor lang.
Er ging geen alarm af. Er gingen geen lampen aan. We hoorden een geluid, buiten, dat we eerst niet konden thuisbrengen omdat onze aandacht ergens anders was. De tweede keer hoorden we het wel: een plons. Stef zette de buitenlichten aan. De camera's staan op het huis gericht. We konden dus niet zien wat er bij het zwembad gebeurde. Nog vijf keer hoorden we een plons. Een kwartier na de laatste zei Stef: "Ik ga kijken."
Ik zei dat hij dat de volgende ochtend beter kon doen, maar hij wilde het meteen weten. "Ze zijn niet op het terrein. Ze hebben volgens mij iets over de haag gegooid. Blijf jij maar op de monitor kijken en houd de telefoon bij de hand."
Ik zag hem over het gras lopen en dacht: stommeling, je had op zijn minst wat aan kunnen trekken. Ik vond hem er opeens heel kwetsbaar uitzien en was bang toen hij uit beeld verdween. Hij kwam gelukkig weer gauw tevoorschijn en zwaaide naar een camera. Hij kwam niet meteen naar boven. Ik hoorde hem in de keuken rommelen.
"Wat doe je?" riep ik.
"Ik ben zo weer terug."
Ik zag hem met een steelpannetje in zijn hand naar het zwembad en weer terug lopen.
"Het water is helemaal rood", zei hij toen hij weer naast me in bed zat. "Het kan echt bloed zijn van een dier, maar het kan ook verf zijn. Dat moet de politie maar uitzoeken."
We waren niet meer in de stemming om ons spelletje af te maken. We kropen wel heel dicht tegen elkaar aan.

15.

Bij de thee belde Stef de volgende ochtend de politie om te vertellen wat er gebeurd was. Ze zouden iemand sturen om het water met bloed of verf te komen halen. Stef had het water in een lege wijnfles overgedaan. Al vóór de thee had hij zeven plastic zakken uit het water gevist. We waren samen gaan kijken. Het water was gelukkig al weer helemaal doorgespoeld en helder. Ik bleef toch aarzelend aan de kant staan.
"Niet aan bloed denken", zei Stef. "Spring er in, anders doe je het misschien nooit weer." Ik deed wat hij zei. Terwijl ik wat ronddobberde dacht ik na. "Haal al die handen daar weg en luister", zei ik tegen Stef. "Ze hebben die zakken over de haag gegooid, maar die zakken waren niet afgesloten. Een niet-afgesloten zak gooi je niet omhoog, want die is vrijwel leeg voor hij in het water komt. De boomtakken die in de buurt van de haag komen zijn niet stevig genoeg om op te zitten of aan te hangen. Dus?"
"Dus?"
"Dus hebben ze ergens op gestaan, zodat ze over de haag konden kijken en die zakken bijna konden laten vallen. Dus?"
"Dus moet ik aan de andere kant gaan kijken."
"Nadat je ten minste één kledingstuk heb aangetrokken en ik bedoel geen ijsmuts of T-shirt."
Ik had thee ingeschonken toen hij terugkwam. "Er is een rechthoekige afdruk in de grond te zien. Ze zouden op een kist gestaan kunnen hebben. Iemand die lang genoeg is, zeg zo rond de één meter negentig, kan dan zo'n zak over de haag in het water gooien. Ik ga in ieder geval een paar foto's maken van die afdruk. We laten de politie er ook naar kijken."
Voor de politie kwam had Stef de foto's al overgezet op zijn pc en van daar weer op een cd. De politieman ging ook nog even achter de haag kijken, maar verder dan wij kwam hij ook niet. Hij vertrok met fles en cd. Wij gingen naar de supermarkt voor de zware boodschappen. Op de terugweg gingen we het pad achter het bos bekijken. Ik liep voor de auto uit. Ik zag niets bijzonders.
's Middags hielden we in het gras bij het zwembad krijgsraad. Stef dacht dat het handig zou zijn Hans te bellen. Ik vond dat we dat niet moesten doen. "Hij hoort volgens de normale weg wat hier gebeurd is. Dan moet hij zelf bepalen wat hij ermee doet. Ik vind ze een hartstikke leuk stel, maar hij moet zich niet verplicht gaan voelen ons een voorkeursbehandeling te geven of extra werk voor ons te doen, omdat ze hier een middagje in hun blootje mochten lopen en dat misschien nog wel eens willen doen. We moeten privé en zakelijk wel uit elkaar blijven houden."
"We hebben er gisteren ook over gepraat."
"Dat vind ik ook niet erg, maar daar waren ze niet voor gekomen. Als hij vandaag uit zichzelf zou komen, prima. OK, moeten wij nu ook camera's hebben die de andere kant op kijken?"
Stef had nog iets anders bedacht. "Het alarmsysteem gaat pas af als ze al binnen de haag zijn. Dan kunnen we ons verschansen en that's it. Ik zou wel gewaarschuwd willen worden, als ze nog aan de andere kant van het bos zijn. Dan zetten we zelf het systeem aan. Ik kan me niet voorstellen dat ze dan gewoon doorlopen. Ik ga morgen eens bellen met die zaak die de beveiliging hier heeft geleverd en vragen of daar apparatuur voor bestaat."
"Jij gaat morgen met niemand bellen. Jij gaat lekker met Elise spelen en ik ga bellen. Ik vind het een heel goed idee trouwens. Hoe gaat het eigenlijk met Elise?" Ik had al meer dan een week niets gelezen.
"Begint haar situatie al meer op de onze te lijken?"
Dat idee had Stef helemaal laten vallen. Het telefoontje waarin niets gezegd werd had hij geschrapt.
"Is dat niets voor jou?" vroeg hij. "Ik fantaseer van alles bij elkaar, jij schrijft een waargebeurd verhaal over dat charmante jonge stel, dat door onbekenden wordt lastiggevallen. Dat kunnen we dan later aan onze kleinkinderen laten lezen."
"Dan zullen we eerst kindertjes moeten maken en daar wachten we nog een paar jaar mee. We kunnen nu wel wat oefenen, want dat is er gisteravond helemaal bij ingeschoten."
We maakten er een serieuze oefening van en lieten ons in het zwembad afkoelen. Daarna was het tijd voor drankjes, die ik ging halen. Terwijl ik daar mee bezig was schoot me weer te binnen wat Stef had gezegd over dat waargebeurde verhaal. Ik vond het eigenlijk een heel goed idee. Ik fantaseer niet zoveel, maar schrijven kan ik ook wel. Ik had nog een week vrij en zou dus vast kunnen opschrijven wat ons tot dan toe overkomen was in ons Hofje van Eden. De dingen die daarna nog zouden gebeuren, al mochten ze van mij wegblijven, zou ik netjes noteren, zolang ze nog vers waren. Dat zou ook nog wel eens belangrijk kunnen zijn voor de politie. Het gaf me ook een gevoel van 'Ik zit maar niet een beetje lijdzaam af te wachten tot zij weer iets bedacht hebben.' Het gevoel van dreiging bleef voortdurend op de achtergrond hangen, maar ik was nog steeds niet van plan eraan toe te geven.
Stef vond het een prima plan. Dat vond hij ook van 'Hofje van Eden'. Hij zag meteen titels voor deel één en twee: "Paradise Lost" en "Paradise Regained". Ik vreesde dat deel twee niet meer dan één zin zou bevatten: "En ze leefden nog lang en gelukkig."

16.

De man van de beveiliging kwam op dinsdag. Stef nam een snippermiddag en kwam er bij zitten. Wat wij wilden was technisch geen enkel probleem. Hij kon het hele bos volhangen met bewegingsdetectoren. Ze konden zo afgesteld worden dat ze niet reageerden op langsvliegende vogels. Ze werkten op batterijen die we van tijd zouden moeten checken. Het kon ook zo geregeld worden dat wij een signaal op ons mobieltje kregen wanneer iemand in de buurt van zo'n detector kwam.
"Lekker!" zei ik. "Wordt het een beetje laat in de kroeg, gaat dat mobieltje af. Moeten we dan als de wiedeweerga naar huis racen?"
"Dat lijkt me niet zo verstandig. U kunt wel als de wiedeweerga de politie bellen."
Precies op dat moment ging de telefoon. Ik schrok me, geheel onnodig, rot. Het was Hans. Er was geen bloed in het zwembad gegooid, maar gewone waterverf van de juiste kleur. Ik vertelde dat we net bezig waren met een waarschuwingssysteem. Hij vond het een goed idee. Hij zei nog een keer dat ze het geweldig leuk bij ons gevonden hadden en dat hij de hele zaak scherp in de gaten zou blijven houden.
Terwijl ik belde had de man een schetsje gemaakt van het bos, met daarin mogelijke plekken om zo'n detector te bevestigen.

We gingen er maar vanuit dat de beveiligingsman meer verstand had van de beste plekken voor de detectoren dan wij. Ze konden zo worden aangebracht dat ze vanaf de weg niet te zien waren.
"We weten dat we op één of andere manier in de gaten worden gehouden", zei ik nog. "Hoe weten uw mensen dat ze niet gezien worden terwijl ze die dingen ophangen? Is het effect dan niet meteen weg?"
"Mevrouw, laten we om te beginnen hopen dat we ze voor niets ophangen, maar de allereerste keer dat u gewaarschuwd wordt en maatregelen neemt, weten ze dat er van die dingen zijn. Maar we nemen natuurlijk de nodige maatregelen om te voorkomen dat andere mensen zien dát we ze ophangen en wáár we ze ophangen."
"Het begint toch meer op een Fortje van Eden dan een Hofje van Eden te lijken", zei ik nadat de man vertrokken was.
Stef was er nog steeds niet helemaal van overtuigd dat we zelf de oorzaak van de hele situatie waren. We hadden een keer gesproken met Joop die zich wel eens verdiept had in het wel en wee van die huisarts. Toen die zich in het dorp vestigde was hij net veertig geworden. Hij woonde eerst in het dorp zelf. Buiten zijn werk had hij nauwelijks contact met andere dorpelingen. Hij had een huishoudster die ook voor hem kookte. Vaak zagen de mensen hem op vrijdagavond weggaan, maar niemand wist waarheen. Drie jaar later had hij het stuk grond gekocht en daarop het huis laten bouwen. Joop had niet kunnen achterhalen waarom alles op vierkanten gebaseerd was. Dat moest een reden hebben, maar welke? Het was ook niet duidelijk wat een man alleen met zoveel ruimte moest. De meeste wetenschap had Joop uit krantenarchieven gehaald. Het dorp was ook destijds niet het middelpunt van de wereld. Alleen in de regionale kranten kwam het wel eens ter sprake. Er was een foto van de huisarts die voor zijn huis staat. Stram rechtop staart hij nors in de camera. Hij is net vijfenzestig geworden en is dus vijfentwintig jaar huisarts in het dorp. In het artikeltje bij de foto wordt geschreven dat de mensen tevreden zijn met hun huisarts. Een opmerkelijk feit uit de dorpgeschiedenis is dat er een keer een jonge vrouw verdwenen is, de dochter van de plaatselijke kruidenier. Ze was begin twintig toen ze verdween. Ze is nooit gevonden.
Stef vroeg hoe lang de huisarts er toen was. Die was er toen een jaar of vijf. "Je denkt toch niet dat die huisarts iets met die verdwijning te maken heeft?" zei Joop.
"Ik verdien mijn geld met fantaseren. Ongetrouwde huisarts onderzoekt jonge vrouw en ontdekt haar tot dan toe verborgen charmes. Hij raakt helemaal hoteldebotel en wil meer. Zij is deugdzaam en wil dat niet. Hij overweldigt en vermoordt haar en begraaft haar in het bos. Op het graf laat hij een huis bouwen. Het slachtoffer ligt precies op het kruispunt van de diagonalen van die vierkanten."
Stef zou er best een spannend verhaal van kunnen maken, maar in de alledaagse werkelijkheid kon ik me er niet zoveel bij voorstellen. "Ik zie niet meteen een verre achterneef van die deugdzame jonge vrouw ons hier wegpesten omdat hij op zijn gemak de hele tuin wil afgraven en zelfs onder het huis wil kijken. Was die huisarts rijk, Joop?"
"Hij was natuurlijk wel een van de rijkere mensen van het dorp, maar uit niets blijkt dat hij idioot rijk was en dat hij ergens een schat of zoiets zou hebben begraven. Waarom zijn jullie eigenlijk zo geïnteresseerd in die man?"
Het was toen nog niet in hele dorp bekend dat wij wel eens ongenode gasten hadden, dus we vertelden het hem en dat we dachten dat het in theorie iets met die huisarts te maken kon hebben. Hij was immers een beetje vreemde eend in de bijt geweest.
"Ongenode gasten", dat was de titel van Stefs eerste boek. Het verhaal lijkt in de verste verte niet op onze situatie, maar zou die titel iemand op de gedachte hebben kunnen brengen? Was het allemaal geen bedreiging, maar een uit de hand gelopen slechte grap?
Stef ging die middag niet meer aan het werk. We liepen nog eens om het bos heen. Waar zou iemand het bos in gaan? De plekken die de beveiligingsman had aangegeven leken inderdaad de meest waarschijnlijke. We keken ook nog bij de plek waar we het bierblikje gevonden hadden. Er lag deze keer niets. Zou het hem of hun zijn opgevallen dat het bierblikje was weggehaald?
Het was geen weekend, maar we liepen meteen maar door naar Adrie. Het was er nog rustig. Adrie was wat verrast door ons bezoek op dat ongebruikelijke tijdstip. "Jullie zijn toch niet het huis uit gevlucht?"
We stelden hem gerust. Er schoot me ineens iets te binnen. "Je zoon vroeg een tijdje geleden of hij af en toe eens bij ons mocht zwemmen, maar hij is nog niet geweest. Heeft hij watervrees gekregen?"
Adrie had geen idee. "Misschien gaat hij toch liever met z'n vrienden zwemmen. In het grote zwembad is er natuurlijk ook meer gelegenheid om meisjes te ontmoeten, nadat ze eerst uitgebreid bestudeerd zijn. Hij is nog een puber tenslotte. Hij heeft op het ogenblik wel een vriendinnetje, geloof ik, maar hij zal misschien niet durven vragen of ze mee mag komen. Daar heb je hem trouwens, kun je het hem zelf vragen."
Ik had de indruk dat junior een beetje schrok toen ik het hem vroeg. Hij zei zo'n beetje hetzelfde als zijn vader: hij ging met z'n vrienden zwemmen. Ik kon later bij Stef niet checken of hij inderdaad wat geschrokken was. Die was door blijven praten met senior. Er viel me nog iets op: ik ben niet echt klein, één meter zesenzeventig, maar junior stak een kop boven me uit. We hebben hem destijds een sleutel van het hek en het huis gegeven. Sleutels kunnen gekopieerd worden.

Zondag 1 oktober, 15.15 uur

In de laatste week van augustus werden de detectoren in het bos aangebracht. Ze werkten allemaal. De doordringende pieptoon die wij hoorden als er iemand in de buurt kwam, was buiten de haag niet te horen. Ook het mobieltje van Stef ging over. Begin september, het was nog een paar dagen prachtig weer, kwamen Hans en Loes op een zondag weer een keer langs. We hadden al begrepen dat het onderzoek helemaal stil lag. Er waren simpelweg te weinig harde feiten waar iets mee gedaan kon worden. "Wat ze ook willen, veel haast hebben ze er in ieder geval niet mee", volgens Hans. De rest van de maand september gebeurde er niets. Nu ik dit schrijf is het 1 oktober en ben ik helemaal 'bij' met de beschrijving van onze wederwaardigheden. Ik vind het bijna jammer, niet omdat ik wat meer avontuur in ons leven wil, maar ik ben het schrijven leuk gaan vinden. Stef doet altijd heel nuchter over dat schrijven, maar hij heeft natuurlijk een geweldige 'baan'. Hij kan het leven van een hele rij mensen naar zijn hand zetten. Hij kan ze gelukkig of doodongelukkig maken. Ik heb hem wel eens gevraagd, zo halverwege nummer één, hoeveel wensdroom er in zijn verhaal zat. Had hij hetzelfde willen meemaken of doen als zijn hoofdpersoon? Helemaal niet dus. "Ik ben een gewone brave burger met een rijke fantasie die toevallig ook nog aardig kan schrijven. Als die fantasie opdroogt ga ik gewoon weer het onderwijs in. Vind ik ook leuk." Die fantasie maakt het voor hem wel iets gemakkelijker om de rare dingen te aanvaarden die ons overkwamen. In zijn boeken gaat het heel wat heftiger toe. Van meer dan wat hartkloppingen en onlustgevoelens hebben wij nog geen last gehad. Aan meer heb ik ook geen enkele behoefte.
Ik zit met een vraag: waar schrijf ik over zolang er niets meer gebeurt? Ik kan me niet iets voorstellen als: "Lief dagboek, Vanochtend werd ik zeer ontspannen wakker. Stef heeft mij gisteravond zeer verwend. Ik heb een speciaal lekker ontbijtje voor hem gemaakt. Ik kwam nogal moe op school, want ik had behoorlijk de wind tegen. Dat was ook in figuurlijke zin zo, want de kinderen waren erg vervelend en lawaaierig vandaag. Op de weg terug regende het en ik had mijn regenpak vergeten. Ik was doornat en koud toen ik thuiskwam. Gelukkig stond Stef klaar om mij weer op te warmen met een kop warme chocolademelk met slagroom." Het zou allemaal best een dag zo kunnen gaan, afgezien van de chocolademelk, maar waarom zou ik dat opschrijven? Ik kan ook alle diepe gedachten opschrijven die bij me binnen dwarrelen tijdens het naar huis fietsen. Ik vrees dat ze, eenmaal opgeschreven, niet meer zo geweldig diep blijken te zijn. Wat betekent dat nou? Leid ik maar een saai burgerlijk bestaan? Ons kostje is gekocht. We hebben een riant dak boven ons hoofd met ruim voldoende ruimte om ons heen. We zijn vaak letterlijk als Adam en Eva in het paradijs. We kunnen het goed vinden met onze ouders. We hebben goede vrienden en nog een stel aardige kennissen die we regelmatig in de kroeg ontmoeten. Is that all there is? Of moet het allemaal grootser en meeslepender gaan? De enige voorzienbare redelijk ingrijpende verandering in ons bestaan is een kind dat we in eendrachtige samenwerking tot stand brengen en vervolgens gedurende een reeks van jaren zullen opvoeden, eventueel nog een tweede. Nu hoeven we nog niet zo nodig, maar we zijn het er wel over eens dat ik over een paar jaar stop met de pil en de natuur zijn gang laat gaan. Dan ben ik begin dertig en heb ik, statistisch gezien, nog wel zo'n vijftig jaar te gaan. Tussendoor word ik ook nog een keer grootmoeder.
Ben ik gelukkig? Zou ik tegen iemand zeggen dat ik dat niet was, dan zou die mij voor gek verklaren. Wat wil ik dan nog meer? Ik zal het ook niet zeggen. Je moet dat 'gelukkig zijn' ook niet al te veel willen analyseren. Dan blijft er niet meer over dan een rijtje losse elementen: lekker gevreeën met Stef, leuk gepraat met Stef, lekker weer, plezierig lesgegeven, lekker gegeten. Wordt dat allemaal pas waardevol als je eraan kunt toevoegen: iets positiefs bijgedragen aan het welzijn van de samenleving? Het is prachtig wat moeder Theresa allemaal deed. Ik ben al blij als de kinderen zonder tegenzin bij juf Annet de klas binnenstappen.
Ik houd het er maar op dat ik tot nu meestal goed in m'n vel zit. Ik was nog redelijk jong toen ik bij Stef introk. Als ik zeg dat ik daar nog geen seconde spijt van gehad heb, druk ik me zwakjes uit. We zitten niet voortdurend op elkaars lip, maar ik vind het fijn om hem weer te zien als ik hem een tijdje niet gezien heb. Ik kan aan hem zien dat hij dat ook vindt als ik thuis kom van school. Hij zit dan meestal op de bank in de woonkamer. Soms is hij nog in de keuken bezig. We zoenen. Een enkele keer zoenen we wat door. Dat eindigt wel eens in bed of op de bank of waar dan ook en dan beginnen we wat later aan een drankje. Ik treed hier niet in detail. Je weet maar nooit of in de tijd dat onze kleinkinderen dit lezen er een periode van 'nieuwe kuisheid' is aangebroken.

Lieve kleinkinderen,

Toen opa en oma zo oud waren als jullie nu zo ongeveer zijn, werd er wel eens gezegd dat er een vreselijk losse moraal was. Geloof er maar niks van. Toen opa en oma nog jong waren en nog een echt goed figuur hadden, liepen ze wel eens bloot rond in de tuin waar jullie zo graag kwamen spelen. Ze liepen ook wel eens bloot op het strand, net als veel andere mensen, maar blote mensen zijn net zo moralistisch als aangeklede mensen, hoor. Moraal kun je niet zomaar even uittrekken. Ook in jullie tijd zullen er nog steeds mannen zijn die precies weten waar ze, stiekem natuurlijk, 'spannende' foto's en films kunnen krijgen en bekijken. Dat doen ze al eeuwen. Vroeger moesten ze het doen met beschilderde Griekse amfora's, mozaïeken of tekeningen. Dat zijn we intussen kunst gaan noemen. Weten jullie wat een actrice, Sharon Tate, in oma's tijd, eens gezegd heeft? "Op tv kunnen kinderen mensen elkaar zien uitmoorden, wat iets erg onnatuurlijks is, maar ze mogen niet twee mensen op een erg natuurlijke wijze seks zien hebben. Dat slaat toch nergens op?" Vinden jullie dat ook niet heel gek?

DEEL 2: Schermutselingen.

Woensdag 4 oktober, 20.30 uur.

Stef had dit nog niet gelezen, maar heeft dat gisteren gedaan. Van mij mag hij wel commentaar leveren. Zijn primaire reactie was dat de karakters niet helemaal uit de verf kwamen. Ik maakte me er eerst met een grapje vanaf. "We kunnen zelf eens verf in het zwembad gooien en een duik nemen." Daarna werd ik serieus, min of meer. "Dit is geen verhaal, laat staan een roman. Dit verhaal wordt alleen gelezen door een paar mensen die de twee hoofdpersonen goed kennen en de 'bijrollen', om ze zo maar even te noemen, zijn voor het verhaal niet zo belangrijk, behalve de bijrollen die we nog niet hebben leren kennen. Als we ze leren kennen hoop ik dat er politie in de buurt is."
"Waarom zouden andere mensen het niet willen lezen?" vroeg Stef. "Nu nog niet, want zoveel is er niet gebeurd. Maar je weet nooit wat er nog kan gebeuren." Hij hoorde meteen zelf wat hij eigenlijk zei. "Sorry Netje, dat was een heel stomme opmerking." Stef noemt me maar een heel enkele keer Netje. Meestal als we geweldig, meer dan doordeweeks lekker, gevreeën hebben. Als hij me Netje noemt bestaat er niemand anders voor hem. Dan ben ik ook meteen weer met één natte vinger te lijmen.
"Ik ben niet boos op je, lieverd. Je begint gewoon een beetje aan beroepsdeformatie te leiden. Verhalen moeten spannend zijn. Dit is geen verhaal. Het is een wat uitgebreide reportage. Ik wil ook doorschrijven als er verder helemaal niets engs gebeurt, maar dat is dan helemaal niet interessant meer voor andere mensen. Dat is niet meer dan kopieerlust des dagelijksen levens."
"Schrijven kun je in ieder geval wel", zei Stef. "En je hebt vandaag weer wat gekregen wat in de reportage past."
Gisteren was ook de dag van de hovenier. Vlak voordat ik thuiskwam had hij zich bij Stef afgemeld. Hij had iets gevonden naast de rand van de douchebak. Vlak langs die rand moet hij gras altijd met de hand bijknippen. Het leek op een niet al te duur sierraad. Wij kenden het niet. Ik zat er nog een tijdje naar te kijken. "Volgens mij is het een navelpiercing, maar we kennen niemand met een navelpiercing. Hoe komt dat ding daar? Het lijkt me stug dat hij met een zak verf over de heg is gekomen. Het zijn trouwens hoofdzakelijk vrouwen die een navelpiercing hebben. Een vrouw of een meisje heeft zich na het douchen daar staan afdrogen en daarbij heeft ze dat ding losgemaakt."
Stef kon zich niet voorstellen dat een vrouw alleen tijdens onze afwezigheid over het hek was geklommen om van ons zwembad gebruik te maken. Twee vrouwen leek hem net zo onwaarschijnlijk. Hoe vaak waren we nou weggeweest de afgelopen zomer? Hoe konden mensen weten dat we een tijd zouden wegblijven?
Dat leek me simpel. "We gaan altijd via het dorp een eind fietsen. Mensen die ons zien met zomerse kleding, een fietstas en een kaart op het stuur kunnen ervan uitgaan dat we wel een tijdje weg zullen blijven. Op naar het knusse zwembad. Wacht eens, een tijdje geleden vroeg ik Adrie waarom zijn zoon nooit was komen zwemmen. De jonge Adrie kwam net binnen en ik vroeg het hem. Volgens mij schrok hij toen een beetje. Stel dat hij de sleutel van het hek gekopieerd heeft en af en toe met z'n vriendinnetje is komen zwemmen als wij er niet waren. Of draaf ik nu weer te ver door?"
Stef achtte het niet uitgesloten. "Het is helemaal niet netjes, maar hoe kwalijk moet je het een puber nemen als hij de kans schoon ziet met zijn vriendinnetje te gaan naaktzwemmen? Hij kan moeilijk nog een keer langs komen om te vragen of hij even mag zoeken naar een navelpiercing die zijn vriendinnetje kwijt is geraakt. Het heeft in ieder geval niets met die andere dingen te maken."
"Moeten we het er met hem over hebben?" vroeg ik.
"Lijkt me zinloos. Hij zal toch geen ja zeggen. Bewaar dat ding maar voor het geval dat."
Daar hielden we het bij, maar het zit me toch niet lekker. Van mij mag iedereen, binnen redelijke grenzen, komen zwemmen, maar dan wil ik het wel weten. Overdag was het alarmsysteem niet aan, ook niet als we weggingen. De detectoren in het bos wel. Moeten we het alarmsysteem nu ook overdag, als we niet thuis zijn, aanzetten? Als een puber voor illegaal naaktzwemmen binnenkwam was dat niet netjes, maar verder heel onschuldig. Voor hetzelfde geld kan iemand met minder onschuldige bedoelingen over het hek klimmen. Ondanks alle maatregelen blijven we kwetsbaar. Ik zit nu al te bedenken dat we prikkeldraad boven op het hek kunnen zetten of andere scherpe dingen, maar ik wil helemaal niet over dat soort vervelende dingen nadenken. Ik hoef niet zo nodig bebloede handen of benen te zien, zelfs niet als ze dat aan zichzelf te wijten hebben.
Ik heb me er op betrapt dat ik, terugkomend uit het dorp, altijd loop te kijken of ik iemand tussen de bomen zie. Ik ben niet echt bang want in negen van tien gevallen ben ik met Stef. Twee keer was ik alleen toen ik een brief op de bus moest doen. Ik was op de fiets, het was nog licht, maar het stukje langs het bos trapte ik toch iets harder. Dat is ook iets wat ze verpest hebben, het gevoel van onbevangenheid zal ik het maar noemen. Ik ben opgegroeid net buiten een dorp. Ik liep of fietste zonder enige zorg langs kleine weggetjes. De tijd dat ik in Amsterdam woonde heb ik nooit de neiging gehad voortdurend over mijn schouder te kijken. Het ergste wat ik daar ooit heb meegemaakt is dat in een volle tram iemand met zijn hand over mijn billen ging. Ik heb het maar als een compliment beschouwd. Stef kon zich ook heel goed voorstellen dat iemand in de verleiding was gekomen. Hij had daar zelf ook vaak last van, dat wil zeggen: als het om mijn billen ging en niet alleen in de tram.
Ik wil dat gevoel weer terug dat we hadden toen we hier net woonden, dat gevoel van vrijheid en helemaal jezelf kunnen zijn.

Zondag 8 oktober, 13.15 uur

Er was gisteravond maar één gespreksonderwerp bij Adrie: Ans is verdwenen! We kwamen er rond half tien. Het was veel drukker dan gebruikelijk. We dachten eerst dat iemand een feestje gaf, maar daar stonden de gezichten niet naar. Joop sprak ons als eerste aan, nog voor we iets konden bestellen. "Hebben jullie het ook gehoord?"
We wisten dus niet wat we gehoord moesten hebben. We liepen met hem mee naar de stamtafel waar net een paar mensen opstonden. Van een afstandje lieten we Adrie weten dat we een bier en een wijn wilden. Het was gisteren al bekend gemaakt in de regionale krant die we niet lezen en op de regionale tv waar we nooit naar kijken. Ans was vrijdagochtend niet op haar werk verschenen waar ze altijd stipt om acht uur verschijnt. Toen ze zich om tien uur niet ziek gemeld had belde een collega haar en kreeg dus alleen de voicemail te horen. Om elf uur gingen haar chef en een collega kijken. Op het aanbellen werd natuurlijk niet opengedaan. Navraag bij buren leverde niet meer op dan dat die haar donderdagavond en vrijdagochtend niet gezien hadden. Een van de buren had een sleutel, omdat die bij afwezigheid van Ans voor de plantjes zorgt. De chef vroeg zich niet of dat allemaal wel mocht en ging naar binnen. Achter de deur lag post op de grond. Ze was donderdag dus niet thuisgekomen. In huis zagen ze niets bijzonders. Meer doen dan de politie waarschuwen konden ze ook niet.
Ans werkt - ik had eerst getypt "werkte", alsof al zeker is dat ze niet terugkomt - op het gemeentehuis bij de afdeling die over de bijstand gaat. Ze is in het dorp geboren, maar ging in de stad wonen nadat ze getrouwd was. Vijf jaar geleden is ze gescheiden en toen ook weer naar het dorp terug verhuisd. Niemand had enige reden om zelfs maar te vermoeden dat ze uit eigen beweging met de noorderzon vertrokken was.
"Het vreemdste komt nog", zei Joop. "Als zoiets als dit gebeurt, gaan de journalisten in de archieven duiken. Ans' achternaam is Van Beek. Dat meisje dat jaren geleden verdwenen is heette ook Van Beek. Na een klein beetje zoekwerk was het duidelijk: een oudere broer van dat meisje was de grootvader van Ans."
Wat moet je op zoiets zeggen? Ans is geen vriendin, ze is een kennis en niet eens de beste kennis, maar zelfs iemand die je helemaal niet kent wens je dit niet toe. "We hebben hier toch geen maffia," zei ik, "die jarenlang allerlei vetes bijhoudt en kijkt wie er alsnog vermoord moet worden? Wat is er allemaal gebeurd in het verleden van dit kutdorp? Sorry, Joop", zei ik er meteen achteraan. Joop woont er al zijn hele leven, net als een paar generaties voor hem. "Zo bedoel ik het niet. We zijn hier niet zomaar komen wonen. Wat ik bedoel is: wat kan hier nou gebeurd zijn? Iedereen kent iedereen. Iedereen kent alle onderlinge ruzietjes. Die worden hier aan de stamtafel opgelost, toch?"
Voor zolang Joop zich kon herinneren ging het inderdaad ongeveer zo. Daarom was het ook drukker dan normaal. De mensen van het dorp vormen een vrij hechte gemeenschap. 'Eén grote familie' was wat al te veel gezegd, maar als er echt iets was ging je naar Adrie om erover te praten. Er werden ook veel zaken uitgepraat.
"Niemand weet iets van een ruzie die de familie Van Beek heeft of gehad heeft met een andere familie hier uit het dorp", zei Adrie, die even bij ons was blijven zitten nadat hij volle glazen neergezet had. "Ans is trouwens de laatste van die lijn. Ze was enig kind, net als haar vader. Haar ouders zijn allebei kort na elkaar overleden toen ze begin zestig waren. Haar man, haar ex dan, en zijn familie hebben nooit iets met ons dorp te maken gehad. Ik ben hier nu de derde Adrie die achter de bar staat. Neem maar van mij aan dat ik zo'n beetje alles weet wat hier in het dorp gebeurt. Ik heb ook van mijn vader geleerd wat die van zijn vader geleerd heeft: luisteren naar wat mensen te vertellen hebben en daar verder mijn mond over houden. Nou moet ik terug naar de bar anders gaan ze naar de concurrentie." Dat zal niet gauw gebeuren want de dichtstbijzijnde concurrentie zit in het andere dorp.
Het werd weer eens een latertje, maar we namen thuis toch nog een afzakkertje. Ik zei niks, maar er speelde van alles door mijn hoofd.
"Zeg het nou maar", zei Stef. "Kun je straks gewoon gaan slapen."
"Het slaat allemaal nergens op, dat weet ik ook wel."
"Wat slaat nergens op?"
"Wij zijn allebei ook enig kind. Adrie hoort alles, maar vertelt niks door. Mooi. Zo hoort het ook. Wat heeft hij gehoord over die familie Van Beek, maar nooit doorverteld? Heeft hij wel dingen van zijn vader of misschien zelfs van zijn grootvader gehoord? Heeft de verdwijning van Ans echt helemaal niets te maken met de dingen die hier gebeurd zijn? Die huisarts en wij komen van buiten. Hij houdt zich zoveel mogelijk afzijdig, wij horen er intussen gewoon bij. Of toch niet helemaal? Zijn er mensen die eigenlijk helemaal geen indringers willen? Indringers kijken toch met andere ogen. Die zien misschien dingen die de andere dorpsbewoners niet meer opvallen. Wat heeft Ans ze allemaal verteld? Ze praat nogal vaak met die schrijver en dat vrouwtje van hem. Lekker ding trouwens, dat vrouwtje."
"Drink je glas leeg, lekker ding, en ga mee naar boven."
Daarna hebben we niets meer gezegd. Ik hoefde ook niets meer te doen. Stef kleedde me uit en liet me gaan liggen. Hij lag snel naast me. Hij vree met me. Ik deed helemaal niets en liet alles over me komen en door me heen gaan. Na een paar minuten dacht ik nergens meer aan. Ik weet ook niet meer hoe lang het duurde voor ik in slaap viel. Ik heb doorgeslapen tot bijna tien uur.
Stef zat aan de tafel in de eetkamer te lezen. Hij had al ontbeten, zag ik. Ik zoende hem uitgebreid. Hij wilde opstaan om ontbijt voor mij te maken. Ik zei dat hij al genoeg voor me gedaan had en maakte zelf mijn ontbijt. Terwijl ik zat te ontbijten zeiden we niets. We zaten naar elkaar te kijken en van elkaar te houden. Er zijn van die momenten dat je verder helemaal niets anders meer nodig hebt.
Stef maakte koffie en schonk in. Hij keek weer naar me, maar anders. Het was nu mijn beurt: "Zeg het nou maar, heb je dat voor vandaag gehad."
Hij had een mailtje ontvangen. Het was om half één vannacht binnengekomen. Er stond maar één zin in: "Dat kan jou ook gebeuren." De afzender was vierkant@hotmail.com.

Maandag 9 oktober 21.05 uur

Gistermiddag had geen ik zin meer door te schrijven. Het was redelijk weer dus we zijn een eind gaan fietsen. Stef fietste zonder enig doel of plan en ik fietste achter hem aan. Zo konden we nog wat nadenken. We hebben 's ochtends nog wel een tijdje over dat mailtje doorgepraat. We twijfelden er niet aan dat het "Dat" slaat op de verdwijning van Ans. Er staat niet dat het "jullie" kan gebeuren maar cursief "jou". Om nadruk te leggen in een tekst maken de meeste mensen die vet of onderstreept. Waarom had de afzender "jou" cursief geschreven? Ik had een antwoord op die vraag, maar ik was er niet blij mee. "Die e-mail is aan jou gericht, omdat ze mijn e-mailadres niet kennen, maar wel het jouwe. Door dat jou cursief te maken geven ze aan dat het niet om jou gaat, maar om mij. Wat hebben ze verdomme tegen mij? Ik heb in het hele dorp nooit een vlieg kwaad gedaan."
Stef zei dat de naam van het e-mailadres ook niet zomaar uit de lucht was geplukt. De afzender voelde zich zo onkwetsbaar of onvindbaar dat hij rustig durfde aan te geven dat wat hij ook wilde iets met ons huis te maken had. Hij was er intussen ook achter gekomen dat het sturen van mailtjes nog iets handiger was dan het in de brievenbus gooien van zorgvuldig van vingerafdrukken ontdane briefjes. Zo'n hotmailadres kun je op iedere willekeurige computer aanmaken. Persoonlijke gegevens die je moet invullen hoeven niets met de werkelijkheid te maken te hebben. Je kunt vanaf iedere computer, in internetcafés of telefoonwinkels, een e-mail versturen. Er is niemand die erop let wie daar bezig is.
Na enig nadenken hadden we een verklaring voor het feit dat Stefs e-mail bekend was. De uitgever van Stef heeft ooit visitekaartjes voor Stef laten maken. Aan de ene kant staan gegevens van de uitgever, aan de andere kant van Stef, ook zijn e-mailadres. Stef geeft er niet zo vaak een weg, maar Adrie had er een, Joop had er een en Ans. Iemand 'had' Ans en kon dus ook dat visitekaartje hebben.
Tijdens het fietsen was ik niet veel verder gekomen dan dat we waarschijnlijk wel goed zaten met onze conclusies, maar daar verder niet veel mee opschoten.
Omdat we toch door het dorp kwamen besloten we te gaan borrelen bij Adries. Tot onze verrassing was Hans daar. We wuifden naar elkaar en wij gingen aan de bar zitten.
"Kennen jullie die politieman?" vroeg Adrie. "Hij is hier komen praten omdat hij wil weten of er mensen zijn die wat meer kunnen zeggen over de verdwijning van Ans."
We vertelden dat we Hans inderdaad kenden en vroegen Adrie of hij nog iets bijzonders had opgepikt. Hij had niet meer opgepikt dan wij zaterdagavond ook gehoord hadden.
"Heette dat meisje dat eerder verdwenen is toevallig ook Ans?" vroeg ik. Ik weet eigenlijk niet waarom ik dat zo nodig wilde weten.
Adrie wist het niet. "Joop!" riep hij richting stamtafel. ""Hoe heette dat andere verdwenen meisje?"
"Stefanie."
Stef en ik waren perplex. Stef heet voluit Stefan. Wat voor toevalligheden konden er nog meer gebeuren? We zouden alleen nog verbaasder geweest zijn als het meisje Annet geheten had.
We praatten nog een tijdje door met Adrie, ook over andere dingen, tot Hans ons wenkte. We lieten onze glazen nog eens volschenken en gingen bij hem zitten.
"Zit Loes weer de hele dag alleen?" vroeg ik.
"Nee, die heeft mij alleen gelaten. Die is dit weekend met een vriendin naar Brussel. Die is niet voor twaalf uur thuis. Ik ben wel een beetje jaloers op jouw biertje, Stef."
"Ben je gek", zei Stef. "Je werk zit er op voor vandaag. Je praat nu gewoon met een paar vrienden. Daarna loop je met ons mee. Je eet met ons mee. Je mag bij het eten nog één glaasje wijn. Je vertrekt om elf uur en bent nog ruim op tijd vóór Loes thuis. Kunnen jullie je nog samen bezatten."
Hans liet zich heel gemakkelijk overhalen. Bij Adrie hadden we het niet meer over Ans.
Bij de koffie na het eten vroeg Stef of hij de zaak nog weer even mocht heropenen. Hans en ik vonden het allebei goed en Stef vertelde Hans over het mailtje en over dat Stefanie-Stefan.
Hans vond de zaak ook steeds merkwaardiger worden. Hij had de leiding gekregen over het onderzoek naar de verdwijning van Ans en gezien wat wij hem vertelden vond hij dat er aanleiding genoeg was onze 'zaak' daarbij te betrekken. "Dit maakt het voor jullie ook nog weer vervelender. Beginnen jullie zo langzamerhand niet genoeg te krijgen van dit dorp?"
Stef zei dat het dorp er ook niets aan kon doen dat er kennelijk een paar gekken woonden. "Zodra Annet zegt dat ze hier weg wil, vertrekken we acuut. Maar Annet is een koppig meisje. Ze laat zich niet dwingen. Vanmiddag bij het fietsen heb ik wel bedacht dat ik haar niet meer alleen van school naar huis laat fietsen." Hij zag me naar hem kijken en keek zelf een beetje schuldbewust. "Sorry lieverd, dat had ik je eerder moeten zeggen."
"En als ik dat nou eens niet wil?"
"Dan zul je de school via een geheime uitgang moeten verlaten. Mijn beurt om koppig te zijn."
"Ik houd ook van jou. Kwart over vier bij het fietsenhok. O, leuk! Kan ik eindelijk een jeugddroom verwezenlijken. Ik heb nooit voor een jongetje van school mijn rokje opgetild in een fietsenhok. Eindelijk!"
Stef beloofde dat hij het heel vriendelijk zou vragen.
Hans hoorde het geamuseerd aan. "Ik vind het prima dat jullie koppig zijn, maar het is ook wel goed dat jullie je verstand blijven gebruiken. Het is me bepaald nog niet duidelijk welke kant ik op moet zoeken, in het heden dan. Ik moet eens op zoek naar een streekhistoricus. Jullie zijn het wel met me eens dat wat er nu gebeurt zijn wortels heeft in het verleden?"
Daar twijfelden we geen moment aan, maar waarom pakken ze ons om iets aan het verleden te doen?
Hans ging even na half elf weg. Hij moest ook nog naar het dorp lopen. Stef liep met hem mee naar het hek. Ik hoorde hem in de hal het alarmsysteem aanzetten zoals elke avond. Hij kwam niet meteen de kamer in, maar leunde tegen de deurpost. "Heb je echt nooit je rokje opgetild?"
"Ik zei dat ik nooit in een fietsenhok mijn rokje heb opgetild. Wil je alle plaatsen weten waar ik het wel gedaan heb? En waar ik het heb laten zakken?"
Hij wilde alle plaatsen weten en een demonstratie van hoe dat precies ging, maar toen ik mijn spijkerbroek had uitgetrokken, hoefde ik geen rok meer aan te trekken. Mannen zijn soms zo gauw afgeleid.

Woensdag 11 oktober, 20.45 uur

Af en toe zit ik me tijdens het schrijven af te vragen of ik wel goed bezig ben. Ik doe nu hetzelfde wat Stef deed bij het schrijven van nummer één: me afzonderen, minder aandacht besteden aan mijn werk en minder aandacht besteden aan Stef. Hij heeft zich nog niet beklaagd, maar hij zit nu wel alleen op de bank naar de tv te kijken of te lezen. Ik zat wel eens vaker in mijn eigen hok, bijvoorbeeld om een les voor te bereiden of werk van de kinderen na te kijken, maar dat kan nu eenmaal niet anders. We kunnen ook rustig een hele avond samen in de kamer zitten bijna zonder een woord tegen elkaar te zeggen. Dat betekent niet dat we maar een beetje langs elkaar heen leven.
Zit ik me nu druk te maken over niets? Is er verschil tussen samen zwijgen en in aparte kamers zitten? Zo voel ik het wel. Elkaar even aankijken kan net zo veel betekenen als een tijd met elkaar praten. Ik kan nu niet zien of hij zich bij de tv zit te amuseren of te ergeren. Ik zie niet of zijn gedachten afdwalen naar Elise, wat van tijd tot tijd voorkomt, net als ik wel eens met mijn werk bezig ben.
Ik schrijf niet alleen omdat ik het leuk vind. Ik voel ook een soort drang. Ik schrijf dingen van me af, waardoor ze ook helderder worden. Vreselijk bang ben ik nog niet geweest. Het was meer een vaag gevoel van spanning dat er elk moment iets zou kunnen gebeuren. Dat kan natuurlijk nog steeds, maar ik heb niet het gevoel dat het tegen mij persoonlijk is gericht is. Het gaat niet om wie of wat ik ben of wat ik gedaan heb. Het gaat om waar ik ben: het dorp en vooral het huis. Andere nieuwe eigenaren van het huis zouden waarschijnlijk met dezelfde dingen zijn geconfronteerd. Ik geloof ook niet meer dat iemand ons wil afpersen. Wie dat wil doen kan beter de president-directeur van een multinational op de korrel nemen. Daar valt heel wat meer te halen dan bij ons.
Ik zie mezelf als een stuk op een schaakbord. De schaker heeft geen enkel gevoel bij de individuele stukken op het schaakbord. Hij is alleen geïnteresseerd in de positie die ze innemen. Ans is ook een stuk op hetzelfde bord, een pion die geofferd kan worden of misschien al geofferd is. Ben ik ook niet meer dan een pion? Veel maakt dat niet uit, denk ik. Zelfs de koningin kan geofferd worden als daarmee het doel bereikt wordt: het schaakmat zetten van de tegenstander. Zouden we werkelijk schaakstukken zijn en ik de koningin en Stef de koning, dan zou ik hem moeten beschermen. Hij kan alle kanten op, maar met kleine stapjes. Ik kan van de ene kant van het bord naar de andere. Alleen beslis ik daar zelf niet over. Dat is wat mij het meeste dwars zit, die onzichtbare schaker die ruim de tijd neemt om zijn zetten te overdenken. Is hij in de aanval of moet hij zich verdedigen? Wie is de tegenstander? Waren hun vaders en grootvaders ook al tegenstanders? Wat had die huisarts, zijn huis met de bijbehorende grond, ermee te maken? De huisarts kwam net al wij uit het westen, maar daar houdt ook alle gelijkenis op. Niemand kon lang tevoren voorzien dat wij het huis zouden kopen. De eerste die het wist was de makelaar, maar die woont niet in het dorp. Moet ik toch eens nagaan of hij er vandaan komt? Daarna kwam er een aannemer met medewerkers en onderaannemers. Die hebben we nauwelijks gezien en gesproken. Toen we hier eenmaal een paar weken woonden wist het hele dorp het, maar we hebben nooit iets gemerkt van enige animositeit.
Al het gedoe is niet alleen maar negatief. Hoewel het voor mijn veiligheid misschien helemaal niet zo nodig is, vind ik het best leuk dat Stef me uit school komt halen. We doen nu samen boodschappen en ik kan meebeslissen over wat we eten. Vanaf het moment dat we elkaar leerden kennen hebben we dicht bij elkaar gestaan - en gezeten en gelegen - maar ik ervaar toch dat een externe dreiging, al is dat een zwaar woord, mensen, ons, dichter bij elkaar brengt. We realiseren ons dat we elkaars steun nodig hebben.
Op Stefs schrijven heeft het allemaal geen merkbare invloed. Ik heb al een hele tijd Elise niet gelezen, maar volgens Stef gaat het lekker. Gisteren zei hij nog dat hij moest oppassen dat het schrijven niet te routinematig gaat worden. Hij zou wat meer aandacht aan de karakters van hoofdpersonen kunnen gaan besteden. Als het zo doorgaat, gaat hij nog een keer een gewone roman schrijven. Ons eigen leven is net andersom. Het was een gewone traditionele roman, waarin hoogstens familieleden en vrienden geïnteresseerd waren en die alleen ons af en toe rode oortjes bezorgde. Nu lijkt het soms op een thriller waarin onverwacht vreemde dingen gebeuren. Onze ouders hebben we niets verteld. We willen ze niet nodeloos ongerust maken.
Ik ben minder gespannen dan ik was na die alarmsignalen en die verfzakken in het zwembad. Zou het ook komen doordat ik niet me niet meer het enige doelwit voel? Ans was nooit bedreigd, voor zover we weten tenminste, maar ze is wel 'aangepakt'. Juist thuis voel ik me helemaal veilig. Ze moeten wel ingenieus te werk gaan om bij ons te binnen te komen. Buitenshuis ben ik ook nooit alleen.
Volgende week is het herfstvakantie. We gaan in ieder geval drie dagen, zondag tot en met dinsdag, naar mijn ouders. Wat doen we eigenlijk, vraag ik me nu af, als dan Stefs mobieltje afgaat omdat er iemand het bos is ingegaan op weg naar ons Hofje? Ons kan niets gebeuren, maar tegen de tijd dat wij er kunnen zijn kan het veranderd zijn in een rokende puinhoop. We kunnen hoogstens de politie bellen en vragen of ze er met een gillende sirene heen willen rijden. Dat zou nog kunnen afschrikken voor ze zijn toegekomen aan het echte werk. Ik heb in ieder geval bedacht dat we ongezien moeten vertrekken. Zaterdag ga ik op de fiets kijken of we de andere kant op, dus niet via het dorp, weg kunnen. Volgens de kaart moet het kunnen. Als we dan in alle vroegte weggaan, op z'n laatst een uur of zeven, kan het in ieder geval niemand in het dorp opvallen dat we weg zijn. Als we dan vrijdag- of zaterdagavond naar Adrie gaan, verwacht niemand ons de daarop volgende week te zien. Niemand zal toch zo gek zijn elke dag van vroeg tot laat in het bos te gaan zitten om te kijken of wij weggaan?

Woensdag 18 oktober, 13.30 uur

Je weet natuurlijk nooit helemaal zeker of mijn systeempje gewerkt heeft. Het kan best zijn dat 'ze' helemaal niet van plan waren iets te doen net in de dagen dat wij bij mijn ouders waren. Gisteravond hebben we, toen het al begon te schemeren, voor alle zekerheid nog maar eens een paar detectoren in het bos gecheckt. Die werkten prima. Toen we gistermiddag thuiskwamen lag het Hofje er rustig bij. Het was mooi najaarsweer. Als we de tuinmeubelen al niet naar de garage gebracht hadden, hadden we misschien zelfs nog op het terras kunnen borrelen. Dat weer was het al een paar dagen dus de camping van mijn ouders was ook bijna compleet bezet. Maandagochtend ging ik ook weer eens in het winkeltje staan. Mijn eerste klant was Stef, die een halve liter melk en een stuk kaas wilde. Elke keer als we bij mijn ouders zijn gaat hij ook even naar de plek waar hij stond met zijn tentje op de dag dat we elkaar ontmoetten. Als hij daar dan een minuutje heeft staan mijmeren ga ik naar hem toe. We zoenen en lopen weer terug. In drie zinnen opgeschreven lijkt het vreselijk sentimenteel, maar het is voor ons een bevestiging dat alles nog helemaal goed zit.
Helemaal ontspannen zijn we toch niet, ik in ieder geval niet. Dat bleek maandagavond. We zaten gewoon wat met mijn ouders te praten. Op een gegeven moment zei mijn moeder: "Hoor je iets?" Ik begreep niet zo gauw wat ze bedoelde. "Het lijkt of je ergens naar zit te luisteren, of je iets gehoord hebt, maar er niet zeker van bent." Ik heb me er maar met een smoesje afgemaakt en gezegd dat ik zat na te denken over een probleempje op school. Zonder het zelf in de gaten te hebben zat ik als het ware te wachten tot het mobieltje van Stef zou afgaan. Dat gevoel zal pas weggaan als bekend is wie 'ze' zijn, of als er een paar jaar niets meer gebeurt. Ze kunnen niet tevreden zijn met Ans alleen. Die hadden ze kunnen ontvoeren, of wat ze ook gedaan hebben, zonder al dat gedoe bij ons. Tenzij, zegt een stemmetje in me, die twee zaken helemaal niets met elkaar te maken hebben. Daar is ook geen enkel bewijs voor. Dat weet ik, maar dat overbekende 'iets' in me zegt dat ze wel degelijk met elkaar te maken hebben.
Ans is intussen al anderhalve week spoorloos. Ze is geen nieuws meer, zelfs niet in de regionale krant. Dat wordt ze pas weer als ze gevonden wordt, levend of dood. Er stopt een bus in het dorp, dus ze ging meestal met de bus naar haar werk. Uit het onderzoek van de politie, tijdens de eerste dagen, was wel gebleken dat ze niet in haar gebruikelijke bus naar huis was gestapt. Ze was op de normale tijd van haar werk weggegaan. Ergens tussen die tijd en de vertrektijd van de bus, zeker niet meer dan een kwartier moet het, wat het ook was, gebeurd zijn. Haar ex-man is ondervraagd, maar die kon heel duidelijk aantonen dat hij gedurende die tijd niet in haar buurt geweest kon zijn. De afgelopen zaterdag was ze bij Adrie nauwelijks onderwerp van gesprek meer. Eerlijk gezegd loop ik ook niet voortdurend aan haar te denken.
Ergens moet een link liggen tussen de familie van Stefanie en Ans en ons huis en de huisarts. Stefanie verdween rond de tijd dat het huis voltooid is. Van wie heeft de huisarts de grond gekocht? Was die nog eigendom van de gemeente of van een particulier? Ik zou ook eens na kunnen gaan wie nu de eigenaar is of eigenaars zijn van de rest van de bosgrond. Voor je het weet is er een of andere projectontwikkelaar die iets met de hele lap grond wil doen, maar zitten wij hem in de weg. Dan heeft de verdwijning van Ans er weer niks mee te maken. Het is allemaal ontzettend verwarrend en er zit geen enkele lijn in mijn redeneringen. Ik heb nog een paar dagen vrij en dan is het weer gewoon werken geblazen tot de kerstvakantie. Ik wil niet doorgaan met me elke avond hier in mijn eigen werkkamer te verschansen, maar ik wil ook niet werkloos afwachten tot er weer iets gebeurt. Op school wil ik mijn aandacht aan de kinderen besteden en niet tussendoor bezig zijn met allerlei wilde veronderstellingen. Ik kan hetzelfde doen als Stef: mijn baan opgeven, al is het dan maar voor enige tijd. Mijn salaris kunnen we wel een tijdje missen. Ik kan 'werk' gaan maken van het uitzoeken van allerlei dingen, of ga ik dan de politie in de weg lopen? De politie is alleen maar bezig met het onderzoek naar de verdwijning van Ans. Als ik me niet bezighoud met dingen uit haar familiegeschiedenis, kan ik de politie niet in de weg lopen. Ik ga me, voorlopig in ieder geval, concentreren op de geschiedenis van ons Hofje, daar doet de politie toch niets aan. Ik kan proberen meer over die huisarts te weten te komen. Via het internet kun je vaak al heel wat gegevens over iemands vroegere familie achterhalen. Zo kan ik misschien ook op nog levende familieleden stuiten. Bij de makelaar moeten naam en adres van die achterneef nog te achterhalen zijn van wie wij het huis gekocht hebben.
Het lijkt wel of ik mijn besluit al genomen heb, maar in de kamer hiernaast zit nog iemand te schrijven die daar ook wel een mening over zal hebben. We kunnen ook Hans en Loes weer eens uitnodigen, zodat ik met hem over mijn plan kan praten. Hij ziet mogelijk risico's. Die zie ik zelf ook wel. Als ik dingen ga onderzoeken zou dat wel eens bedreigend kunnen zijn voor personen die liever niet bekend willen worden. Ik moet voor de buitenwereld een reden verzinnen waarom ik ophoud met werken. Ik kan natuurlijk zeggen dat Stef mij heeft aangemoedigd om ook te gaan schrijven. Schrijvende echtparen zijn geen nieuwigheid.

Dinsdag 2 januari, 10.15 uur

Een half uurtje geleden zijn Stefs ouders vertrokken, die hier met Oud en Nieuw waren. Ik heb geen vakantie meer. Ik heb een jaar lang onbetaald verlof. Een oud-medewerkster van de school die af en toe al eens inviel, wilde wel weer eens wat langer werken. Het had me niet veel moeite gekost Stef te overtuigen. Hij wist wat het was om aan twee dingen tegelijk te werken en daardoor mensen en dingen te verwaarlozen. Hij kon zich ook heel goed voorstellen dat ik niet alleen maar wilde zitten afwachten tot er weer iets zou gebeuren. Er is al weer een hele tijd niets gebeurd, maar dat is eerder voorgekomen. Ze hebben kennelijk alle tijd.
We hebben ook Hans en Loes een keer uitgenodigd. Hans zei direct dat er aan onze zaak al een tijd niets meer gedaan was. Ook het onderzoek naar de verdwijning van Ans zat in feite op een dood spoor. Hij kon zich niet voorstellen dat mijn gezoek naar de achtergronden van de huisarts enige schade zou kunnen toebrengen aan het werk van de politie. Hij wilde wel graag horen wat mijn speurwerk opleverde, want je wist natuurlijk maar nooit.
De dagen tussen de Kerst en de jaarwisseling heb ik besteed aan het zoeken op het internet naar gegevens over de huisarts. Van Joop had ik zijn naam gekregen: Herman Boerstee. Ik begon dus te googelen met zijn naam. Het leverde maar een klein aantal 'hits' op, maar er zaten ook meteen de goede bij. Er was een Herman Boerstee die was geboren in 1882 en overleden in 1957 en hij was huisarts. Dat kon al haast niet missen. De webpagina's waar zijn naam in voorkwam hadden niets met zijn beroep te maken, maar alles met schaken. In de twintiger en dertiger jaren was hij een zeer verdienstelijk schaker op hoofdklassenniveau. Hij was lid van een schaakvereniging in de hoofdplaats van onze gemeente. Dat was dan meteen de verklaring voor het feit dat hij op vrijdagavond heel vaak weg was: dan ging hij dus schaken.
Van schaken weet ik niet veel meer dan wat voor stukken er zijn, hoe je die verzet en dat je het speelt op een bord dat in acht bij acht bij acht velden is verdeeld. Acht maal acht is 64. De grond waarop ons huis staat is 64 bij 64 meter. Met het simpele tekenprogramma op mijn pc sloeg ik aan het tekenen. Dit was het resultaat.
Het was wel duidelijk hoe de schakende huisarts tot de gekozen afmetingen gekomen was, al kon je de afmetingen van tuin en huis voor een man alleen aan de ruime kant noemen. Herman had diverse artikelen voor schaaktijdschriften geschreven die ook voor schakers van deze tijd nog interessant waren, anders waren ze niet door deze en gene op het internet gezet. Als niet-schaker begreep ik daar uiteraard niets van en die liet ik dus maar voorbij gaan. Over zijn persoon kwam ik nog een paar dingen te weten. Hij was geboren in Leiden waar zijn vader hoogleraar wiskunde was. Die vader had het liefst gewild dat hij ook wiskunde ging studeren, maar hij had voor medicijnen gekozen. Na afloop van zijn studie wilde hij promoveren, dus hij bleef een aantal jaren aan de universiteit verbonden. Tot een promotie is het nooit gekomen, maar nergens kon ik daarvoor een reden vinden. Het lijkt me helemaal niet onmogelijk dat hij toen al meer tijd aan het schaken besteedde dan aan zijn wetenschappelijke werk. Hij is nog een tijdje huisarts in Leiden geweest, maar op zijn veertigste kwam hij dus naar ons dorp. In zijn tijd werd er nog niet zo vrijelijk over iemands relaties geschreven als tegenwoordig, dus uit niets blijkt waarom hij nooit getrouwd is en of hij ooit plannen in die richting heeft gehad. Het kan ook best zijn dat hij helemaal niet in vrouwen geïnteresseerd was. In zijn tijd waren er vast evenveel homofielen als nu, alleen was het toen volstrekt onbespreekbaar. Schaken was natuurlijk een mooie gelegenheid of dekmantel om andere mannen te ontmoeten. Had hij het huis buiten het dorp laten bouwen omdat hij zo ongezien andere mannen zou kunnen ontmoeten? Kwamen ze misschien mee na een schaakavond voor een gezellig weekend? Was die hoge haag er gekomen om bezoekers voor de buitenwereld te verbergen?
Wiskunde is nooit een lievelingsvak van me geweest, maar ik kon altijd wel aardig rekenen. Het viel me op een gegeven moment op dat het getal twee in de plattegrond van huis en tuin steeds terugkomt. Het vierkant dat gevormd wordt door de vier bomen is vier keer zo groot als het vierkant waar het huis in past. Vier is twee in het kwadraat. Het hele terrein is ook weer precies vier keer zo groot als het bomenvierkant. Het huis is achthoekig en acht is twee tot de derde. 64 is twee tot de zesde. Daar kun je over gaan psychologiseren: huisarts is één, maar wil graag iets met (z'n) tweeën doen?
Ik ga in ieder geval bij de makelaar informeren naar het adres van de achterneef van wie we het huis gekocht hebben. Het zou immers best kunnen dat die met het huis nog andere dingen geërfd heeft, die hij misschien ook nog heeft bewaard.
Onze nieuwe manier van leven zal wel even wennen zijn. We zitten ieder in ons eigen hok, vlak bij elkaar en proberen elkaar zo weinig mogelijk te storen. We drinken niet samen koffie. Net als collega's op een kantoor kunnen we elkaar tegenkomen bij het espressoapparaat in de keuken. We lunchen wel samen. Voor het eerst dat we samen zijn zal ik vaker alleen de deur uitgaan. Je kunt nu eenmaal niet alle benodigde feitjes van het internet halen. We hebben afgesproken dat we allebei, in principe om de dag, de boodschappen gaan doen. Ik wil dat fietsen er wel in houden, want mijn conditie moet wel op peil blijven. Ik zit er zelfs over te denken op de ochtenden dat ik niet fiets een paar rondjes om het bos te gaan hollen. Ik kan proberen Stef ook zo gek te krijgen. Een flink eind wandelen doet hij graag, maar hardlopen vindt hij eigenlijk niks.

Donderdag 4 januari, 9.15 uur

Ze zijn er heel wat vroeger bij dan vorig jaar. Ze weten natuurlijk dat ik niet meer werk. Bij Adrie heb ik ook verteld dat ik ging stoppen met werken om me net als Stef op het schrijven toe te leggen. Uiteraard heb ik er niet bij verteld wat ik ging schrijven, dus iedereen zal ervan uitgaan dat ik een roman probeer te schrijven. Ik heb wel gezegd dat het 'iets historisch' wordt, waarvoor ik nogal wat research moet verrichten. Zo kan ik verklaren waarom ik af en toe op stap zal moeten. "En als je dan gevolgd wordt?" vroeg Stef. "Ik bedoel", zei hij er meteen bij, "niet om je wat aan te doen, maar gewoon om te weten waar je precies heen gaat. Een bibliotheek zullen ze wel logisch vinden, maar wat doe je bij de schaakbond, om maar eens wat te noemen. Zij kunnen ook weten dat die huisarts een schaker was en dan is de connectie gauw gemaakt."
Daar zat wel iets in, maar ik kan me niet voorstellen dat er voortdurend iemand op de loer ligt om te zien wie van ons ergens heen gaat. Bovendien kan ik, zoals we eerder gedaan hadden, niet via het dorp, maar via de diverse landweggetjes vertrekken. Daar kan niemand me ongezien volgen en ik kan langs verschillende weggetjes de provinciale weg bereiken.
Ze begonnen dit jaar rustig, met een mailtje van vierkant@hotmail.com. Stef ontving het gistermiddag om een uur of drie, maar liet het me pas lezen toen we aan het borrelen waren.

"Zal het een spannend jaar worden? Voor Stef wel, die zorgt voor zijn eigen spanning. Maar wordt het ook spannend voor Anet (sic)? Nu ze een gewone huisvrouw is geworden kan ze vast wel wat spanning gebruiken. Voor die spanning kunnen wij wel zorgen. We doen dat niet voor onze lol. Als jullie alles wisten zouden jullie weten wat onze bedoeling is. Jullie moeten eens goed nadenken. We laten nog van ons horen.
PS Hartelijke groeten van Ans."


Het PS was het meest opmerkelijke aan het mailtje. Het kan een slechte grap zijn, maar het kan ook betekenen dat Ans in ieder geval nog leeft. Het kan zelfs betekenen, vond Stef, dat Ans wel degelijk uit vrije wil verdwenen is en bij 'hun' hoort. Ik wilde eerst zeggen dat me dat wel erg ver gezocht leek, maar toen schoot me iets te binnen. Ik sprong op en holde bijna naar boven om na te lezen wat ik geschreven had. Voort het eerst wierp dat een vruchtje af. Toen we vervroegd van vakantie terug waren gekomen, zijn we met Anneke en Henk bij Adrie gaan eten. Ans was er ook, maar ze had maar één wijntje gedronken. Daarvoor had ik haar er nooit minder dan drie zien drinken. Ze was lang genoeg voor ons weer weggegaan om zelf dat briefje met "Of eerder" in onze brievenbus te doen, of het door iemand anders te laten doen. Stef vond het ook wel plausibel klinken.
Wat verder doordenkend leek het me ook plausibel dat lang geleden Stefanie, zeg maar de oudtante van Ans, ook uit vrije wil vertrokken was. Ze zou dan ook nakomelingen kunnen hebben, die dan weer familie waren van Ans. Die achterneef van wie we het huis gekocht hebben kwam hier regelmatig. Had hij contact gehad met Ans? Kwam hij ook bij Adrie? Die zelfde Adrie heeft gezegd dat hij niet alles doorvertelde wat hij wist en hoorde.
Het huis heeft vijf jaar lang vrijwel onbeheerd gestaan. Uit de rommel die we er vonden konden we opmaken dat de dorpsjeugd er nog wel eens een onderkomen gezocht had. Ten minste één meisje had thuis een smoes moeten vertellen om te verklaren waarom ze zonder slipje was thuisgekomen. Verder bleek uit niets dat iemand bijzondere belangstelling voor het huis of de tuin had getoond. Had het pesten van ons wel wat met het huis en/of de tuin te maken? Iemand kon natuurlijk recent iets ontdekt hebben en toevallig viel dat samen met onze komst. Die achterneef kon best meer dan het huis geërfd hebben. Was het zo gek om te veronderstellen dat hij af toe wat rondsnuffelde tussen de spullen en daarbij iets bijzonders was tegengekomen? Dan zou het niet zo'n goed idee zijn om contact met hem op te nemen.
Ik weet nog veel te weinig. Ik ging dus het internet nog maar eens op om wat meer feiten over Herman de huisarts op te zoeken. Het leek me wel goed wat beter te kijken naar de artikelen die hij over schaken had geschreven. Het meeste is natuurlijk abracadabra voor mij, maar tussen de regels door zou ik misschien toch iets ontdekken.
Bij het derde artikel ontdekte ik inderdaad wat. De titel van het artikel was "Een interessant eindspel: de SAAVEDRA-positie". Er ging een belletje rinkelen. Bij de rommel die we in het schuurtje hadden aangetroffen was die afgebroken plank met de tekst "SAAVE". Daar moest SAAVEDRA hebben gestaan! Misschien had Herman zijn huis wel "Huize SAAVEDRA" genoemd. Bij het artikel stond een illustratie: een schaakbord met vier stukken erop. Ik heb het gekopieerd. schaakpositie
Uit het artikel begreep ik dat dit een beroemd eindspel is, dat in 1895 eens tot remise leidde, maar de Spaanse priester Saavedra, die in Schotland woonde, bewees zo'n twintig jaar later dat wit wel degelijk kon winnen, door de witte pion eerst tot toren te 'promoveren'. (Als een pion de achterlijn aan de andere kant van het boord bereikt, mag de speler hem inwisselen voor elk ander stuk.)
Die "SAAVEDRA-positie" is vast heel interessant voor schakers, maar wat kon ik er verder mee? Ik bekeek nog wat artikelen, maar ik kwam niets tegen dat toch enige helderheid leidde. Ik klikte nog wat verder door, maar ik kwam niets tegen dat tot wat meer inzicht leidde in de persoon Herman Boerstee, laat staan in zijn leven als huisarts in ons dorp. Ik googelde maar eens met "Stefanie van Beek." Dat leverde wel een paar hits op, maar die hadden niets te maken met 'onze' Stefanie.
Ik hoorde Stef naar beneden gaan. Het leek mij ook mooi tijdstip voor een sterke espresso. Boven aan de trap riep ik vast: "Maak er maar twee." Ik zal wat gefrustreerd gekeken hebben want Stef vroeg of het niet ging zoals ik wilde. Ik vertelde hem over de herkomst van dat "SAAVE".
Stef zei dat hij bij Saavedra eerder aan Don Quichot dan aan schaken dacht. Ik moest even nadenken. Hij bespaarde me de moeite: "De schrijver heet voluit Miguel de Cervantes Saavedra. Misschien ziet iemand ons voor windmolens aan, of heeft op deze plek een windmolen gestaan, een historische windmolen, die bewaard had moeten blijven. iemand wil de grond gebruiken om er een nieuwe windmolen neer te zetten."
Het was natuurlijk allemaal flauwekul, maar 'historische windmolen' deed me denken aan 'kasteel' en dat weer aan toren. Terug bij mijn computer sloeg ik weer aan het tekenen. Ik legde de Saavedra-positie als het ware over de plattegrond van de tuin heen. Dit was het resultaat.
schaakpositie met huis


















Vrijdag 5 januari, 13.05 uur

Al weet ik dan nauwelijks iets van schaken, ik weet wel dat de koning het belangrijkste stuk is. Vanochtend heb ik me nog wat verder verdiept in het schaken en bekeken hoe het spel verder zou verlopen. Na de zevende zet van wit is de situatie als volgt.
schaakpositie met huisZwart is nu aan zet en moet zijn toren verplaatsen, anders wordt hij geslagen door de witte koning. Hij kan kiezen uit een van de velden waar een rode lijn doorheen loopt, maar wat hij ook doet, hij is de klos, want wit zet zijn toren die eerst pion was op de onderste lijn: schaakmat!
Dat is natuurlijk allemaal leuk en aardig, maar kan ik daar wat mee? Wat zou Herman de belangrijkste positie hebben gevonden? In de eerste, het probleem, staat de toren op de plek waar hij het huis liet bouwen. Gaf hij daar mee aan 'Dit is mijn kasteel, mijn fort'? Of vond hij de tweede belangrijker? Daarin staat immers de zwarte koning schaakmat. Dan moet ik ook nog maar afwachten of het allemaal wat betekent voor onze situatie nu. Tijdens alle zetten komt de zwarte koning niet van zijn plaats. Hij blijft bij wijze van spreken in zijn verdomhoekje zitten. Als we nou op die plek waren gaan graven voor de aanleg van het zwembad, hadden we meteen geweten of daar mogelijk iets begraven lag. Zouden we helemaal gek zijn als we op die plek alsnog zouden gaan graven? We zouden tegen die hovenier kunnen zeggen dat we daar een kruidentuintje wilden beginnen.
Ik raak er wel steeds meer van overtuigd dat Herman een rol speelt in 'ons verhaal'. Wat moest hij in zijn eentje met zo'n groot huis? Waarom stond het huis in een toch wel idioot grote tuin, waar hij duidelijk niets mee gedaan had? Hij had er zelfs een tennisbaan kunnen aanleggen. Was die hoge haag bedacht om iets te verbergen? Ik kan me niet voorstellen dat hij net als wij de gewoonte had om in zijn blootje in de zon te liggen. Ik moest meer over hem te weten komen, maar waar en bij wie? De dorpelingen wilde ik niet laten weten dat ik informatie over hem zocht.
Ik besloot dat ik zolang ik te weinig informatie had, gewoon maar van een hypothese moest uitgaan: Herman was inderdaad verliefd geworden op de veel jongere Stefanie, maar vreesde dat het dorp, of misschien wel zijn eigen familie, een huwelijk zou afkeuren. Hij wil echter niet zonder haar leven en zij ziet wel wat in hem. Dus 'verdwijnt' zij in het grote huis. Ook in die tijd was er voldoende gelegenheid om haar af en toe ongezien in zijn auto mee te nemen voor een dagje of paar dagen uit in een grote stad, of een vakantie in een ander deel van het land. Toen er kinderen kwamen liet hij haar en de kinderen in een andere stad wonen, zodat de kinderen gewoon naar school konden. Hij ging zo vaak mogelijk naar ze toe.
Als ik nog even doorga ben ik gewoon een roman aan het schrijven over een huisarts en zijn geheime geliefde, maar als mijn hypothese werkelijkheid zou zijn, zouden er nu kleinkinderen van Stefanie kunnen rondlopen en zelfs nog, zo nodig met een rollator, kinderen. Die kleinkinderen zijn er intussen achtergekomen dat zij een mooie erfenis zijn misgelopen en hebben de hulp van hun achternicht Ans ingeroepen om onze gangen na te gaan.
Die laatste zin deed geen belletje rinkelen, maar een klok galmen. Ans woont in de hoofdstraat van het dorp die in het verlengde ligt van de weg naar ons huis. Twee huizen verder is een zijstraat. Het tweede pand daarin is het café van Adrie. De gelagkamer loopt van de voorkant naar de achterkant. Als Ans ons niet had zien passeren, kon ze ook vanuit haar eigen huis zien of wij bij Adrie waren.
Nu hoef ik alleen maar te gaan zoeken naar feiten die mijn hypothese ondersteunen. "Alleen maar" is makkelijker gezegd dan gedaan. Waren Herman en Stefanie ooit getrouwd of waren zij 'in zonde blijven leven' zoals dat toen nog zo fraai heette? In het eerste geval zouden de kinderen Boerstee heten, in het tweede geval Van Beek. De naam Boerstee komt je op het internet nauwelijks tegen, maar googelen op "Van Beek" levert meer dan negenhonderdduizend pagina's op. Als je er 'genealogie' aan toevoegt krijg je nog meer dan twaalfduizend pagina's. Daar ga ik ook niet aan beginnen. Het zou trouwens wel toevallig zijn als de, voorlopig nog fictieve, familie Van Beek aan genealogie deed en dat ook nog eens op het internet liet zien.
Eén ding leek me zeker: ergens moesten de laatste resten van Herman begraven liggen. Waren Stefanie en de kinderen bij de begrafenis geweest? Was hij op de begraafplaats in ons dorp begraven? Ik ga morgen een flinke wandeling maken. Dan kom ik 'toevallig' langs de begraafplaats en ga daar de grafstenen bekijken. Zoveel zullen het er ook weer niet zijn. Daarna ga ik bij Adrie een koffie en een tosti gebruiken en vertel ik gewoon dat ik de begraafplaats bekeken heb. Misschien maakt dat wel iets los bij Adrie en vertelt hij wat meer over de geschiedenis van het dorp, waar ik aanknopingspunten in vind.
Ik houd me bij mijn 'werk' niet gedisciplineerd aan zo'n strak schema als Stef. Ik doe nu meer in het huishouden dan hij en neem ook rustig de tijd om weer eens lekker een tijd achter elkaar door te lezen. Ik kan me nu al verheugen op de komst van de lente en de zomer. Aan het eind van de zomer zal ik bruiner zijn dan ooit. Ik weet niet hoe het over een tijdje is, maar ik heb niet het gevoel dat ik het lesgeven ga missen. Ik heb het altijd met plezier gedaan, maar ik vind ook best een tijd lang helemaal geen kinderen te zien. Vanavond moet ik het met Stef ook eens hebben over een ideetje dat ik vanochtend had. We zitten nu maar af te wachten tot 'zij' weer eens wat doen. We kunnen ook het initiatief nemen, ze uitdagen. We hebben hun e-mailadres. We zouden iets kunnen mailen als dit.

Hallo vierkant,
Kunnen jullie geen naam gebruiken? Het hoeft geen echte naam te zijn maar 'vierkant' vinden we wat onpersoonlijk. Wat dachten jullie van Pat? Dat kan een afkorting zijn van Patrick, maar ook van Patricia. Daar verraden jullie - of verraad jij - dus niets mee. Het is ook wel zo netjes om een mailtje te ondertekenen.
Doe Ans de groeten terug. Vertel haar maar dat Stef heel lekker gaat met zijn nieuwe boek. Dan heeft ze iets om naar uit te kijken. Het zal er met de Boekenweek niet zijn, maar wel voor de zomervakantie. We gaan dit jaar wat vroeger met vakantie, omdat we ons niet meer aan de schoolvakantie hoeven te houden. Dat zal dus wel in juni worden. Houd daar maar vast rekening mee. Komen jullie binnenkort weer eens langs? We hebben al zo'n tijd geen licht- en geluidsshow meer gehad. Dan weten we meteen weer of alles nog goed werkt.
We zijn reuze benieuwd naar wat jullie wel weten en wij niet. We zitten daar vaak over na te denken. We denken dat jij/jullie er jaloers op bent/zijn dat wij ons eigen zwembad hebben. Als jij/jullie daar eens in wil(len) zwemmen, moet(en) jij/jullie dat gewoon vragen. Dan doen wij er eerst een leuk verfje in.
Groetjes,
Stef en Annet (met dubbel n!)


Maandag 8 januari, 15.30 uur

Stef was niet meteen gillend enthousiast over mijn e-mailidee. "Ze krijgen misschien de pest in omdat we niet onder de indruk lijken te zijn en dat kan weer tot agressiviteit leiden."
"Moeten ze vooral doen", zei ik. "Dan gaan ze dingen doen zonder er goed over na te denken. Dan gaan ze fouten maken."
We discussieerden nog een tijdje door, maar uiteindelijk vond Stef toch ook dat we teveel zaten af te wachten. Hij zou het mailtje versturen. Ze hoefden niet meer te weten dan zijn emailadres. Dat van die overlappende schaakborden vond hij goed gevonden. "Die hypothese", zei hij, "is niet meer dan dat. Je moet niet teleurgesteld zijn als er helemaal niets van klopt." Ik zei dat hij zich daar geen zorgen over hoefde te maken.
Tijdens het eten kreeg Stef een ingeving: "Als Ans er al iets mee te maken heeft, is zij niet de enige in het dorp. Toen zij verdween wist nog niemand dat jij zou ophouden met werken. Ze wonen in het dorp of iemand uit het dorp houdt ze op de hoogte en die iemand kan Ans niet zijn." Ik kon hem alleen maar gelijk geven, maar het veranderde niets aan mijn plannen.
Vanochtend begon ik om een uur of tien aan mijn wandeling naar de begraafplaats. Het was mooi helder weer. Het vroor heel licht, maar er was nauwelijks wind. Ik had eigenlijk verwacht dat Herman niet in het dorp begraven zou zijn en was dus een beetje verbaasd dat ik na een minuut of twintig zijn naam op een grafsteen zag. Hij is in 1957 overleden. Op de steen stond "Herman Boerstee Onze Huisarts" en de gebruikelijke data. Dat kon volgens mij alleen maar betekenen dat de steen niet was geplaatst door familie, maar door dorpelingen. Hij moest destijds dus wel redelijk geliefd geweest zijn, want de steen was duidelijk oud. Het graf, eigenlijk niet meer dan een rechthoek gevuld met grint zag er wel verzorgd uit. Er lag zelfs een bos met vrij verse bloemen op. Het duurde even voor het tot me doordrong: na zoveel jaar vond iemand het de moeite waard om verse bloemen op het graf van Herman te leggen. Dat was niet gedaan omdat ik langs zou komen. Drie dagen geleden wist ik zelf niet eens dat ik er heen zou gaan.
Terwijl ik richting Adrie liep dacht ik na over die verse bloemen. Van de huidige bewoners van het dorp konden alleen de oudere hem nog echt als huisarts gehad hebben. Ze moesten dan wel ouder dan zestig zijn om zich daarvan nog iets te herinneren. Het kan best zijn dat voor een van hen Herman zoveel betekend heeft dat hij of zij nog af en toe een bloemetje brengt, bijvoorbeeld op nieuwjaarsdag. Ik moest, of eigenlijk: ik wilde, er ook rekening mee houden dat een veel jongere inwoner om andere redenen af en toe het graf verzorgt. Als dat zo was zou diezelfde inwoner iets te maken kunnen hebben met wat er bij ons gebeurde.
"Zo", zei Adrie, "je maakt er maar meteen gebruik van dat je niet meer voor de klas staat. O, de beste wensen nog."
Ik wenst hem ook een goed jaar toe en vroeg om een cappuccino en een tosti. "Ik ben een eind gaan wandelen. Dan kan ik vaak het beste nadenken over wat ik aan het schrijven ben. Er is hier wel een aardig kerkhof. Ik kwam er toevallig langs en heb ik het eens bekeken. Het zou toch best kunnen dat Stef en ik hier ook een keer begraven worden."
"Daar zou ik nog een hele tijd mee wachten", zei Adrie. "Ik verlies niet graag goede klanten."
"Maak je niet ongerust. Ik wil eerst een boek gepubliceerd hebben dat nog beter verkocht wordt dan Stefs eerste. Ik zag trouwens ook het graf van die huisarts die ons huis heeft laten bouwen. Weet je wat me opviel? Er lagen nog redelijk verse bloemen. Hij is dus nog niet helemaal vergeten hier."
Adrie stond net met zijn rug naar me toe toen ik dat zei, om de melk bij de koffie te doen. Ik kon dus niet zien of hem dat ook verwonderde. Hij zette de cappuccino voor me neer en zei: "Hij heeft me nog op de wereld geholpen, maar ik kan me niet herinneren dat ik hem daarna ooit nodig heb gehad. Ja, het zou best kunnen dat een of ander oudje in het dorp nog goede herinneringen aan hem heeft. Ik heb mijn ouders er nooit over gehoord."
Er kwamen nieuwe klanten binnen die hij van consumpties ging voorzien en met wie hij bleef praten. Ik wilde niet al te nadrukkelijk aanwezig blijven, dus ik vertrok toen ik mijn tosti en cappuccino op had. Net voor ik de deur naar buiten opendeed zei Adrie tegen me: "Ik zou me niet al te veel in die huisarts verdiepen."
Wat moest ik daar nou mee? Was het zomaar een losse opmerking, een onschuldig advies, of was het een waarschuwing, misschien zelfs een verkapt dreigement? Het lijkt me wel duidelijk dat hij meer van Herman afweet dan hij los wil laten. Maar waarom zou hij iets verborgen willen of moeten houden over een man die al zo'n halve eeuw dood is? Moet je van zo'n man nog de reputatie beschermen, als daar al iets mis mee was, of moesten er meer moderne belangen beschermd worden?
Thuis stak ik even mijn hoofd om de deur van Stefs werkhok. Hij draaide zich niet om, stak even zijn hand op en typte weer driftig verder. Elise was op dat moment even belangrijker dan Annet. Ik wilde het gebeuren van vanochtend wat laten bezinken en ging niet meteen naar mijn eigen werkhok. Ik maakte een espresso en ging in de woonkamer op de bank zitten, zette de tv aan en begon te zappen. Er was niets bijzonders dus ik ging maar een wasje draaien. Ik probeerde wat te lezen, maar die laatste opmerking van Adrie bleef me bezighouden. Hij wist alles wat er over het dorp en zijn inwoners te weten viel. Hij was niet iemand die zo maar een losse opmerking maakte. Als het een waarschuwing was kon ze nog van alles betekenen. "Ik wil niet dat jij je met die huisarts bemoeit!" Dat zou kunnen. "Pas op, meisje. Er kunnen vervelende dingen gebeuren als je teveel in zijn verleden duikt." Dat zou ook kunnen. Maar waarom vertelde hij niet gewoon wat er aan de hand was, vroeger of nu? Wilde hij ook zichzelf of zijn familie beschermen? Kan de reputatie van zijn familie beschadigd worden? Ik heb alleen maar vragen, geen antwoorden.

Dinsdag 9 januari, 9.15 uur

Ik werd katterig wakker, niet fysiek, maar mentaal. Ik had naar gedroomd. Ik zit in mijn eentje, dat wil zeggen zonder Stef, bij Adrie te praten met een jonge man, eigenlijk nog een jongen, die ik heel aantrekkelijk vind. Hij heeft wel iets weg van de jonge Adrie. Ik draag een heel kort rokje en een naveltruitje. Ik heb een navelpiercing: een zilveren torentje van het schaakspel. Ik drink maar door, maar word toch niet dronken. Ik vind het best, wat heet: heel plezierig en opwindend, dat zijn hand van mijn knie langs mijn been glijdt tot de rand van dat rokje. Ineens loop ik hand in hand met die jongen op de begraafplaats te wandelen en komen we bij het graf van Herman. Ik sta een stukje achter hem. Ik vraag of hij vaak bij het graf van zijn overgrootvader komt. Hij draait zich om, maar het is die aantrekkelijke jongen niet meer. Het is een oude man met een grijns op zijn rimpelige gezicht. "Zo'n lekkere jonge meid zou ik hier vaker willen ontmoeten", zegt hij. Hij pakt me bij mijn schouders en trekt me hard tegen zich aan. Toen werd ik wakker. Het was pas kwart voor zeven, maar ik ging eruit en naar de keuken, waar ik thee zette. De verwarming was pas een kwartiertje aan, maar ik had geen zin om weer naar boven te gaan om een kamerjas te halen.
Het sloeg natuurlijk nergens op, maar ik voelde me schuldig omdat ik die jongen zo aantrekkelijk had gevonden en hem had uitgedaagd met dat rokje en naveltruitje. Ik schonk nog een keer thee in en ging daarmee naar de woonkamer. Het boek van gisteren lag nog op tafel. Deze keer kon ik wel mijn gedachten erbij houden. Ik raakte zelfs zo verdiept dat ik pas merkte dat Stef was opgestaan toen hij bij de deur stond en zei: "Goedemorgen, lieve collega. Wil je weer eens een eitje bij je ontbijt?"
Ik sprong op en zoende hem heel wat heftiger dan we normaliter doen bij het wakker worden.
"Of wil je eerst weer terug naar bed? Ik ben voor alles in, hoor", zei Stef.
"Mocht je willen. Kook maar een zacht eitje. Doe er een versgebakken croissantje bij en twee geroosterde boterhammetjes."
Terwijl Stef bezig was vertelde ik wat ik gedroomd had en dat ik me er een beetje schuldig bij voelde.
Hij liet het ontbijt even voor wat het was en kwam bij me zitten. "Lieve Netje, ik weiger jaloers te worden op welke Adonis dan ook die jij in je dromen ontmoet en wat je ook met hem doet."
"Maak nou maar gauw dat ontbijtje, dan gaan we daarna nog even naar bed."
Het werd iets langer dan "even" en daarna gingen we samen onder de douche. Stef vertrok om negen uur naar de supermarkt.
Bij de borrel gisteren had ik verteld hoe mijn wandeling en het vervolg daarop verlopen waren. Stef vond dat er op zijn minst een kritisch vraagtekentje bij die opmerking van Adrie geplaatst kon worden. "Hij is een prima barkeeper. Hij weet wanneer hij praten moet en wanneer hij zijn mond moet houden. Die opmerking past niet in dat beeld. Moeten we vaststellen dat hij een beetje onvoorzichtig is geweest? Weet hij soms wat van ons mailtje?"
Dat vond ik wel een heel snelle conclusie. Stef zit al helemaal in mijn 'verhaal', terwijl ik mijn best doe me te realiseren dat het niet meer dan een hypothese is. Ik zou wel willen weten of er iets was gebeurd tussen de families Van Beek en ... Precies, ik weet niet wat de achternaam van Adrie is. Het moet niet zo moeilijk zijn daar achter te komen. Hij woont direct naast de kroeg en er zal wel een naambordje op de deur zitten. Maar wat doe ik ermee als ik dat weet?
Ik ben me ineens zeer bewust van mijn beperkingen als 'onderzoekster'. Wat ik wil weten speelt zich af in het dorp of heeft zich daar vroeger afgespeeld, maar juist in het dorp moet ik me zo veel mogelijk op de vlakte houden. Daar ben ik gewoon dat aantrekkelijke vrouwtje van die bekende schrijver dat zonodig zelf ook een boek moet schrijven. Ik moet vooral niet laten blijken dat ik alleen maar geïnteresseerd ben in de geschiedenis van het dorp en zijn bewoners. Wat zou een privédetective eigenlijk kosten? Geld is niet ons grootste probleem, maar ik heb nog altijd wel iets van 'je moet je geld niet onnodig uitgeven'. We kunnen Hans en Loes weer eens uitnodigen, dan kan ik hem vragen wat hij van mijn idee vindt. Als hij het een goed idee vindt, weet hij misschien ook wel een bureau of een persoon die goed is in dat soort werk.
Nu zit ik weer te twijfelen: als ik een privédetective aan het werk zet, wat valt er voor mij dan nog te doen? Dan had ik net zo goed voor de klas kunnen blijven staan en thuis rustig wachten op wat zo'n detective allemaal gevonden had. Wat zit ik nou weer te twijfelen en onzeker te wezen. Nou ben ik al bijna twee weken aan de gang en ik weet nog steeds niet precies wat ik wil.
Ik hoor Stef thuis komen met de boodschappen. Ik neem even pauze.

11.30 uur

Terwijl Stef de boodschappen opborg maakte ik koffie en vroeg ik of ik hem even bij Elise mocht weghouden. Hij weet ook wel dat ik zoiets niet zomaar vraag en vond het dus goed. Ik legde hem mijn probleem uit.
"Lieverd", zei hij, "je bent niet 'al bijna twee weken' aan de slag, maar 'pas iets meer dan een week'. De politie heeft geen idee wie ons aan het lastigvallen is. Ze weet evenmin wat er met Ans gebeurd is. Ik vraag me zelfs af of ze nog wel met die zaak bezig is. Dan mag jij niet van jezelf verwachten dat je al een begin van een oplossing ziet. Alleen in tv-series worden zaken als deze in anderhalf uur opgelost. Zo lijkt het tenminste. Je weet toch dat ik ook wel eens weken aan één hoofdstuk zit te schrijven en herschrijven. Beschouw het als een legpuzzel, maar dan als een puzzel waarvan je eerst de stukken nog moet gaan zoeken. Pas als je er genoeg gevonden hebt kun je beginnen met te kijken of ze misschien ook nog in elkaar passen. Ik heb het een stuk makkelijker: als de stukken niet passen, slijp ik ze gewoon een beetje bij. Ik verwacht echt niet dat je me over twee weken komt vertellen dat je weet wat er allemaal gebeurd is en wie erachter zit. De "usual suspects" komen alleen in 'Casablanca' voor. Hij toastte met zijn cappuccino: "Here's looking at you, kid."
Ik aaide Stef over zijn bol. "Ga Elise maar weer eens lekker opvrijen."
Ik ging niet meteen terug naar mijn werkhok. Ik trok mijn sportbroekje en -shirtje aan en holde twee rondjes om het bos. Onder de douche bedacht ik dat wij wel de laatste import in het dorp waren, maar niet de eerste sinds vele jaren. Herman had als huisarts uiteraard een opvolger gekregen en die was ook al weer opgevolgd. Het enige wat ik weet is dat het een vrouw is. Ik heb haar heel in het begin een keer kort gezien en gesproken toen ik een recept moest hebben voor de pil. Voor volgende recepten hoefde ik alleen de assistente te bellen. Verder hebben we hier nog niets gehad waaraan een dokter iets zou moeten doen. Ik kan me haar dan ook nauwelijks herinneren. Ze is in ieder geval geen frequente cafébezoeker want bij Adrie hebben we haar nooit gezien. Het zou best kunnen dat deze huisarts, via haar voorganger, nog gegevens, patiëntendossiers bijvoorbeeld, had die ooit van Herman geweest waren. Ik heb nog wel even nagedacht over de vraag of ik haar als privépersoon zou benaderen of, in ieder geval de eerste keer, gewoon naar het spreekuur zou gaan. Dat laatste leek me het verstandigste. Niemand zoekt er immers iets achter als je de huisarts bezoekt. Daarvoor hoef je er niet per se ziek uit te zien. Op het internet zocht ik haar telefoonnummer op en ik belde. Ik kreeg de assistente aan de lijn en vroeg of ik een afspraak kon maken, het liefst als laatste patiënt van de dag. Ik kan morgen om half twaalf komen.

Woensdag 10 januari, 15.00 uur

Er zat nog één patiënt in de wachtkamer, maar ik was dan ook tien minuten te vroeg. Het was niet iemand die ik kende, maar het andere dorp heeft geen eigen huisarts, dus daar zullen ook wel patiënten vandaan komen. Ik zag haar even toen ze mijn voorganger kwam halen. Ik weet dat het onzin is, maar ze zag er helemaal niet uit als een arts. Ze leek me een jaar of veertig, droeg een spijkerbroek en een simpel blauw truitje. Volgens mij droeg ze, net als ik, geen bh. Haar rode haar was heel kort. Na een minuut of tien was het mijn beurt.
"Annet Draaisma, neem ik aan? Ik ben Ellen van Goijen. We hebben elkaar één keer gezien, hè?"
Zij ging achter haar bureau zitten en ik op de stoel tegenover haar.
"Zeg het maar," zei ze.
Ik had nagedacht over hoe ik zou beginnen. "Om te beginnen moet ik me verontschuldigen. Ik mankeer niks, voor zover ik weet."
"Da's mooi. Wil je erover praten?"
We barstten allebei in lachen uit.
Toen ik uitgelachen was zei ik, dat ik inderdaad kwam om te praten, maar niet over een medisch probleem. "En ik heb ook geen probleem met Stef, mijn man", voegde ik er meteen aan toe. "Hij slaat me niet. Hij kookt heel goed. Hij doet ook een deel van het huishouden en hij houdt van me en ik van hem. Hij heeft trouwens ook niks."
"Ga vooral door", zei Ellen. "Ik ben gewend om allerlei ellende te horen en te zien, dus je bent een welkome afwisseling. Kom eens wat vaker."
We lachten weer.
"We hebben wel een probleem", zei ik. "We wonen in het huis dat de voorganger van je voorganger heeft laten bouwen." Ik vertelde haar het hele verhaal en ook waarom ik daarvoor naar het spreekuur gekomen was.
Ellen zat een tijdje na te denken. "Ik kan me voorstellen dat je deze manier hebt gekozen om contact te maken. Geen probleem. Dat oude archief is er nog steeds. Een heel enkele keer kan dat handig zijn als het om oude patiënten gaat. Ik weet niet of er dingen bij zitten die voor jullie interessant kunnen zijn. Ik moet bij mijn beroepsvereniging ook nagaan wat ik jou wel of niet mag laten lezen. Medisch geheim en zo, weet je wel, maar ik kan me niet voorstellen dat er bezwaar tegen is dat jij gegevens ziet van mensen die al voor de Tweede Wereldoorlog zijn overleden."
Ik zei dat medische gegevens me niet zo interesseerden. Ik hoopte dat ik tussen al die gegevens dingen zou vinden die enig licht zouden kunnen werpen op wat er in de twintiger jaren gebeurd was rond de tijd dat Stefanie verdwenen is.
"Dat zal nog best een behoorlijke klus worden. Alles zit in ordners maar het is op naam gesorteerd, niet op datum, dus ik kan je niet alles uit pakweg 1920 tot 1930 geven."
"Ik zou kunnen beginnen met Van Beek."
Ik mocht van Ellen best af en toe een middagje langs komen om die ordners in te zien.
"Dat is ook weer zo'n probleempje", zei ik. "Ik ken je assistente wel van gezicht, dus ze zal wel hier in het dorp wonen en ik heb liever niet dat iemand in het dorp erachter komt dat ik papieren van jou zit door te snuffelen."
Ellen hoefde niet lang na te denken. "Ik wil best een keer zo'n ordner komen brengen, hoor. Komt vrijdag eind van de middag uit? Het komende weekend ben ik vrij."
Ik vond het geweldig en zei dat ze mocht blijven eten als ze daar zin in had.
"Als jouw Stef werkelijk zo goed kan koken lijkt me dat prima, maar ... eh ..."
Ze droeg een trouwring, dus ik zei: "Je man mag ook meekomen, hoor."
"Mag het ook mijn vrouw zijn? Als ze mee wil tenminste."
"Sorry, het gebruikelijke foutje. Je ziet een vrouw met een trouwring, dus zal er wel een vent zijn. Natuurlijk mag ze meekomen."
"Hermien zal het best een spannend verhaal vinden. Ze leest veel thrillers. Ze heeft net "De Tweede Gast" uit. Vond ze heel goed. Ken je dat toevallig? Waarom lach je? Heb ik iets leuks gezegd?"
"Weet je wie de schrijver is of lees jij geen spannende verhalen?"
Ze moest even nadenken. "Aart zussemezo? Als ik lees is het meestal vakliteratuur."
"Stef van Aarden." Ik legde wat nadruk op "Stef".
"Wat! Jouw Stef is de schrijver? Reken er dan maar op dat Hermien meekomt."
De telefoon ging. Ze pakte hem op en zei: "Ik weet het Dorien. Ik ben zo klaar met mevrouw Draaisma. Dan ga ik mijn ronde doen." Tegen mij zei ze: "Dorien wil niet dat ik te laat aan mijn afspraken begin. Ze vindt dat mensen toch al te vaak veel te lang op dokters moeten wachten. We praten vrijdag verder. Leuk!"
Buiten belde ik Stef om te zeggen dat ik bij Adrie weer een cappuccino en tosti ging halen.
"Je wordt wel een heel vaste klant hier", zei Adrie. "Moest je weer zo vreselijk nadenken?"
Ik zei dat ik naar de dokter geweest en ik geloof dat hij echt bezorgd was. "Toch niks vervelends, hoop ik?" vroeg hij.
Ik zei dat hij zich nergens zorgen over hoefde te maken en dat ik gewoon wat wilde laten checken.
"Je gaat me toch niet vertellen dat er een kleine Van Aarden komt?"
"Dat ga ik je niet vertellen, want dat zou ik eerst aan Stef vertellen en bovendien komt er geen kleine Van Aarden, in ieder geval niet in de komende negen maanden. Is hier nog iets bijzonders gebeurd?"
"Wat kan hier nou gebeurd zijn in de afgelopen twee dagen? Het enige opvallende dat hier kan gebeuren is dat er nieuws over Ans komt, maar volgens mij heeft iedereen, ook de politie, allang de hoop opgegeven dat we nog iets over haar horen."
Omdat hij er zelf over begonnen was, kon ik er wel over doorgaan. "Toch vreemd dat in zo'n dorp als dit twee keer een vrouw spoorloos verdwijnt en dan zijn ze ook nog familie van elkaar. Heb jij wel eens iets van je vader of grootvader gehoord over de verdwijning van die Stefanie?"
"Ik heb mijn vader en grootvader wel eens over haar horen praten. Mijn grootvader zei toen dat ze als de lellebel van het dorp bekend stond. Ik denk dat hij bedoelde dat ze het niet zo nauw nam met de goede zeden. Ze werkte in de kruidenierszaak van haar vader. Haar moeder overleed toen ze vijf was, geloof ik. Ze ging op zondag altijd alleen op stap, niemand wist waarheen. De meeste mensen gingen hier braaf naar de kerk, maar zij niet, vanaf de tijd dat ze een jaar of zeventien was. Haar vader zal haar niet dik betaald hebben, maar ze droeg toch vaak opvallende kleren, dure kleren in het laatste jaar van haar leven."
"Was ze gewoon parttime hoer?"
"Daar kwam het wel op neer, volgens de dorpelingen dan. Ze hadden het niet over mannen uit het dorp met wie ze het gedaan zou kunnen hebben. Theoretisch kan ze altijd nog in leven zijn, maar dan zou ze wel bijna honderd zijn."
Voor ik weg ging zei Adrie nog: "Ik heb vanochtend zeer goede biefstuk in de vriezer gelegd. Als jullie vrijdag weer eens zin in saté hebben ... "
"Helaas, dan krijgen we gasten."
"Dan is er zaterdag saté. Beroemde gasten moet je te vriend te houden."
Ik beloofde dat we er zouden zijn.

Maandag 15 januari, 9.30 uur

Afgelopen donderdag ben ik niet aan schrijven toegekomen, maar ik heb niet stilgezeten. Ik heb zitten nadenken en op een ouderwetse manier aantekeningen zitten maken: met een ballpoint op papier. Stefanie was dus niet een gewoon alledaags dorpsmeisje geweest. Zo jong als ze was, was ze kennelijk wel een zelfstandig meisje dat zich weinig aantrok van wat men van haar vond. Ze kon best een parttime hoer geweest zijn, maar wat Adrie vertelde paste ook heel goed in het beeld van een jonge vrouw die door een man 'onderhouden' werd. Ging Herman ook niet naar de kerk? Na tien uur 's ochtends moet het niet zo moeilijk geweest zijn samen ongezien in zijn auto ergens heen te rijden. Tijdens de avonddienst konden ze dan ook weer ongezien terugkeren. Ik zag al voor me dat hij haar achter 'ons' bos oppikte en weer afzette. Zou hij ergens anders ook nog een optrekje gehad hebben? Het lijkt me niet waarschijnlijk dat ze tevreden waren met een hele dag elkaars hand vasthouden. Maar hoe kom ik erachter of hij inderdaad een ander optrekje had? Het kon niet al te dicht bij het dorp zijn, maar ook niet te ver. Je had toen nog geen wegen waarlangs je even snel van A naar B racete. Een afstand van 50 km lijkt me wel het maximum.
Dat optrekje, bedacht ik, zou ook een blokhut ergens in het bos geweest kunnen zijn. Dat gaf nog veel meer privacy. Op een topografische kaart met een schaal van 1:25.000 staat zo'n beetje elk huis getekend. Ik googelde op "topografische kaart" en zag dat je die bij het Kadaster kunt bestellen. Ik heb meteen een hele serie van ons dorp met ruime omgeving besteld. De komende tijd ga ik dan alle alleenstaande huizen in bossen bekijken. Op een gewone kaart kun je al zien dat er aardig wat van die stukken bos als dat van ons in de omgeving zijn. Ik hield me nog eens goed voor dat ik alleen maar met een hypothese bezig was, maar kreeg wel het gevoel dat ik eindelijk iets concreets ging doen.
Stef nam op vrijdag een snipperdag. We stelden samen een diner van vijf gangen samen en ging ook samen naar de supermarkt. We maakten 's middags al zo veel mogelijk klaar, zodat niet een van ons voortdurend in de keuken moest staan terwijl de dames er waren. Stef vroeg of hij een net pak moest aantrekken. Gezien de spijkerbroek en het truitje waarin Ellen haar werk deed, dacht ik niet dat zij zich zou opdoffen, dus Stef hoefde dat van mij ook niet te doen.
De dames kwamen rond kwart over vijf. Op de monitor bij de deur zag ik dat ze met de auto waren gekomen, dus ik riep dat ze die binnen konden zetten en liet de deuren openzwaaien. Ze stapten uit en haalden een plastic tas en iets wat op een kleine kist leek uit de kofferbak. Ze droegen de kist samen terwijl ze naar het huis kwamen. Het was een aardig gezicht. Ellen, die ongeveer mijn lengte is, komt net tot de schouders van Hermien. Ellen droeg inderdaad een spijkerbroek en een windjack, Hermien een lange rok en een korte jas. Ze heeft lang, blond, loshangend haar dat tot halverwege haar rug komt. Ze is niet veel ouder dan ik. Ze heeft wel beduidend meer boezem dan Ellen en ik, zag ik toen ze haar jas uitdeed. Ze droeg een fluwelen bloes die tamelijk lag uitgesneden was. "Mooie bloes", zei ik en dat meende ik.
"Ze heeft zich niet speciaal voor de gelegenheid mooi aangekleed, hoor," zei Ellen. "Ze draagt altijd lange rokken en probeert al een paar jaar tevergeefs mij ervan te overtuigen dat ik er thuis ook best mooi mag uitzien."
"Als ik weer eens op zo'n slons val probeer ik altijd tegen beter weten er iets van te maken", zei Hermien. "Om steeds weer nieuwe teleurstellingen te voorkomen ben ik met deze slons maar getrouwd."
Ik ging ze voor naar de kamer. Stef kwam net uit de keuken. Dat hij Stef was, was wel duidelijk en ik zei wie Ellen was en wie Hermien. Hij vroeg wat ze wilden drinken. Ze keken elkaar aan. "Jouw beurt", zei Hermien.
"Heb je iets van jus?" vroeg Ellen. "Bij het eten mag ik één glas wijn. Over wijn gesproken, lange, op de achterbank ligt volgens mij een prachtige bourgogne." Hermien ging naar buiten, Stef ging sinaasappels uitpersen.
"Waarom heeft mijn voorganger dit huis niet van zijn voorganger overgenomen?" vroeg Ellen. "Dan had ik hier nu met die lange kunnen wonen. Wij wonen echt niet slecht, maar hier word ik een beetje jaloers van. En dan nog die lap van een tuin."
Ik zei dat we er uiteraard zeer tevreden mee waren, maar dat de hoofdreden om hier te gaan wonen toch vooral de stilte was.
"Wat zit er trouwens in die kist?" vroeg ik.
"Geen idee. In het rommelhok waar ook die oude administratie staat, stond hij in een hoekje onder een plank van een stelling. Hij is vrij oud en volgens mij nog van die Boerstee. Hij zit met een hangslot dicht en ik heb daar geen gereedschap om hem open te breken. Je mag het proberen. Ik ben wel benieuwd. In de plastic tas zit de ordner waarin ook Van Beek voorkomt."
Hermien kwam terug met de bourgogne en Stef met de jus en een blad met snackjes. Hij schonk drie glazen wijn in.
"Komen jullie nooit bij Adrie, die kroeg weet je wel, Landrust?" vroeg Stef.
"We hebben niks tegen cafébezoek, hoor", zei Hermien. "We hebben elkaar in een café ontmoet. Die kleine viel als een blok voor me. Letterlijk. Ze struikelde met een glas wijn in haar hand. Die kreeg ik dus over een witte bloes en zij is mij min of meer in de schoot gevallen. Zij woonde om de hoek en bood me aan iets van haar te lenen ter vervanging van die bloes. Daar had ik een hard hoofd in, maar ik ging toch mee, want ik vond haar heel leuk. En ja, toen ik die bloes uitdeed zag ze pas goed wat zij allemaal mist en aan de manier waarop ze keek zag ik meteen dat ze liever naar vrouwen dan naar mannen kijkt. Om een lang verhaal kort te maken: we hebben die bloes op het balkon in de wind gehangen. Mijn bh was ook een beetje klammig, dus die hingen we er bij. De volgende ochtend waren ze nog nat, want het had 's nachts geregend. Die kleine vond het geen bezwaar dat ik nog wat langer bleef en ik ook niet. Ik heb ook wel iets met kleine vrouwtjes. Die kan ik lekker domineren."
"Stef vroeg waarom we nooit naar Adrie kwamen, lange."
"Houd je mond, kleine. Daar kwam ik net aan toe. Kijk, we zitten hier op het platteland. Dit dorp is nog behoorlijk christelijk. Ze hebben nu eenmaal een huisarts nodig en dan moeten ze van die kleine wel wat pikken. Maar we vinden ook dat we ze niet voortdurend met hun neus op het feit moeten drukken dat een grote deksel best kan passen op een kleine pot. Zo simpel ligt dat. We bezatten ons thuis wel. Ik heb trouwens ook een vraag. 'Voor Annet' is me wel duidelijk, maar wie is Katrien? Een zus? Een vriendinnetje? Een maîtresse?"
Ik stak mijn vinger op. "De volgende is 'Für Elise' en dan heet ik ook nog Margreet en Tineke. Daarna mag hij zelf iets verzinnen. En nu mag ik een vraag stellen. Noemen jullie elkaar wel eens bij de naam?"
"Zelden", zei Hermien. "De volgende ochtend was het eerste wat ze tegen me zei: 'Je voeten steken buiten bed, lange.' Dat moet je tegen een gevoelig type als ik niet zeggen. Dus ik zei: 'Als je wilt dat ik nog een keer kom, moet je een groter bed aanschaffen, kleine.' Om de ene of andere reden is dat blijven hangen. Er zit dus absoluut niks denigrerends in, toch, kleine?"
"Ik houd ook van jou, lange."
Ze gingen pas tegen één uur weg, na een heel leuke avond. Hermien werkt als klinisch psycholoog in het ziekenhuis in de stad. Ze praatte natuurlijk uitgebreid met Stef over spannende boeken en vindt mijn hypothese niet onaannemelijk. Verder hebben we over van alles en nog wat gepraat. Toen ze hoorden dat we een zwembad hebben, vroegen ze meteen of ze een keer met mooi weer mochten langskomen. Het was al eerder duidelijk geworden dat Hermien niet gewend is een blad voor de mond te nemen. "Ik wil wel eens in mijn blootje zwemmen en zonnen. Mag dat hier?"
"Wat dacht je dat wij deden?" vroeg Stef. "Heb je er bezwaar tegen dat er ook een naakte man rondloopt?"
"Nee, jij?"
Toen we ons in de slaapkamer uitgekleed hadden keek Stef naar me met een keurende blik. "Ik vind kleintjes toch net iets mooier."

Dinsdag 16 januari, 15.30 uur

Ik moet rustig blijven! Ik wil meteen met het belangrijkste beginnen maar ik wil alles zo veel mogelijk in de juiste chronologische volgorde opschrijven.
Gisteren, rond vier uur 's middags, kreeg Stef een mailtje terug van 'Pat'. Het kwam ook van pat@hotmail.com.

Annet/Stef,
Als jullie het een beetje persoonlijker willen maken vinden wij hier dat best. Hopen jullie ook dat we gauw een mooie warme lente krijgen? Wij denken dat het een druk jaar gaat worden, in ieder geval voor ons en dat zullen jullie merken. Wij willen onze zaken voor het eind van het jaar graag geregeld hebben. Jullie moeten dus wel een beetje meewerken. Jullie weten vast wel wat jullie daar voor moeten doen. Hoe eerder jullie dat doen, hoe beter. Dat scheelt jullie ook een hoop onprettige ervaringen. Jullie kunnen dan ook met een gerust hart op vakantie. Wij hebben wel iemand die op het huis kan passen.
Groetjes,
Pat


Ze zinspeelden er duidelijk op dat wij zouden moeten vertrekken. Dat klopte niet. Dat wil zeggen: het gaat ze niet om het huis. Of ze waren zo ongelooflijk stom dat ze niet bedacht hadden dat iedere koper van ons huis automatisch verdacht zou zijn. Het moest dus een afleidingsmanoeuvre zijn. We hadden Joop laten merken dat we geïnteresseerd waren in Herman. Dat konden anderen dus ook weten. Ik raakte er weer een beetje meer van overtuigd dat het allemaal met Herman en de dorpsgeschiedenis te maken had. Daar moesten we van afblijven. Daar moesten we ons niet in mengen.
Stef was het in grote lijnen met me eens. "Als je klaar bent, kun je met behulp van wat je nu geschreven heb echt een soort historische thriller schrijven die in het dorp speelt. Dat is heel erg in tegenwoordig. We worden concurrenten."
"Ben je gek? Schrijvende echtparen zijn ook heel erg in. Wat dacht je van Stefan Draaiaarde?"
"Doet mij teveel denken aan draaikont."
Dat "wij hier" deed me ook nog eens nadenken. Die twee mannen die we in die auto hadden gezien waren geen dorpelingen. Dorpelingen zouden niet het risico hebben willen lopen herkend te worden. Waren het 'huurlingen' of mannen die vroeger in het dorp gewoond hadden? Waren die mannen met bivakmutsen dezelfde mannen of waren het wel dorpelingen?
Vanochtend ben ik begonnen met de ordner. Het eerste contact tussen Stefanie en Herman was kort na haar vijftiende verjaardag. Hij moest haar thuis bezoeken, want ze had longontsteking, wat toen, in 1923, nog een gevaarlijke ziekte was. Twee jaar later komt ze naar het spreekuur. Ik moest googelen om erachter te komen wat furunkel betekent. Dat is dus een steenpuist, een ontstoken haarzakje. Die had ze bij een van haar borsten. Ik keek nog eens terug naar wat Stef een tijd geleden gezegd heeft. "Ongetrouwde huisarts onderzoekt jonge vrouw en ontdekt haar tot dan toe verborgen charmes." Stefanie was oud genoeg om over ten minste twee charmes te beschikken waar Herman kennis mee maakte. Voor een huisarts van ruim veertig was dat geen nieuwtje, maar Stefs fantasietje kwam toch dicht bij de werkelijkheid. Het is geen bewijs voor de fantasie die ik mijn hypothese noem, maar die zou ook nog werkelijkheid kunnen zijn. Meer is over Stefanie in het dossier niet te vinden. Ik bladerde nog wat door, maar kwam alleen onbekende namen en veel onbekende Latijnse termen tegen.
De kist die Ellen en Hermien meegenomen hadden stond nog in de hal. Hij was niet erg groot, zo'n 75 x 50 x 50 cm schatte ik. Hij was wel behoorlijk zwaar. Na de lunchpauze bracht ik hem samen met Stef naar boven en zette hem op mijn bureau. We bekeken het slot. Volgens Stef was het makkelijk los te schroeven. Hij is net zo min een doe-het-zelver als ik, maar we hadden in de garage wel wat gereedschap. Ik haalde dus een schroevendraaier. De schroeven waren gauw los. Ik deed de kist niet meteen open. Ik voelde enige spanning. Wat zou ik aantreffen?
Ik had het kunnen weten: ik zag boeken en de boeken die bovenop lagen hadden allemaal met schaken te maken. Ik haalde de boeken een voor een uit de kist, hield ze met de kaften naar boven vast en schudde ze heen en weer. Uit boeken kunnen nog wel eens leuke en onverwachte dingen vallen. Ongeveer een jaar geleden kwam ik weer eens een boek uit mijn jeugd tegen. Er zat een ansichtkaart in die ik op mijn tiende vanuit een schoolkamp aan mijn ouders had gestuurd. Ik schreef aan "Lieve mamma en pappa", dat het heel goed met me ging en dat ik het allemaal "heel leuk vindt". Ik moest weer lachen om de rode streep die door "vindt" stond. Die had ik er een paar dagen na mijn thuiskomst zelf doorheen getrokken. Er stond al een aardig stapeltje op mijn bureau toen er een papiertje uit een boek viel. Dit stond erop:
1. c6-c7; Td5-d6
2. Kb6-b5; Td6-d5
3. Kb5-b4; Td5-d4
4. Kb4-b3; Td4-d3
5. Kb3-c2! Td3-d4.
Ik wist intussen wat dat betekende: een serie schaakzetten. Dat bracht me niet veel verder.
Het bleken allemaal schaakboeken te zijn, maar de verrassing lag eronder: een grote, dikke envelop. Hij was niet dichtgeplakt.
Ik voelde weer dezelfde spanning als voor het openen van de kist. Zou ik hierin meer gegevens vinden over "Het geheime leven van dokter Boerstee"? Het begon met een teleurstelling: een krantenknipsel, op een blad papier geplakt, waarop een schaakstelling te zien was. Op het volgende vel was een klein knipseltje geplakt. Het vermeldt dat de weledelgeleerde heer H. Boerstee vanaf 1 juni 1922 zijn praktijk in het dorp zal uitoefenen. In ieder geval was de inhoud van de envelop niet uitsluitend aan schaken gewijd.
Er volgden wat getypte brieven en doorslagen van brieven die Herman zelf getypt had, maar dat waren zakelijke brieven, want toen was het nog bijna een doodzonde persoonlijke brieven te typen. Die schreef je met de hand. Ik legde ze apart om ze later verder te bekijken.
Een polis van een levensverzekering zat verdwaald tussen een stapeltje schaaktijdschriften. Die schudde ik ook voor alle zekerheid maar even uit. Uit het vierde viel een dubbelgevouwen vel papier uit een blocnote. Ik vouwde het open. Mijn hart begon te bonzen toen ik de aanhef zag: "Lieve Herman". Ik keek naar de ondertekening: "Je Steffie".
Ik sprong op en liep naar Stef. Ik struikelde bijna over de drempel van zijn werkhok. "Stef! Je had gelijk! Herman en Steffie hadden wat samen. Hij is gevallen voor haar verborgen charmes. Kijk maar." Ik liet hem de brief zien.
Stef moest eerst Elise achter zich laten voor hij zich realiseerde waar ik het over had. "Wat schrijft hij?"
"Zij schrijft, aan hem. Ik moet het nog lezen. Luister."

Lieve Herman,
Als je net bij me weggegaan bent voel ik me het meest alleen. Elke volgende dag immers brengt het tijdstip naderbij dat we weer voor korte tijd bij elkaar zijn. Dan voel ik me al wat minder alleen. Vanaf morgen heb ik een groot deel van de dag weer voor mezelf. Dan gaat de kleine Herman voor het eerst naar school.

"Dit kan helemaal niet", riep ik. "Dat geloof je toch niet? Ik heb de waarheid verzonnen!"
Stef moest toegeven dat het een sterk staaltje was. Ik ging verder met voorlezen.

Onze kleine jongen lijkt zo veel op jou en ik ben zo trots op hem. Ik zou hem zo graag aan de mensen in het dorp willen laten zien. Af en toe mis ik het toch wel. Ik zou ook wel weer eens met jou door zo'n stil bos willen wandelen. Hier in de stad is het vaak zo druk. Iedereen holt elkaar maar voorbij. Ik mis je vaak heel erg. Dan denk ik maar aan zeemansvrouwen, die hun mannen vaak maanden lang moeten missen. Met hun vergeleken heb ik het dan nog heel goed, want jou zie ik bijna iedere week. Ik kijk al weer met veel verlangen naar je uit.
Veel liefs en kusjes, ook van kleine Herman,
Je Steffie.

"Staat er een datum op?" wilde Stef weten.
"4 september 1933, begin van het schooljaar. Wacht even. Steffie was twintig toen ze verdween. Dat was, als ik goed heb, in 1927. In 1924 was ze dus zeventien. In het dossier heb ik gezien dat Herman toen in ieder geval twee van haar verborgen charmes heeft gezien. Als ik het weer goed heb heeft Herman in dat jaar dit stuk grond gekocht en rond die tijd ging Steffie 's zondags in haar eentje wandelen. In 1927 gaat Herman hier wonen en een tijdje later verdwijnt Steffie spoorloos. Als kleine Herman in 1927 zes is, is er dus een grote kans dat hij in dit huis in zonde verwekt is. Als wij in dit huis een keer een geheel wettige dochter verwekken vind ik dat we haar Stefanie moeten noemen. Dat heeft ze wel verdiend nadat ze zoveel in haar eentje heeft moeten verwerken. Zo, ga jij je maar weer aan Elise vergrijpen, dan ga ik eens bedenken hoe ik verder ga."

Woensdag 17 januari, 13.30 uur

Aan dat denken over 'Hoe nu verder?' kwam ik gisteren niet meer toe. Ik was uitgelaten. Ik wilde het vieren. Het liep tegen vijven, dus Stef mocht Elise wel verruilen voor haar alter ego. Stef vond het een goed idee. Hij liep naar de trap, maar ik ging de slaapkamer in. "Haal de wijn maar naar boven", zei ik tegen hem.
Toen Stef met de wijn en de glazen boven kwam had hij een ongehinderd uitzicht op al mijn charmes, dus het duurde nog wel even voor we aan de wijn toe kwamen. Als je wat te vieren hebt moet je het goed vieren. Nog wat nagenietend dronken we het eerste glas in bed, zonder veel te zeggen en niets over Steffie en Herman. Dat deden we bij het tweede glas dat we beneden dronken.
Stef vroeg of ik al een idee had hoe ik verder zou gaan. Ik zei dat ik voorlopig gewoon volgens plan verder zou gaan. Ik had een mooi succesje behaald, maar daardoor wisten we nog niet wie 'ze' en hun motieven waren.
"Als Steffie uit vrije wil is verdwenen", vond Stef, "is het niet helemaal vreemd er vanuit te gaan dat Ans hetzelfde gedaan heeft, al zal dat geen amoureuze achtergrond hebben. Alleen in beperkte kringen kan je tegenwoordig nog in zonde leven."
Ik zat nog even te rekenen. "Als kleine Herman in 1927 geboren is, is hij nu oude Herman. Statistisch gezien is hij al een tijdje grootvader. Laten we niet vergeten dat zijn eventuele kleinkinderen, die ook al volwassen zijn, behoorlijk verre familie van Ans zijn. Ze is een achterachternicht of zo. Daar hoef je niet bepaald warme gevoelens voor te koesteren. Het kan ook zijn dat Ans voor hun op de vlucht is. Zij kan ook van haar ouders of grootouders iets gehoord hebben en op onderzoek zijn uitgegaan. Veel mensen hebben haar vaak met ons zien praten en dan beginnen die schrijver en dat vrouwtje van hem ineens ook over die huisarts vragen te stellen. We weten dus niet of Ans bij de good guys of de bad guys behoort en of ze wel in de in de macht of zelfs maar in de buurt van de bad guys is. Klopt dat een beetje?"
Wat Ans betreft was er volgens Stef geen speld tussen te krijgen. "Dat krijg je al gauw als je alle mogelijkheden open laat", zei hij erbij.
Ik vond wel dat we Hans op de hoogte moesten stellen. We hadden een oude verdwijningszaak gedeeltelijk opgelost. Hij moet dan maar bekijken of dat consequenties kan hebben voor het onderzoek naar de verdwijning van Ans. Stef vond het goed Hans en Loes voor een avond in het weekend uit te nodigen. Ik belde meteen en kreeg zowaar Hans zelf aan de lijn.
"Ben je nou al thuis?" vroeg ik. "Zitten alle boeven achter slot en grendel?"
"Nee, tijdens het werkoverleg vanochtend kwamen we tot de ontdekking dat ondanks onze inspanningen de misdaad toch blijft bestaan, dus we houden er maar mee op."
"Mooi! Dan hebben jullie alle tijd om ergens in het weekend hier te komen eten. We hebben iets met je te bespreken. Los daarvan vinden we het natuurlijk ook leuk om jullie weer eens te zien."
Hij vroeg wat er te bespreken was, maar dat hield ik nog even geheim. We praatten nog wat over koetjes en kalfjes. Loes was nog niet thuis, maar als we niets meer hoorden zouden ze zaterdag komen.
Stef was intussen naar de keuken gegaan en ik belde meteen naar Ellen en Hermien. De laatste nam op en ik vroeg of Ellen er ook was.
"Die zit hier naast me. Wil je haar spreken als huisarts of als het lekkere ding dat ze ook kan zijn als ze flink haar best doet? In het eerste geval zal ik mij naar elders begeven, in het tweede geval zal ik nauwlettend en jaloers blijven luisteren."
"Kan ze meeluisteren? Dat mag jij ook. Ik vind jullie allebei schatten, maar ik heb minder dan een uur geleden nog mogen constateren dat ik voor bepaalde vormen van intermenselijk contact mannen, vooral één man, toch wel een heel geschikt soort mens vind. Geen van jullie beiden hoeft jaloers te worden."
"Ieder diertje zijn pleziertje. Ik zet hem op hands free." Ik hoorde haar "Annet" zeggen en daarna: "Roept u maar. Mini en Maxi zijn en al oor."
"Die kist is een goudmijntje", begon ik. Ze lieten me het hele verhaal zonder onderbreking vertellen. Aan de andere kant bleef het even stil toen ik uitgepraat was.
"Jullie zijn het vast met de nodige drank aan het vieren", zei Ellen. "Wij zijn ook net begonnen. Proost! Geweldig! Die lange weet van bewondering niet wat ze zeggen moet. Die is met stomheid geslagen en dat lukt zelfs mij maar zelden."
"Onzin", zei Hermien. "Ik zat gewoon een treffende reactie voor te bereiden. Ik sluit me geheel bij de vorige spreekster aan. Luistert Stef ook mee?"
"Die is zich met het eten aan het bemoeien. Moet ik hem roepen?"
"Nee, ben je gek? We weten nou wat hij in de keuken presteert. Daar moet je hem vooral niet bij storen. Als je ooit nog eens van hem af wil, mag je hem hierheen sturen. Hij zal wel begrijpen dat hij zijn activiteiten tot de keuken moet beperken. We ... Au!"
"Ik kneep in haar billen", zei Ellen. "Ze kan geen twee minuten serieus blijven. Dat is ze hele dag op haar werk al, zegt ze. Alsof het in mijn spreekkamer voortdurend lachen, gieren, brullen is. Ik vind het hartstikke leuk dat ik mijn kleine bescheiden bijdrage heb mogen leveren en dat je even belt. Ga vooral zo door. We moeten nu ook naar de keuken, want die lange heeft om acht uur nog een bespreking."
Vanochtend om een uur of tien werd er bij het hek gebeld. Op de monitor zag ik dat het de postbode was. Ik zei dat ik eraan kwam. Hij had een grote ronde koker bij zich die niet in de brievenbus kon. Het waren de kaarten die ik bij het Kadaster had besteld. Ik zocht eerst de kaart op waarop ons huis staat. Op die kaart is ook goed te zien welke landweggetjes er nog in de buurt van ons huis zijn en waarlangs we, als we dat weer eens nodig vinden, ongezien door dorpelingen naar elders kunnen rijden. De rest van de middag ga ik besteden aan het bekijken van andere kaarten en het uitstippelen van een route naar andere alleenstaande huizen.

Zondag 21 januari, 15.15 uur

Normaliter schrijf ik niet op zondag, maar dit keer is er wel aanleiding toe.
Donderdag en vrijdag heb ik weer veel alleenstaande huizen gezien. Eén ervan herkende ik van de zoektocht van destijds. Het stond op een prachtige, rustige plek, maar het was onbetaalbaar. Voor zover ik kon zien was het nog steeds niet bewoond. Tijdens het rijden had ik voldoende tijd om na te denken. Steffie had dus ergens anders gewoond, maar had ze zich daar ook bij de burgerlijke stand laten inschrijven? Dan zou ze hier in het dorp, dat toen nog een zelfstandige gemeente was, uitgeschreven moeten zijn. Maar dan zou alles meteen openbaar geworden zijn. Ze zal wel een keer officieel dood verklaard zijn, waardoor ze officieel niet meer bestond. Als ze zich verre had gehouden van officiële instanties zou niemand achter haar identiteit komen. Kleine Herman moest naar school, maar ik kan me niet voorstellen dat ze toen naar allerlei identiteitspapieren vroegen. Hij moest natuurlijk wel in een geboorteregister zijn ingeschreven. Werd hij dan ook automatisch ingeschreven bij de burgerlijke stand? Dan zouden ze toch wel willen weten bij wie had dan woonde. Het leek me behoorlijk ingewikkeld. Dat moest ik nog een keer uitzoeken. Waarschijnlijk had Herman senior dat ook allemaal moeten doen.
Terwijl ik ergens een broodje at zat ik aantekeningen te maken. Van de geschiedenisles op de pabo herinnerde ik me dat er tijdens de Tweede Oorlog door het verzet aanslagen waren gepleegd op bevolkingsregisters. Hier en daar waren in ieder geval delen van bevolkingsregisters vernietigd. Had Herman daar gebruik van kunnen maken en zo het bestaan van Steffie en kleine Herman als het ware kunnen legaliseren? Nog iets om uit te zoeken.
Een alleenstaand huis dat Herman en Steffie gebruikt zouden kunnen hebben als voorlopig liefdesnest, of hoe je zoiets noemt, heb ik overigens nog niet gevonden, maar ik heb er nog een paar te gaan.
Bij de borrel voor het eten zaterdag liet ik Hans het briefje van Steffie zonder verklaring vooraf lezen. Loes las het ook. Ze zagen wel dat het oud was, maar legden niet meteen de connectie. Hans vroeg of het familie van me was.
"Steffie is Stefanie van Beek", zei ik. "Doet dat een lampje branden?"
"Dat meisje dat in 1925 of zo hier verdwenen is", zei Hans. "Maar dit brief je is uit 1933."
"Ze is in 1927 verdwenen. Verdwenen, ja. Er is nooit een lichaam gevonden. Daar heb ik over zitten dubben."
Ik kon weer zonder onderbreking het hele verhaal, beginnend met de fantasie van Stef en mijn hypothese, vertellen. Ze zaten met stijgende bewondering te luisteren, wat ik vleiend vond.
"Heb ik al niet een keer gezeg dat je zo bij de recherche mag komen werken"? vroeg Hans. "Dan mag jij het denkwerk doen en laat je anderen alles voor je opzoeken. Het was natuurlijk een fantasietje van Stef en jij zat ook maar wat te bedenken, maar als je niets hebt, moet je wel van een veronderstelling uitgaan en dan gaan kijken of er ondersteunende feiten zijn. Nou, dat heb je gedaan. Knap werk. Heel knap werk, mag ik wel zeggen. Kun je ook eens zo over de verdwijning van Ans gaan nadenken? Je zult intussen wel begrepen hebben dat we nog geen centimeter zijn opgeschoten. Je mag het niet verder vertellen, maar die zaak heeft bij ons niet de hoogste prioriteit meer."
Ik vertelde hem van mijn theorietje over de mogelijke rivaliteit tussen Ans en de nazaten van Herman en Steffie. "Wat ik volstrekt nog niet weet," zei ik, "is welke rol wij daarin nou spelen. Ik heb er zelfs geen theorie over."
Tijdens het eten lieten we de zaak rusten, maar bij de koffie begonnen we er toch weer over. Hans zag voldoende aanleiding de zaak van Ans nieuw leven in te blazen. Het briefje van Steffie kon hij als aanleiding gebruiken, maar hij moest een manier bedenken om te voorkomen dat mijn naam daarbij naar buiten kwam. "Ik wil ook die huisarts beschermen. Voorlopig mag niet bekend worden dat je dit briefje via haar hebt gekregen. Is ze getrouwd of zo?"
"Ze is getrouwd, ja." Ik zag hem aankomen.
"En haar man weet hiervan?"
"Stef is de enige man die hier van afweet."
Loes had het meteen door. "Hans is liberaal genoeg, hoor, maar hij moet er nog steeds aan wennen dat hij niet moet vragen of iemand een man of een vrouw heeft, maar of hij of zij een partner heeft en daarna wat voor soort verhouding het dan wel is. Ingewikkeld hè, Hans?"
"OK," zei Hans, "ik zit nog wel eens vast in oude denkpatronen, maar ik doe mijn best. Hoe dan ook, ik wil niet dat zij dezelfde problemen krijgen als jullie. Het is de laatste tijd trouwens vrij rustig, toch?"
Stef vertelde over de mailtjes die we eerst met 'vierkant' en daarna met 'Pat' gewisseld hadden. Ik ging afschriften maken. Toen ik terug kwam zat Stef net te vertellen over het avondje met Ellen en Hermien.
"Als jullie zo doorgaan," zei Loes, "kunnen jullie toegang gaan heffen voor het zwembad. Wat dacht je van 'Naturistenzwembad Hofje van Eden'? Trouwens, ik zou, zo te horen, dat stel best een keer willen ontmoeten."
Hans las de mailtjes en keek nadenkend. "Ik zeg niet dat het onverstandig is, maar ik weet ook nog niet zeker of het wel slim is om ze uit te dagen."
Ik zei dat ik het zat was alleen maar af te wachten tot zij weer het initiatief zouden nemen. Het liefst zou ik ze laten merken dat we wisten van de relatie van Herman en Steffie. "Als ze een soort agenda hebben zullen ze misschien eerder en dus minder goed voorbereid aan de slag gaan en daardoor fouten gaan maken."
"Of ze worden radicaler", zei Hans. "Tot nu is het in feite bij pesterijtjes gebleven. Als jullie laten merken dat jullie er serieus werk van maken, zullen zij dat misschien ook gaan doen. Ik kan jullie niks verbieden, maar ik zou het wel plezierig vinden als jullie eerst contact met mij opnemen. Stuur me een mailtje, naar mijn huiadres. Dan mail of bel ik terug."
"Begrijp ik het goed?" vroeg Stef. "Je wilt ook voor je collega's geheim houden dat je het een en ander van ons hoort?"
"Er is een aardig Engels gezegd: drie mensen kunnen samen iets geheim houden als er twee dood zijn."
Ik haalde de koffiepot uit de keuken en begon in te schenken. Op dat moment klonk er buiten een heel harde klap. Er ontplofte iets. Hans was als eerste bij de voordeur. Stef kwam vlak achter hem en deed de verlichting aan. Er waren vlammen dicht bij de grond op het terras tussen het hek en het huis. Er was gelukkig nog een ruime afstand tussen die vlammen en de auto van Hans en Loes die voor de garage stond. Hans en Stef liepen in de richting van de vlammen. Loes en ik bleven bij de voordeur staan. De mannen kwamen na een paar minuten terug.
"Laten we maar naar binnen gaan", zei Hans. "Er lagen glasscherven", vervolgde hij toen we weer aan de koffie zaten. "Een klassieke molotovcocktail. Dit is weer een dreigement, denk ik. Ze weten ook wel dat ze het huis niet zouden halen met dat ding ."
"Konden ze weten dat jullie hier waren?" vroeg ik.
Hans had het tegen niemand gezegd en wij ook niet.
"Moet dit officieel gemeld worden?" vroeg Stef.
"Dat hebben jullie bij deze gedaan. Zodra ik tijd heb zal ik het in het dossier opnemen, maar ja, druk druk druk."
We begrepen wat Hans bedoelde. Hij keek mij aan. "Ik bedoel het niet lullig, Annet, dat begrijp je, maar je hebt je zin gekregen. Dit is wel wat anders dan een zakje verf in het zwembad. Ze zijn aan het escaleren." Hij was niet de enige die er enigszins bezorgd bij keek.
Tegen elf uur gingen ze weg. Bij het hek beloofden we nog eens dat we niks zouden doen zonder het Hans te laten weten. Zonder er verder nog over te praten gingen we naar bed. We lieten het buitenlicht aan. We vielen heel dicht tegen elkaar aan in slaap.

DEEL 3: De tweede dame.

Maandag 22 januari, 9.00 uur

Ik lag alleen in bed toen ik gistermorgen wakker werd. Door het gedoe van zaterdag schrok ik eerst. Wat was er met Stef gebeurd? Ik realiseerde me meteen dat het onzin was. Stef was gewoon vroeg opgestaan. Voor ons doen waren we zaterdag ook behoorlijk vroeg naar bed gegaan. Op de wekker zag ik dat het net half acht geweest was.
Stef zat in de keuken te lezen. Ik rook de prettige geur van croissantjes die vers gebakken werden. We zoenden. Ik verschoof een stoel en ging dicht bij hem zitten. Hij schonk thee voor me in en sloeg een arm om me heen. "Wil je doorgaan?"
"Jij ook?"
Daar hoefden we dus niet over te discussiëren.
Ik vroeg of we Ellen en Hermien moesten vertellen wat er gebeurd was. Hans had het niet met zoveel woorden gezegd, maar hij maakte zich toch wel een beetje zorgen dat zij ook een doelwit zouden kunnen worden.
Stef vond dat we ze ook niet onnodig ongerust moesten maken. "Er wordt kennelijk wel op gelet of wij ergens heen gaan, maar ik kan me niet voorstellen dat ze constant iemand op de uitkijk hebben staan om te zien wie er bij ons bezoek komt. Volgens mij was het puur toeval dat ze die molotovcocktail in de tuin gooiden terwijl Hans en Loes er net waren."
Paste die molotovcocktail, het tijdstip waarop ze die naar binnen gooiden, in hun plan? Stond dat voor zaterdag in hun agenda of hadden ze vanwege ons uitdagende mailtje de zaak wat vervroegd? Ze waren er wel vroeg bij dit jaar. Hadden ze een deadline?
Ik wilde het even over iets heel anders hebben. "Normaliter zou ik over een paar weken voorjaarsvakantie hebben en zouden we waarschijnlijk een paar dagen ergens heen gaan. Doen we dat dit jaar weer? Kan Elise een weekje zonder je?" Dat deed me aan iets denken. "Ik heb Elise de laatste tijd nogal verwaarloosd. Jou dus ook een beetje. Ben je niet boos?"
"Als ik boos op je was zou ik geen ontbijt voor je maken en dat ga ik nu juist wel doen."
Stef gaf me vast een nog warme croissant en ging bruine boterhammen voor ons smeren en beleggen. We dronken espresso in de zitkamer, weer dicht tegen elkaar aan op de bank. "Elise is bijna aan verhuizing toe", zei Stef. "Verhuizing naar de cd-rom dan, niet in het verhaal."
Ik wist dat Tanja, de hoofdpersoon, een relatie was begonnen met Ibrahim, de Irakees. Hij was bij haar ingetrokken en hoewel hij een goed technische opleiding had kon hij hier geen betere baan krijgen dan chauffeur. De relatie is goed: hij laat haar behoorlijk vrij. Na een paar maanden merkt ze dat hij vaker gaat bellen en in het Irakees praat. Het kan ook Arabisch zijn, dat weet ze natuurlijk niet. Daar was ik gebleven.
"Wil je het verder lezen of je wil je het uittreksel horen?" vroeg Stef.
Ik zei dat ik de komende tijd toch te ongedurig was om iets met echte aandacht te lezen, dus hij moest het maar vertellen. Als alle toestanden achter de rug waren zou ik het absoluut lezen.
Tanja gaat meer dingen opmerken. Hij is vaker en langer weg. Hij praat met vrienden, zegt hij. Hij gaat minder drinken. Hij blijft zich correct gedragen, maar van een seksleven is nauwelijks meer sprake. Zij wil daar wel over praten, maar hij gaat dat steeds uit de weg. Op een dag vindt zij in de binnenzak van een colbert dat ze naar de stomerij brengt een papier met Arabische teksten. Bij een postkantoor maakt zij een fotokopie. Als ze het colbert weer ophaalt doet zij het origineel weer in de binnenzak. Op een vrije middag laat zij de kopie lezen door een Arabist, een universiteitsmedewerker. Het is een oproep voor de jihad. Ze gaat vermoeden dat Ibrahim helemaal geen vluchteling is. Ze gaat naar de politie. Een medewerker van de AIVD neemt contact met haar op. Ibrahim komt erachter dat Tanja erachter is gekomen.
"De bloedstollende ontwikkelingen daarna moet je maar lezen", zei Stef. "Het moet wel een beetje spannend blijven. Ik verklap niks als ik zeg dat zij er heelhuids uitkomt. Aan het eind gaat zij uit eten met die medewerker van de AIVD."
"En ze leefden nog lang en gelukkig. Heb je al een titel?"
"Ik heb even aan 'Gastarbeider' gedacht, maar dat kan denk ik niet meer. Heb jij genoeg gegevens om iets met gast te bedenken?"
"Gastoptreden? Hij speelt tenslotte toneel en hij is een gast hier."
"Bingo!"
Hij gaf me een zoen. En nog een. En weer een. Hij wist van geen ophouden en ik ging maar meedoen. We waren allebei wel toe aan enige aangename ontspanning. Na afloop gingen we niet meteen onder de douche, maar weer eens uitgebreid samen in bad. Dat doen we niet zo vaak, dus daar maken we ook altijd een klein feestje van. Het bad is zo ruim dat we elkaar niet in de weg zitten.
De middag besteedden we deels aan de nuchtere werkelijkheid. We ruimden het glas van het terras dat er voor het deel waarop de bestanddelen van de molotovcocktail verbrand waren niet florissant uitzag. Ik heb het geschrobd met chloor, maar veel fraaier werd het niet. De beste manier zou toch zijn de tegels gewoon te vervangen. Daar moesten we nog wel een tijdje mee wachten, want hoe verklaar je dat ze in die toestand terecht waren gekomen?
Eenmaal weer binnen stelde ik Stef voor dat hij zou checken of 'ze' via e-mail nog een soort vervolg op hun vuurwerk hadden gegeven. Dat vervolg was er inderdaad. Het was 's middags om vijf over twaalf verzonden. Het was heel kort: "Hebben jullie genoten van ons vuurwerk? We bedenken steeds weer wat nieuws." Geen aanhef, geen ondertekening.
Stef stuurde een kopie naar Hans. "Sturen we ze nog een reactie?"
Daar wilde ik nog over nadenken. Waar we ook over moesten nadenken was een camera aan de voorkant, bij de ingang. De camera die er nu zit laat alleen zien wie er aanbelt. We konden niet zien of er een auto stopte of iemand op een andere manier van de weg naar de deuren kwam.
Stef zag het niet zitten. "Moeten we dan ook de hele dag een monitor in de gaten houden? Moeten we camera's om de hele tuin hebben? De vorige keer, met die verfbom, waren ze aan de andere kant."
"Ja, en op de eerste warme dag van het jaar liggen we lekker in het zwembad te dobberen, misschien wel met die meiden erbij en Hans en Loes en dan gooien ze zwavelzuur over de haag heen. Getverdemme! Stelletje klootzakken! Als ze een deadline hebben hoop ik dat die voor de zomer ligt. Dan zijn we er vanaf. Met welke afloop dan ook. Verdomme, Stef, we waren zo blij toen we hier net begonnen waren. Nu wordt het helemaal verziekt."
Ik zat er ineens helemaal doorheen en begon te janken. Stef pakte mijn hand. "Kom mee, Netje." Hij trok me mee naar de slaapkamer. We gingen op bed liggen. Hij zei van alles tegen me maar ik kan me er niets van herinneren. Wat hij zei was ook niet belangrijk. Ik hoefde alleen maar te horen en te voelen dat hij heel dicht bij me was. Na een tijdje viel ik gewoon in slaap.
Het dutje duurde niet veel langer dan een half uur. Of ik daarvan wakker werd weet ik niet, maar Stef streelde me onder mijn truitje. Het was in ieder geval een prettige manier van wakker worden. Hij lag naar me te kijken. "Have I told you lately that I love you?" Ik probeerde het te zingen, maar dat lukte niet al te best. De bedoeling kwam wel over. Hij schoof mijn truitje omhoog en ik verzette mij niet toen hij het over mijn hoofd trok. Om een in deze omgeving gepaste schaakterm te gebruiken: het werd een herhaling van zetten van die morgen met een interessant eindspel.

Dinsdag 23 januari, 9.00 uur

Het derde huis dat ik gistermiddag bekeek was veelbelovend: het was een soort houten blokhut en duidelijk onbewoond. Het lag aan het eind van een onverhard pad met een karrenspoor. Eigenlijk was het geen karrenspoor meer. Je kon alleen aan het verschil in de begroeiing zien dat het vroeger een karrenspoor was. Het was duidelijk lang geleden dat er iemand overheen gereden was. Alle ramen waren kapot, de deur stond half open. Het was één grote ruimte, zeg maar een combinatie woonkamer/slaapkamer/keuken. Aan één kant was een soort aanrecht. Daarop stond een pomp. Je zag de pijp daaronder in de grond verdwijnen. Boven het aanrecht waren twee lege kastjes. Er was geen enkel meubel aanwezig. Als de rechtmatige eigenaar die al niet had weggehaald, zouden anderen wel zo 'behulpzaam' zijn geweest. Er was een soort schouw, dus er zal ooit wel een kachel gestaan hebben. De hut lag ongeveer 25 kilometer van ons dorp.
Ik probeerde me voor te stellen dat Herman en Steffie hier voor hun mooie middagen doorbrachten. Veel zullen ze niet nodig gehad hebben. Het water uit de pomp zouden ze kunnen verwarmen op een petroleumstel voor koffie of thee. Koken zullen ze wel niet gedaan hebben. Een tafel en twee stoelen waren genoeg om te zitten. Een bed zal er ook wel gestaan hebben. Ik zeg niet dat het alleen daarom te doen was, maar als een huwelijk er niet in zat, was er weinig reden de seks tot een later datum uit te stellen. Uit het briefje van Steffie krijg je de indruk dat ze echt van de veel oudere Herman gehouden heeft. We zijn geneigd onze wenkbrauwen te fronsen als een man een relatie begint met een meisje dat nog niet de helft zou oud is als hij, maar ook in zo'n geval hoeft het niet om seks alleen te gaan. Ze zal niet veel meer opleiding gehad hebben dan de lagere school, maar ze kon wel degelijk intelligent geweest zijn, zodat Herman goed met haar kon praten. Misschien heeft hij haar wel leren schaken. Ik nam binnen een paar foto's en ook van buiten nam ik er een van alle kanten. Aan de achterkant zag ik een twintig meter verderop nog een klein hokje staan. Ja, ze hadden natuurlijk ook een toilet nodig.
Ik 'deed' nog twee huizen die niet in aanmerking kwamen en ging toen naar huis. Tijdens het rijden dacht ik verder na over die twee in die hut. Wat ik me ook voorstelde - en ik ging hartstochtelijke bedscènes niet uit de weg - het kwam niet echt tot leven. Ik kreeg het gevoel dat ik daar wat erg ver was doorgeschoten in mijn hypothese. Maar het was ook niet elke zondag mooi wandelweer geweest. Waar gingen ze dan heen? In ieder geval: waar ging Steffie heen? Zou ze gewoon naar zijn eerste huis gegaan zijn? Kon ze daar gegarandeerd ongezien naar binnen glippen? Herman had zijn praktijk in het pand waarin Ellen nu zit. Zij en Hermien wonen er niet. De voorganger heeft het van binnen al helemaal laten verbouwen. Die woonde er evenmin. Misschien heeft Herman er ook niet gewoond. Uitzoeken dus: waar woonde Herman, waar woonde Steffie en welke route zou ze moeten volgen om van haar huis naar het zijne te komen, terwijl de meeste mensen in de kerk zaten. Het schoot me ook te binnen dat ze een broer had, de grootvader van Ans. Hoe was de relatie tussen broer en zus geweest? Kon ik dat aan Adrie vragen? Hij had me de informatie over Steffie ook gegeven. Dat was geen probleem geweest. Als ik me maar niet bezighield met Herman. Die broer en haar vader zullen toch wel eens gevraagd hebben hoe zij dure kleren kon dragen? Kon ze hun ergens de mond mee snoeren. "Niet zeuren, anders vertel ik iedereen dat ... "
Bij de borrel vertelde ik Stef wat het mogelijk zou kunnen zijn. "Incest. Zij is door haar vader of broer of allebei misbruikt. Als ze niet ophouden met vragen stellen zal zij de dominee, de rest van het dorp, God mag weten wie, wel eens vertellen wat die twee met haar uitgehaald hebben. En het gaat ze ook geen bal aan waar ze 's zondags heen gaat."
Het leek Stef allemaal niet onmogelijk, maar ook wel ver gezocht. Hij had 's middags Elise op cd-rom gezet en ging een afspraak met Ad, de uitgever maken.
Ik stelde voor er een lang weekend Amsterdam van te maken, vrijdagmiddag heen, maandagochtend terug. Stef vond het een goed plan. Hij gaf me daarna een keuze: hij ging een diepvriespizza klaarmaken of we gingen iets eten bij Adrie. Ik hoefde niet lang na te denken.
We waren geen klein beetje verbaasd toen we daar Ellen en Hermien zagen zitten. We haalden een pils en een wijn aan de bar en vroegen netjes of ze er bezwaar tegen hadden dat we bij hun kwamen zitten. Dat hadden ze helemaal niet.
"Zijn jullie van je geloof gevallen?" vroeg Stef.
"De zondag nadat we bij jullie waren", zei Ellen, "zaten we de avond bij jullie nog eens te evalueren. Zo kwamen we ook op wat we gezegd hadden over het kroegbezoek. Die lange zei dat we verstoppertje aan het spelen waren in een weiland. Ze zullen in het dorp niet allemaal weten dat we getrouwd zijn, maar iedereen weet wel degelijk dat we een stel zijn. Dus besloten we maar een keer uit de kast te stappen waarvan de deur toch al wijd open stond. We hadden vandaag allebei een drukke dag en geen van tweeën had zin om te koken. Dus zitten we hier."
"Achter een glaasje fris", zei ik. "Jullie zijn toch niet met de auto?"
"Ik moet altijd rekening houden met een spoedgeval en daar kan ik moeilijk waggelend binnenkomen. Die lieve lange vindt dat ze solidair moet zijn. Bij het eten permitteren we ons één glas wijn. Zijn jullie al weer een stapje verder gekomen?"
Stef vertelde dat Elise was klaargekomen. Hermien begon te lachen. "Wat fijn voor d'r. Heb je dat een beetje expliciet beschreven? Dat zal de verkoopcijfers geen kwaad doen."
Stef lachte sportief mee. "OK, als schrijver zou ik mijn woorden wat zorgvuldiger moeten kiezen. Als jullie niet te vroeg op vakantie gaan kun je het in de vakantie lezen. Koop het niet. Ik krijg altijd een paar exemplaren die ik aan deze of gene kan weggeven. Je staat bij dat selecte lijstje. Het heet 'Gastoptreden' overigens. Dat heeft Annet weer bedacht."
Ellen vroeg of Stef in de verte al een Margreet aan zag komen. Daar kon hij ja op zeggen. Als hij met het ene verhaal bezig is, schieten hem altijd wel dingen te binnen die hij in een ander verhaal zou kunnen gebruiken. Meestal noteert hij die in een apart bestandje 'Ideeën'. Als een 'lopend' verhaal even niet lekker gaat, werkt hij zo'n idee wel eens wat verder uit.
"Je weet dat ik veel thrillers lees", zei Hermien. "Het enige bezwaar dat je ertegen zou kunnen hebben is dat de hoofdpersoon vrijwel altijd toch een nogal mannelijke man is."
Ik zei dat de hoofdpersoon van Elise een vrouw is.
"Heel goed! Nog maar één stapje en Margreet is een lange, blonde lesbo die haar kleine vriendinnetje redt uit de klauwen van een zogenaamde moederoverste van een zogenaamd nonnenklooster. Ik zie het helemaal voor me."
Stef ging onze hap bestellen en nam vier glazen wijn mee terug.
Bij de koffie vroeg Ellen of ik ook nog iets opgeschoten was. Ik wilde eigenlijk wel vertellen wat er gebeurd was toen Hans en Loes er waren, maar wilde Stef niet voor een voldongen feit stellen. Ik beperkte me dus tot de beschrijving van mijn zoektocht en mijn twijfels over het werkelijkheidsgehalte van dat liefdesnest. Ellen wist niet of Herman in of naast de praktijk had gewoond. Dat was ook niet meer nodig want ik wist het ineens. In die dikke envelop zaten ook brieven. Daar kon toch ook een adres op staan? Ik hoefde alleen het adres van Steffie nog maar te achterhalen.

Woensdag 24 januari, 13.00 uur

In een doorslag van een brief van Herman zelf vond ik zijn adres. Het was inderdaad niet zijn praktijkadres. Ik pakte de stafkaart erbij, maar daarop kon ik niet precies zien wat zijn huis was en of Steffie onbespied naar binnen kon glippen. Ik kon erheen wandelen of fietsen, maar dat leek me niet verstandig. Al te nieuwsgierige personen die mij daar zouden zien zouden zich terecht kunnen afvragen wat ik op die plek te zoeken had. Ik probeerde het nog met 'Google Earth'. Daar werd ik ook niet veel wijzer van. In tachtig jaar kon er natuurlijk ook wel het een ander gewijzigd zijn. Bomen konden gekapt zijn. Destijds nog lege plekken konden inmiddels bebouwd zijn. Ik zit niet op een dood spoor, wel op een moeilijk begaanbaar spoor.
Ik las alles wat ik tot nu toe geschreven nog eens door om te kijken of ik daar nieuwe aanknopingspunten uit kon halen. De herkomst van die navelpiercing was nog een raadsel. Ik viste hem uit een laatje en bekeek hem nog eens goed. Destijds had ik er niet echt veel aandacht besteed en bovendien had ik me toen nog niet wat meer in het schaakspel verdiept. Nu zag ik het duidelijk: het was een schaakstuk, een 'loper'.
Voorlopig was er nog geen andere kandidate voor de draagster van de piercing dan een vriendinnetje van Adrie junior. Als ze al niet naakt gezwommen had, zal ze toch niet meer dan een bikini aangehad hebben en zelfs een zwempak moet je uittrekken voor het afdrogen. Maar waarom draagt een meisje of jonge vrouw een schaakstuk als piercing? Omdat ze schaakt of omdat haar schakende vriendje haar een leuk cadeautje gaf. Ik holde maar lekker door en zag al een achterkleindochter van Steffie voor me met schaakgenen die zich vermaakt op het grote schaakbord van haar overgrootvader. Allemaal leuk en aardig, maar ik schoot er niets mee op.
Het zou geen kwaad kunnen, denk ik, als ik even wat afstand zou nemen, alles wat laten bezinken. Letterlijk nemen we die afstand vrijdag al, als we voor een lang weekend naar Amsterdam gaan. We hadden het nog niet verder over de voorjaarsvakantie gehad. Waarom zouden we aan het bezoek aan Amsterdam niet meteen een weekje in een wat warmere streek vastplakken? Ik zag dat het op Tenerife in deze tijd van het jaar gemiddeld 21 graden is, best aangenaam. Ik zocht nog wat door. Je kan er een vrijstaande villa huren voor een week, aan het eind van een doodlopende weg, met eigen zwembad en uitzicht op zee. De villa is zaterdag beschikbaar en ook een vlucht naar Tenerife.
We hebben een systeempje voor het geval we elkaar tijdens het werk willen storen. We sturen elkaar over ons thuisnetwerkje gewoon een mailtje: "Mag ik even?" of woorden van die strekking. "Bij de lunch?" schreef Stef terug. Dat vond ik wel redelijk.
"Alleenstaande villa, doodlopende weg, eigen zwembad," zei Stef, "waar doet me dat nou aan denken?"
"Akelig stuk realist. Waarom heb je nu weer gelijk? Heeft het ook met Margreet te maken?"
"Het zou inderdaad handiger uitkomen als ik nu niet mijn werk voor een week zou onderbreken. Ik begin net een goed uitzicht te krijgen op een verhaallijn en een hoofdpersoon. Het spijt me voor Hermien, maar het is geen lange blonde lesbo. Ik kan me al niet zo goed in een homo verplaatsen, laat staan in een lesbo. Ik weet wel dat ze net zo gewoon zijn als hetero's, maar een homo die in een kroeg met een mooie meid, een stuk, aan de praat raakt, reageert toch anders dan een hetero."
"Zou hij niet reageren als een hetero die aan de praat raakt met een vrouw die weliswaar een stuk is, maar toevallig niet het type waar die hetero op valt? Jij probeert toch niet iedere leuk uitziende vrouw uit de kleren en in het bed te krijgen?"
"Eén realist in huis is genoeg, ja. Hoe dan ook, Hermien heeft me wel op een idee gebracht. De hoofdpersoon is wel een man maar zeker geen macho. Ik moet nog uitzoeken of hij een handicap of een of andere chronische ziekte heeft en wat daar dan weer de consequenties van zijn. Ik begrijp wel dat je er even uit wil, hoor. Kun je iemand anders bedenken die een weekje mee zou willen? Loes misschien? Wil je niet alleen gaan, naar iets waar je wel voortdurend beziggehouden wordt, zodat je niet voortdurend gaat zitten nadenken over wat je hier zou kunnen ontdekken?"
Ik vond een achtdaagse reis door Egypte. Dat lijkt me 'anders' genoeg om voor de nodige afleiding te zorgen. Het zou voor het eerst zijn sinds we elkaar kennen dat ik Stef een week lang niet zou kunnen zien en voelen. Dat leek me niks aan de ene kant, maar aan de andere kant kan het best goed zijn om weer eens te ervaren hoe het is probleempjes zelf, zonder overleg, op te lossen. Het zal geen lang weekend Amsterdam worden, want er gaat zaterdag een vlucht. Ik moet er om tien uur 's ochtends zijn, dus ik heb op een hotel bij Schiphol geboekt.
Nu voel ik me ongedurig. Het liefste zou ik nu meteen vertrekken. Morgen wil ik niets aan 'de zaak' doen. Dan ga ik maar wat in huis klussen. Vrijdagochtend gaan we vroeg weg. Ik heb al besloten van het hotel alleen naar Schiphol te gaan, er gaat vast wel een shuttlebus. Ik heb geen zin in een menigte afscheid te nemen van Stef. Ik heb geen idee wat voor emoties er bij los komen en in de hotelkamer kunnen we die gewoon de vrije loop laten. We laten het ontbijt op de kamer komen. We gaan nog een keer flink vrijen. Ik ga lekker janken. Als we onder de douche vandaan komen heb ik geen rooie ogen meer. Ik geef Stef nog een zoen en ik stap met mijn koffer in de lift.

(Nog gauw even toegevoegd op donderdagmiddag.)

Stef moest wennen aan het idee dat hij me niet naar Schiphol zou brengen. Na enig praten was hij het helemaal met me eens. "Ik mag je toch wel komen halen, hè? Ik ga niet in een hotelkamer op je zitten wachten."
"Je mag me komen halen en alle snelheidsbeperkingen overtreden als we naar huis racen. Zeven nachten in mijn eentje in bed liggen lijkt me genoeg."
Ik heb mijn ouders gebeld om te vertellen dat ik een weekje wegging. Mijn moeder begreep er niets van. "Heb je ruzie met Stef of zo? Wil hij niet mee of mag hij niet van je mee?"
Dat soort vragen had ik wel verwacht, dus daar had ik me op voorbereid. Ik zei eerst dat tussen mij en Stef alles rozengeur en maneschijn was. Stef kon zijn werk niet laten liggen en ik moest voor mijn historische roman - ik legde het er een beetje dik op - aan den lijve ervaren hoe het leven is in zo'n compleet andere cultuur.
Mijn moeder bleef het wat vreemd vinden, maar was in ieder geval blij te horen dat het tussen mij en Stef goed zat.

Maandag 5 februari, 9.00 uur

De thuiskomst verliep wat anders dan ik verwacht had voordat ik wegging. Natuurlijk, Stef stond op me te wachten en wat was ik blij hem weer te zien en hem weer heel stevig tegen me aan te voelen en zijn stem te horen zonder tussenkomst van mobieltje en satelliet. We gingen niet meteen weg, want ik moest eerst, voorlopig tenminste, afscheid nemen van Ankie. Ik stelde haar aan Stef voor als degene met wie ik tijdens de reis veel was opgetrokken en dat hij de rest thuis wel zou horen. Ankie en ik omhelsden en zoenden elkaar stevig. We zouden bellen, we zouden mailen en we zouden elkaar gauw weer zien. "Wegwezen", fluisterde ze in mijn oor. "Zo'n leuke vent moet je niet laten wachten."
In de auto begon ik al te vertellen. Op de heenweg zat ze naast me in het vliegtuig. Ze begon met te vragen of ik ook alleen was. Ik zei dat ik een weekje alleen op reis ging, maar verder zeker niet alleen was. Zij was dat sinds een week of vier wel. Op een zaterdagmiddag was ze naar haar moeder gegaan. Ze zou ook bij haar blijven eten. Haar moeder moest plotseling weg - "Dat vertel ik later wel." - dus ze ging weer naar huis. Haar vriend was niet in de woonkamer, wel in de slaapkamer, waar een vriendin van haar net haar slipje aantrok. Hij zat op rand van het bed. Ze had zich zonder iets te zeggen omgedraaid en was naar de wooonkamer gegaan. De vriendin ging weg en hij kwam naar de woonkamer waar het hoge woord eruit kwam: hij vond de vriendin leuker. Hij vertrok nog diezelfde middag.
"Ik ben niet zo'n groepsreizigster," zei Ankie, "maar ik moest er even uit in een compleet andere omgeving. Zo kwam ik op dit reisje."
Ze is een paar maanden jonger dan ik, niet uitgesproken knap en toch aantrekkelijk. Ze straalde iets uit van "Ik ben te vertrouwen." Ik weet niet hoe ik dat beter kan zeggen. Ik vertelde dus waarom ik een week op stap ging zonder de man waar ik gek op ben, het hele verhaal vanaf de twee mannen die de weg kwijt waren tot en met mijn besluit de boel een weekje de boel te laten.
"En nu ben je er toch weer mee bezig", zei Ankie. "Je zult mij er niet meer over horen."
Ik zei dat ik het toch geen hele week zou kunnen vergeten. Belangrijkste was dat ik een week nergens driftig op zoek naar zou gaan. Ik wilde alles lekker laten sudderen en borrelen.
Tijdens de excursies van de eerste twee dagen en bij de maaltijden waren we meestal in elkaars buurt. Op maandagavond zat ik om een uur of negen op mijn kamer te lezen. Ik wilde net naar bed gaan toen er op de deur werd geklopt. Ankie zei dat ze zich wilde bezatten. Had ik zin om mee te doen? Echt zat werden we niet, maar ik dronk wel iets meer dan ik gewend ben en Ankie duidelijk ook. Ze liep mee mijn kamer in, liet zich op bed vallen en begon enorm te huilen. Ik wist niet veel beters te doen dan naast haar op het bed te gaan zitten en haar wat te strelen, gewoon laten voelen dat ze niet alleen was. Na een minuut of tien draaide ze zich op haar rug. "Zo, dat had ik eerder moeten doen. Die lulhannes zal ik niet meer missen. Je mag wel doorstrelen, hoor. Voelt best lekker."
Ik vond het in die situatie helemaal niet vreemd om door te strelen, ook niet toen ze haar T-shirt en wat later de rest van haar kleren uittrok. Ik volgde haar voorbeeld. Het werd spontaan een regelrechte vrijpartij. We vielen samen in slaap. De rest van de week hebben we ook bij elkaar geslapen, nog een keer gevreeën en veel gepraat.
De laatste avond zei Ankie: "En morgen ga je weer gewoon naar Stef terug, toch?"
"Je kunt me met geen tien paarden tegenhouden. Maar jij wilt toch niet zeggen dat het wel mooi geweest is? Op Schiphol zeggen we 'Het beste verder' en dat was het dan?"
"Ben jij gek? Ik wil niet mijn leven met je delen en dat wil jij ook niet. Dat wou ik even duidelijk hebben. Ik geloof in vriendschap op het eerste gezicht. We zijn echt niet plotseling lesbisch geworden, hoor, maar we zijn toch wel vriendinnen? OK, misschien iets meer dan vriendinnen. Da's toch alleen maar fijn? Natuurlijk blijven we elkaar ontmoeten. Vertel je het aan Stef?"
"Alles. Het zou toch raar zijn dat ik wel vertel wat ik van de piramides vond, maar niet dat ik een heel lieve vriendin rijker ben?"
Stef hoorde het hele verhaal rustig aan. Hij reageerde niet meteen.
"Vind je het raar?" vroeg ik. "Ben je boos? Ben je bezorgd?"
"Ik vind niet zo gauw iets raar, dat weet je. Ik ben niet boos op je. Ik ben ook niet bezorgd. Ik zag hoe je naar me keek toen ik op Schiphol naar je toe liep. Ik hoop dat ik ook zo naar jou keek, Netje. Ik zag jullie afscheid van elkaar nemen. Zo neem je geen afscheid van een reisgenoot die je alleen 'wel aardig' vindt. Ik was benieuwd, maar ik wist dat je me zou vertellen hoe het precies zat. Wat doet ze trouwens om reisjes naar Egypte te kunnen betalen?"
"Ze werkt bij een bank. Ze beoordeelt kredietaanvragen." Thuis liepen we linea recta door naar de slaapkamer. Ik was het eerste uitgekleed. Stef kwam bij me liggen en zei: "Ik ga niet proberen te bewijzen dat met een man vrijen, met mij vrijen, veel lekkerder is dan met een vrouw vrijen. Ik ga niet extra mijn best doen. Ik heb je gewoon gemist en niet alleen wat vrijen betreft." Veel meer kon hij niet zeggen, want ik wilde een week gemiste zoenen inhalen en hij had ook nog wat tegoed.
Bij een glas wijn praatten we verder. Stef vroeg of ik met Ankie nog veel gepraat had over wat hier gebeurde. Daar hebben we het na mijn verhaal in het vliegtuig helemaal niet meer over gehad. We hebben zo ongeveer het hele leven doorgenomen, vooral relaties. Daar was ik redelijk snel over uitgepraat, wat het aantal serieuze relaties betreft dan, want ik kwam niet verder dan één. De laatste van Ankie was de vijfde met wie ze had samengewoond. Dat had ruim een jaar geduurd. "Ik doe kennelijk iets niet helemaal goed", zei ze, ook op de laatste avond. "Ik bedoel: ik blijk toch steeds weer de verkeerde vent te kiezen. Ben ik te weinig kritisch als ik verliefd ben? Dan wil ik ook meteen alles. Jij was nog maar een jonkie toen je met Stef begon en je zit nu al weer te popelen om hem terug te zien. Ik ben jaloers op je, echt. Wist je meteen zeker dat hij de ware Jacob was of hoe je dat ook noemt?"
"Dat wist ik helemaal niet. Ik vond hem leuk toen hij een beetje schutterig dat tweede stuk kaas kwam halen. In z'n zwembroek zag hij er best lekker uit, maar als we niet allebei in Amsterdam gewoond hadden, hadden we elkaar waarschijnlijk nooit meer gezien. Het was makkelijk om een afspraak te maken, dus dat deden we. Het was geloof ik na de vijfde of zesde afspraak dat we voor het eerst met elkaar naar bed gingen. We hebben gewoon de kat uit de boom gekeken, voor we gingen samenwonen. Dat zou jij misschien ook eens moeten doen."
Daar zou ze eens goed over nadenken.
Door mijn dagelijkse telefoontjes wist Stef al zo ongeveer wat ik allemaal gezien en meegemaakt had. De rest vertel ik hem wel als ik de foto's op mijn laptop heb staan.
Toen ik gistermorgen wakker werd lag Stef verliefd naar me te kijken. "Zo is het toch een stuk leuker wakker worden", zei hij.
Gistermiddag hebben we een paar uur gewandeld. We hebben bijna geen woord gezegd. Ik was helemaal gelukkig.

Dinsdag 6 februari, 15.00 uur

Hebben 'ze' gewacht tot ik weer thuis was? De zaterdag dat ik wegging is Stef bij Adrie gaan eten. Het viel uiteraard op dat hij alleen was en hij gebruikte dezelfde smoes die ik mijn moeder verteld had: ik was op studiereis in Egypte. Gisteravond hoorden we, om een uur of half elf, ineens een pieptoon. Het duurde even voor we begrepen dat het de waarschuwing was die bij het systeem buiten hoort. Het was de eerste keer dat het in werking gesteld werd. Niet veel later klonk een iets ander pieptoon: een andere sensor. We holden naar de monitor in de slaapkamer. Stef zette niet meteen het licht en het lawaai aan. Dat deed hij bij de derde toon. Hij belde tegelijk 112. Hij vertelde wat er aan de hand was en vroeg of ze ook Hans wilde inlichten. Binnen tien minuten hoorden we een sirene. Die zullen ze buiten nog wel eerder gehoord hebben. Op het grasveld zagen we niets. De sirenes stopten voor het hek. Even later werd aangebeld. Ik ging open doen en wenkte naar de agenten dat ze binnen konden komen. Een van hen had ik hier al eerder gezien, bij de verf in het zwembad.
We hadden niet veel meer te vertellen dan dat het alarm van die dingen in het bos was afgegaan en dat de combinatie van licht, alarmsignaal en sirenes hun wel afgeschrikt zou hebben. Voordat de agenten konden reageren ging de telefoon. Ik pakte hem op. Het was Hans. "Alles OK?" vroeg hij. Ik zei dat de aanvallers, wat waren ze anders, wel het hazenpad hadden gekozen en dat er twee agenten waren. Hans vroeg er een te spreken. Ik gaf hem de telefoon. Hij zei wie hij was en luisterde. "Doen we", was het enige wat hij zei voor hij me de telefoon terug gaf. Hans zei dat hij de agenten had opgedragen nog even rond het hele terrein te lopen en te kijken of 'ze' door hun overhaaste vertrek mogelijk iets hadden moeten achterlaten. Ik bedankte Hans. We zouden het verder wel redden.
Stef bood de agenten aan mee te lopen. Dat vonden ze best als hij ook een goede lantaarn had. Die lag in de garage. Ik ging in de woonkamer zitten met een glas wijn.
Ze weten nu dat er ook buiten de haag een waarschuwingssysteem is, bedacht ik. Ze weten alleen niet dat we zelf het licht en het alarm hebben aangezet. Dat zal ook niet veel uitmaken. Ze zullen iets anders moeten bedenken. Als ze ons binnen niet kunnen pakken, dan maar buiten. Hadden we het onszelf alleen maar moeilijker gemaakt? Kunnen we nog wel veilig naar buiten?
Ik ging naar boven en zette Stefs pc aan en checkte de e-mail. Er was een mailtje van Pat, verzonden om 22.35 uur.

Annet/Stef,
Roken is slecht voor een mens.
Pat


Waar sloeg dat nou op? We roken geen van beiden. In ieder geval toonde het mailtje weer eens aan, dat ze met meer dan één zijn. Om half elf zou de één iets bij ons doen en de ander zou het mailtje sturen. Ze hadden alleen niet voorzien dat wij technisch op hun komst voorbereid waren. Ik stuurde het mailtje door naar Hans en ging naar beneden.
Een klein half uur later kwam Stef terug, alleen. Ik vertelde van dat rare mailtje. Stef begreep waar het op sloeg: "Bij de haag aan de achterkant vonden we iets dat waarschijnlijk een soort rookbom is. Waarschijnlijk stonden ze op het punt die over de haag te gooien toen ik het alarm aanzette. Ze schrokken, lieten het ding vallen en hebben zich uit de voeten gemaakt."
"Is dat ding afgegaan?"
"Nee, het stond nog niet op scherp. Het is wat merkwaardig. Hans had het een tijdje terug over escalatie. Een rookbom na een ontplofte molotovcocktail vind ik geen escalatie. Dat is een stapje terug."
Ik zei dat er geen rook maar iets ergers uit dat ding had kunnen komen. We zouden van Hans wel horen wat het werkelijk was. "Het hoeft ook niet meer dan een andere stap van hun te zijn. Ze willen de druk op de ketel houden. Ze hebben nog steeds niks gedaan wat levensbedreigend was." Ik vertelde over mijn bezorgdheid - ik wilde het nog geen angst noemen - dat we ze bijna gedwongen hadden ons buiten ons eigen fortje aan te pakken.
Stef pakte de fles cognac en schonk twee glaasjes in. "Netje, hoeveel hebben we er voor over om hier te blijven? Welke risico's willen we lopen? Ik heb nu een week zonder je gezeten. Ik was echt niet doodongelukkig, maar ik miste je wel. Ik wil je niet voorgoed kwijtraken. Ik wil ook niet dat dat fraaie lijf van jou beschadigd wordt. Dat heb ik ook behoorlijk gemist. Daar wil ik nog heel lang van blijven genieten. Ga je steigeren als ik je heel lief vraag of je zo weinig mogelijk in je eentje de deur uitgaat?"
"Wat gebeurt er met Margreet als jij voortdurend met me mee gaat?"
"Margreet kan wel een paar maanden zonder mij en ik zonder haar. 'Zij' willen dit ook geen jaren laten duren. Ze hebben een doel voor ogen, dat ze op de kortst mogelijke termijn willen bereiken. Ons vertrek is niet het hoofddoel. We moeten erachter zien te komen wat dat hoofddoel is. Als we dat sneller te weten kunnen komen door samen te werken, moeten we dat doen." Stef was even stil. "Vind ik dan", ging hij verder. "Wat je ook wilt, ik sta erachter. Jij doet toch wat je wilt en 'if you can't fight them, join them'. Ik zou je niet anders willen."
"Ik moet er nog over nadenken, lieverd. Ik vind het heerlijk dat je van me houdt en me mooi vindt en het zo wil houden. Ik wil niets liever. Maar jij bent niet alleen gelukkig omdat ik er ben. Behalve Annet heb je Katrien, Elise, Margreet, Tineke en hoe die meiden verder nog gaan heten net zo hard nodig."
"Zoals jij je vriendin Ankie nodig hebt. Dat bedoel ik niet lullig."
"Dat weet ik. De vergelijking is juist heel goed. Eerst kom Stef, dan een tijd niets, dan Ankie en dan nog een rijtje mensen. Bij jou komt eerst Netje, direct gevolgd door Annet, dan een tijd niets en dan die andere meiden. Wij samen kunnen heel goed verder leven zonder al die andere meiden, maar het wordt wel iets minder fijn. En nu gaan we naar bed, in diverse betekenissen."
Vanmorgen heb ik hevig zitten nadenken. Ik schreef van alles en drukte weer op 'delete'. Er gebeurt van alles tegelijk. Die toestanden hebben niet alleen voor onrust gezorgd. De relatie met Stef is er nog hechter door geworden. Ik weet nu al dat ik het heel jammer zou vinden als ik Hans en Loes, Ellen en Hermien niet meer zou ontmoeten en we hebben het aan 'hun' te danken dat we ze ontmoet hebben.
Ik ben veranderd. Die wat meer dan vriendschappelijke relatie met Ankie komt niet uit de lucht vallen. Dat heeft niet eens zoveel met dat vrijen te maken. Ik ben als het ware intenser gaan leven. Met geen andere vrouw ooit, zelfs niet met mijn moeder, heb ik zo intens gepraat als met Ankie, ook over mij en Stef. De plaats van Stef zal ze nooit overnemen. Dat weet zij, dat weet ik en dat weet Stef. Eén ding weet ik nog niet zeker, niet helemaal zeker. We zullen elkaar vrij binnenkort weer ontmoeten. Vraag ik haar bij ons te komen? Waarom zit ik daar toch nog een beetje over te dubben? Ik weet bijna zeker dat Stef en zij elkaar ook aardig zullen vinden. Ze zullen niet gaan knokken om mijn aandacht. Ik moet mijn eigen gevoelens nog eens goed op een rijtje zetten. Dat is het, denk ik. Ik moet er aan wennen dat er behalve Stef ineens nog iemand is bij wie ik onbekommerd mezelf kan zijn, bij wie ik niet op mijn hoede hoef te zijn. Ik ga er straks met Stef over praten.

Woensdag 7 februari, 9.00 uur

Stef begreep waar ik mee zat. "Maar dat zul je echt zelf moeten uitzoeken", zei hij er meteen bij. "Van mij mag je rustig vragen of Ankie hier komt. Ik heb haar maar heel even gezien en niet veel meer dan 'Hallo' gezegd, maar op het eerste gezicht lijkt ze me een leuke meid. Ik kan me trouwens niet voorstellen dat ik iemand helemaal niks vind die jij juist heel aardig vindt. Als Ankie hier een dagje of een weekend is, is ze voor mij een goede vriendin van jou die ik, waarschijnlijk, ook leuk vind. Heeft ze over een tijdje weer een vriend dan mag hij ook meekomen. Jouw probleem, of probleempje, is dat je samen bent met twee mensen met wie je gevreeën hebt, die dat ook nog eens van elkaar weten. Klopt dat een beetje?"
"Ik geloof het wel, ja."
"OK. Ze is hier en opeens vind je mij heel lief of je vindt haar heel lief en wat doe je dan? Ik bedoel niet zo lief dat er ook meteen gevreeën moet worden. Je wilt een zoen geven, even knuffelen, zoiets."
"Ik denk dat het daar op neerkomt."
"Ik zie maar één oplossing: the proof of the pudding is in the eating. Vraag of ze een weekend komt."
Op dat moment vond ik Stef zo lief dat ik wat meer wilde dan knuffelen.

11.15 uur

Wat weet ik? Eén: Herman en Steffie hadden een relatie, waaruit ten minste één kind is voortgekomen. Twee: Steffie woonde in een andere plaats, waarschijnlijk niet te ver van hier. Drie: Ans is zoek. Vier: de niet verklaarde aanwezigheid van een piercing. Vijf: Adrie heeft liever niet dat ik me in Herman verdiep. Dat is nog steeds een schrale oogst.
Welke vragen heb ik? Wat is de rol van de familie Heemstra? (De laatste keer dat we bij Adrie waren, zag ik dat dat zijn familienaam is.) Worden we 'gepest' door nakomelingen van Herman/Steffie, nakomelingen van andere dorpelingen (Heemstra?) of zijn 'ze' gewoon volkomen buitenstaanders? Welke vrouw/meisje heeft een piercing in onze tuin achtergelaten? Last but not least: wat ga ik nu het eerste aanpakken? Vanavond ga ik Ellen vragen, via de telefoon, of ik Hermans gegevens van de familie Heemstra uit de twintiger jaren mag lezen. Ze kan die het beste over de post sturen, dat lijkt me de minst opvallende manier. Hermien zou die misschien in de stad op de post willen doen. Meer voorzorgen kan ik niet nemen.
In de euforie over de vondst van het briefje van Steffie heb ik verder niets meer met die dikke envelop van Herman gedaan. Ik heb alles erin weer in gestopt en de envelop aan de kant gelegd. Het was tijd om te kijken of er nog meer verrassingen in zaten. Het begon goed: ik had al gezien dat er een polis voor een levensverzekering in zat. Die bekeek ik nu goed. De polis was afgesloten in 1937. Bij zijn overlijden zou een bedrag van twintigduizend gulden worden overgemaakt aan de 'Stichting Beheer Nalatenschap Herman Boerstee'. In 1957, het jaar waarin hij overleden is, was twintigduizend gulden een heel leuk bedrag. Ik begreep na enig nadenken wat de bedoeling van Herman was. Steffie, kleine Herman en mogelijk andere kinderen zouden niet automatisch erven als ze niet getrouwd waren. Een testament waarin alles aan Steffie of nakomelingen vermaakt zou worden, zou ook vrijwel zeker de waarheid over zijn relatie met Steffie aan het licht gebracht hebben. Die stichting was er niet alleen voor het beheren van zijn nalatenschap, zij was er vooral voor om ervoor te zorgen dat zijn nalatenschap bij Steffie en/of nakomelingen terecht kwam. Dat moest kunnen zonder dat zij zich officieel zouden moeten legitimeren. Helemaal in de lijn van een van Stefs spannende verhalen stelde ik me voor dat Herman een aantal door hem getekende brieven aan Steffie had gegeven - voldoende om ook door te geven - waarin in iets stond als: "Geacht bestuur, De persoon die u deze brief toont is gemachtigd een bedrag uit het tegoed van de Stichting op te nemen." Er zou nog wel meer bij staan om te voorkomen dat iemand meteen het hele bedrag zou opnemen, maar zo zou het gegaan kunnen zijn. Ik heb al eerder de werkelijkheid bij elkaar gefantaseerd. Waarom zou dit ook niet een stukje van de werkelijkheid kunnen zijn?
Het was niet te vermijden, lijkt me, dat Herman een aantal mensen, bestuursleden van de stichting, in vertrouwen moest nemen, in ieder geval in zekere mate. Waar had hij vrienden of goede bekenden? Bij de schaakclub! Bestaat de schaakclub nog? Ik moet er ook achter zien te komen of die stichting nog bestaat en wie er dan in het bestuur zitten. Zit er ook nog geld in de pot? Had Herman vóór zijn overlijden ook al geld naar die stichting overgemaakt? Hoeveel geld had of heeft die stichting en wat doet of deed ze met dat geld? Stichtingen, dat weet ik toevallig, staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Ik kan weer aan het werk!
Tijdens het schrijven ontving ik e-mail.

Lieve Annet,
In de trein van Schiphol naar Amsterdam begon ik al na te denken over ons. Nee, niet schrikken! Ik ga niet schrijven dat ik je niet meer wil zien. Ik wil je heel graag weer zien en met je praten. Jij hebt vast ook nagedacht en intussen Stef verteld over ons. Ik denk dat je erbij gezegd hebt dat hij zich over jouw relatie met mij geen zorgen hoeft te maken. Anders wil ik hem nog wel eens vertellen hoe je altijd zat te stralen als je met mij over hem praatte. Ik wil natuurlijk best die kast van een huis van jullie en die enorme lap tuin een keer zien. T.z.t. wil ik ook wel een duik in dat zwembad nemen. O ja, ik wil tegen Stef ook wel iets meer zeggen dan "Hi", maar het lijkt me beter als we elkaar eerst een keer bij mij weer zien zonder exotische omgeving. Die exotische omgeving heeft er natuurlijk niets mee te maken, maar mijn huiselijke omgeving is nu eenmaal wat anders dan de jouwe. Er is, voorlopig tenminste, niemand anders in de buurt. Je begrijpt wat ik bedoel. Kom maar gauw.
Toen zat ik even na te denken. 'Liefs'? 'Veel liefs'? 'Groetjes'? 'Kusjes'? 'Doei'? Bedenk maar wat.
Ankie.


Ik mailde meteen terug.

Lieve Ankie,
Kom jij maar hierheen. Kun je het komende weekend? Ik bedoel het hele weekend, vanaf vrijdag. Ik kan je met de auto van het station komen halen. In de auto van Schiphol naar huis heb ik Stef meteen alles over ons verteld. Hij wil tegen jou ook wel iets meer dan 'Hallo' zeggen. Ik heb gisteren met hem gepraat over waar jij met mij eerst bij jou thuis wilde praten. Stef wil daar wel over meepraten. Ik zeg er meteen bij dat het voor hem helemaal geen moeilijk of 'beladen' gesprek zal worden. Wat hem betreft ben je welkom. Laat maar weten of je kan en hoe laat je trein aankomt.
Bedenk zelf wat!
Annet.


Donderdag 8 februari, 15.30 uur

Het nieuwe mailtje van Ankie was duidelijk.

Lieve Annet,
Ik kom! Ik verheug me er al op, maar als ik eerlijk ben zeg ik er bij dat ik het ook wel een beetje spannend vind. Mijn trein komt om 16.27 uur aan.
Nog niets bedacht,
Ankie.


Ik denk dat ik vrijdag ook wel een beetje zenuwachtig aan het weekend begin. Ik blijf dat voorlopig een beetje merkwaardig vinden. Het zal wel vaker voorkomen dat twee vrouwen die elkaar tijdens een vakantietrip ontmoeten, elkaar erg aardig blijken te vinden en daarna elkaar blijven ontmoeten. Ik weet ook wel dat er een verschil is. Niet alle nieuwe vriendinnen gaan spontaan vrijen. Waaróm maakt dat nou ineens zo'n verschil? We hebben het hele weekend om het daar eens uitgebreid over te hebben.
Vanochtend ben ik naar de Kamer van Koophandel gegaan. Ik had niet precies voor ogen wat voor informatie ik daar hoopte te krijgen, maar wat ik kreeg zou mijn stoutste verwachtingen overtroffen hebben. Ik kreeg een afschrift van de statuten en de namen en adressen van drie 'zittende' bestuursleden. De namen van die bestuursleden zeiden me niets. Nog niets, zeg ik er meteen bij. Statuten zijn niet zo geschreven dat je ze met rode oortjes zult lezen. Eén ding viel wel op: de statuten waren voor het laatst gewijzigd een maand of drie nadat wij definitief in ons Hofje van Eden waren gaan wonen. Dat waren de dingen die ik zag toen ik in een café tegenover de Kamer van Koophandel een cappuccino dronk en een tosti at en de papieren wat doorbladerde. De stichting is dus wel degelijk nog actief. Er valt nog steeds wat te beheren en, neem ik aan, wat uit te geven. Een kleine halve eeuw geleden zat er ten minste twintigduizend gulden in de pot. Die 'pot' was uiteraard een bankrekening. Geld dat bij een bank staat groeit, alleen al door de rente. Dat geld had ook belegd kunnen zijn om het wat sneller te laten groeien. Ik heb geen idee hoeveel geld Herman al in de stichting gestopt had vóór zijn overlijden. Ik weet niets van economie en van beleggen weet ik alleen dat je er rijk van kan worden, maar dat je ook in korte tijd heel veel kan verliezen. Ik weet ook dat mensen die veel geld hebben een wens hebben: nog meer geld. De bestuursleden van de stichting zijn geen eigenaar van het geld, maar zij kunnen er wel mee 'spelen'. Wie controleert die spelletjes?
In de auto op weg naar huis zat ik al te bedenken wat ik verder moest doen. Op een gegeven moment ben ik een parkeerplaats opgereden bij een benzinestation om tot rust te komen. Ik had hartkloppingen. In het winkeltje kocht ik een blikje fris, dat ik langzaam heb leeggedronken.
Stef was bijna klaar met zijn lunch toen ik thuiskwam. Ik vertelde hem wat ik in inmiddels wist. Hij liet me rustig uitrazen en vroeg of ik het ook rustig en in de juiste volgorde kon vertellen.
"Straks", zei ik. "Kijk zelf eerst maar." Ik gaf hem de papieren, rende de trap op, trok sportkleren en -schoenen aan en holde naar buiten. Drie keer ben ik rond ons bos gerend om alle adrenaline uit mijn lichaam te verdrijven. Thuis holde ik rechtstreeks door naar de douche. Ik heb een kwartier lang alleen maar het water op me laten kletteren.
Ik had niet gemerkt dat Stef de badkamer was ingekomen. Hij zat met een handdoek in zijn handen op de rand van het bad. Hij droogde me af en nam me mee naar de bank in de zitkamer. Zo, ben je weer helemaal bij me?"
Ik gaf hem een zoen. "Ik heb alles weer op een rijtje. Tenminste, ik weet wat ik ga doen en in welke volgorde."
"Moet ik meedenken?"
"Dat hoeft nog niet. Zit niet zo verlekkerd te kijken en houd je handen thuis. Ik ga naar boven, trek wat kleertjes aan en ga aan het werk. Ga jij je maar weer aan Margreet vergrijpen."
Het eerste wat ik deed was de papieren scannen. De scans hing ik als bijlagen bij een mailtje aan Hans, waarin ik de herkomst verklaarde. Ik schreef er verder niets bij. Hij zal vast wel reageren en dan wil horen wat hij ervan vindt, niet wat hij vindt van mijn ideeën erover. We kunnen later wel vergelijken.
Het lijkt me niet direct nodig dat ik ga achterhalen wie die bestuursleden precies zijn en wat ze doen in het dagelijks leven. Dat moet voor Hans een fluitje van een cent zijn. Ik concentreerde me om te beginnen op de statuten. Bij de laatste wijziging daarvan van is het doel van de stichting gewijzigd. Er staat nu:
1. Het doel van de stichting is het verlenen van financiële steun aan Nederlandse ingezetenen die zich naar het oordeel van het bestuur buiten hun schuld bevinden in een situatie waarin zij op geen andere wijze financiële middelen kunnen verkrijgen die kunnen bijdragen aan verwezenlijking van zakelijke doeleinden.
2. De stichting kan zowel leningen als giften verstrekken.

Van juridische zaken weet ik net zo weinig als van economie. Ik heb wel geleerd een tekst kritisch te lezen. Als ik het goed lees kan het bestuur geld verstrekken aan iedereen die Nederlander is of hier lang genoeg woont. Dat kunnen ook vriendjes zijn. Sterker nog: waarschijnlijk zullen het alleen maar vriendjes zijn. Wie weet er nou dat er ergens een stichting is die geld kan verschaffen als je dat ergens anders niet kunt krijgen? Bij 'zakelijke doeleinden' denk je ook niet aan een bedrag van een paar duizend gulden. Dan denk je aan aardig wat nullen voor de komma. De stichting moet dus nog steeds over een aardig kapitaaltje beschikken. Uit niets blijkt meer dat alleen nakomelingen van Steffie geld kunnen krijgen. Zijn die er niet meer? Hebben zal genoeg? Of zijn, achter de schermen, zij nog steeds degenen die uitmaken wat er met het geld en verder nog meer gebeurt?
Ik keek hoe je bestuurslid van de stichting kan worden. Als er een vacature ontstaat benoemen de zittende bestuursleden een nieuw lid, "met dien verstande dat de meerderheid van de volwassen nakomelingen van Herman van Beek, geboren te Ede op 30 augustus 1927, schriftelijk te kennen geeft met de benoeming in te stemmen." Nog wat om na te zoeken: waarom is kleine Herman geboren in Ede, een behoorlijk eind bij ons vandaan? Ik ga er maar van uit dat vlak voor de bevalling Steffie nog in Hermans huis woonde, verborgen voor het dorp. De stichting is opgericht, zag ik ook nog, een paar weken vóór Herman de levensverzekering afsloot.
Ik zette mijn fantasie weer aan het werk. De bestuursleden komen gewoon uit een 'old boys network'. Dat kunnen zeer nette heren zijn, maar ook nette heren hebben hun zwakke en minder nette, bijvoorbeeld hebberige, momenten. Een bestuurslid heeft een vriendje dat een project voor zich ziet, maar de bank ziet er helemaal niets in. Bestuurslid wil wel een gokje wagen op voorwaarde dat een percentage van toekomstige winsten van het project zijn richting uitkomt. Dat vriendje weet van het bestaan van een stukje bos waarin een aardig huis staat in een heel grote tuin. Daar moet je iets moois, iets winstgevends mee kunnen doen: een restaurant zou kunnen. We zetten er nog twee pandjes bij, zeer exclusieve vakantiebungalows. We breiden het zwembad uit met een sauna, een jacuzzi. Voor je het weet hebben we een zeer exclusieve seksclub.
Er is maar één probleem: er woont een nog jong stel dat het huis en de tuin niet voor het geld hoeven te verkopen. Die hebben geld zat. Hoe krijg je dat stel weg?

Maandag 12 februari, 9.00 uur

Vrijdag was ik niet in de stemming om me met stichtingen en bestuursleden bezig te houden. Ik was bezig met het komende weekend en de komst van Ankie. Ik heb nog niets van Margreet gelezen. In ons netwerkje kon ik zien dat Stef al vier hoofdstukken geschreven heeft. Ik kon ze zo lezen, maar ik kon me er zelf niet toe brengen. We hadden bij het ontbijt al een lijstje met boodschappen voor het weekend gemaakt. We zouden samen naar de supermarkt gaan, maar ik zei tegen Stef dat ik wel alleen wilde gaan met de auto. Hij vond het niet erg om te kunnen doorschrijven.
Voor ik terug naar huis ging belde ik Stef om te zeggen dat ik eerst even naar de stad ging. Ik wilde wat nieuw ondergoed kopen. Dat betekent bij mij slipjes en hemdjes. Ik heb niet echt wat nieuws nodig, maar ik was tenminste met iets bezig waarmee ik mijn gedachten kon verzetten. Ik bekeek allerlei sexy slipjes en hemdjes. De meeste mannen, inclusief Stef, zullen hun vrouwen of vriendinnen vast graag in al die luchtige en doorzichtige dingen bewonderen en vervolgens willen ze dan alleen maar dat je meteen alles weer uittrekt. Stef is allang blij als ik mij van mijn redelijk doordeweekse ondergoed ontdoe, dus daar hield ik het bij.
In een restaurant op het Raadhuisplein, tegenover het gemeentehuis, nam ik een kom snert met roggebrood en spek. Ik zat te bedenken dat al weer een tijd geleden Ans voor het laatst de monumentale trap was afgedaald om niet veel later gedwongen of vrijwillig in het niets te verdwijnen. Ik zie nog steeds niet hoe dat past in het beeld van de verdwenen en 'teruggekeerde' Steffie of in het beeld van louche zakenlieden die het op ons Hofje van Eden voorzien hebben.
Ik bracht de boodschappen naar huis, las nog wat en ging naar het station, waar ik veel te vroeg was. Het station is niet belangrijk genoeg om er loketten open te houden. Gelukkig is er wel wachtruimte, dus ik hoefde niet in de koude wind te staan wachten. Het boemeltje was op tijd en er stapte maar één passagier uit. Daar holde ik dus op af en ik werd met open armen ontvangen.
"Wat ben je stil", zei Ankie toen we al een eind op weg waren.
"Ik zit nog steeds na te denken. Sorry. Ik weet zeker dat het een leuk weekend wordt, maar ik moet toch eerst over dat hobbeltje heen dat er daarna helemaal niet blijkt te zijn."
"We staan aan dezelfde kant van het hobbeltje en volgens mij staat aan de andere kant een leuke vent die helemaal geen hobbeltje ziet. Anders waren we nu niet samen op weg in zijn richting."
Stef stond in de deuropening toen we uit de garage kwamen. Ankie hield met de ene hand haar weekendtas vast en met de andere mijn hand, terwijl we over het tegelpad liepen.
Bij de deur zette ze haar tas op de grond. "Hi", zei ze tegen Stef. Ze gaf hem drie zoenen en fluisterde iets in zijn oor. Stef lachte. "Je mag binnenkomen." Hij gaf mij een zoen en hielp Ankie uit haar jas.
"Wat stond jij te smiespelen?" vroeg ik Ankie.
"Dat vertel ik later nog wel eens. Misschien."
We gingen in de woonkamer om de tafel zitten. Daar stonden al wat schaaltjes met snacks. Stef schonk wijn in en zei: "Zullen we niet eerst een tijdje om de hete brei heen draaien, maar gewoon beginnen met zeggen wat er gezegd moet worden? Dat hebben we dan maar gehad. Ankie, jij mag Annet heel graag. Dat kan ik me heel goed voorstellen. Ik houd van haar. Ik kan andere mensen moeilijk kwalijk nemen dat ze ook van haar houden."
"Ik heb zelfs tegen Annet niet gezegd dat ik van haar houd", zei Ankie. Ze zei het niet kattig. Het klonk ook niet als: "Waar heb je het in 's hemels naam over?" Het klonk meer als: "Ik weet ook niet precies wat het dan wel is."
"Het is allemaal toevallig zo gelopen", ging Ankie verder. "In het vliegtuig raken we aan de praat en er klikt iets, waardoor we wat meer vertelden dan je normaliter aan vreemden vertelt. Tijdens de excursies de eerste twee dagen praatten we tussen de bedrijven door verder over wat we zagen en over andere dingen. We waren het niet over alles eens, maar vonden het wel leuk of de moeite waard om erover te praten. Die avond zat ik op mijn kamer te balen over die zak die achter mijn rug om met mijn vriendin neukte en dat al een tijdje deed. Ik voelde me, ten onrechte, dat weet ik ook wel, vernederd. Ik wilde janken, maar ook weer niet. Dat was die zak niet waard en die vriendin kon verder ook oprotten. Ja, meestal druk ik me wat netter uit, hoor, maar zo voelde ik het toen. Ik wou nog niet slapen, ik had geen zin in lezen. In zo'n hotel kun je dan alleen nog aan de drank gaan. Ik liep langs Annets kamer en in een opwelling besloot ik haar te vragen mee te drinken. Ik heb aan de bar wel van alles gezegd, maar dat waren feitjes. We werden een klein beetje teut en ik kwam als vanzelf op haar bed terecht. Ik was eindelijk aan huilen toe. Dat Annet me zat te strelen was gewoon prettig, meer niet. Toen ik uitgehuild was vond ik dat nog prettig. Ik begon het steeds prettiger te vinden. Daar kwam ook bij dat ik voelde, nee: wist, dat Annet echt aandacht voor me had. Ik ben heel makkelijk in dat soort situaties, misschien wel te makkelijk, daar kunnen diverse mannen over meepraten. Dan geef ik me letterlijk helemaal bloot. Op dat moment was er geen man, alleen Annet, die ik heel aardig vond. Ik zat helemaal niet om seks te springen. Annet ook niet, al miste ze jou. We kunnen best een tijdje zonder. Er zaten twee mensen bij elkaar. Let op: ik zeg mensen, niet vrouwen. Mensen willen op zo'n moment ook fysiek uitdrukken dat ze iets voor elkaar willen betekenen. Dat deden we dus, niet meer en niet minder. De meeste mensen zullen dat seks noemen. Ik weet ook zo gauw geen beter woord. Maar goed, seks of niet, het was wel heel plezierig, dus het is nog een keer gebeurd. Annet heeft me verteld dat praten bij jullie ook regelmatig eindigt met vrijen. De afgelopen week heb ik geen moment gedacht 'Ik ga met Annet vrijen.' Ik vind het fijn in haar buurt te zijn en met haar te kunnen praten, ook als jij in de buurt bent, neem ik nu maar vast aan. Bij het station hebben we elkaar even stevig vastgehouden en dat doen we weer voor ik in de trein stap. Voor de rest vind ik het fijn dat ik er ben. That's all."
Stef en ik waren een tijdje stil. Ik schonk nog maar een keer wijn in.
Het was mijn beurt vond ik, maar ik had weinig toe te voegen aan wat Ankie gezegd had. Ik begon dus maar met dat te zeggen. "Ankie zei in Egypte al dat ze geloofde in vriendschap op het eerste gezicht. Ik ook, nu. Ik geloof dat er een theorietje is dat vriendschap liefde is zonder seks. OK, dan wil ik best zeggen dat ik van Ankie houd. Toen ik thuiskwam uit Egypte wilde ik vooral één ding: met je vrijen." Dat zei ik uiteraard tegen Stef. "Ik vind het fijn dat je hier een heel weekend bent, Ankie, maar ik zit niet te popelen om met je naar bed te gaan. Ik sluit helemaal niet uit dat het weer eens gebeurt, morgen, volgende maand, over een jaar. Het wás heel plezierig. Het zal me ook worst wezen of het wel of geen seks is. Ik weet alleen dat mensen die van elkaar houden samen geen verkeerde dingen kunnen doen. Ik ga pas geloven dat ik verkeerd bezig ben als ik met Ankie praat over dingen waarover ik niet met Stef wil praten en omgekeerd, belangrijke dingen bedoel ik. Jeetje, ik voel me opgelucht, weet je dat? Ik bedoel, ik zit hier toch net iets anders in dan jullie, zeg maar, in positieve zin tussen twee vuren. Ik zie geen enkel hobbeltje meer."
Het laatste zei ik tegen Stef: "In de auto hadden we het over een hobbeltje dat waarschijnlijk helemaal niet zou bestaan. Of zie jij er nog een?"
"Ik zie minimaal twee maal per dag twee heel mooie hobbeltjes. OK, flauw grapje. Ik zal het kort houden. Jullie hebben genoeg gezegd. Ankie, ik vind het leuk dat je er bent. Duidelijker kan ik het niet zeggen. Nu ga ik er voor zorgen dat we ook nog iets lekkers te eten hebben."
Ankie en ik bleven aan tafel zitten. Zo konden we af en toe ook nog wat tegen Stef roepen. Ankie had geen foto's gemaakt in Egypte en ze wilde de mijne graag zien. Ik haalde mijn laptop van boven en we gingen lekker herinneringen ophalen.
Stef zag waar we mee bezig waren. "Mag ik ze zo langzamerhand ook een keer zien? Ga maar rustig door, maar na het eten mogen jullie het allemaal nog een keer aan mij vertellen."

Maandag 12 februari, 13.00 uur

Het voorgaande heb ik achter elkaar op geschreven. Daarna wilde ik het laten bezinken. Ik heb in een rustig tempo vier keer een rondje om het bos gemaakt. Ik had me niet echt zorgen gemaakt over wat er zou gebeuren, als Ankie kwam. Ik was er gewoon niet zeker van, vooral niet van mezelf. Achteraf was het allemaal zo gewoon. Een ander woord is er niet voor. Drie mensen in een huis gedurende een weekend. Eén van de drie houdt van beide andere en die van haar. Toevallig was ik de gelukkige andere en die twee konden ook goed met elkaar opschieten bleek al gauw. Het bijzondere daaraan is dat er mensen zijn die het bijzonder zouden vinden.
Na het eten hebben we Stef de foto's laten zien en onze verhalen erbij verteld. "Hé, mensen", zei Stef bij een foto, waar ook andere mensen van het gezelschap op stonden. Ik maak meestal geen foto's van mensen, maar ik wilde een zogenaamd ongedwongen foto van Ankie maken. Dat is redelijk gelukt. Ze weet niet dat ik die foto maak. Ze staat op de duikplank van het zwembad van het hotel. Ze zwemt thuis vaak, maar had niet op zwemmen gerekend en moest dus nog een bikini kopen. De modeshop in het hotel had alleen van die moderne frutsels: veel geld voor weinig materiaal. Ik heb haar genomen schuin van voren en met de telelens wat dichterbij gehaald. Ze staat helemaal uitgestrekt, vlak voor het moment dat ze duikt.
"Leuke foto", zei Stef waarderend.
Op de foto zie je ook nog wat andere mensen van het gezelschap. "Dat heb ik nog niet verteld", zei Ankie. "Die oudere dame, hoe heet ze ook weer? Betty, geloof ik. Ze kwam naar me toe terwijl ik op Schiphol op de trein stond te wachten. Ze vroeg of ik alleen naar huis ging. Ik kon alleen maar ja zeggen. 'Maar je vriendin dan?' vroeg ze. Ik zei dat jij door je man werd opgehaald. Haar mond viel open van verbazing. Ze zei niets meer. Ik begreep er niets van. We trokken veel op samen overdag, maar we zaten niet voortdurend aan mekaar of zo, eigenlijk helemaal niet. We deden echt niet als een stel dat net vreselijk verliefd is en dat waren we ook niet. Niemand heeft ons samen dezelfde kamer in zien gaan of er gezamenlijk zien uitkomen. We waren veel in elkaars buurt, maar zoiets zal wel vaker voorkomen tijdens dat soort reizen."
"Wel eens van lichaamstaal gehoord?" vroeg Stef. "Ik zag jullie op Schiphol afscheid nemen. Dat was duidelijke taal. Dat deden jullie niet in Egypte, maar jullie praatten met elkaar, keken naar elkaar, gaven een zoutvaatje aan, ik noem maar wat. Dat kan op allerlei manieren. Als je daarop let valt je heel wat op. Ga in een kroeg of op een terras eens kijken naar stellen die daar samen zitten. Je ziet gauw genoeg bij wie het goed zit en bij wie niet. Jullie zijn geen stel, maar je houdt echt niet verborgen dat je elkaar aardig vindt of nog wat meer."
Tussen de verhalen bij de foto's door vertelden we elkaar nog veel meer over onszelf dus het was bijna twaalf uur voor de laptop dichtging. Onze werkhokken zijn tegelijkertijd logeerkamers. In beide hebben we opklapbedden. Ik liep met Ankie mee, gaf haar een nachtzoen en ging naar onze slaapkamer. Wij hadden ook wel wat gedronken tijdens het foto's kijken, dus aan evalueren kwamen Stef en ik niet meer toe.
Ik word eerder wakker van ongebruikelijke geluiden dan vroeger. Ik ga denk ik wat 'waakzamer' ga slapen. Ik hoorde de deur van mijn werkhok open gaan en even later het toilet beneden. Ik verwachtte de deur weer te horen dichtgaan, maar Ankie kwam niet naar boven. Het was kwart over zeven. Stef sliep nog. Ik 'zag' Ankie naar koffie of thee zoeken en ging ook naar beneden. Ze had al een heetwaterketel aangezet en keek in een keukenkastje.
"Goeiemorgen, bovenste plank rechts vind je thee." Ik gaf een aai over haar bol. "Leuk nachthemd". Het was geen nachthemd maar een T-shirt maat XXL. Meer had ze niet aan zag ik toen ze zich wat uitrekte om de thee te pakken. Ze draaide zich om en gaf me een zoen. "Jij draagt de nieuwe nachtpon van de keizerin, zie ik. Allercharmantst modelletje."
"Oh. Ja, we slapen altijd in ons blootje en we komen altijd zo uit bed hierheen. Daar heb ik niet eens aan gedacht. Nou ja, je ziet niets nieuws, toch? Ben je wel uitgeslapen?"
"Ja hoor. Ik werd wakker en in een vreemd bed lig je toch niet zo lekker na te soezen als in je eigen bed, dus ik dacht dat ik maar eens een kop thee moest gaan scoren. Ik wilde er een boek bij pakken tot jullie zouden opstaan."
"Ga je gang."
"Ik kwam hier vooral om te praten. Had ik al gezegd dat Stef een leuke vent is?"
"Nee, zegt het nu maar. Als hij het hoort wordt hij vreselijk eigenwijs."
"Stef is een leuke vent."
We kletsten door tot de thee getrokken was en kletsten toen verder. Tegen acht uur kwam Stef de keuken in, in dezelfde soort pyjama als ik. Hij kwam via de kamer met lege glazen in zijn hand en zag eerst Ankie. "Oh, shit. Sorry, ik heb nog niet echt nagedacht."
"Je hoeft niet meteen te beginnen", zei Ankie en trok het T-shirt over haar hoofd. "Zo, zijn we weer allemaal gelijk zoals het hoort in een democratie. Ik houd wel van zo'n relaxte manier van dagelijks leven. Niet eerst controleren of de gordijnen wel dicht zijn. In je blootje in je eigen tuin zitten. Dat zou overal kunnen als we niet zo moeilijk deden. Jullie kunnen tenminste je gang gaan."
"Af en toe een molotovcocktail," zei Stef, "maar verder heel relaxt."
"Sorry. Daar heb ik nog niet aan gedacht. Dat is heel lullig voor jullie, juist omdat het hier in principe zo ideaal is. Ik wou dat ik jullie erbij kon helpen."
"Je helpt al als je meedenkt. Je mag me wakker maken met elke briljante ingeving die je krijgt", zei ik. Ik had haar alles verteld. Alleen van die rookbom wist ze nog niet. Dat vertelde ik meteen maar en in één moeite door over wat ik intussen van die stichting weet en over mijn speculaties die daarbij horen. Die waren voor Stef ook nog nieuw.
Ankie wilde mijn hele verhaal lezen. Ze ging eerst douchen. "Wat is jullie gebruikelijke moment voor het aantrekken van kleren? Direct na het douchen?"
"Als we niet de deur uitgaan, dus in het weekend, komt het er wel eens helemaal niet van", zei ik. "We doen tegenwoordig op vrijdag de boodschappen voor het weekend."
Ankie gebruikte de rest van de ochtend om mijn verhaal te lezen. 's Middags ging we met ons tweeën een eind wandelen. We praatten vooral over 'de toestand'. "Niemand in dat dorp kent me", zei Ankie, "en niemand weet dat wij elkaar kennen. Kunnen we daar geen gebruik van maken? Je schrijft dat je niet zomaar langs het vroegere huis van die Herman kan lopen. Kan ik dat niet een keer doen? Of ik fiets er morgenochtend onder kerktijd langs. Je hebt toch wel een fiets hier?"
Ik vond het een goed plan. "Je moet alleen via een omweg weer terugrijden. Als je langs de normale weg terugfietst, weet iedereen waar je heen gaat."
Ik maakte het avondeten. Konden Stef en Ankie eens praten zonder mij in de buurt. Ik had gezien dat 's avonds "Gone with the wind" op de Belgische tv was. Stef had hem al eens gezien en was niet onder de indruk. Hij ging in de zitkamer lezen. Ankie en ik hebben een avondje lekker zitten zwijmelen.
Stef was al opgestaan toen ik de volgende ochtend wakker werd. Het was al bijna acht uur. De deur van mijn werkhok stond open. Stef was al met het ontbijt bezig. Ankie zat de krant van zaterdag te lezen. Ik zag druppels op de ramen.
"Dat fietstochtje doe je maar een andere keer", zei ik tegen Ankie.
"Dat zei Stef ook al. Ik fiets wél. Ik trek jouw regenpak aan, dat moet me wel passen. Met een capuchon over mijn kop ben ik nog moeilijker te herkennen achteraf. Niet zeuren verder, dat heeft Stef al genoeg gedaan, leg me nu maar uit hoe ik precies moet rijden."
Ze kwam rond één uur druipend en behoorlijk verkleumd weer thuis. Ik nam haar mee naar de badkamer en liet het bad vollopen. Terwijl ze lag op te warmen bleef ik bij haar zitten op de rand van het bad. Ze gaf een beschrijving van het huis en de directe omgeving. Het leek me heel goed mogelijk dat Steffie ongezien bij hem op bezoek kon komen. Na een minuut of twintig stak Stef zijn hoofd om de deur. "Lunch is klaar." De rest van de middag hebben we vooral gelezen.
Kort na het eten bracht ik Ankie naar het station. Bij het afscheid nemen van Stef fluisterde ze weer wat tegen hem. Hij lachte weer.
"Wat zei je nu weer?" vroeg ik.
"Ik zei: zie je wel?"
"Wat heeft hij gezien?"
"Dat hoor je nog wel eens."
In de auto zeiden we niet veel. Op het station hadden we nog een kleine tien minuten.
"Het was een heerlijk weekend", zei Ankie. "Weet je wat ik het mooiste moment vond?"
"Zeg het maar."
"Dat je op de rand van het bad ging zitten toen ik erin gestapt was."
"En wat zei je tegen Stef toen je aankwam?"
"Vraag dat maar aan Stef. Daar heb je mijn trein."
We hielden elkaar nog even stevig vast.
"Wat zei ze nou?" was het eerste wat ik Stef vroeg toen ik thuis kwam.
"Toen jullie aankwamen, bedoel je? O, niks bijzonders. Iets tussen haar en mij. Dat kan ik je beter een andere keer vertellen."
"Pestkop."

Dinsdag 13 februari, 14.00 uur

Na het eten gisteravond ging de telefoon. Stef pakte hem op en luisterde even. "Een bewonderaar", zei hij en gaf de telefoon aan mij. Het was Hans. "Je bent niet te stoppen, hè? Ga maar lekker door. Die drie bestuursleden wonen hier alle drie in de stad. Ik ken ze van naam. Het zijn de directeur van een bankfiliaal, de grootste makelaar en de trainer/coach van het plaatselijke voetbalelftal. Ze spelen in de eerste divisie, maar iedereen verwacht dat ze volgend jaar in de eredivisie spelen. Het enige wat de politie van ze weet is dat ze wel eens een verkeersovertreding hebben begaan. Die trainer de meeste, hij houdt van snelle wagens. Ik zit weer met het probleem dat ik mijn mensen niet kan vragen wat meer in die mannen te duiken, zogezegd, want ik kan daar geen enkele goede reden voor bedenken. Ik heb daarom ook nog steeds op het bureau niets over dat briefje van Steffie gezegd. Vind je dat vervelend?"
"Nee hoor, dat begrijp ik best. Zolang ik af en toe wat van je hoor blijf ik lekker undercover doorgaan. Ik houd jou op de hoogte van alles wat ik boven water krijg. Aan het glorieuze eind, als alle boeven in het gevang zitten, geven jij, de korpsleider en de burgemeester een persconferentie hier in de tuin. De burgemeester neemt als laatste het woord. 'We zijn hier op deze ongebruikelijke plaats omdat we dit niet had kunnen bereiken zonder de inzet van een moedige en, mag ik zeggen, zeer aantrekkelijke jonge vrouw, mevrouw Annet Draaisma.' Ik kom bescheiden uit de achtergrond naar voren, schudt wat handjes, geef jou een paar zoenen en zeg dat ik het allemaal niet had kunnen doen zonder de voortdurende steun van mijn aantrekkelijke toeverlaat, de bekende schrijver van superspannende thrillers, Stef van Aarde. In elke goede boekhandel verkrijgbaar. Daarna vraag ik alle hotemetoten en de pers of ze alsjeblieft subiet willen opdonderen, want we willen nog een feestje vieren met een stel goede vrienden: jij en Loes, Anneke en Henk, Ellen en Hermien en Ankie."
"Wie is Ankie?"
"Dat hoor je nog wel een keer. Doe Loes de groeten."
De drie bestuursleden heten Van Dijk (bankdirecteur), Werkstra (makelaar) en Van Goor (trainer). Googelen dus. Aan Van Dijk begon ik niet eens. Daar gaan er dertien van in een dozijn. Van Goor leverde ook veel te veel hits op. Werkstra viel mee, ongeveer 250. Ik begon ze allemaal te bekijken. Ongeveer op de helft vond ik hem, maar dat had ik kunnen weten. Zijn kantoor heeft een website waarop je de huizen kunt zien die hij in de aanbieding heeft. Ik ben wel eens hardnekkig en ging door.
De aanhouder wint! Ik vond een artikel in een schaaktijdschrift van ene Bert Werkstra. Het was hetzelfde tijdschrift als dat waarin Herman geschreven had. Het artikel van Werkstra was anderhalf jaar oud. Bij zijn naam stond "Schaakvereniging Aleksandr Aljechin". De website van de schaakbond had ik gauw gevonden en daarmee de lijst van aangesloten leden. Juist, Werkstra was lid van de club in zijn eigen woonplaats. Ik checkte nog voor alle zekerheid: Herman was ook lid geweest van "Aleksandr Aljechin." Het is een kleine wereld.
Met een bankdirecteur in het bestuur lijkt het mij voor de hand te liggen bij welke bank de stichting van Herman een rekening heeft. Het zou me niet verbazen als er altijd een directeur van die bank in het bestuur had gezeten. De kennis over het goed beleggen en vermeerderen van de beschikbare centjes was dan immers direct bij de hand. Ik heb dus al twee connecties: bank/geld en schaken. Herman zal niet gevoetbald hebben. Wat doet een voetbaltrainer dan in het bestuur?
Van voetbal weet ik nauwelijks iets maar 'van Goor trainer voetbal' leverde voldoende op. Hij is zesenvijftig, heeft twee keer in het Nederlands elftal gespeeld. De laatste twee jaar van zijn carrière speelde hij in Italië, maar niet bij een grote club. Op zijn eenenveertigste kreeg hij zijn eerste baan als trainer/coach. Hij is nu aan zijn zesde club bezig. Het is zijn tweede jaar van een contract voor drie jaar. Hij is geboren in Leiden, maar dat is dan ook het enige gegeven dat ik in verband kan brengen met Herman. Het lijkt me niet bijster relevant.
Mijn volgende stap was het openmaken van de envelop die Ellen me had gestuurd. Na het lezen van het "dossier Heemstra" waren twee dingen zonneklaar: 1. Adrie is ouder dan ik dacht; 2. Adrie heeft, als hij geen vreselijk slecht geheugen heeft, zitten liegen.
Adrie is in '41 door Herman op de wereld geholpen. Hij zei zich niet te kunnen herinneren Herman daarna ooit nodig gehad te hebben. Je moet toch wel een heel slecht geheugen hebben als je niet meer weet dat je op tiende een zware hersenschudding hebt gehad, op je twaalfde van de trap gevallen bent en een been hebt gebroken en op je vijftiende bij het voetballen nog een keer een arm hebt gebroken. Herman heeft alle bezoekjes bij Adrie thuis en de controlebezoekjes aan zijn praktijk netjes genoteerd.
Wat nu ook opvalt is het leeftijdsverschil tussen Adrie senior en Adrie junior. Lies, de vrouw van Adrie, vertoont zich zo zelden in de zaak, dat ik zelfs geen duidelijk beeld van haar heb. Als ik haar tegen zou komen zou ik haar waarschijnlijk niet eens herkennen. Ze moet wel een stuk jonger zijn dan Adrie, minstens een jaar of twintig. Waar heb ik zo'n verschil nou eerder gezien?
Voor ik verder gingen nadenken zette ik mijn 'ontdekkingen' op een rijtje in een mailtje aan Hans. Terwijl ik daarmee bezig was kwam Stef bij me binnen. Hij was kwaad, zag ik. Hij had net een mailtje ontvangen van 'Pat'. Ik moest maar op zijn pc komen kijken. Op zijn monitor zag ik een foto van mezelf, naakt, staande bij de rand van het zwembad. De foto is frontaal genomen, terwijl ik mijn rug sta af te drogen. De foto was een bijlage bij het mailtje.

Annet/Stef,
We geven het direct toe: jullie zijn slimmer dan we verwacht hadden. Op een alarmsysteem buiten de tuin hadden we niet gerekend. Die rookbom zullen jullie of de politie wel gevonden hebben. Het is een vrij onschuldig ding. We wilden laten weten dat we jullie niet vergeten. Jullie moeten ondertussen toch begrepen hebben dat jullie beter ergens anders kunnen gaan wonen. Een succesvolle schrijver moet toch overal een passende woning kunnen vinden. We willen ook nog even aardig zijn. We gaan ons bezinnen op een bijgesteld actieplan. Als het klaar is zal het wel lente zijn. We hopen op mooi weer, want we zien graag mooie vrouwen die hun bikini vergeten zijn.
Pat.


Stef moest van zich afblazen: "Die gore klootzakken hebben hier een keer een camera door de heg gestoken, met een telelens waarschijnlijk. Hij is van de kant van het dorp genomen. Ik vind dit nog smeriger dan zo'n molotovcocktail. We kunnen ons op ons eigen terrein niet meer gewoon vrij gedragen zoals het ons uitkomt. We hebben daar in het gras liggen vrijen, verdomme. Hebben ze daar ook van zitten genieten?"
Ik liet hem nog een tijdje door razen. "Het is een oude foto, lieverd," zei ik. "Die is genomen tijdens de eerste zomer dat we hier woonden. Die rode handdoek was een oudje. Die ligt nu op de grond in de badkamer. Waarschijnlijk hebben ze één keer, in het begin, een kijkje genomen, gewoon verkennen. Daardoor wisten ze waar het zwembad was en konden ze er iets ingooien. Goed, ze hebben mij in mijn blootje gezien. Ik neem aan dat ze ervan genoten hebben. Wat mij betreft mogen ze me nog een keer bekijken en als ze dat opwindt mogen ze zien hoe we vrijen. Ik verdom het mijn gedrag aan hun aan te passen. Als ze mij of ons nog een keer willen zien, zullen ze een luchtballon moeten nemen, of een helikopter. Die zien we wel aankomen. Maar ze komen niet meer om te kijken. Dat weet ik haast zeker."
Stef werd al weer wat kalmer. "Je hebt wel gelijk, denk ik. Ik vind het helemaal niet erg dat andere mannen jou in je blootje zien, Henk of Hans, prima. Ik mag hun vrouwen in hun blootje zien. In het weekend heb ik Ankie een paar keer in haar blootje gezien. Ook leuk. Ik kijk ook graag naar aantrekkelijke vrouwen, bloot of niet. Maar ik doe het niet stiekem. Ik krijg de pest in als mannen naar jou zitten te loeren. Die zijn geïnteresseerd in maar twee dingen."
"Drie lieverd, van boven twee, van onderen één en vergeet mijn lekkere kontje niet."
Ik kreeg Stef zelfs al weer aan het lachen. "Geloof jij dat ze ons een tijdje met rust laten?" vroeg hij.
"Zou best kunnen, maar daarna zal het echt niet leuker worden." Ik vertelde meteen mijn vorderingen van vanochtend. "Waar die hufters niet achter komen is dat wij ook stapje voor stapje dichterbij komen. Ik wacht niet af tot het lente wordt. Ik ga onverdroten door. Het begint nu pas goed."
Ik hoorde een pingel op mijn laptop die aangaf ik e-mail had. We liepen naar mijn kamer. Ik keek en herkende het adres van de afzender niet. Het begon met "Lieve Annet" en het eindigde met "Ankie". Ze had in de tijd van de baas zitten mailen.
"Je mag meelezen, hoor", zei ik tegen Stef.
"Nee, ik hoor het wel. Margreet schreeuwt om aandacht. Die was zich net aan het uitkleden. Dat wil ik niet missen."

Lieve Annet,
Je hebt al gezien dat ik op mijn werk zit te mailen. Ik had het al eerder, ook thuis, willen doen, maar er kwam steeds iets tussen. Je weet het wel, maar ik wou toch nog even zelf expliciet zeggen dat het een heel fijn weekend was. Ik heb ook wat geleerd tijdens het weekend. Ik heb gezien hoe jij en Stef met elkaar omgaan. Ik heb nu met een paar mannen samengewoond. Ik was elke keer echt hevig verliefd, vlindertjes in de buik, je kent dat. Na een tijdje zijn er wat minder vlindertjes. Je gaat samen uit, je lacht wat af. Je bent lief voor elkaar. De meesten waren niet te beroerd om ook iets in het huishouden te doen. Wat deed ik nou verkeerd? Ik probeerde ze het naar de zin te maken en omgekeerd probeerden zij dat ook. Dat wordt stressen, want dat lukt niet altijd. Je gaat nog beter je best doen. Dan komen de irritaties en uiteindelijk zit je weer alleen te eten en ga je weer alleen naar bed.
Ik heb gezien dat jullie niet voortdurend bezig zijn om je best voor de ander te doen. Jullie zijn gewoon jezelf. Stef kookt heel lekker voor je, niet om weer een goede beurt te maken, maar omdat hij lekker wil koken. Jij vindt hem even lief als het keer niet lukt.
In de auto zei ik dat het mooiste moment was dat je bij mij op de rand van het bad ging zitten. Je vroeg niet wat ik bedoelde. Je wist het. Dat vond ik bijna nog mooier.
Jij hebt het al gezegd, ik nog niet: ik houd van je.
Ankie.


Ik zit nu een beetje te rillen. Dat komt niet van het mailtje, al vind ik het heel lief wat Ankie schreef. Ik heb ook een beetje pijn in mijn hoofd. Ik ga even naar bed met een paracetamol.

Dinsdag 27 februari, 14.00 uur

Eindelijk heb ik weer ik puf genoeg om te schrijven. Voor het eerst na veertien dagen heb ik er geen behoefte meer aan 's middags nog even te gaan liggen. Gewoon zitten lezen gaat ook weer goed. Ik hoef geen moeite meer te doen om me te concentreren.
Ik heb griep gehad, een echte ouderwetse griep. Overal pijntjes en hoge koorts de eerste paar dagen. De eerste dag, 's woensdags, was Stef zelfs zo bezorgd, ik zat boven de veertig graden, dat hij Ellen gebeld heeft. Die is 's middags langsgekomen en zag het al gauw. Ik was de enige niet in het dorp. Zelf heb ik helemaal niet gemerkt dat Ellen er was. De eerste dagen merkte ik nauwelijks dat Stef er was, al zat hij veel bij mijn bed. Hij ging met washandjes over me heen. Hij hielp me naar het toilet.
Na de eerste week, op woensdag, durfde ik weer de trap af te gaan naar de badkamer. Stef had het bad vol laten lopen en kwam bij me zitten. Ik leunde tegen hem aan met alleen mijn hoofd boven water en voelde zijn handen over mijn lijf gaan. Hij vertelde dat Loes, Ellen of Hermien, Anneke en Ankie dagelijks belden hoe het me ging.
"Voor een griepje?"
"Een flinke griep. Had ik het ze niet moeten vertellen?"
"Je bent een lieverd. Ik ga me niet omdraaien. Denk maar een flinke zoen. Heeft Margreet eronder geleden?"
"Welke Margreet? Ankie vroeg of ze vrijdag mocht komen. Is dat goed?"
"Stomme vraag."
"Dat zei ik ook tegen haar."
Na het bad ging ik op de bank zitten, in een ochtendjas voor de verandering. Stef bracht het zoveelste glas versgeperste sinaasappelsap. Ik wilde ook weer eens aan tafel eten.
Om een uur of vijf ging de telefoon. Ik nam hem zelf. Het was Ellen. "Ha, de patiënt zelf. Hoe gaat het?"
"Goed, dokter."
"Kap met die onzin, ja? Die lange belde mij om te vragen of het medisch verantwoord was, als zij uit haar werk even bij jou langs zou gaan."
"De patiënt zou het leuk vinden. Heb je het druk?"
"Wat heet. Houd die lange niet te lang vast, ze moet koken. Daar kom ik niet aan toe."
Hermien kwam om half zes. Ze wilde ook wel een glaasje sap dat Stef ging verzorgen. Ze ging naast me op de bank zitten. "Volgens die kleine ben je niet meer besmettelijk dus ik mag je een zoen geven. Tenminste, als het van jou ook mag."
Ik gaf haar geen antwoord maar een zoen, een stevige, op haar mond.
Ze leek wat verrast. Stef kwam net binnen met haar sapje. Hij zag wat er gebeurde en lachte, maar hij zei niets. Hij had een pilsje meegenomen en kwam bij ons zitten.
"Pas maar op," zei Hermien, "straks ga je het nog leuk vinden om vrouwen te zoenen."
De telefoon ging weer. Stef pakte hem en keek wie het was: "Hi. Ze is net een tijdje op en wordt nu bijna verpletterd door een heel lange lesbo, die haar waarschuwt niet te veel vrouwen te zoenen. Dat zou ze leuk kunnen gaan vinden. Hier komt ze."
Ik hoefde niet te vragen wie het was. "Dag lieverd. Een beetje laat, maar ik was heel blij met je laatste mailtje."
"Gaat het echt beter? Is het goed dat ik vrijdag kom?"
"Stef heeft toch al gezegd dat dat een domme vraag is?"
"Je zou je toch nog niet lekker genoeg kunnen voelen? Is die lange lesbo niet Hermien?"
"Inderdaad. Ze heeft wel eerst haar favoriete huisarts geconsulteerd of het medisch verantwoord was mij te bezoeken. Volgens mij wilde ze alleen weten of ik nog besmettelijk was. Dan kon ze er op los zoenen. Hoe langer, hoe gekker."
"Ik zal haar niet langer storen. Je klinkt weer vrolijk. Dag lieverd, tot vrijdag."
"Dag Ankie."
Hermien keek naar mij en keek naar Stef. "Ik ben lang, ik ben gek, vooral op een kleine huisarts, en ik ben psycholoog. Ik heb geleerd om goed te luisteren, niet alleen naar wat er gezegd wordt, ook hoe het gezegd wordt. Er is een lieverd aan de lijn en die heet Ankie. 'A boy named Sue' kan ik me wat bij voorstellen, maar niet bij een man die Ankie heet. Het gaat me niets aan, maar zoiets maakt me nieuwsgierig."
"Ik ga je niet het hele verhaal vertellen", zei ik, "want je moet zo weer weg om voor Ellen te koken. Ik heb Ankie kortgeleden ontmoet. Ik heb met haar gevreeën. Het komende weekend komt ze hier, maar niet om te vrijen, al is er niets uitgesloten. En ik ben net zo gek op die beroemde schrijver als jij op die kleine huisarts. Als je de lange versie wilt horen kom je nog maar eens langs met Ellen en nu ga je naar haar toe."
Hermien stond op. "Nog één vraagje: andere mensen die ons kennen noemen ons al gauw ook kleine en lange. Dat heb ik jullie nog geen één keer horen doen. How come?"
"Bij die namen hebben jullie een gevoel en allerlei beelden die ik niet heb, dus gebruik ik ze niet. Ik heb mijn eigen beelden bij Ellen en Hermien."
Hermien moest zich bijna dubbel buigen om me te zoenen en dat deed ze met overtuiging. "Ik moest je ook zoenen van die kleine. Je bent een schatje."
Stef liep met haar naar de deur. Ze zei nog wat tegen hem, maar ik kon het niet verstaan. Stef vertelde het toen hij terugkwam: "Alle vrouwen zijn lesbisch, behalve zij die het nog niet weten. Dat moest ik tegen je zeggen. Dat is een uitspraak van het Lesbisch Front."
"Hoera voor het Lesbisch Front. Als die griep helemaal achter de rug is zul je merken dat ik ook aan het heterofront mijn mannetje sta. In de tussentijd laat ik me graag verwennen. Ook op het culinaire front trouwens. Wat voor bijzonders heb je gemaakt?"
"Een krachtige bouillon die geserveerd wordt met stokbrood. Je mag één slokje van mijn wijn."
Na de bouillon, het stokbrood en twee slokjes wijn wilde ik best weer naar bed. Voor ik in slaap viel nam ik me voor 'de zaak' nog minstens een week te laten rusten. Als er op dat terrein iets belangrijks was gebeurd had Stef me dat wel verteld.
Zo, ik heb weer geschreven. Ik kan het nog, maar zo'n eerste vingeroefening is wel genoeg. Schrijven is ook werken wist ik al van Stef. Ik weet het intussen ook uit eigen ervaring.

Woensdag 28 februari, 9.00 uur

Ankie had de vrijdag vrij genomen. Ze zou om 11.27 op het station aankomen. Stef ging haar halen. Ik was wel zo ver dat ik vast de spullen voor de lunch klaar kon zetten. Ik merkte pas dat ze thuisgekomen waren toen ik hun stemmen in de hal hoorde. Ik zag ze niet toen ik de keukendeur naar de hal opendeed. In de zitkamer kwam ik ze tegen.
Ankie kwam niet meteen op me af. Ze stond me te bestuderen. Na een paar ogenblikken kwam ze naar me toe, deed mijn ochtendjas open en bekeek me nog eens goed. "Er is minder Annet dan de vorige keer. Eet je wel goed, kind?"
"Kom hier", zei ik. We stonden lang genoeg te knuffelen en zoenen om Stef de gelegenheid te geven de laatste hand aan de lunch te leggen. "Willen jullie daar een broodje uit de hand eten of komen jullie gewoon hier zitten?" Dat leek ons wel makkelijker.
Na het eerste broodje zei Ankie: "Het klinkt wel gek, maar het komt eigenlijk goed uit dat je ziek bent, of was. Ik heb een afspraak afgezegd om hierheen te komen."
"Een afspraak of een afspraakje?" vroeg ik.
"Het laatste. Vorige week zaterdag zat ik alleen thuis. Ik zat over jou te piekeren. Ik wilde wat afleiding en ging naar mijn buurtkroeg. Zoals gebruikelijk raakte ik al snel aan de praat met een man die naast me aan de bar zat."
"O jee. Vlindertjes in de buik?"
"Nee, zo begon het niet. Ik had het gesprek aangeknoopt, zoals ook gebruikelijk. Al gauw ging het niet meer over de dingen waar je in een kroeg gewoonlijk over praat, over niks dus. We hadden het over politiek, over boeken. Hij noemde jouw naam ook, Stef, en ik heb niet eens zitten opscheppen dat ik toevallig die beroemde schrijver kende. Nou, om een lang verhaal kort te maken ...
"Toen je de volgende ochtend naast hem wakker werd ...", zei Stef.
"Nee! Toen ik de volgende ochtend helemaal alleen in mijn eigen bed wakker werd, zei ik tegen mezelf dat ik, indachtig de wijze woorden van dit meisje hier, eindelijk eens verstandig geweest was. Er dwarrelden hier en daar nog wel wat vlindertjes en in die kroeg hadden er heel wat gedwarreld, maar ik heb niet meer gedaan dan af te spreken dat we er morgen weer allebei zouden zijn. Ik heb dus afgebeld."
"Die zien we nooit meer terug?" vroeg ik.
"Die zie ik volgende week vrijdag terug. Hij begreep best, dat ik een zieke vriendin wilde bezoeken."
Bij de koffie zei Stef: "Meisjes, het is voor mij een normale werkdag en ik laat Annet graag achter onder de vertrouwde hoede van Ankie. Ik kan eindelijk weer eens mijn volledige aandacht besteden aan mijn andere grote liefde, Margreet. Jullie vermaken je wel, neem ik aan."
Ankie en ik gingen op de bank zitten. Ik wilde nog wel iets meer weten over de hoeveelheid vlindertjes en de veroorzaker daarvan.
Ankie moest bekennen dat ze nog niet zo veel over hem wist. Hij heet Karel en ze heeft zijn mobiele telefoonnummer. Ze denkt dat hij iets in het zakenleven doet. Eén of twee keer in de week speelt hij squash.
"Mooi", zei ik. "Dan zal hij geen buikig type zijn. Haar? Ogen? Lengte? Leeftijd? Begrijpt zijn vrouw of vriendin hem? Ik wil alle bijzonderheden weten."
"Houd op. Ik heb maar een uur of anderhalf met hem zitten praten. Donkerblond. Ogen ... uh ... bruinig, geloof ik. Korte baard. Een paar centimeter langer dan ik. Niet veel ouder dan ik. Vrouw of vriendin zijn niet ter sprake gekomen. Een ring is mij niet opgevallen, maar ik heb er ook niet speciaal op gelet. Voldoende informatie?"
"Hoe zit het echt met de vlindertjes?"
"Laat ik het zo zeggen: er zijn nog voldoende vlindertjes om met enige verwachting naar volgende week vrijdag uit te kijken. Maar goed, daar kwam ik niet voor. Hoe voel jij je? Ik schrok echt een beetje toen ik je net bekeek. Je bent behoorlijk afgevallen en er hoefde niet zo nodig iets af. Stef mag je de komende tijd best een beetje vetmesten."
"Ik doe het heel rustig aan. Ik bemoei me nog nergens mee. Daar begin ik na het weekend heel rustigjes weer mee."
Ankie vroeg of ik al weer wat verder was gekomen. Ik zei dat ze mijn laptop maar van boven moest halen dan kon ze eerst lezen wat ik na haar eerste weekend hier had op geschreven.
We gingen met de laptop aan tafel in de woonkamer zitten. Ankie zat geconcentreerd te lezen. "Getver", zei ze opeens.
"Wat is er?"
"Die foto van jou. Je staat er vast heel aantrekkelijk bij, hoor, maar het idee dat die viezeriken die foto hebben."
Ik zei dat ze eerst de rest moest lezen. Dat deed ze, waarna ze de laptop dichtklapte.
Ze vond dat ik wel erg losjes over die foto dacht. "Jullie zij geen typische BN'ers, over wie voortdurend geschreven wordt, maar Stef is niet helemaal onbekend. Wat hebben de roddelbladen over voor een foto van de vrouw van een bekende schrijver die zich onbespied waant bij haar zwembad?"
"Zelfs de roddelbladen laten nooit meer zien dan een diep decolleté of een blote boezem van een afstand, geloof ik. Ze wagen zich niet aan full frontal nudity. Verder weten ze dat ze meteen een proces aan hun broek krijgen als ze de foto publiceren en dat ze dat proces geheid verliezen. Die kerels durven hem niet aan te bieden, want dan zijn ze bekend. Ik maak me geen zorgen."
Ankie vond ook dat het verhaal steeds spannender werd. "Ik weet dat het geen verhaal is, maar vervelend genoeg erg waar, maar iets lezen is toch iets anders dan door een direct betrokkene horen vertellen. Het schept een zekere afstand. Is het niet een beetje gek zo over jezelf te schrijven? Ik bedoel, het gaat niet alleen over die toestanden, ook over andere dingen en wat je daarbij voelt en zo."
"Over een vrouw bijvoorbeeld van wie ik houd en die schrijft dat ze van mij houd? Is het vreemd zo over jezelf te lezen?"
"Ja. Nee. Ik weet het niet. Ik was hartstikke bezorgd over je. Ik wilde dat ik hier was en voor je kon zorgen. Ik was bijna jaloers op Stef dat hij dat allemaal mocht doen. Dat schrijven is misschien wel goed om iets voor jezelf wat helderder te maken. Ik heb een tijdje zitten nadenken of ik mijn laatste mailtje wel moest beëindigen met 'Ik houd van je'. Wat voel ik voor haar? Nou, dat weet je nu. Dat wist je al. Ik ben hier niet met vlindertjes in mijn buik naartoe gekomen, als je begrijpt wat ik bedoel, maar ... uh ... nou ja."
"Je mag best even aan me zitten, hoor. Kom, we gaan weer op de bank zitten."
We vreeën niet. Ankie ging zitten. Ik ging lekker met mijn hoofd op haar bovenbenen liggen en liet haar begaan. Het was heel plezierig en ik soesde weg. Ik kwam weer bij door de telefoon.
Ankie kon er net bij, pakte hem op en gaf hem aan mij. Het was Ellen. "Voor ik nog wat huisbezoekjes ga doen: gaat het goed?"
"Het gaat heel goed. Dit weekend heb ik dubbele verzorging. Mijn vriendin is er ook."
"Dat vertelde die lange. Ankie, toch?"
"Ankie, ja. Ik heb haar net een beetje verwaarloosd. Ik ben met mijn hoofd in haar schoot in slaap gesoesd. Heb je het nog erg druk?"
"Het ergste is wel voorbij. Ik heb zelfs het weekend vrij, behoudens spoedgevallen als mijn collega het toch nog te druk krijgt."
"Hebben jullie zin om morgen hier te komen? Hoeven jullie niet te koken."
"Is dat niet te druk voor jou?"
"Als zich plotselinge complicaties voordoen is er toch een dokter in de buurt? Wacht, heb je nog even? Stef en Ankie hebben hier ook wat over te zeggen."
Ze had nog even. Ik ging rechtop zitten en vroeg Ankie of ze er bezwaar tegen had dat er nog wat meer bezoek kwam. Ze vond het juist leuk om Ellen en Hermien te ontmoeten. "Ik hol wel naar boven om het Stef te vragen", zei ze en voegde de daad bij het woord.
"Ik vind het leuk", zei Ellen, "van jou en Ankie. Ik ben ook wel benieuwd, eerlijk gezegd. Die lange wil zeker meekomen. Die is ook beroepsmatig geïnteresseerd, zei ze."
Ankie kwam beneden met de boodschap dat Stef ook wel voor vijf wilde koken.
"Ik heb het gehoord", zei Ellen. "Ik ga mij weer wijden aan de lijdende mensheid. Tot morgen."
Ankie had er wel zin in. Uit mijn verhalen had ze al begrepen dat Ellen en Hermien een leuk stel zijn, maar ze had, net als ik tot voor kort, nooit echt kennisgemaakt met een stel lesbische vrouwen. We zaten daar nog een tijdje over door te filosoferen. Die avond dat ze bij ons waren was niet anders verlopen dan een avond met welk ander stel ook. Een avond met een bevriend echtpaar uit een andere cultuur zou net zo iets zijn. Je weet dat er wat verschillen zijn, maar geen wezenlijke verschillen.
De rest van de middag hebben we rustig zitten lezen. 's Avonds heb ik nog een stukje van een spannende film gezien. Ik ging kort na negenen naar bed. Ik was toch wel moe en viel als een blok in slaap.
Zaterdagochtend om een uur of half tien kwam Stef voorzichtig kijken of ik al wakker was. Dat was ik net. Hij ging nog wat extra boodschappen doen. "Ankie wacht met ontbijt op jou."
Een paar minuten later ging ik naar beneden. "Is dat niet te fris voor jou zo?" vroeg ze toen ik de keuken in kwam.
"Ik voel me goed en je moet met alles weer een keer beginnen. 't Is toch warm zat hier?"
We namen rustig de tijd voor ons ontbijt. Ankie drong me nog een extra boterham met extra jam op.
Na nog een kop koffie vroeg ze: "Ga jij eerst douchen of ik?"
"We gaan samen in bad", zei ik.
We zaten er net in toen we Stef hoorden thuiskomen. Hij liep door naar de keuken, waar hij een tijdje bezig was. Onderaan de trap riep hij: "Zijn jullie boven?"
Ik riep: "Joehoe. Je mag wel binnenkomen, hoor." Hij deed de deur open en bleef geamuseerd staan kijken. "Nou weet ik wat we nog missen: een jacuzzi waar je met een heel stel mensen in kan. Het is erg verleidelijk bij jullie te komen zitten, maar dan wordt het wel erg vol. Moet ik nog wat ruggen wassen?"
"Voor de functie van ruggenwasser hebben wij momenteel geen vacatures. Ik heb al in geen tijden meer een stofzuiger in dit huis gehoord. Wat dacht je daarvan?"
"Voor vijf mensen koken. Stofzuigen. Daar gaat mijn vrije weekend. Ik wil ook griep." Hij draaide zich om, om aan de slag te gaan. Ik riep hem terug: "Als je daarmee klaar bent, heb je dit weekend dispensatie van het schrijfverbod en mag je wat verloren tijd met Margreet inhalen. Deal?" Het was zo te zien een goede deal.
Ankie en ik wasten haren, ruggen en alles wat er nog meer te wassen viel. Toen we netjes aangekleed waren zat Stef al in zijn werkhok. Ankie en ik lunchten wat later dan gebruikelijk. Ik bracht Stef een paar kant en klare broodjes. Hij merkte nauwelijks dat ik ze bij hem neerzette en bleef rustig doortypen.
's Middags was er een volleybalwedstrijd op tv die Ankie graag wilde zien. Ik zat erbij te lezen.
Om vijf uur werd er aangebeld. We wachtten Ellen en Hermien met ons drieën bij de deur op. Hermien keek naar Ankie en mij en zei: "OK! Jullie hebben allebei een uitstekende smaak wat vrouwen betreft. Dat doet me deugd. Eens, kleine?"
"Jij bent sterker dan ik, dus: eens."
"Ze kunnen ook heel serieus zijn, hoor", zei Stef tegen Ankie. "Dan merk je niet eens meer dat het vrouwen zijn. Hoogstens dat decolleté van Hermien doet er nog wat aan denken. Het lijkt me nog iets opvallender dan de vorige keer, maar ik weet gelukkig dat het niet bedoeld is om mij te verleiden."
"Merk op, kleine en andere dames," zei Hermien, "dat een man meteen in de verdediging gaat als hij geconfronteerd wordt met enkele vrouwen en in de minderheid is. Nergens zijn hulptroepen en de aanval is de beste verdediging, denkt hij."
De toon was gezet voor een vrolijke avond en dat werd het ook, al waren er ook wel wat serieuzer momenten.
"Ik hoef geen details te weten," zei Hermien, "maar ik wil een keer wat uitvoeriger met jullie praten over jullie relatie. Ik bedoel ook jou, Stef. Het is toch een soort driehoeksrelatie en de meeste mensen doen daar behoorlijk zenuwachtig over. Tot die meeste mensen zou ik zelf ook kunnen behoren. Dat weet ik gewoon niet, want die kleine en ik zijn hondstrouw. Daarmee bedoel ik niet dat jij ontrouw zou zijn, Annet, dat weet je ook wel, maar veel mensen zouden dat wel vinden, Stef bijvoorbeeld."
"Die indruk maakte hij niet," zei Ankie, "toen hij vanmorgen Annet en mij in bad aantrof. Het is hier een nogal liberale bedoening, dus hij zag mij ook niet voor het eerst in natura."
"Zie je nou, kleine. Het kan toch interessant zijn om daar eens wat verder in te duiken? Ik zie al een titel: De gelukkige driehoek."
"Mijn zegen heb je, lange, maar ik zit nu naar een hoekpunt van de driehoek te kijken die nog net niet helemaal hersteld is en beter haar bed in kan duiken."
"Goed dokter. Ik doe het niet graag, maar u zult wel gelijk hebben." Ik gaf een hoop zoenen en ging met tegenzin naar bed. Ik heb niet gemerkt dat Stef erbij kwam.

Deel 4: Lenteoffensief

Donderdag 1 maart, 14.00 uur

Gistermiddag heb ik besteed aan alles nog eens rustig nalezen. Het lijkt erop alsof Ankie al zaterdag is vertrokken, maar ze was er zondag ook nog natuurlijk. Stef heeft ook de zondag gebruikt voor zijn inhaalmanoeuvre. Ik voelde me prima en had best een eindje willen wandelen, maar Ankie vond het niet verstandig en weigerde mee te gaan. Er gebeurde verder niets bijzonders, gewoon een plezierige zondag. Stef bracht haar naar het station en ik mocht niet mee. Bij het afscheid sprak ik met Ankie af dat we elkaar de volgende keer bij haar zouden zien.
We gingen niet te laat naar bed en Stef ondervond aan den lijve dat ik weer bijna helemaal de oude was.
Voor meteorologen begint vandaag de lente. Ik ga er vanuit dat voor 'hun' de lente gewoon op 21 maart begint, zodat we in ieder geval nog drie weken rust hebben. Het komende weekend wil ik in ieder geval met Stef checken of alle sensoren in het bos nog werken zoals ze moeten werken. 'Zij' weten nu dat ze er zijn en misschien zijn er wel methoden om ze buiten werking te stellen. We moeten dus veel vaker checken.
Ik kan verder gaan met de hypothese dat het bestuur of een enkel bestuurslid niet helemaal kosher is. Wat moet ik dan doen?
Werkstra, de makelaar, is verklaarbaar als bestuurslid. Herman heeft destijds in zijn vriendenkring rondgekeken en kwam op een medeschaker uit. Die heeft voor zijn opvolging in de zelfde kring rondgekeken, enzovoort. Bankdirecteuren kunnen steeds hun opvolger hebben voorgedragen. Een rij voetbaltrainers kan ik me niet voorstellen.
De meest interessante, als je dat zo noemen kan, van de drie bestuursleden is dus Van Goor, de voetbaltrainer. Hij is op het eerste gezicht een complete buitenstaander, maar ik kan me niet voorstellen dat de andere twee bestuursleden een volledig onbekende om zijn trainerscapaciteiten in het bestuur opnemen. Hij is benoemd in oktober van zijn eerste seizoen als trainer hier, een paar maanden dus nadat wij hier kwamen wonen. Hij is getrouwd en heeft twee zoons van twee moeders. De oudste is al het huis uit, de jongste zit in zes-vwo. Hij woont in Utrecht. Ik ga er vanuit dat hij dagelijks tussen huis en werk heen en weer reist.
Ik zie nog een mogelijkheid. De drie bestuursleden kunnen niet weten dat ik iets weet van hun stichting. Ik kan dezelfde truc uithalen als 'Pat'. Ik maak mijn eigen hotmailaccount en ga hun mailtjes sturen waarin ik suggereer iets te weten van hun snode plannen, uiteraard zonder concreet te worden en al helemaal zonder ons en ons stukje onroerend goed te noemen. Ik kan erbij schrijven dat ik best mijn mond wil houden, als ik ook een deel van de poet krijg. Als ze te goeder trouw zijn zullen ze het mailtje als flauwekul deleten.
Kan ik Ankie hierbij betrekken? Ze heeft al een keer uit eigen beweging een klusje uitgevoerd en tussen andere bedrijven door hebben we verder over de zaak gepraat. Ze heeft gezegd dat ik altijd een beroep op haar kan doen. Ze vindt het ook spannend. In mijn omgeving zijn de internetcafés en belwinkels niet dik gezaaid. Ankie kan er in Amsterdam zoveel vinden dat ze nooit twee keer naar dezelfde hoeft te gaan.
Dan de e-mailadressen. De bank, het makelaarskantoor en de voetbalclub hebben hun eigen website en een algemeen e-mailadres. Daarmee heb ik de mailadressen van die mannen nog niet. Als ik nou eens aan zo'n algemeen adres schrijf: "Wilt u zo vriendelijk zijn de heer Van Dijk/Van Goor/Werkstra het volgende bericht doen toekomen 'blah, blah, blah'. Bij voorbaat mijn dank." Degene die het bericht leest zal er toch op zijn minst mee naar de geadresseerde toegaan met de mededeling dat hij een stom mailtje heeft gekregen. Die geadresseerde zal er dan naar handelen. Als mailadres lijkt herman@hotmail.com mij wel aardig.
IK heb een tijdje zitten stoeien met de tekst van het bericht. Voorlopig heb ik dit: "De nalatenschap van Herman Boerstee is voor eerlijker zaken bestemd. Ik ben bereid er het zwijgen toe te doen, wanneer daar een financiële vergoeding tegenover staat."
Ik heb me afgevraagd of ik hierover met Hans moet overleggen. Ik heb het vage vermoeden dat hij niet gillend enthousiast zal reageren, maar wat hij niet weet, daar kan hij ook niet tegen zijn. Als er niets uitkomt, jammer dan. Komt er wel iets uit dan is hij de eerste die het hoort. Met Stef ga ik het er natuurlijk uitgebreid over hebben.
Het volgende 'doelwit' is Adrie. Waarom moet hij zo nodig geheim houden dat hij in zijn jeugd verschillende keren contact heeft gehad met Herman? Een hersenschudding en gebroken ledematen zijn ook geen zaken waarvoor je je hoeft te schamen. Het is niet helemaal uitgesloten dat een enkeling in het dorp toch achter de verhouding tussen Steffie en Herman is gekomen. Dat kan besproken zijn met een van de oudere Adries. Je kan allerlei redenen bedenken waarom het niet verder gekomen is. De vader en de broer kunnen iets geweten hebben en Ans zou iets van haar grootvader of vader gehoord kunnen hebben.
Ans: haar verdwijning is in feite nog steeds een groter mysterie dan wat ons af en toe overkomt. Steffie is verdwenen, maar leefde wel verder. Ik "zie" Ans de deur van het gemeentehuis uitkomen. Ze loopt de trap af. Ze loopt naar de ingang van de parkeergarage onder het Raadhuisplein. Ze loopt naar een auto toe. Ze kijkt nog even om zich heen, ziet niemand, doet een achterdeur open, stapt in en gaat op de achterbank liggen. Een paar minuten later komt een man naar de auto toe, stapt in en rijdt weg. De rit gaat naar een bungalowpark. Tijdens de hele rit blijft Ans op de achterbank liggen. Bij het bungalowpark opent de chauffeur de slagboom met een plastic kaart. Vanuit de auto kan Ans ongezien de bungalow in gaan. In de dagen die daarop volgen knipt en verft zij haar haren. Ze verruilt haar contactlenzen voor een bril. Achterin de auto verlaat zij het bungalowpark. Op een stille weg stapt zij uit en gaat voorin zitten. Ze rijden naar een anonieme flat in een anonieme buitenwijk van een grote stad. Daar woont ze nu al een klein half jaar en daar ... Precies, wat doet ze daar? Ze zit daar niet gedwongen, want ze heeft ruim gelegenheid naar de politie te gaan. Als ze betrokken is bij 'hun', kan ze niet, als de grote slag gemaakt is, zich alsnog bekend maken. Hoort ze bij de good guys, die de plannen van de bad guys willen verijdelen, maar zich om een of andere reden niet of nog niet aan de politie of aan ons kunnen bekend maken of durven bekend te maken?
Soms schieten je op de gekste momenten dingen te binnen. Dat gebeurde me zonet toen ik een plasje deed. Opeens dacht ik: 'Schaaknovelle van Stefan Zweig'. Ik heb het boek nooit gelezen, alleen een keer een uittreksel. Ik zocht het op het internet op en zag dat het in 1941 verschenen is. Herman zou het gelezen kunnen hebben, in de eerste plaats omdat het met schaken te maken heeft en het Stefan-Stefanie zal hem ook niet ontgaan zijn. Het zou wel heel toevallig zijn als dat ook nog iets met ons hele verhaal te maken heeft, maar om het niet te vergeten heb ik hier toch maar genoteerd.

Vrijdag 2 maart, 13.00 uur

Stef en ik hebben er behoorlijk lang over gepraat gisteren, zowel voor, tijdens als na het eten. Het zat Stef vooral niet lekker dat ik de bestuursleden van de stichting mailtjes zou sturen buiten Hans om. "Hij is niet alleen een politieman, hij is intussen een vriend. In mijn verhalen kan ik mensen ook hun vrienden laten bedonderen. Jij fantaseert wel en behoorlijk goed ook, maar het is geen verhaal. Ik houd me bezig met fiction, jij met faction. We hopen tenminste dat jij met je fantasie naar de feiten toe kunt werken."
"Ik kan het ook zo doen: ik vraag niet zijn advies, ik doe het gewoon en laat hem weten dat ik het gedaan heb. Hij zal me misschien een stomme trut vinden, maar hij kan het niet meer terugdraaien. Met wat ik hem tot nu gegeven heb kan hij voorlopig ook niet verder."
Stef had ook wel wat twijfels bij het inschakelen van Ankie. "In je fantasieën of hypotheses moet je niet uitgaan van stommelingen, maar van slimmeriken. Jij en ik gebruiken onze pc's voor schrijven, mailen en internetten en meer niet. Zij hebben er misschien wel een wizzkid bij gehaald die met zijn pc achter heel veel dingen kan komen, zoals wie die mailtjes heeft gestuurd. Ik vind Ankie ook een leuke meid. Ik zie haar als een soort schoonzusje, een aantrekkelijke meid met een lekker lijf, waar ik met plezier naar kijk, maar waar ik geen vlindertjes van in mijn buik krijg. Ik wil haar geen risico laten lopen. Vergeet niet dat volgens Hans Ellen al risico kan lopen."
Ik kon Stef er wel van overtuigen dat Ankie door het mailen geen enkel risico liep dat 'ze' achter haar identiteit zouden komen en dat ze zelf graag wilde meedoen.
Ik bedenk ineens dat Ankie vanavond haar tweede afspraak heeft met die Karel. Ik hoop dat ze haar vlindertjes nog een tijdje in bedwang kan houden en ze niet al te snel laat uitvliegen.
Na nog veel praten met Stef over Hans, met veel "als" en "maar", kwamen we eruit. Stef begreep wel dat hij het idee niet meer uit mijn hoofd kon praten. Ik zei nog dat Hans over enige tijd, wanneer de zaak tot een hopelijk goed einde zou zijn gebracht, tegenover zijn bazen zonder blikken of blozen moest kunnen verklaren dat hij pas achteraf van mij gehoord had welke acties ik had ondernomen, die tot zulke geweldige (ha, ha) resultaten hadden geleid. Dat zou ik er in mijn mailtje aan Hans ook bij zetten, ter verklaring.
We namen een cognacje op de goede afloop. We hadden er verder niet meer over gehad, dus ik vroeg Stef wat hij vond van Hermiens plan met die gelukkige driehoek. "Ze mag van mij komen praten," zei hij, "maar ik ben gauw uitgepraat. Ze kent de feiten. Wat kan ik daar nog aan toevoegen?"
"Wat je erbij voelt."
"Niks. Nou ja, niks, niks wat niet bij ons normale leven hoort. Ik zie dat jij er happy mee bent. Ik zie jou graag happy. Prima dus. Ik vind haar ook een leuke meid. Wat moet ik daar nog meer over zeggen?"
"Ze is psycholoog. Ze zal vast wel vragen hebben die wij helemaal niet voorzien."
"Ik ben reuze benieuwd. Jij kan haar meer vertellen. Jij zit tussen twee vuren. Nee, dat zeg ik weer verkeerd. Dat klinkt negatief. Jij kan je bij twee vuren warmen. Ik zou ook ter verduidelijking voor Hermien, als ik er heel goed voor ga zitten, van Tineke een gewone roman over een driehoeksverhouding kunnen maken. Tineke past bij wel bij een pronte boerendochter. Je kent het type wel: blozende wangen, ferme boezem, zo'n soort tuinbroek, goedlachs, klompen stevig in de klei. Haar ouders runnen een kampeerboerderij, maar eigenlijk doet zij het meeste werk daarvoor, al mist ze het directe, dagelijkse contact met de koeien wel. Op een dag zet een bleekneuzige jongeman zijn tent bij hun op. Zij gaat met ferme stappen op hem af en vertelt hem streng, maar vriendelijk, dat de sla er niet beter op wordt als er een dag lang een tent op staat. Met "dat groene veldje daar" bedoelde zij het grasveld. Hij vertedert haar met de mededeling dat hij zijn sla altijd in een cellofaanzakje bij de supermarkt haalt."
"Ik hoor het al. Je moet nog veel leren over boerendochters. Persoonlijk ken ik een boerendochter die een bloedhekel had aan klompen."
Vanochtend heb ik eerst Ankie een mailtje gestuurd. Ik ben begonnen met haar een plezierige avond toe te wensen en te vragen mij uitvoerig te laten weten hoe het gegaan was. Daarna leg ik uit wat mijn bedoeling is en geef ik het tekstje dat ze dan zou moeten mailen. Aan Hans stuurde ik een kopie van dat mailtje minus het persoonlijke gedeelte, met een korte uitleg wie Ankie was en verder zoals ik met Stef had afgesproken.
Het vervelende is dat er zoveel tijd zit tussen actie en reactie. Ik kan weer een tijd gaan zitten wachten of er een reactie komt op de mailtjes die Ankie verstuurt. Stef kan in zijn verhalen zo'n reactie maanden op zich laten wachten, maar in zijn eigen werkelijkheid volgt die een paar minuten later al. Hij begint gewoon een nieuw hoofdstuk: "Toen ik een half jaar later ..."
Ik zeg niet dat Stef, met mij vergeleken, maar een makkelijk leventje heeft. Je schrijft geen bestsellers door maar een beetje aan te klooien. Het is hard werken. Iemand die de dagelijkse spanningen van zijn of haar werk even wil ontvluchten in fictieve spanningen, die wel een oplossing vinden, moet dat - binnen bepaalde grenzen - nog wel geloofwaardig vinden. Mensen kunnen me kwaad maken door te zeggen dat het boek dat ze net aan het lezen zijn 'maar een thriller' is. De situaties zijn niet altijd zo reëel, maar de mensen wel. Tanja's wórden verliefd op Ibrahims. Ibrahims kúnnen toneelspelen. Niemand gelooft echt dat de wereld gered kan worden door een ring in het vuur te gooien, maar heel veel mensen blijven toch gefascineerd doorlezen als het verhaal erover goed geschreven is.
Ik wil helemaal de wereld niet redden. Ik ben bezig met een piepklein stukje van die wereld, een stukje van vierenzestig bij vierenzestig meter met in het midden een huis waar veel meer mensen in kunnen wonen dan mijn lief en ik. Over een paar jaar wil ik kindertjes, ónze kindertjes, zien spelen in hetzelfde gras waarin hun ouders ze op een zonnige dag verwekt hebben. Dat laat ik me niet afpikken! Voorlopig blijf ik nog behoorlijk egoïstisch bezig: eerst mijn eigen kleine wereldje veilig stellen, daarna ga ik wel kijken of ik ook nog wat voor de rest van de wereld kan betekenen.

Maandag 5 maart, 16.00 uur

Zaterdag waren er twee mailtjes, van Ankie en van Hans. Eerst maar door de zure appel heen bijten, dacht ik en begon met Hans. Het viel reuze mee.

Hallo Annet,
Wat kan ik anders doen dan me bij voldongen feiten neerleggen? Ik ga niet zeggen dat je het beter niet had kunnen doen, dat weet je zelf ook wel. Als je risico's wilt blijven nemen: OK, maar denk er eerst heel goed over na. Als jij en Stef tot iets besloten hebben, slaap er dan nog een nachtje over. Vind je het daarna nog een goed plan, vooruit me de geit dan maar en laat me precies weten wat je doet.
Loes wil ook nog wat schrijven.

Dag Annet,
Voorzichtig blijven, hè? Ik wil je helemaal ongeschonden zien als we weer eens komen zwemmen. Volgens mij zit het er dik in dat we ook Ankie een keer ontmoeten. Als die in korte tijd twee keer een heel weekend komt en niet om te zwemmen, moet ze indruk gemaakt hebben. Ik ben nieuwsgierig.
Groetjes aan Stef,
Loes.


Ik denk dat ik deze week een keer met Loes ga lunchen om haar te vertellen wie Ankie precies is. Ik was heel blij met haar mailtje.

Lieve Annet,
Wat een verstandig meisje ben ik ineens! Het was een heel leuke avond. Om een uur of tien zijn we van de kroeg naar mijn flatje gegaan en ... om een uur of twaalf is hij weggegaan. We hebben gepraat. Gepraat, ja! Ik heb de vlindertjes gezegd dat ze zich koest moesten houden. Over drie weken krijgen ze een herkansing. Ik durf niet te beloven dat ze hun kans dan niet zullen grijpen. Terwijl ik dit zit te typen, zit Karel al bijna in Boston. Hij werkt bij zo'n groot internationaal organisatieadviesbureau en zit nogal vaak voor een tijdje in een andere uithoek van de wereld. We hebben afgesproken dat we regelmatig zullen mailen. Veel voorzichtiger kan ik toch niet beginnen met het opbouwen van een relatie. Een mogelijke relatie, de beer moet nog geschoten worden. Voor meer details moet je maar een keer naar Amsterdam komen.
Vandaag ga ik nog naar een internetcafé om je mailtje naar die mannen te sturen. Ik vind het erg spannend. Ik hoop echt dat het allemaal iets gaat opleveren.
Karel of geen Karel, ik blijf van je houden.
Ankie.


Ik liet Stef de mailtjes lezen. "Het is maar goed dat de logeerbedden tweepersoons zijn", zei hij. "Het zou best kunnen dat Ankie de volgende keer vraagt of er iemand mee mag komen."
Gisteren hebben we zitten plannen. Stef begon erover. "Het zou best kunnen dat we in de zomermaanden niet aan een vakantie toekomen vanwege onvoorziene omstandigheden. Ik kan me niet voorstellen dat 'zij' meteen op 21 maart beginnen met nieuwe rotzooi trappen. De mailtjes aan die bestuurssleden zijn inmiddels verzonden. Die gaan, als ze er al iets mee te maken hebben, echt niet stante pede reageren. Je weet niet hoe je meer van Ans te weten moet komen en Adrie loopt niet weg. Laten we van de gelegenheid gebruiken en er nu een paar weken tussenuit gaan."
Dat kwam wel heel onverwacht. Ik moest er even goed over nadenken. Dat kon ik doen tijdens het testen van de sensoren in het bos. Ik ging naar buiten in mijn regenpak en rubber laarzen en mijn mobieltje aan. Stef hield op het schetsje bij waar gepiept werd. Alle sensoren piepten. Dat was dus dik in orde.
In de hal trok in mijn regenpak uit. Stef kwam naar me toe. "Heb je het koud?"
"Het is niet zo koud buiten, hoor."
"Jammer."
"Hoezo?"
"Ik dacht je dat je misschien wilde opwarmen in bad. Je bent net beter van een griep."
"Je mag ook gewoon vragen of ik gezellig met je in bad wil." Ik ging meteen door met meer kleren uittrekken. We praatten in bad verder.
"Waar dacht je dan heen te gaan?" vroeg ik.
Stef dacht aan Australië. Vliegen naar Sydney, daar een auto huren en dan gewoon verder kijken. Het is daar in ieder geval in deze tijd van het jaar een stuk warmer dan hier. In het bos had ik al bedacht, dat er wel iets in zat om niet hier maar een beetje af te wachten en verder niet zo gek veel te kunnen doen. Australië leek me wel aantrekkelijk.
"Is er op korte termijn wel een vlucht te boeken?" vroeg ik me af.
"Dat gaan we zo bekijken op mijn pc", zei Stef. "We moeten dit vaker doen, in bad gaan bedoel ik. Ik ga het lekkerder vinden."
"Als er maar een lekker ding bij zit, bedoel je. Dan weet je tenminste waar je je handen moet laten."
We gaan woensdag al weg, voor drie weken. Stef reserveerde meteen een hotel voor twee nachten in Sydney en een auto die we vanaf het vliegveld kunnen meenemen. We maken een tussenlanding in Singapore, waar we een paar uur moeten doorbrengen.
We gingen bij Adrie eten en vertelden daar dat we er drie weken tussenuit gingen.
"Meneer en mevrouw reizen wat af", zei Adrie. "Ik ben al blij als ik twee weken op Ameland mag zitten. Moet Adrie jullie huis nog een beetje in de gaten houden?"
Ik zei dat het niet nodig was. We verwachtten niet dat er iets zou gebeuren. En als er iets zou gebeuren, zouden we toch niet direct kunnen komen kijken om de schade op te nemen. Het zou alleen maar onze vakantie bederven als we daar hoorden dat er iets mis was. De schade zagen we wel als we thuiskwamen.
Thuis belde ik Ankie om haar onze plannen te vertellen. "Ik was van plan om gauw naar je toe te komen om alles over Karel te horen. Dat moet ook nog wat wachten. Vind je 't erg?"
"Vreselijk! Nee hoor, misschien heb ik wel veel meer te vertellen als je terug bent. Hij heeft me al een mailtje gestuurd uit Boston. Hij schreef dat hij vrijdag best wat langer had willen blijven, maar hij moest al om zeven uur op Schiphol zijn."
"Zo te horen ben je behoorlijk verliefd, meisje. Doe je rustig aan?"
"Kan ik wat anders dan? Ik kan alleen in mijn dromen wild te keer gaan. Ik stuur hem af en toe een lief mailtje, waar ik goed over kan nadenken. Ik beschrijf de warme kleuren in mijn slaapkamer, de kwaliteit van mijn matras, het zachte donzen dekbed."
"Je bent in staat om het nog te doen ook. Houd het voorlopig maar bij wilde dromen. Vergeet niet er een vleugje romantiek bij te doen."
Zo gingen we nog een tijdje door. Stef mailde intussen andere vrienden en vriendinnen over onze afwezigheid. Vanochtend hebben we onze ouders gebeld en vanmiddag zijn we naar de stad gegaan om nog wat dingen te kopen. Bij een kopje cappuccino vroeg Stef of ik nog een nieuw bikini wilde kopen of dat oude ding wilde meenemen. Ik zei dat ik helemaal niet van plan was een bikini aan te trekken. Dan krijg ik alleen maar een paar van die rare witte plekken.
"Dan moeten we naaktstranden opzoeken."
"Ben je gek. Australië heeft heel veel strand, daar kunnen we vast wel ergens een stukje vinden, waar niemand anders is."
Morgen gaan we inpakken.

Maandag 2 april, 10.00 uur

Afgelopen vrijdagochtend stond ik om half zeven de wasmachine al in te laden. Zo'n lange vliegreis gooit je ritme aardig in de war. Donderdagmiddag waren we om zes uur thuis. We hebben nog wat gegeten en zijn naar bed gegaan.
Ik had geen zin om een hele dag te wachten of Ankie op haar werk te bellen. Ik belde net even na half acht. Ze nam meteen op. "Lieverd! Eindelijk! Ik wist niet hoe laat je gisteren thuis zou komen en wilde jou niet bellen. Misschien lag je wel te pitten."
"We waren om zes uur thuis en lagen om zeven uur in bed. Hoe is het gegaan?"
"Ik heb Karel vrijdag, vorige week dus, 's middags van Schiphol gehaald en ben met hem mee naar zijn huis gegaan. Hij woont op loopafstand van station RAI. Ik kan me nu voorstellen dat datingsites een succes zijn. Je kunt in een mailtje heel veel kwijt en rustig over jezelf vertellen. We hebben vrijwel dagelijks gemaild. Karel schreef dat hij dat leuker vond dan 's avonds nog de stad in gaan. We hebben dus eerst gewoon zitten praten. Ik heb hem ook over jou verteld. Alles. Weet je wat hij zei? 'Ja, van jou kan ik me daar wel wat bij voorstellen.' Kun je nagaan wat ik hem allemaal al verteld heb in al die mailtjes. Ik ben dus blijven slapen. Maar hoe was jullie reis?"
"Geweldig! Maar jij moet aan je werk. Wanneer is je eerste avond vrij komende week? Kom ik naar je toe. Ik blijf slapen."
"Morgenavond?"
"Komt Karel dan niet?"
"Vanavond ga ik naar hem toe en dan zeg ik dat hij zondagavond nog even bij mij mag komen. Dat begrijpt hij wel."
"Zeker weten?"
"Niet zeuren. Bel nog even hoe laat je trein aankomt, dan kom ik je van het station halen."
Stef was inmiddels ook opgestaan. Hij hoorde me nog 'Tot morgen, lieverd' zeggen. "Moet je troosten of gaan jullie iets vieren?" vroeg hij.
"Die hoef ik voorlopig niet te troosten. Vind je het vervelend dat ik morgen al weer weg ga?"
"Als ik aan een strand in Australië voor me uit zat te staren naast een mooie blote vrouw, zat ik te denken aan Margreet, die zich vreselijk verwaarloosd moest voelen. Het lijkt me heerlijk een weekend met haar alleen te mogen doorbrengen. Heeft Ankie nog reacties gehad op de mailtjes aan onze vrienden van het bestuur?"
"Daar hebben we het nog niet over gehad."
Hij mocht van mij meteen naar zijn andere geliefde toe, dus ik ging na het ontbijt alleen boodschappen doen. Het was best redelijk weer om te fietsen. Op de terugweg bedacht ik dat 'zij' drie weken de tijd hebben gehad om het hele waarschuwingssysteem in het bos ongedaan te maken. Thuis ging ik eerst naar boven om het daar met Stef over te hebben. Hij was gelukkig nog niet aan het typen, maar zat in eigen werk te lezen. Ik vertelde wat er wellicht gebeurd zou kunnen zijn.
"Lieve Netje," zei hij, "weet je waar ik drie weken lang in Australië op heb zitten wachten? Dat mijn mobieltje zou gaan piepen. Het leek me beter het daar niet met jou over te hebben. En voordat je zegt dat je een stomme trut bent: ik zat echt niet elke minuut aan dat stomme ding te denken en heb mede dankzij een lief trutje een geweldig reis door Australië gemaakt. Wegwezen nu, want er zit een idee aan te komen."
Stomme trut ging de boodschappen uitpakken. In Australië hebben we af en toe onze gewone e-mail gecheckt. Dat deden we de eerste keer in het hotel in Sydney. We hadden iedereen ook gezegd dat we dat zouden doen. De avond voor ons vertrek was er nog een mailtje binnengekomen van 'Pat', dat we thuis niet meer gezien hadden.

Annet/Stef,
Veel plezier in Australië! Een goede tijd om er tussenuit te gaan, want wij zijn ook nog niet zover. Leuk dat jullie er de hele zomer zullen zijn om van onze verrassingen te genieten.
Pat.


We hebben toen al bedacht dat het mailtje heel goed waar zou kunnen zijn en dat we, ik tenminste, ons nergens zorgen over hoefden te maken tijdens die drie weken. We hadden geen duidelijk idee van wie er bij Adrie waren toen wij vertelden dat we naar Australië gingen. Adrie was er zeker.
Stef zette me zaterdag om tien uur bij het station af. De trein kwam een paar minuten voor twaalf op Amsterdam Centraal aan. Ik stond om me heen te kijken tot ik een paar armen om me heen voelde.
We gingen eerst lunchen in de Bijenkorf, waar ik de eerste dingen over Australië vertelde. Ankie woont in een gerenoveerd pand in de Pijp, dus voor we naar haar huis gingen deden we eerst nog boodschappen op de Albert Cuypmarkt. Ik vertelde nog verder over Australië, maar bij de borrel vond ik dat ik wel iets meer over Karel mocht horen.
"Hij heeft wel wat van Stef", zei Ankie. "Ik bedoel, hij is ook relaxed. Niet zo'n mannetje dat wel zal vertellen wat hij van het vrouwtje verwacht en dat ze dat meteen maar moet doen. Hij zou vanavond hier komen, maar hij ging niet moeilijk doen toen ik zei dat jij kwam. We zijn niet meteen zijn bed ingedoken. We hebben eerst gewoon gepraat. Het was pas de derde keer dat we met elkaar praatten, maar door al die mailtjes, denk ik, ging het heel makkelijk. We wisten al een hoop van elkaar."
"Je bent vast niet z'n eerste."
"Hij heeft één keer samengewoond, een jaar of drie, tot een jaar geleden of zo. Hij spreekt haar nog wel eens. Ze vinden elkaar nog steeds aardig, maar meer niet."
"Waar is het op stukgelopen."
"Ze vond dat ze teveel alleen zat. Hij is nu eenmaal veel weg en zit ook 's avonds thuis nog vaak te werken."
"Kun jij daar tegen?"
"Dat weet ik nog niet. Ik weet in ieder geval dat het einde verhaal is als ik daarover ga zeuren en ik wil graag zien hoe dit verhaal zich verder ontwikkelt. Voorlopig houd ik het op een latrelatie. Hij wil de weekends zoveel mogelijk voor zichzelf houden, niet aan zijn werk besteden dus. Ik heb de meer dan vage indruk dat hij een deel van die vrije tijd wel met mij wil besteden."
"Goed, je hebt een tijd gepraat en je bent blijven slapen, maar niet op de bank, neem ik aan."
"Om een uur of zes vroeg hij of ik het erg vond dat hij even een dutje ging doen, jetlag weet je wel. Hij zou het wel leuk vinden als ik niet meteen wegging. Een uur of twee later kwam hij uit z'n slaapkamer. Ik zei dat hij aan een nieuwe ochtendjas toe was. Wat hij aanhad was uit het jaar nul. Hij had er nog naar moeten zoeken. Ik zei dat hij dan beter meteen z'n kleren had kunnen aantrekken. Dat moest ik anders zien. Hij hoefde nog niet zo nodig iets aan, maar hij zou het wel leuk vinden als ik dan ook iets uittrok. Wat doe je als een aantrekkelijke vent het zo vriendelijk vraagt? Erna heeft hij nog een pizza uit de diepvries gehaald. Die hebben we in bed opgegeten. De volgende ochtend bedacht die sufkont pas dat hij niks te ontbijten in huis had. We zijn in alle vroegte naar mijn huis gewandeld."
De rest van dat weekend werd ook in geuren en kleuren beschreven. Ik was nog lang niet uitgepraat over de Australiëreis. We praatten dus door tijdens het samen koken, eten en daarna. Alsof we het hadden afgesproken begonnen we geen van tweeën over hotmailtjes. We hadden de hele zondag nog. We hadden twee flessen wijn soldaat gemaakt voor we naar bed gingen. We waren weer een klein beetje teut zoals die avond in Egypte, maar wel een stuk vrolijker dan toen. We vonden het ook fijn om weer eens samen in één bed te liggen en weer eens te vrijen.
Bij het ontbijt zei Ankie dat er afgelopen maandag een mailtje was binnengekomen. "Je kan het straks lezen. Ik denk niet dat je er al veel aan hebt of mee kan doen."
Na het douchen zette ze haar pc aan en ging naar hotmail. Ik vroeg wat het wachtwoord was. "Dat heb ik je expres niet verteld. Ik weet bijna zeker dat je dan in Australië voortdurend was gaan kijken of er iets binnengekomen was. Daar was jullie reisje niet voor. Ik vertel het je nu ook niet. Volgens jou is niet te achterhalen wie er achter het adres zit, maar als je dit adres niet gebruikt weet ik zeker dat ze nooit zullen weten dat jij dat bent.
"En als jij nou eens onder de tram loopt, waar ik niet aan moet denken?"
"Dan vraag je Karel naar de naam van het hotel waar hij in Boston in verbleef."
Ik wilde wat zeggen, maar dat voorkwam ze. "Nee, die naam wist ik nog niet toen ik dat account maakte. Ik ben ook wel slim, hoor. Wachtwoorden kun je veranderen. Dat heb ik afgelopen maandag gedaan."
"OK, lieverd, laat het maar zien."
De afzender was bestuurslid@hotmail.com. Het bericht was heel kort: "Daar valt over te praten. Je hoort nog."
Volgens Ankie kan het nog van alles betekenen, zelfs dat een van de bestuursleden gedacht heeft dat het een grap is, die hij wel mee wil spelen. Daar heeft ze gelijk in en dat zei ik ook. Over andere mogelijkheden wilde ik nog eens goed nadenken, maar niet meteen. Ik wilde er nog een plezierig dagje met Ankie van maken. Ik was al in jaren niet meer in Artis geweest. Ankie vindt vooral het aquarium heel mooi. Daarna gingen we mijn tas halen en op het Leidseplein wat drinken en eten. In de tram belde ze naar Karel. "Ik breng nu mijn vriendinnetje naar het station. Om acht uur ben ik wel thuis. ... Ja, natuurlijk mag je blijven slapen. Tot straks."
We namen voor het station afscheid. Ankie beloofde dat ze Karel mee zou nemen als ze weer naar ons kwam.
Vanmiddag ga ik weer echt aan het werk.

Dinsdag 3 april, 15.30 uur

Gistermiddag heb ik eerst een mailtje aan Hans gestuurd met dat ene zinnetje van 'bestuurslid', zonder commentaar. Ik ga er voorlopig vanuit dat het wel degelijk serieus bedoeld is. Dat het verzonden is door 'bestuurslid', niet door 'bestuursleden' of 'bestuur' zegt nog niet dat er maar één betrokken is. Er is aan die kant twee weken over een reactie nagedacht. Dat pleit ook tegen het voortborduren op een 'grap'. Daar wacht je geen twee weken mee. Verder schiet ik er nog niet veel mee op. Ik weet niet of 'Pat' en 'bestuurslid' de twee zijden van een Januskop zijn. Ik heb het er met Stef over gehad, maar die kon er ook niet meer chocola van maken.
Kan Ankie me ook helpen om meer over Adrie te weten te komen? In verband met mogelijke connecties tussen hem en 'hun' kan ik haar niet nog een keer laten mailen. Bellen kan natuurlijk wel. Dat moet ze dan wel vanuit een telefooncel doen. Nummerherkenning is aardig als je gebeld wordt, maar niet als je anoniem wilt bellen. Wat zou ze tegen hem moeten zeggen of hem moeten vragen om hem uit zijn tent te lokken? Als wie of wat zou ze zich moeten voordoen? Wat is een goede smoes om juist Adrie te bellen?
Ik heb het er met Ankie niet over gehad, maar ik ga er zonder meer vanuit dat ze Karel ook verteld heeft wat hier gebeurt. Karel wordt door zijn bedrijf niet de hele wereld over gestuurd omdat hij het domste jongetje van de klas is. Ga ik nou te ver? Wordt mijn 'onderzoek' zo'n obsessie dat ik iedereen meteen voor mijn karretje wil spannen? Voorlopig vraag ik hem niets. Ik moet hem eerst maar eens ontmoeten. Zo lang zal dat niet duren. Dat deed me nog verder denken. Twee weten meer dan één en tien weten weer dan twee. Henk en Anneke, Hans en Loes, Ellen en Hermien en Ankie en Karel weten inmiddels van onze situatie. Ze waren allemaal bereid ons te helpen er een eind aan te maken. Ik heb van mijn hele verhaal tot nu een samenvatting gemaakt. De meer persoonlijke dingen heb ik weggelaten. Ze mogen bijvoorbeeld best weten hoe mijn relatie met Ankie in elkaar steekt, Ellen en Hermien weten dat trouwens al, maar dat vertel ik liever persoonlijk. Ik heb die samenvatting gemaild met de vraag of ze erover wilden nadenken. Iedere suggestie, ieder idee, hoe onwaarschijnlijk ook, was welkom. Ik schreef erbij dat als alles achter de rug was, wij een tuinfeest zouden organiseren voor alle hulptroepen, van een ontbijt op zaterdagochtend tot een souper op zondagavond. Het is nu al een paar dagen heel aardig weer. Zo langzamerhand wordt het weer tijd de terrasmeubelen uit de garage te halen. We zijn in Australië al weer aardig bijgekleurd, maar het kan nog wel iets donkerder.
Na het mailen ben ik naar de stad gegaan, naar de regionale krant. Ik had telefonisch een afspraak gemaakt met ene Jan Helder die over het archief gaat. Ik had hem verteld dat ik erover dacht, als het interessant genoeg was, een geschiedenis van het dorp te schrijven. Om te beginnen wou ik weten wat er in de krant over geschreven was.
Jan is bijna aan zijn pensioen toe. Hij vertelde dat de krant in 1881 is begonnen. De laatste jaren wordt de hele inhoud digitaal bewaard. De jaren daarvoor werd alles nog op microfiches opgeslagen, die je dan via een viewer kan lezen. Als je wilt weten wat er vóór de Tweede Wereldoorlog in de krant is geschreven, moet je gewoon die kranten gaan lezen.
Ik moet wat teleurgesteld gekeken hebben, want het leek me een onmogelijke, in ieder gaval zeer tijdrovende bezigheid.
"Er is een hulpmiddel, hoor", zei Jan. "Van het begin af aan is er een index bijgehouden, heel simpel een kaartsysteem. Wil je bijvoorbeeld weten wat er over de burgemeester is geschreven, dan vind je op het kaartje 'burgemeester' alle kranten waarin iets over de burgemeester geschreven is. Zo kun je bijvoorbeeld ook alle geboorte- en overlijdensadvertenties vinden."
Daar moest ik mee vooruit kunnen. Ik vroeg hem niet verder te vertellen wat mijn plan was. Als er inderdaad een boek over de dorpsgeschiedenis zou komen, moest dat voor iedereen een verrassing zijn. Dat begreep hij. Hij zou geen woord vertellen. Hij liet me het archief zien. Er is een forse ladekast waarin alle kaartjes zitten opgeborgen. De kranten zijn allemaal ingebonden. Ik moest er heel voorzichtig mee omgaan. Als ik Jan van tevoren even bel, kan ik komen wanneer ik wil. Morgen begin ik. Ik heb al een lijstje gemaakt met 'zoekwoorden': café, Landrust, Heemstra, huisarts, Boerstee, Beek.
Ik ben ook naar de website van de krant gegaan om te lezen wat er over de verdwijning van Ans is geschreven. Ik las niets wat ik al niet wist. Ze was kennelijk niet belangrijk genoeg om een journalist nog eens te laten doorgraven, of het was wel gebeurd, maar zonder enig resultaat.
Ik zat me net af te vragen wat ik eens zou gaan doen toen ik een mailtje kreeg van Ankie, van haar werkadres.

Lieve Annet,
Tussen twee besprekingen door heb ik even gecheckt. Weer zo'n kort bericht, ontvangen om 9.32 uur: "Aan welk bedrag denk je? Hoe moet het overgedragen worden?"
Los daarvan: zondagavond was nog heel gezellig met Karel. Hij wilde alles weten over jullie problemen. Als hij iets kan doen, moet je maar roepen.
Tot gauw (met Karel).
Ankie.


Ik zat in een situatie die je zo uit een van Stefs boeken zou kunnen halen. Ik moet ze vertellen waar ze het geld moeten deponeren. Dat moet een plek zijn waar zij niet kunnen controleren wanneer en door wie het opgehaald wordt. Zij weten dat ik hun namen ken en zullen er vanuit gaan dat ik ook weet hoe ze eruit zien. Zij kunnen iets minder voorzichtig te werk gaan. Ze kunnen wel een voor mij onbekende zich ergens zo laten opstellen dat hij kan zien wie het pakket of wat het dan ook is komt ophalen. Dat was het kritieke moment. Ik kan ook iemand anders sturen, maar die loopt wel meteen een behoorlijk risico.
Ik had, vind ik zelf, een briljante ingeving. Dat pakket en wat erin zou zitten interesseert me eigenlijk helemaal niet. Ik wil alleen weten óf ze het ergens willen achterlaten en óf er inderdaad iets in zit. Er is een plantsoen in de stad, met een rosarium. Ik vertel ze dat ze daar op een bepaald tijdstip een weekendtas met het geld moeten achterlaten. Een paar minuten na dat tijdstip bel ik vanuit een telefooncel in de stad de politie om te zeggen dat ik een verdachte tas gezien heb. Ik kan zelfs zeggen dat ik een verdachte man een tas heb zien neerzetten, waarna hij er snel vandoor ging. De politie komt en neemt na enig onderzoek de tas mee. Van Hans kan ik later wel horen wat er in de tas zat. Misschien komt de politie daar zelf wel mee. Zit ik alleen nog met de vraag of ik het Hans van tevoren moet vertellen. Ik denk dat ik het achteraf doe. Ik bespreek het wel met Stef.
Na mijn bezoek aan de krant, ga ik morgen een wandeling door het rosarium maken om een goede plek te vinden voor de tas.

Vrijdag 6 april, 15.00 uur

De grootvader van Adrie was niet de eerste eigenaar van 'Landrust'. Hij kocht het café in 1911 van de toenmalige eigenaar. Het was maar een klein berichtje in de krant, maar het eerste bemoedigende bewijs dat ik uit de kranten informatie kon krijgen over het verleden. Nog twee keer wordt het café vermeld. In 1929 rijdt een auto tegen een bezoeker "die zojuist Café Landrust in kennelijke staat verlaten had." In 1933 moet de plaatselijke koddebeier optreden bij een vechtpartij die in het café plaatsvindt. De reden voor de vechtpartij en de partijen daarbij worden niet genoemd.
Steffie wordt één keer genoemd in een berichtje over "de raadselachtige verdwijning van mejuffrouw Stefanie van Beek".
In 1924 moest de politie ook al eens handelend optreden. Omdat "Beek, van" niet veel opleverde keek of er een kaartje met "kruidenier" was. Dat was er, met één bericht, in de krant van maandag 25 augustus 1924. De vorige dag was op het pleintje voor de kerk, net na afloop van de dienst nog wel, een woordenwisseling ontstaan tussen twee mannen. Het bleef niet bij een woordenwisseling, er werden rake klappen uitgedeeld. De politie was snel ter plekke, want die had de godsdienstoefening ook bijgewoond, maar zelfs enkele andere mannelijke kerkgangers waren nodig om de twee kemphanen uit elkaar te halen. Ze werden niet bij name genoemd, maar dat was ook niet nodig: de plaatselijke kruidenier en de plaatselijke caféhouder, oftewel de heren Van Beek en Heemstra. Ik had de neiging om in gejuich uit te barsten. Er was dus wel degelijk een keer iets voorgevallen tussen beide families. De laatste afstammeling van de kruidenier is al geruime tijd spoorloos en de tot nu voorlaatste afstammeling van de caféhouder houdt zelfs zijn mond over zijn ontmoetingen met de huisarts.
Het bericht in de krant zei niets over de oorzaak of reden voor de woordenwisseling en het daarop volgend handgemeen. Had de godvruchtige - als hij dat tenminste was - Heemstra zijn broeder in de Heer aangesproken op het ontuchtige gedrag van zijn dochter of op haar zondags wegblijven uit huis des Heren? Het leek me niet helemaal onmogelijk.
Intussen kijk ik al weer wat nuchterder tegen de ruzie van beide heren aan. Als het handgemeen werkelijk tot een familievete had geleid, zou Ans dan regelmatig bij Adrie komen? Misschien was het zelfs waarschijnlijker dat Adrie en Ans de vete, als die nog bestond, beëindigd hadden met het oog op een gezamenlijk doel. Steffie was maar verre familie van Ans. De ruziënde kruidenier was haar overgrootvader.
Voor de zoveelste keer bedacht ik dat Adrie alles weet over het dorp en wat zich daar heeft afgespeeld. Dat deed me denken aan die figuur in de achtergrond: de vrouw van Adrie. Ik ging naar Jan toe met de vraag hoe ik in de microfiches moest zoeken. Dat lukte me na enige tijd en toen vond ik de krant met de huwelijksaankondiging: op 22 september 1983 zou Adrie Heemstra in het huwelijk treden met Alice van Beek. Alice is dan net 20. Die leeftijd is niet zo belangrijk. Weer moest ik een juichkreet onderdrukken. Ik was er al bijna van overtuigd dat Alice/Lies een kleindochter of achterkleindochter van Steffie is. Adrie moet er op een of andere manier zijn achtergekomen, of van zijn vader gehoord hebben, dat Herman en Steffie een relatie hadden en dat er kinderen waren. Hij moet er ook achtergekomen zijn dat Herman een som geld voor zijn nakomelingen had achtergelaten. Had hij uit puur winstbejag Lies opgezocht en haar het hof gemaakt, zodat een kind dat hij bij haar zou verwekken aanspraak kon maken op een deel van het geld? In dat beeld past wel dat hij naar buiten toe niet bekend wil laten worden dat hij ooit Herman nog heeft gesproken, al was hij toen nog een kind. Hij heeft niet bedacht dat het verzwijgen daarvan juist verdacht is.
Gisteren heb ik met Stef uitvoerig gepraat over mijn plannetje met de weekendtas met geld. Hij vond het nog steeds wat bezwaarlijk dat ik Hans pas achteraf op de hoogte zou stellen, maar wist ook wel dat hij me daar niet meer van af kon brengen. Het plan op zich zit wel goed in elkaar, vond hij. Hij kon ook niets ontdekken waardoor ik enig risico kon lopen.
"Hoeveel geld wil je ze laten ophoesten?" vroeg Stef.
Dat wist ik niet zo goed. Je gaat iemand niet chanteren voor een paar honderd gulden. Het zou een bedrag met minstens vijf nullen moeten zijn. Na enig gepraat kwamen we uit op vijf ton. Ze zouden nog wel gaan afdingen, maar dat vond ik best. Als ze maar een tas met een flink hoeveelheid geld neerzetten.
Afgelopen woensdag heb ik het rosarium verkend. Er staat daar één stenen bank. Daarachter staan struiken. Die struiken leken mij een uitstekende plaats voor de weekendtas. Zo lang zou die er niet staan met kans op ontdekking door een toevallige passant.
Woensdagavond heb ik Ankie gemaild met de vraag deze zin aan 'bestuurslid' te mailen: "Zet op zondag 8 april tussen vijf uur en kwart over vijf een weekendtas met vijfhonderdduizend gulden in gebruikte biljetten van honderd gulden in de struiken achter de stenen bank in het rosarium." Om Ankie niet ongerust te maken, heb ik mijn hele plannetje uitgelegd, anders zou ze misschien gaan denken dat ik die tas zelf zou gaan ophalen.
Donderdag ben ik ook bij de krant geweest, maar ik heb geen bijzondere ontdekkingen meer gedaan.
Vanochtend heb ik weer eens alles nagelezen. Lezend over de achterneef van wie we huis gekocht hebben, bedacht ik dat het toch wel vreemd was dat huis en tuin geen onderdeel uitmaakten van de erfenis die Herman had achtergelaten. Ook in Hermans tijd moeten die toch wel enige waarde gehad hebben. Zou hij zich verplicht gevoeld hebben ook iets aan zijn 'officiële' familie na te laten of had hij toevallig een favoriet neefje die het weer aan zijn zoon heeft nagelaten? Of is er een andere reden die Adrie wel weet en ik niet? Nog niet, zeg ik er meteen maar bij. Adrie moest eens weten wat ik al weet of vermoed.
We moeten vanavond maar weer eens een hapje bij Adrie gaan eten en zien hem aan de praat te krijgen. Er is altijd een kans dat hij iets zegt waarop ik kan voortborduren. Ik kan Ans ter sprake brengen. "Weet je dat ik me nog wel eens zit af te vragen hoe het met Ans is afgelopen?" Zoiets. Dat zullen meer mensen in het dorp zich toch wel eens afvragen? Ze was toch een enthousiaste lezer van Stefs boeken? Een schrijver verliest niet graag een lezer, al zijn het er nog zoveel.
Het zal ook een spannend weekend worden, vooral de zondag. 'Ze' hebben nog niet laten weten dat er geen weekendtas wordt neergezet. Dat zou ik wel gehoord hebben van Ankie. Aan de andere kant kan ik me niet voorstellen dat ze zo snel akkoord gaan. Ik ben er een beetje vanuit gegaan dat ze met tegenvoorstellen zouden komen. "Zo'n groot bedrag kun je niet zomaar laten verdwijnen. Dat kost voorbereiding. U hoort zo snel mogelijk van ons." Door mijn slimmigheid heb ik ook voorkomen dat ik weet wie de tas daar neerzet. Je mag er alleen maar op hopen dat iemand de politie een signalement kan geven van een man die hij met een weekendtas in de buurt van die stenen bank heeft gezien. Wat doe ik trouwens als ik vóór zondag helemaal geen bericht krijg, ook geen bevestiging? Ze zullen toch niet zo stom zijn die tas daar zonder enig commentaar neer te zetten? Daar had ik eerder aan moeten denken. Als er morgen rond zes uur nog steeds geen bericht is, ga ik Ankie vragen een mailtje te sturen waarin ik om bevestiging vraag.

Maandag 9 april, 9.45 uur

Zaterdag kon het weer, voor het eerst dit jaar: buiten in de zon ontbijten. We hadden het tuinmeubilair nog niet uit de garage gehaald, dus we deden het maar met keukenstoelen. We waren vrij laat op voor ons doen, iets van half tien, en het was lekker om de zon weer op onze blote bastjes te voelen.
We waren laat op, omdat we het vrijdag bij Adrie tamelijk laat gemaakt hebben. We zaten er nog maar net toen Ellen en Hermien binnenkwamen en bij ons kwamen zitten. Hermien zag er weer flamboyant uit en trok de nodige mannelijke belangstelling. Ze had uiteraard een lange rok aan, maar wel een die aan beide zijden een split had die vrij hoog begon. De bloes die ze aan had, had weer een décolleté dat tot nadere bestudering leidde. Ellen droeg ook haar gebruikelijke outfit: een spijkerbroek en een truitje.
"Ga je zo ook naar je werk?" vroeg ik Hermien.
"Nee hoor, op mijn werk ben ik de ingetogenheid zelf. De mannen hier kunnen zo langzamerhand ook wel weten dat ik niet mijn best doe hun te verleiden."
Ellen moest lachen. "Je bent gewoon een exhibitionistische snol. Neem een voorbeeld aan Annet en mij. Wij laten ook niet voortdurend zien wat we in huis hebben."
"Nogal wiedes. Die kerels hebben niet allemaal een vergrootglas op zak."
"Je moet op je woorden letten, lange", zei Ellen. "Ik heb intussen eelt op mijn ziel, maar Annet wordt niet bijna dagelijks met haar neus op de harde feiten gedrukt."
"Annet wordt bijna dagelijks om haar zachte feitjes bewonderd", zei ik.
Nu moest Hermien lachen. "Touché! Maar die kleine heeft niet zoveel eelt op haar ziel, hoor. Die zou over hele lichaam eelt moeten hebben, omdat ik mijn handen niet van haar af kan houden. Zij heeft me al zo vaak verteld dat ik mooie benen heb en mooie andere dingen waar ik er twee van heb, dat ik het ben gaan geloven en als genereus type laat ik anderen graag meegenieten. Als jong meisje was ik helemaal niet gelukkig met dat lange lijf van me. Dat de meeste jongens niet zo hard achter me aan liepen krenkte natuurlijk mijn gevoel van eigenwaarde, maar ik had al gauw door dat ik daar verder niet zo erg mee zat. Maar een vriendinnetje krijgen is ook niet makkelijk, hoor, als je letterlijk met kop en schouders boven iedereen uitsteekt. Probeer er maar eens een te vinden die het de moeite waard vindt een langer bed aan te schaffen."
"Ik had meteen door dat ergens in dat lange lijf een mooi innerlijk zat, dat er naar hunkerde om als een klein meisje behandeld te worden", zei Ellen. "Je ziet er weer snoezig uit, schatje."
"Ga daar niet te lang mee door, kleine, want dan kom ik bij je op schoot zitten. Wat ben jij stil, Stef. Zit je met je gedachten bij dat vriendinnetje, hoe heet ze ook weer?"
"Margreet. Nee hoor, die moet het weer een heel weekend zonder mij doen. Ik zat naar jullie conversatie te luisteren. Dat doe ik vaak, naar de conversatie van anderen luisteren. Stukjes daaruit verwerk ik wel eens in een van mijn verhalen. Jullie tweeën hebben ook jullie eigen manier van met elkaar omgaan. Als je de toon er niet bij hoort en jullie er niet bij ziet, lijkt het erop alsof jullie elkaar voortdurend zitten te katten."
"Ik ben net zo gek op kleine tietjes als jij, hoor."
"Dat vermoedde ik al. Ter afwisseling wil ik ook wel eens een paar grotere bewonderen, hoor. Zal ik de hap bestellen? Glaasje wijn erbij?"
Terwijl Stef naar de bar ging voor de bestelling, vertelde ik dat hij had afgezien van zijn oorspronkelijke idee, een hoofdpersoon met een permanente handicap. Die hoofdpersoon is nu een student wiskunde die tijdens het werk aan zijn afstudeerscriptie een ernstig ongeluk krijgt en zo'n beetje alles breekt wat er maar te breken valt. Hij zal maanden in een revalidatie-inrichting moeten doorbrengen. Al gauw blijkt dat er in de inrichting dingen gebeuren die niet in de haak zijn. Apparatuur werkt niet, laboratoriumuitslagen kloppen niet, de computer gooit roosters volledig in de war. Twee keer wordt de verkeerde behandeling van een patiënt maar net voorkomen, doordat een verpleegkundige met veel ervaring op tijd ingrijpt. Op dat moment kwam Stef terug met de wijn.
"Zie ik iets moois opbloeien", vroeg Ellen aan Stef, "tussen de held en de verpleegkundige?"
"Ze zou zijn moeder kunnen zijn. Nee, er is een klinisch psychologe, waarmee hij regelmatig praat. Nee, Hermien, ze is kleiner dan hij, ze is hetero, ze draagt meestal een spijkerbroek en ze heeft kort donker haar."
"Borstomvang?"
"Ik houd het op een B-cup, maar die heb ik nergens gespecificeerd."
"Ik hoor het al, je blijft dicht bij huis. Je houdt er toch wel rekening mee dat ze in de problemen komt als ze een relatie aangaat met een patiënt, hè?"
"Van die beperking is ze zich maar al te pijnlijk bewust, maar ze troost zich met de gedachte dat hij na zijn revalidatie vrijwel de oude zal zijn."
We praatten nog een tijdje door over boeken tot Adrie de maaltijden kwam brengen. "Leuk dat u er bent, dokter", zei hij. "Het is lang geleden dat de dokter van het dorp hier op bezoek kwam. Dat was nog in mijn vaders tijd." Hij zei het tegen Ellen, maar zijn blik dwaalde af richting Hermien en gaf aan dat er meer redenen waren, twee om precies te zijn, waarom hij het bezoek op prijs stelde.
"Ik ben hier geen dokter, hoor," zei Ellen, "gewoon mevrouw Van Goijen en Ellen vind ik ook goed. Mijn vrouw heet Hermien."
"OK. Jullie zullen wel gehoord hebben dat ik Adrie heet. Eet smakelijk."
"Zo, dat weten we nu ook", zei ik toen hij buiten gehoorsafstand was.
"Wat weten we nu?" vroeg Stef.
"Dat Herman ook wel eens hier in de kroeg kwam. Dan zal hij ook wel eens gepraat hebben met de oude Adrie, beide oude Adries."
Ik vertelde Ellen en Hermien over de laatste ontwikkelingen. Ze hadden mijn mail natuurlijk gelezen, maar ze hadden geen suggesties. Volgens Ellen had ik die ook helemaal niet nodig. "Je bent toch prima bezig? Ik denk dat je ons altijd een paar stappen voor zult zijn."
Ik zei dat die vraag om suggesties ook niet de hoofdzaak was. Ik wilde in de eerste plaats een aantal goede vrienden laten weten wat de stand van zaken was. Het schrijven was ook een middel om alles op een goed rijtje te zetten. "Het staat allemaal wel op een rijtje, maar er staan ook allerlei persoonlijke dingen tussendoor, die ook op een rijtje moeten, zoals over Ankie bijvoorbeeld."
"Vanuit een andere invalshoek", zei Hermien, "zijn die lieve kleine en ik daar ook best redelijk geïnteresseerd naar. Je hoeft ons niet alle bedgeheimen te vertellen, maar je bent wel de eerste heterovrouw die we kennen die buiten de platgetreden paden is getreden. Je bent niet de enige, hoor."
"Wel een van de weinige, denk ik, die erover vertelt, waar haar man bij zit", zei Ellen.
"Terwijl ze niet afkeurend kijkt als diezelfde man naar een laag uitgevallen décolleté zit te staren", voegde Hermien daar prompt aan toe.
"Lieve Hermien," zei Stef, "ik kan het ook niet helpen dat je tegenover me zit en als jij iets in de etalage legt, moet je niet vreemd opkijken als er in de etalage gekeken wordt."
"Het is alsof ik jou hoor, kleine, maar laten we het niet over mij hebben." Ze keek naar mij, afwachtend.
Ik zei dat ik niets bijzonders te vertellen had. "Je komt een heleboel mensen tegen die je aardig vindt. Een heel enkele keer kom je iemand tegen van wie je bijna instinctief weet dat je die veel meer dan aardig vindt en dat het wederzijds is. Dat voel je niet, dat weet je. Ik ben het afgelopen weekend bij haar geweest. We hebben in hetzelfde bed geslapen en we hebben gevreeën. Heerlijk. Maar als ik nu per se moest kiezen, óf Stef, óf Ankie, dan hoef ik geen seconde na te denken en ik zou het ook heel erg vinden."
Ellen en Hermien keken vragend naar Stef.
"Voor mij is het heel simpel: ik houd van Annet en zij houdt van mij. Als ik me niet heel erg vergis begrijpen jullie heel goed wat ik daarmee bedoel."
Hermien wilde iets zeggen, maar Ellen stak een waarschuwende vinger op. Hermien pakte haar hand en drukte er een kus op. "Ik was niet van plan iets grappigs te zeggen, kleine. Ik ben doodserieus. Ik wil nog veel met jullie praten," zei ze tegen ons, "maar ik hoef geen gesprekken meer met jullie te voeren, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik weet al genoeg. Zullen we er nog één nemen, kleine? Als er een spoedgeval is, bel je gewoon 112. Oeps, maak ik toch weer een grap."
We praatten nog lang door. Het werd een latertje, dus.

Maandag 9 april, 13.30 uur

Vandaag schrijf ik in twee etappes en ik wilde met het leukste beginnen. De zaterdag begon wel leuk met het ontbijt in de zon, maar ik zat toch voortdurend te wachten op een berichtje van Ankie. Direct na het opstaan had ik mijn e-mail al gecheckt. Niks dus. Na het samen boodschappen doen keek ik weer. Nog steeds niks.
Stef merkte uiteraard hoe ongedurig ik was. "Ankie moet de deur uit, lieverd, om te kijken of er e-mail is. Het zit er ook dik in dat haar vriendje op bezoek is, of zij bij hem. Zou jij in zo'n situatie om het uur de deur uitgaan, steeds naar een andere plek, om naar je e-mail te kijken?"
"Nee, dat weet ik ook wel. Ik heb zo'n hekel aan dat lijdzaam afwachten. Als ik maar wat weet. Voor mijn part zeggen ze dat ik het wel kan vergeten. Heb ik tenminste iets om mee door te gaan. Zou ik Ankie kunnen bellen?"
Stef keek op zijn horloge. "Om kwart voor twaalf zullen ze wel uit bed zijn, neem ik aan."
Ik dacht niet verder na, maar pakte de telefoon.
"Karel ... uh, toestel van Ankie."
"Oh ... met Annet. Je weet wel. Sorry, stoor ik?"
"Nee hoor. Ze is net klaar met douchen, denk ik. Ik loop wel ... Daar is ze. Annet voor je."
"Hi. Dat dacht ik al toen ik de telefoon hoorde. Hè, droog me eens verder af. Dat was tegen Karel. Ik zet mijn pc aan. Ik kijk hier wel even. Je kunt ook al te voorzichtig zijn. Gaat alles verder goed?"
"Prima. Met jou ook, zo te horen."
"Kan niet beter. Wacht, ik leg je even neer." Ik hoorde haar typen. "Bingo!"
"Wat? Wat zeggen ze?"
"Korter kan het niet, twee letters.
"Zeg het nou. Ik sta hier te trillen."
"OK. Dat staat er, OK, in hoofdletters. Geen punt. Geen uitroepteken. Ze doen het. Je hebt nog ruim vierentwintig uur om in spanning te zitten. Ik niet veel minder trouwens. Getver. Moet ik weer iets zoeken wat goed afleidt. Weet je wat? Komen jullie hier heen. We maken er een dolle avond van in de stad. Kunnen jullie meteen Karel ontmoeten. Die wil jou ook zien. Toch, Karel? Vind je het goed dat ze hierheen komen?"
Ik hoorde Karel zeggen dat hij het best vond. Ik overlegde met Stef, die wel begreep, dat ik thuis toch alleen maar onrustig zou rondhangen. We konden slapen in Ankies flat. Zij zou bij Karel slapen. "Gaan we zondag brunchen in het restaurant in het Vondelpark", besloot Ankie. "Pak je spulletjes bij elkaar, spring in de auto en kom hierheen." Voordat ze neerlegde hoorde ik haar nog zeggen: "Dat was al droog, hoor."
We voegden onze daad bij het woord van Ankie en zaten een kwartier later op de snelweg.
"Relax, Netje", zei Stef toen we een tijdje op weg waren. "Accepteer nou gewoon dat je er een dag lang helemaal niets aan kunt doen. Doe maar net of je een spannend boek een dagje moet laten liggen. In dat verhaal verandert ook niets, zolang je niet leest."
We zetten de auto bij de P + R bij het Olympisch Stadion en namen daar de tram naar Ankie, waar we om een uur of half drie aankwamen. Ankie zag er stralend uit. De oorzaak daarvan stond naast haar met een arm om haar schouders.
De mannen wachtten geduldig tot we uitgeknuffeld waren. Daarna was het Stefs beurt om Ankie te zoenen. Karel zag het heel even aan. "Gelijke monniken, gelijke kappen." Ik kreeg een paar stevige zoenen.
"Toch net wat anders, vind je niet," zei Ankie, "zoenen met een baard. Ik begin al wat te wennen, maar ik krijg nauwelijks voldoende gelegenheid om te oefenen. Woensdag gaat hij voor een week naar Londen."
"Is dat nou leuk," vroeg ik Karel, "al dat gezwerf?"
"Door mensen die dat niet doen, wordt dat nogal overschat. Je ziet zo'n hoop van de wereld. Vergeet het maar. Je ziet grote steden vanuit een taxi. Je zit de hele dag te vergaderen en bespreken en 's avonds op je hotelkamer zit je de volgende dag al weer voor te bereiden. Ik klaag niet, hoor, want het werk vind ik leuk. Omdat ik in Boston ook een paar weekends was, heb ik wel iets van die stad gezien. Ik heb al met Ankie afgesproken dat we daar een keer een tussendoorvakantie heen gaan. Je zou kunnen zeggen dat het daar goed op gang gekomen is."
Ik hoefde niet te vragen wat "het" was. "Klinkt goed."
Karel begreep ook wat ik bedoelde. "Ik vertel nooit zoveel tegen mensen die ik net ontmoet heb, maar in jullie geval ligt dat wat anders. Ik heb al heel wat over jullie gehoord. Sorry Stef, iets minder over jou dan over Annet. Ankie en ik hebben afgesproken dat we het voorlopig houden zoals het nu is. We zien elkaar in het weekend, door de week mailen we. Als ik huwelijksadviseur was zou ik stellen aanraden elkaar een tijd niet te zien en intussen elkaar voortdurend te mailen. Dan kunnen ze eerst goed nadenken over wat ze zeggen. Ik zeg niet dat je alle relaties daarmee redt, maar dingen worden zo wel gauwer duidelijk, vermoed ik. Het heeft in ieder geval voor ons veel duidelijk gemaakt."
"En de ... uh ... relatie tussen Ankie en Annet, daar zit je niet mee?" vroeg Stef.
"In mijn werk heb ik geleerd dat je geen energie moet steken in het veranderen van dingen die niet te veranderen zijn. Dat is dan nog de negatieve manier om ernaar te kijken. De positieve benadering is: wat mooi is, moet je mooi laten. Zo'n badkamerscène wil ik ook wel eens meemaken."
"Kom eens langs, dan gooien we ze samen in het zwembad. Dan is er ook voldoende ruimte voor ons."
We praatten nog een tijdje door en wandelden daarna op ons gemak naar het Leidseplein.
Bij de eerste biertjes en wijntjes zei Karel: "Ik heb je samenvatting alleen nog maar vluchtig kunnen bekijken, Annet, en ik had natuurlijk al het nodige van Ankie gehoord. Ik wil er eerst goed de tijd voor nemen, voor ik er wat over zeg. OK?"
"Helemaal OK. Ik wil er morgen om vijf uur pas weer aan denken. Draait er niet ergens een spannende film?"
In een krant zagen we dat in het Filmmuseum 'Casablanca' draaide. We kenden hem alle vier, maar die film blijft de moeite waard. Hij begon om negen uur, dus we konden op ons gemak doordrinken en wat gaan eten.
Na de film gingen we nog wat drinken. Het liep al tegen enen toen we met twee taxi's naar onze diverse bestemmingen gingen. We zouden elkaar zondag om 11 uur in het restaurant in het Vondelpark ontmoeten.
Om twee uur zaten we weer op de snelweg. Ik zat mijn hele scenario nog eens te door te nemen. Van het rosarium naar het Raadhuisplein is ongeveer tien minuten lopen. Vanuit het restaurant op het plein kon ik dus tegen half zes de politie bellen. Ik hoefde niet te doen alsof ik zenuwachtig was. Dat was ik al. Ik had een wat donker type, waarschijnlijk een buitenlander, gezien die zich verdacht gedroeg. Hij keek voortdurend om zich heen. Hij had even op die stenen bank gezeten, maar daar ging hij weg zonder de weekendtas die ik hem had zien dragen. Ik zou mezelf mevrouw Van der Velden noemen en als ze dat zouden vragen zou ik niet naar het bureau komen. Ik wilde niet herkend worden.
We waren net voor zes uur thuis. Mijn scenario kon zonder haperingen afgewerkt worden. Ik wilde nog niets drinken. Ik ging door naar de slaapkamer om mijn sportkleding aan te trekken. Eerst die overmaat aan adrenaline eruit. Ik holde drie rondjes om het bos. Toen ik het huis weer binnenkwam stond de badkamerdeur open. Stef zat in bad. Boven veel schuim zag ik alleen zijn hoofd. Ik was al aan het janken toen ik mijn schoenen, hemdje en broekje uittrok en ik jankte nog een tijd door terwijl ik tegen Stef aan lag. Het laatste restje spanning moest er ook nog uit. Daar zorgde Stef voor.
Om tien uur zette ik de regionale tv aan voor het nieuws. Dat begon ermee. Na een anonieme melding had de politie in het rosarium een pakket aangetroffen. Technisch onderzoek wees uit dat er geen ontploffingsgevaar was. De politie had het pakket meegenomen voor nader onderzoek. Meer hoefde ik op dat moment niet te weten. Ik gaf Stef een zoen en ging naar bed. Ik was bekaf en ben als een blok in slaap gevallen.
Vanavond zal ik alles aan Hans opbiechten, per telefoon.

Dinsdag 10 april, 9.45 uur

Na het journaal van gisteravond belde ik Hans. Na wat algemeenheden vroeg ik of hij wist wat er in de weekendtas zat.
"Welke weekendtas?" vroeg hij.
"Die de politie gisteren bij het rosarium heeft opgehaald."
"Hoe weet jij dat het een weekendtas was? Het politiebericht aan de pers ging over een pakket."
"Ik heb die weekendtas daar neer laten zetten en ik heb de politie gebeld."
"Ik kom nu naar jullie toe." Zonder nog iets te zeggen verbrak hij de verbinding.
Ik had niet de indruk gekregen dat hij naar ons toekwam om mij te feliciteren met het succes van mijn actie. Stef liet hem twintig minuten later binnen en ging koffie inschenken.
Ik zat op de bank. Hans ging tegenover me zitten. "Vertel!" Het klonk niet als een verzoek, maar als een bevel.
Ik vertelde het hele verhaal. Hij onderbrak me niet. Hij dronk zijn koffie. Hij reageerde niet meteen.
"Ik zou je moeten opsluiten. Je brengt jezelf in gevaar. Je laat een reeks agenten en deskundigen uitrukken die denken te maken te hebben met iets dat kan ontploffen. Je zadelt de politie op met een onderzoek naar iets wat er niet is. Die denkt, dat dacht ik ook, dat die vijf ton een betaling is voor een levering in het drugsmilieu. Ja. Je hebt succes gehad. Er zat inderdaad een halve ton in die tas. Gefeliciteerd. Heb je nog meer verrassingen in petto? Verdomme, Annet, ik wil hier graag nog een keer komen, niet als politieman, maar gewoon als een vriend, met Loes. Dat wordt een beetje moeilijk als ik het gevoel heb dat je achter mijn rug om van alles bekokstooft."
Stef zei niets en dat verwachtte ik ook niet. Hij zei gelukkig ook niet: "Zie je nou wel?" Hij liet me mijn eigen boontjes doppen en daar had hij gelijk in.
Ik moest ook een tijdje nadenken. "Ik wil ook graag dat je hier nog vaker komt, met Loes, maar dan moeten Stef en ik hier nog wel wonen, in een onbeschadigd huis. Wil je littekens van brandwonden zien als je mij of Stef het zwembad ziet induiken? Wil jij graag een ongevraagde naaktfoto van Loes toegestuurd krijgen? Ik wilde je niet bedonderen, Hans. Als ik je vantevoren mijn plan had verteld, had je het mij uit mijn hoofd gepraat of je had andere manieren gezocht om te voorkomen dat ik het uitvoerde. Ik weet alleen dat de politie op dit moment geen enkel houvast heeft voor een onderzoek. Ik weet nu ook en jij weet dat ten minste één van die bestuursleden en waarschijnlijk alle drie niet zuiver op de graat zijn. Ik kan de boeken van die stichting niet onderzoeken, maar jij kunt misschien een aanleiding vinden om dat wel te doen. Dan moeten ze maar eens uitleggen waar die vijf ton gebleven is en waar ze eerder geld heen gesluisd hebben. Dit is niet zomaar een riant dak boven ons huis. Stef werkt hier. Daarnaast hebben we veel plezier hier en andere mensen mogen hier ook plezier hebben. Daar blijf ik voor knokken, als het kan met jouw hulp en hulp van anderen en als het moet zonder hulp. En als ik problemen voor jou heb veroorzaakt spijt me dat echt. I rest my case."
Hans keek al weer een stuk vriendelijker. "Ik heb geen problemen. Ik was vooral kwaad omdat ik bezorgd was en nog ben. Ik dacht: wat heeft die meid nou weer uitgehaald? Je hebt niet te maken met een stel kwajongens. Wat jij nu eigenlijk zou moeten doen is officieel naar de politie stappen en vertellen waarom drie mannen bereid waren vijf ton in een weekendtas onder een bosje te zetten."
"Ja", zei Stef, "en dan blijken er ineens nog een paar mannen te zijn, die dat helemaal niet aardig vinden van Annet en die willen haar dat hardhandig duidelijk maken. We willen als we de deur uitgaan niet voortdurend achter onze rug kijken of op een stil weggetje klem gereden worden. Ik kan me geen betere werkplek voorstellen dan deze, maar zonder een ongeschonden Annet is dit mijn werkplek niet meer."
De lucht was inmiddels weer helemaal opgeklaard. Hans zou kijken of hij een reden kon bedenken de stichting officieel te bekijken. Ik moest hem beloven dat ik niets zou ondernemen zonder het hem vooraf te laten weten. Alleen als hij het als politieman echt niet kon laten gebeuren zou hij me tegenhouden. Voor de rest zou hij alleen als vriend adviseren of waarschuwen. Dan moest ik maar bekijken wat ik er mee deed.
Voor hij wegging vroeg Hans nog: "Die Ankie, die de mailtjes verstuurde, wie is dat? Laatst had je het ook over haar."
Ik gaf hem de korte versie: leuke meid die ik tijdens mijn reisje door Egypte had ontmoet en met wie ik contact was blijven houden. Hij mag van mij best het hele verhaal weten, maar op dat moment stond mijn kop er niet helemaal naar. We namen even hartelijk afscheid al altijd.
"Ben jij ook bezorgd?" vroeg ik Stef.
"Ja."
"Zo ken ik je weer. Een duidelijk antwoord op een duidelijke vraag. Weet je wat? Ik ga twee glaasjes cognac inschenken en ondertussen denk jij na over het lange antwoord. Iets over een jonkvrouw in nood en een koene ridder op een wit paard die haar komt redden."
Ik gaf Stef zijn glaasje, we klonken, nipten en zetten de glaasjes op tafel.
"Voordat Hans je kan tegenhouden, heb ik je al tegengehouden, Netje, tenzij je buiten mij om dingen zou doen, maar dat doe je niet. Ik weet dat je niet blindelings te werk gaat. Wie ze ook zijn, ik zie niet hoe ze kunnen weten waar je mee bezig bent. Ik zie niets specifieks waar we ons bezorgd over moeten maken, of waarom ik me speciaal om jou bezorgd zou moeten maken. Daarom ben ik bezorgd, omdat ik niet weet waar en wanneer er iets kan gebeuren. Het kan best zijn dat de jonkvrouw een keer de ridder op het witte paard uit een hinderlaag moet redden. Dit huis is een stuk onroerend goed dat ik uiteindelijk wel kan missen. Het is vervangbaar. Jij niet. Lang genoeg antwoord op een duidelijke vraag?"
"Weet je dat je me de laatste tijd vaker Netje noemt dan vroeger?"
"Een tijdje terug schreef je dat je intenser bent gaan leven. Je bent de enige niet. We letten meer op elkaar en op andere mensen. We zijn meer betrokken. Nog niet zo lang geleden zou ik het in de meeste gevallen storend hebben gevonden als er andere mensen bij kwamen zitten als wij met z'n tweeën gingen eten. Vrijdagavond vond ik het heel leuk dat die twee meiden erbij kwamen. Met hun erbij kan ik dezelfde dingen tegen jou zeggen als wanneer we met ons tweeën zijn. Vroeger zou ik nooit zomaar tegen een vrouw of meisje met wie ik niet een soort relatie had, toegegeven hebben dat ik in haar bloesje zat te kijken. Dat vond ik leuk om te zeggen en zo lesbisch is als ze is, Hermien vond het leuk om te horen van een man. We hebben trouwens iets helemaal vergeten, bedenk ik ineens. We hebben Ankie niet laten weten hoe het afgelopen is."
Ik kon mezelf wel voor m'n kop slaan. Dat had ik zondag al moeten doen, maar toen moest ik zo nodig vroeg naar bed. En maandag moest ik zo nodig alles opschrijven. Ik pakte de telefoon.
"Niet zo snel", zei Stef. "Overmorgen gaat Karel voor een week naar Engeland. Ik kan me niet voorstellen dat ze het afscheid via de mail afdoen."
"Shit! Ik ben ook een beetje te intens met mezelf bezig geweest de laatste dagen." Ik stond op. "Ik ga nu een mailtje sturen."
Stef trok me weer terug op de bank. "Annet, doe nou eens rustig aan! Ankie heeft de afgelopen dagen haar hoofd ook bij iemand anders gehad dan jou, anders had ze jou wel gebeld. Denk je niet?"
Daar had hij natuurlijk gelijk in. "Maar ik blijf het lullig vinden dat ik haar een hele dag compleet vergeet."
"Zeker. Toen jij in Egypte was vond ik het een hartverwarmende gedachte dat je daar vierentwintig uur per dag aan me dacht. Terwijl je met Ankie lag te vrijen dacht je: oh, was Stef maar bij me. Je kon me geen moment vergeten. Geloof jij het? Ik niet. Ben ik dan hevig teleurgesteld? Helemaal niet. Jouw leven en mijn leven vallen samen met veel andere levens. Onze levens vallen wat vaker met elkaar samen dan met andere levens. Ik kan mijn zegeningen gaan tellen, maar ik wil dat niet eens bijhouden."
Ik pakte onze glaasjes van tafel. "Die drinken we leeg. Dan gaan we naar boven en laten onze leventjes lekker samenvallen."
Zonet heb ik Ankie op haar werk gebeld. Het was inderdaad zo gegaan als Stef gedacht had. Ze hadden zondagavond besloten dat ze tot woensdag bij Karel bleef slapen. Hij had de voorbereidingen voor zijn weekje Engeland wel rond en had de avonden voor zichzelf. "Gisteravond hebben we als een doordeweeks stelletje samen op de bank tv zitten kijken. Pas vanmorgen op weg naar mijn werk dacht ik eraan dat ik niet eens wist hoe het zondag was afgelopen. Ik was van plan om je vanavond te bellen."
Ik praatte haar bij en zei dat als ze vreselijk eenzaam was in het weekend ze altijd bij ons kon komen uithuilen. We moesten niet vreemd opkijken als ze dat nog deed ook.
Vanmiddag ga ik weer naar de krant.

Woensdag 11 april, 9.15 uur

De bestuursleden moeten zitten uitkijken naar een mailtje van 'Herman'. Die had immers zijn half miljoen gemist. Dat schoot me gisteren op weg naar de krant te binnen. Gisteravond nog heb ik aan Hans de tekst gemaild, die ik van plan was aan de bestuursleden te schrijven: "Dat geld heb ik dus gemist. Jullie zullen het denk ik niet missen. Ik verwacht van jullie een voorstel voor de overdracht van de herstelbetaling." Ik schreef er, aan Hans, bij dat ik van plan was het mailtje vrijdag door Ankie te laten versturen.
Ik had nog niet zo goed nagedacht over wat ik verder wilde nazoeken bij de krant. "Heemstra", "huisarts", "Boerstee", "Beek, van" en "Landrust" had ik allemaal gehad. Aan "schaken" was niet te beginnen: de krant heeft al jarenlang een wekelijkse schaakrubriek. Waar moest ik op zoeken als ik iets over ons huis te weten wilde komen? Ik gokte "Landgoed". Noppes. "Bosperceel" leverde evenmin iets op, maar het bracht me wel aan het denken. Mij stond vaagjes bij dat ik wel eens verondersteld had dat iemand iets met dat hele bosperceel wilde doen, waarbij wij in de weg zaten. Met stukken grond kun je niet zomaar doen wat je te binnen schiet. Het moet in een bestemmingsplan passen. In het archief van de krant staat ook een pc, waarmee je het internet op kan. Ik ging Jan netjes vragen of ik die mocht gebruiken. Hij liep met me mee om een wachtwoord in te toetsen. Ik had al gauw door dat wij in het zogeheten buitengebied van onze gemeente wonen. Voor het buitengebied moet de gemeente een bestemmingsplan hebben, dat minimaal één maal in de tien jaar geactualiseerd moet worden. Dat bestemmingsplan moet ik bij de gemeente kunnen bekijken, maar moet ik dat zelf doen, vroeg ik me af. Er is natuurlijk maar een heel kleine kans dat 'zij' erachter komen dat ik belangstelling heb voor het bestemmingsplan, maar als zij dat ook zouden hebben, zou dat vervelende consequenties kunnen hebben.
Ik kwam er op dat moment niet uit en had geen zin meer om verder in de oude kranten te duiken. Ik was van plan naar huis te gaan en liep naar de parkeergarage onder het Raadhuisplein. Daar veranderde ik van gedachten. Ik ging mezelf trakteren op een stuk appeltaart met een forse dot slagroom. Bij het verorberen daarvan dacht ik verder na over het gebied waar we in wonen. Aan de achterkant van het bos zijn voornamelijk weilanden. Bij helder weer kun je aan die kant de toren van de oude kerk in de stad zien. Hier en daar ligt een boerderij. Wat zou een projectontwikkelaar met dat gebied en 'ons' bos kunnen doen?
Toen we nog in Amsterdam woonden heb ik een keer een halve parkeergarage moeten doorlopen om de auto te vinden. Ik had er gewoon niet goed op gelet waar ik hem had neergezet. Dat overkomt me niet meer, maar de auto stond niet waar ik hem had neergezet. Tegen beter weten liep ik de hele parkeergarage door. Buiten op het plein belde ik eerst met Stef. Die bleef er vrij rustig bij. "Ga naar het politiebureau om aangifte te doen. Er moet wel een verhuurbedrijf in de stad zijn. Je huurt een auto en komt naar huis. Wordt hij niet teruggevonden, dan betaalt de verzekering. Er lag verder toch niks van waarde in?" Dat lag er niet in.
Ik deed aangifte op het politiebureau. Daar haalde ik uit het telefoonboek het adres van een verhuurbedrijf. Tegen vijven schonk Stef een glas wijn voor me in. We hadden allebei iets van: "We zijn een ding kwijt. We schaffen een nieuw ding aan." Dat veranderde toen we tijdens het eten gebeld werden, door de politie. De auto was al gevonden: bij een stil dijkweggetje buiten de stad, aan de andere kant, onderaan het dijkje, met de voorkant in de sloot. Geen chauffeur te bekennen.
Stef en ik keken elkaar aan. "Denk jij wat ik denk?" vroeg Stef.
"Als jij ook denkt dat ze me de auto hebben zien wegzetten en me bij de krant of het restaurant binnen zagen gaan en vermoedden dat ik daar wel lang genoeg zou blijven om hun slag te slaan."
"Dat denk ik, ja. En nog wat meer. Je bent gevolgd. Dit is een waarschuwing, als het al geen dreigement is. Je kan ook zeggen dat het lenteoffensief begonnen is dat ze aangekondigd hebben. Wil je nog steeds in je eentje doorknokken? Dat is nu de grote vraag."
Ik ging de tafel afruimen, de vaatwasmachine vullen en koffie zetten. Ik schonk alleen voor Stef koffie in. "Ik ga even om het bos wandelen."
"Is dat wel verstandig nu?"
"Zet je mobieltje aan." Ik deed wat Loes altijd doet als ze Hans wil spreken tijdens zijn werk: ik maakte een sms-je van één letter. "Kijk," zei ik tegen Stef, "ik houd mijn vinger op het knopje. Als ik maar iets verdachts merk, druk ik. Jij zet het alarmsysteem aan en komt me redden. Maar er gebeurt niets. Ze willen juist dat we nadenken en ons zorgen gaan zitten maken. Waarschijnlijk weten ze nog niet eens dat wij weten dat de auto al gevonden is en welke conclusies we daaruit trekken. Ik moet even goed nadenken."
Met de nodige tegenzin liet Stef me gaan. Ik was echt niet bang tijdens mijn wandeling. Zonder enige onderbreking wandelde ik vier keer om het bos. Eén besluit stond al gauw vast. Van nu af aan ga ik, als ik alleen ben, op de fiets, langs binnenweggetjes naar de stad. Geen mens kan me dan volgen zonder dat ik het in de gaten heb. Ik zou Hans een mailtje sturen met het verhaal over de auto en wat we daarvan vonden. Ik zou hem ook zeggen dat ik nog niet zover was om de politie officieel in te lichten. Als hij dat wel vindt, moet hij het maar laten weten. 'Zij' konden niet weten dat ik me meer kwaad maakte dan bezorgd. Ik laat ons hier niet wegjagen! Ik wil kinderen in de tuin zien spelen, onze kinderen. Ik wil kleinkinderen leren zwemmen in ons eigen zwembad. Ik nam nog een besluit: ik wil kinderen. Het is al weer een tijdje geleden dat Stef en ik het daarover gehad hebben. Ik begon erover toen ik naast Stef op de bank zat en hij de tv had uitgezet. Ik vroeg hoe lang hij nog wilde wachten met pogingen een nieuw schrijvertje op de wereld te zetten.
"In ieder geval nog tot hier alles weer helemaal rustig is."
"En hoe lang daarna nog?"
"Tot jij zegt dat je ook wel eens een eigen kind wil opvoeden in plaats van die van anderen."
"Kun jij schrijven met een blèrend kind in huis?"
"Vast niet. Poepluiers verwisselen zal de concentratie ook niet bevorderen. Ik zal m'n hele ritme moeten omgooien: kind stil, Stef schrijft, 's morgens vroeg of 's avonds laat. In de week of in het weekend. We zien wel. Als het mooi weer is ga jij met de kleine in de tuin zitten of tien rondjes om het bos maken."
"Zo makkelijk, denk je?"
"Nee, moeilijk. Of we besluiten nu dat de enige Van Aarden waar de wereld op zit te wachten een product is van bedrukt papier en niet een coproductie van vlees en bloed van Van Aarden en Draaisma."
"Ik ga voor de coproductie. Als alles meezit slik ik deze zomer de laatste pil."
Stef vond het moment gedenkwaardig genoeg om er een glaasje cognac op te drinken. Nadat we getoost hadden, zei hij: "Eén ding nog, Netje, we gaan niet plannen. Ik ga niet op een kalender kijken of het handig uitkomt om met je te vrijen."
"Dat hoeft niet, lieverd. Er is toch niks tegen om het elke dag te doen?"

Donderdag 12 april, 6.45 uur

Vanochtend was ik vroeg wakker. Hebben we gisteren toch niet wat al te snel een niet helemaal onbelangrijk besluit genomen? Stef had geen moment geaarzeld. Ik mag het zeggen. Ben ik er klaar voor? Nu zit ik met een kop thee voor mijn laptop. Ben ik er ooit klaar voor? Vroeger werd daar nauwelijks over nagedacht. Je trouwde en er kwamen kindertjes. Er werd al helemaal niet nagedacht over de vraag of je wel het geschikte type was om kinderen op te voeden. Ik heb tenminste nog een diploma en enige ervaring met kinderen. Ik weet dat ze heel lief, maar ook grote ettertjes kunnen zijn. Sommige kunnen dat heel goed afwisselen. Ik weet uit ervaring dat kinderen me aardig vinden en vertrouwen. Dat zal een eigen kind dus zeker doen, tenzij het DNA door elkaar gegooid is.
Ik ben er intussen vrij zeker van dat ik na mijn onbetaald verlof niet weer voor de klas ga staan. Ik wil gaan schrijven, geen thriller, een gewone roman. Het thema zal klassiek zijn: een driehoeksverhouding. Er zal een autobiografisch element in komen: getrouwde vrouw wordt verliefd op een vrouw. Ze heeft alleen de pech dat haar man van het oude stempel is: ze is van hem en niemand anders. Verder ben ik nog niet. Ik weet ook niet wat het betekent verliefd te zijn op een vrouw. Ik ben niet verliefd geweest op Ankie. Ze was er gewoon ineens. Nu is ze een extra maatje, met wie ik af en toe meer doe dan praten. Ik zou eens aan Ellen en Hermien kunnen vragen wat het betekent om verliefd te zijn op een vrouw. Zij weten er alles van. Waar letten zij op?

9. 30 uur

Ik hoorde Stef opstaan. De deur van mijn kamer stond half open. Hij zag me dus aan mijn bureau zitten toen hij naar de keuken wilde gaan. Ik zei dat hij mocht binnenkomen en mocht lezen wat ik geschreven had. "Wil je nog doorschrijven?"
Dat hoefde ik niet zo nodig, dus we gingen samen ontbijten.
"Een kind, geen juf meer en een roman", zei Stef. "Je kan voorlopig alles nog terugdraaien, hoor. Ik zal je niet aan je woord houden."
"Als gezond meisje moet dat kind me wel lukken. Van die roman ben ik lang niet zo zeker."
"Gewoon beginnen met schrijven. Heb ik ook gedaan. Daardoor kan dat kind ongestoord in het gras spelen en al vroeg leren zwemmen. Heb je al stiekem namen bedacht?"
"Voor een meisje."
"Dat zal tante Ankie vast wel leuk vinden."
"Misschien komt ze wel in het weekend. Ze zit in haar eentje en daar houdt ze niet van."
"Van mij mag ze komen."
Na het ontbijt mailde ik eerst de tekst voor het mailtje aan de bestuursleden naar Ankie. Ik zette erbij dat ze het niet vóór vrijdag vijf uur 's middags moest versturen. Tot die tijd had Hans voldoende gelegenheid gehad mij ervan te laten afzien als hij dat nodig vond.
Ik heb weer dat vervelende gevoel dat ik een tijdje niets anders kan doen behalve afwachten. Ik kan me daar het beste gewoon bij neerleggen. 'Ze' zijn het lenteoffensief begonnen. Het zal vast geen weken duren voor er weer iets gebeurt. Ik zie niet waar ik nog meer informatie vandaan kan halen. Ik moet het allemaal weer eens laten bezinken. Kan ik ook weer eens een boek lezen. Dat schiet er nogal bij in de laatste tijd.

Maandag 16 april, 9.00 uur

Het weekend begon in majeur en eindigde in mineur.
Vrijdagochtend belde Ankie al vroeg, voordat ze aan het werk ging. Ze kon wel en uurtje eerder vrij nemen en zou met de auto komen, als wij het goedvonden dat ze al op vrijdag kwam. Ik zei dat ze wat mij betreft meteen mocht komen, ik liep toch een beetje met m'n ziel onder m'n arm. Dat kon niet, want ze moest iets per se afmaken. Bovendien moest ze dat mailtje versturen en dat wilde ze in Amsterdam doen. Volgens het weerbericht zou het mooi weer worden en ze zag ons al lekker in de zon liggen bakken. Ze wil dit jaar ook streeploos bruin worden.
Ik ging 's ochtends de boodschappen voor het weekend doen. Hadden we dat vast gehad. Op impuls stopte ik bij Adrie voor een cappuccino en een tosti. Ik was de enige gast op dat moment.
"Wat een rust", zei ik maar.
"Je bent ook behoorlijk vroeg op stap. Ga je ergens heen?"
"Ik kom al weer terug. Ik heb net de boodschappen gedaan. Een vriendin uit Amsterdam komt dit weekend op bezoek."
"Leuk. Wat denk jij, zou die weekendtas in het rosarium afgelopen zondag gewoon een uit de hand gelopen grap geweest zijn? Er is daarna niks meer over gezegd, tenminste niet op tv of in de krant."
Het duurde even voor ik me goed realiseerde wat hij gezegd had en daardoor slaagde ik er ook in gewoon door te blijven praten. "Was het een weekendtas? Ik dacht dat ze het over een pakje hadden. Nee, een pakket."
Adrie vertrok geen spier. "Oh. Ja, natuurlijk, een pakket. Hoe kom ik nou op een weekendtas? Oh, ik weet het al. Adrie kwam gisteren van de training en heeft zijn tas hier achter de bar gezet. Kijk, hij staat hier nog. Die jongen laat alles achter zijn rug liggen." Hij bukte zich en liet inderdaad een weekendtas zien.
Mooi gevonden, Adrie, dacht ik, maar daar trapt Annet niet in. Terwijl ik mijn tosti at kon ik mijn mond houden en nadenken. "Onze auto is gejat uit de parkeergarage bij het gemeentehuis. Hij is later in een sloot teruggevonden, maar er was niemand in de buurt. Dat was afgelopen dinsdag. Misdaad loont niet altijd, dat zie je maar weer."
Hier moest Adrie over nadenken. "Heeft de politie enig idee?"
"Ze hebben gekeken naar vingerafdrukken, geloof ik, maar intussen staat hij bij een garage om schoongemaakt en verder nagekeken te worden. Maandag kan ik hem ophalen. Na vieren." Ik had helemaal geen tijd afgesproken met de garage. Ik gooide gewoon een visje uit. Nu maar afwachten of ze in dat visje zouden bijten. Adrie zou wel doorgeven waar dat vrouwtje maandag om vier uur zou zijn. Dat vrouwtje zou er wel met haar man zijn, maar dat hoefde Adrie niet te weten.
"Adrie!" hoorde ik van ergens achter de bar roepen.
"Ik heb hier klanten", riep hij terug. "Er staat hier nog een tas met sportkleren die gewassen moeten worden."
Lies kwam tevoorschijn. Ze volstond met een knikje in mijn richting. Ze zou er volgens mij heel aantrekkelijk uit kunnen zien als ze daar een klein beetje moeite voor deed. Met die volle bos haar moest heel wat meer te doen zijn dan een lullig permanentje. Ook die stomme schort kon niet verbergen dat ze een boezem had die mannen graag nader zouden bekijken. Ze zou vooral die norse trek van haar gezicht moeten halen.
"Wat moest je?" vroeg Adrie nadat ze de tas had gepakt. "Komt straks wel." Toen ze zich omgedraaid had, zag ik dat ze een vrij kort, strak zittend rokje droeg en niet ten onrechte: zulke fraaie benen zie je ook niet elke dag.
Ik betaalde mijn consumptie en wenste Adrie een prettig weekend, waarop hij "Insgelijks" zei.
Bij de lunch vertelde ik Stef nog niet dat ik bij Adrie was geweest. 's Avonds kon ik het tegelijk aan Ankie vertellen. Ze was er eerder dan ik gedacht had, kwart over zes. Ze bekende dat ze hier en daar wel iets te hard gereden had.
"Was je zo alleen?" vroeg Stef.
"Daar mag je geen grapjes over maken", zei Ankie op bestraffende toon. "Ik ben iets moois aan het opbouwen, ja? En Karel bouwt lekker mee. Afgelopen maandag en dinsdag heeft hij zelfs overwerk gedaan qua relatieopbouw."
"En nu even zonder gekheid", zei ik. "Hoe ziet de toekomst eruit?"
"Dinsdagavond vroeg hij hoe ik dacht over min of meer officiële etentjes met zakelijke doeleinden, waar van die belangrijke mannen graag hun nieuwste vrouwelijke aanwinst showen. Ik zei dus dat zulke etentjes me een ramp leken, maar dat ik los daarvan best af en toe in een mooi jurkje mee wilde gaan, mits ik niet als de zoveelste aanwinst gepresenteerd zou worden en niet alleen met die vrouwen over botox en liposuctie hoefde te praten. Weet je wat die lieverd zei? Hij haat die etentjes. Met mij erbij kunnen ze nog een béétje leuk worden."
"Tuurlijk", zei ik, "je trekt iets onthullends aan en gaat naast die andere vent zitten."
"Naast die andere vent?"
"Ja, dan zit je tegenover Karel, die van al dat onthullends kan genieten, terwijl die andere vent naar zijn laatste botox- en siliconeninvesteringen zit te kijken."
Bij de koffie vertelde ik over mijn bezoekje aan Adrie. Dat hij contacten heeft met het bestuur van de stichting was voor Stef en Ankie ook zonneklaar. Ik zei dat ik Lies zo raadselachtig vond. Aan de voorkant een huissloof, aan de achterkant bijna sexy. "Ik maak me graag mooi voor Stef," zei ik, "maar niet alleen voor Stef. Als ik in me eentje was, deed ik precies hetzelfde. Die vrouw kan er hartstikke leuk uitzien, maar ze laat alleen haar benen zien en zelfs daar zag ik Adrie niet verlekkerd naar kijken."
"Als jouw hypothese klopt"," zei Stef, "heeft ze haar plicht pakweg zestien, zeventien jaar geleden gedaan. Zij denkt, of weet dat ze geen kant op kan en verdomt het om zich ook nog eens mooi te maken voor hem."
"En dat korte rokje dan?"
"Adrie valt niet voor mooie benen?" opperde Ankie. "Of hij heeft een heel andere opvatting over mooie benen en draagt ze juist daarom een kort rokje. Relaties kunnen heel ingewikkeld in elkaar zitten."
"Ik vraag me af of er nog sprake is van een relatie tussen die twee. Ik zou haar een keer alleen moeten spreken. Ze zal toch wel eens de deur uitgaan? Boodschappen doen of zo? Adrie staat de hele dag in de kroeg. Ik ga eens op andere tijden naar de supermarkt. Misschien kom ik haar tegen."
"En loop je regelrecht in de val", zei Ankie. "Ik heb ook wel eens last van hypotheses."
In de hypothese van Ankie spelen Adrie en Lies een geraffineerd spel. Zij is het onbeduidende vrouwtje ver op de achtergrond. In de werkelijkheid heeft zij de veel oudere Adrie verleid om zo een plek in het dorp te krijgen. Zij en jonge Adrie zijn de laatste nakomelingen van Herman. Ze heeft maar één doel: het complete vermogen van de stichting in haar bezit krijgen en met jonge Adrie naar een zonnig land vertrekken. De oude Adrie is nog steeds in haar ban, maar hij heeft geleerd te doen alsof hij haar niet ziet. Intussen doet hij alles wat ze wil. Dat korte rokje had ik eigenlijk niet mogen zien.
IK vond het wat ver gezocht, maar niet helemaal uitgesloten. We verzonnen nog wat hypotheses bij elkaar met een zeer grote mate van onwaarschijnlijkheid, tot Ankie vroeg of ze op mijn laptop even mocht kijken wat Karel gemaild had. Dat kon ik moeilijk weigeren. Ze kwam een kwartiertje later zeer opgewekt weer naar beneden. "Willen jullie de zeer beknopte versie weten? Karel mist me."
"Heb je al terug gemaild?" vroeg Stef.
"Nee. Hij mailt 's avonds. Ik mail 's morgens. Kan ik in de keuken ook e-mailen? Dan kan ik er een kop thee bij drinken."
Stef verzekerde haar dat ze al haar gevoelens ook in de keuken kwijt kon. "Denk je dat je rond een uur of tien alles juist verwoord heb? We willen ook wel wachten tot je bij ons op de deur klopt. We bedenken wel iets om ons te amuseren."
Ankie ging in ieder geval naar bed om niet al te laat wakker te worden. Stef en ik gingen niet veel later.
Ankie kon niet voorkomen dat ik de volgende ochtend de deur hoorde opengaan. Kwart over zes! Ik draaide me om en werd tegen half negen weer wakker. Ik kon me niet voorstellen dat ze nog steeds aan het schrijven was en ging naar beneden. De laptop lag gesloten op de keukentafel. Ankie was er niet. Ze was ook niet in de woonkamer of zitkamer en ik had al gezien dat ze niet op bed lag. Ik ging naar buiten. Het was heerlijk weer. Ankie lag op haar buik in het gras met haar hoofd op haar rechterarm. Ze sliep. Ik ging bij haar zitten en streelde heel voorzichtig haar rug en schouders. Na een kwartiertje verscheen Stef in de keukendeur. Hij maakte gebaren van "Wil je thee?" Ik stak mijn duim op. Hij kwam met twee koppen thee bij ons zitten. Na een half uurtje draaide Ankie zich op haar rug, rekte zich behaaglijk uit en deed haar ogen open. "Hi! Zitten jullie hier al lang? Hoe laat is het?"
"Lekker liggen dromen?" vroeg ik.
"Dat wil je niet weten. Nou ja, dat wil je natuurlijk wel weten, maar dat vertel ik niet."
Stef bood aan een 'petit dejeuner a l'herbe' te verzorgen, wat we een goed idee vonden. Het werd een ongecompliceerd plezierige dag.
De zondag was grotendeels een herhaling. Ik hoorde Ankie niet opstaan. Even na achten trof ik haar op het terras aan met koffie, een gesloten laptop en een opgewekt gezicht. Stef kreeg zijn ontbijt op een presenteerblaadje aangeboden. We lagen weer veel in de zon na elkaar goed ingesmeerd te hebben met zonnebrandcrème.
Om een uur of vier ging de telefoon. Stef ging naar binnen. Hij keek niet vrolijk toen hij bij ons kwam zitten. "Dat was Loes. Hans ligt in het ziekenhuis. Er is op hem geschoten. Niet tijdens zijn werk. Ze waren gewoon met z'n tweeën aan het fietsen. Vanuit een achterop komende auto is er geschoten. Het was gewoon een aanslag. Hans is behoorlijk gewond, maar buiten levensgevaar. De artsen verwachten niet dat er blijvende gevolgen zijn."
Ik kon me zelf wel voor m'n kop slaan, omdat het eerste wat ik dacht was: nou moet ik het voorlopig alleen opknappen. Alsof dat het belangrijkste was. Na een tijdje kwamen we er natuurlijk toch op wat het voor ons zou betekenen en of het iets met onze zaak te maken kon hebben. We wisten niet óf Hans daar iets aan deed, buiten alles en iedereen om, en wát hij er dan aan deed.
Bij het afscheid nemen zei Ankie: "Doen jullie alsjeblieft heel voorzichtig? Ik wil jullie, niet missen, geen van beiden. En ik wil ook geen littekens zien, als ik hier weer in de zon kom liggen."
We beloofden het plechtig. De rest van de avond zaten we zonder veel te zeggen sombertjes bij elkaar.

Dinsdag 17 april, 14.00 uur

Kort na één uur keek ik of ik e-mail had. Er was net een mailtje binnengekomen van Ellen. Ze stuurde een mailtje door van pat@hotmail.com: "Als huisarts bent u natuurlijk verplicht Stef en Annet te helpen. U bent niet verplicht ook persoonlijk met ze om te gaan. Dat kunt u beter niet doen." Ellen schreef erbij:

Dag Annet,
Dat mailtje is afkomstig van jullie 'vrienden' neem ik aan. Met die lange heb ik het er nog niet over gehad, maar die zal zich er ook niets van willen aantrekken. We hebben eerder geleerd dat we zelf wel uitmaken met wie we omgaan en met wie niet. Iedereen hier kent mijn e-mailadres. Dat staat op mijn recepten. Mensen kunnen per e-mail afspraken maken en om herhalingsrecepten vragen. Misschien vroeg je je dat af. Misschien weten zij dat we wel eens op bij jullie op bezoek geweest zijn, maar ze hebben ons in ieder geval samen gezien in de kroeg. Het zal die Adrie niet ontgaan zijn dat we nogal vriendschappelijk met elkaar omgaan. Dus, lieve Annet, niet gaan zeggen dat het misschien beter is elkaar voorlopig maar wat te mijden. Die lange is in staat je dan juist te gaan stalken. Houd je haaks!
Liefs,
Ellen.


Ik stuurde meteen een mailtje aan Ellen terug.

Lieve Ellen,
Laat Hermien me maar stalken. Heb ik meteen een bodyguard. Ik wil jullie niet mijden (Stef ook niet!) en dat ga ik ook niet doen. Ik laat me evenmin de wet voorschrijven. Ik ben niet bang dat ze het op jullie voorzien hebben. Ze willen ons pesten. Lief dat jullie zo reageren.
Groetjes voor Hermien,
Annet.

Ik zie niet direct dat Ellen en Hermien ook in de gevarenzone komen. Het is eerder, denk ik, een poging van 'hun' ons sociaal te isoleren. Het begint er wel op te lijken dat 'zij' en het bestuur dezelfde personen zijn. De enige van wie ik zeker weet dat hij er altijd is als we bij Adrie zijn, is Adrie zelf, maar er zullen toch wel een paar stamgasten zijn die er ook zo'n beetje elke vrijdag- en zaterdagavond zijn. Wij zitten nooit bij een bepaald groepje, maar de ene keer aan de bar, de andere keer aan de stamtafel, maar ook wel gewoon met ons tweeën aan een tafeltje. We kennen gezichten en voornamen, maar ik heb er nooit op gelet wie er wel of niet waren. Je kunt ook zeggen dat we nog steeds niet echt deel uitmaken van de dorpsgemeenschap. We doen ook niet mee aan de roddelcultuur, al is die redelijk onschuldig. We hebben geen buren met wie we buiten de kroeg praten. We zijn geaccepteerd, maar ook nog steeds buitenstaanders. Dat zijn Ellen en Hermien ook. Is er iets wat het hele dorp geheim wil houden voor buitenstaanders?
Het is helemaal niet zeker dat het schieten op Hans iets met ons te maken heeft. Dat weet ik. Ik weet in ieder geval zeker dat er door de politie voorlopig helemaal niets aan ons gedaan wordt. Ik ben er ook zeker van dat 'zij' gewoon zullen doorgaan, ook als de aanslag op Hans er niets mee te maken heeft.
Niet ik, maar Stef heeft gisteren onze auto opgehaald. Ik heb zonder protest toegegeven dat hij dat beter kon doen. Ik was blij dat hij zonder kleerscheuren thuiskwam. Je kunt ook een auto met de chauffeur achter het stuur een ongeluk laten krijgen. Een fietser een ongeluk laten krijgen is nog wat makkelijker. 'Ze' hebben ons wel duidelijk gemaakt, bewust of niet, dat we goed moeten nadenken voor we onze beveiligde thuisbasis verlaten. Hoe veilig zijn we bij Adrie? Hij weet precies wanneer we weggaan en dat we er ongeveer een kwartier over doen om naar huis te lopen. We kunnen stoppen met onze bezoeken aan Adrie, maar dat zou erop wijzen dat we dat niet meer verantwoord vinden. Ik moet juist meer met Adrie praten. Hij heeft, zonder het te beseffen, al een paar keer zijn mond voorbij gepraat. Ik moet hem wat meer uitlokken. Hij is er intussen aan gewend dat ik ook wel eens overdag kom, zonder Stef. Net als de meeste mannen zal hij er, bijna automatisch, vanuit gaan dat toch vooral Stef zich bezighoudt met onze problemen en wat daartegen te doen. Het mooie weer komt er weer aan, tijd voor wat luchtiger kleding. Als hij van korte rokjes houdt, kan ik hem ook nog wel een interessant exemplaar laten zien. Mijn benen steken niet negatief af bij die van Lies, vind ik. Wat typisch vrouwelijke attributen betreft loop ik wat bij haar achter, maar een wat diep uitgesneden topje zal Adrie toch wel interessant vinden. Bij een cappuccino en tosti kan ik dan eens laten vallen dat Stef vreselijk druk aan het schrijven is en niet zo veel aandacht voor mij heeft. Ik laat het echt niet tot een afspraakje komen, maar Adrie zal toch, hoop ik tenminste, iets minder op zijn hoede zijn. Ik moet me doodschamen dat ik erover peins mijn vrouwelijke charmes in de strijd te gooien, maar in een oorlog is alles geoorloofd. Ik moet ook nog afwachten wat Stef ervan vindt. Andere mannen mogen naar me kijken, maar niet loeren. Dan zal hij wel vinden dat ik het niet moet uitlokken.
Adrie kan contact hebben met het bestuur via telefoon en e-mail, maar zo af en toe zal er toch wat uitgebreider gepraat moeten worden. Op zondag en maandag is Adrie gesloten. Hij opent de tent 's morgens om elf uur. Zondag lijkt me de meest waarschijnlijke dag voor contact. Wat zij doen kan ik ook: me ergens verdekt opstellen en afwachten of Adrie op zondag richting stad vertrekt. Er is maar één logische weg die van het dorp naar de stad gaat. Daarlangs zijn genoeg plekken waar ik me kan verschuilen. Dat is dan stap één. Stap twee is uitvinden waar hij heen gaat en dat is heel wat moeilijker. Daar moet ik nog eens goed over nadenken.
Lies moet ik ook niet uit het oog verliezen. Wat doet zij behalve het huishouden? Waar zit zij 's avonds? Wat Ankie over haar mogelijke rol in het geheel gezegd heeft, was helemaal zo gek niet. Is zij misschien degene die de persoonlijke contacten met het bestuur onderhoudt terwijl Adrie de biertjes tapt? Iemand van de klanten moet toch wel eens gevraagd hebben waarom zij niet meehelpt in de zaak. Dat is toch niet zo'n vreemde vraag? Die zou ik ook wel eens kunnen stellen, gewoon in een spijkerbroek en een degelijk truitje of bloesje. "Je doet alles hier in je eentje, Adrie. Waarom laat je Lies niet assisteren als het druk is?" Dat lijkt me een doodnormale, menselijke vraag, waar je niets achter hoeft te zoeken.
Daar was dat stemmetje weer: vergeet Ans niet! Waarom wordt er zo weinig over haar verdwijning gepraat, tenminste niet waar wij bij zijn? De avond na haar verdwijning leek iedereen echt begaan, dat kan niet gespeeld zijn. Maar al vrij gauw daarna wordt het stil. Wat weet iedereen behalve wij? Maar zoiets gebeurt toch niet meer tegenwoordig, behalve in verhalen zoals die van Stef of in griezelfilms?
Ik weet nog te weinig van het dorp en zijn geschiedenis. Nu werken de meeste inwoners buiten het dorp, de meeste in de stad. Een deel werkt hier nog, in de agrarische sector, zoals dat heet. Toeristenindustrie hebben ze hier niet, zelfs geen simpele boerencamping in de directe omgeving. Fiets- en wandelroutes laten het dorp links liggen.
Morgen ga ik naar de VVV in de stad, foldertjes halen. Daar wordt vaak de omgeving in opgehemeld. Daarna ga ik een tosti halen bij Adrie.

Woensdag 18 april, 15.15 uur

Ik had het eerder kunnen bedenken: als ik niet met de auto naar de stad ga en toch liever niet op de fiets, kan ik gewoon de bus nemen die ieder half uur gaat. Dan ben ik ook niet in mijn eentje, afgezien van het stukje lopen tussen huis en bushalte. Dat durfde ik wel aan met een vinger klaar om op het knopje van mijn mobieltje te drukken. Vanuit de bus stuurde ik Stef een sms-je om te vertellen dat ik veilig zat. Voor het eerst vond ik het toch wel een geruststellend idee dat er een camera in de bus zat. Ik was na de ochtendspits van huis gegaan dus er zaten nog maar twee andere passagiers in de bus. Onderweg stapten er nog twee in.
Bij de VVV had ik al gauw door dat ik met foldertjes niets opschoot. Die gaan allemaal over het heden. De dame achter de balie meende zich te herinneren dat ze wel eens een boekje over streekhistorie gezien had. Ik kon het eens in de boekhandel proberen. Dat had ik ook kunnen bedenken.
Op het Raadhuisplein is een behoorlijk goede boekhandel, waar wij van tijd tot tijd onze voorraad komen aanvullen. De eerste keer dat we daar kwamen hadden ze Stef natuurlijk herkend. Nadat we verteld hadden dat we niet toevallig in de stad waren, maar in de buurt waren komen wonen, waren ze meteen helemaal enthousiast. Ze organiseren wel eens een avond waarop een bekend schrijver wordt uitgenodigd over zijn werk en over zichzelf te vertellen en uiteraard kon hij dan meteen wat signeren. Stef heeft ze vriendelijk en beleefd uitgelegd dat zulke avonden helemaal niets voor hem zijn. "Ik ben een gewone burger als iedereen. Ik verdien mijn brood met het schrijven van verhalen die ik zelf bedenk. Dat lukt aardig en meer zou ik niet over mezelf kunnen vertellen. Ik kan foto's van onze fietsvakanties laten zien, maar dat gaat ook gauw vervelen, vrees ik." Ze vonden het jammer, maar legden zich erbij neer.
Bob, de eigenaar, was zelf in de zaak en kwam op me af. "Je kijkt wat rond, neem ik aan?"
"Dat ga ik ook doen, maar deze keer heb ik een vraag." Ik vertelde wat ik zocht.
"Dijkstra", zei hij meteen. "Jeroen Dijkstra." Hij liep naar een kast en haalde daar een paperback uit, 'De Zuigende Stad'. Hij zei dat het een jaar of tien geleden verschenen was. De titel betekende, verklaarde hij, dat in de loop der jaren de stad allerlei min of meer industriële activiteiten die nog in de dorpen in de omgeving werden uitgevoerd, naar zich toe gezogen had. Het was destijds goed verkocht en er werd nog wel eens naar gevraagd. Ik keek waar het uitgegeven was. Het was geen bekende uitgever, maar een bank in de stad. Ik vroeg Bob waarom een bank een boek uitgaf. "Die hadden een zoveeljarig bestaan te vieren en ze vonden het wel chic ter gelegenheid daarvan een boek uit te geven. Klanten van de bank konden het met korting krijgen. De bank betaalde ons die korting. Iedereen blij. Begin je geïnteresseerd te raken in deze streek?"
Ik vertelde hem over mijn schrijversplannen. Hij was meteen enthousiast. "Ben je net zo schuw als Stef, of wil jij het eerste exemplaar in deze winkel presenteren? Nog een schrijvende streekgenoot. Leuk!"
Ik moet dat hele boek nog geschreven zien worden, dus ik beloofde het maar. Ik dacht dat ik ook met enige zekerheid kon zeggen dat tegen Sinterklaas Stefs vierde boek in de winkel zou liggen. Ik had hem al eens uitgelegd wie alle dames waren aan wie Stef zijn boeken opdroeg en zei dat het volgende boek "Voor Margreet" was.
Ik zocht nog twee boeken uit. Ik wilde naar het restaurant lopen, maar ik bedacht dat ik niet te laat bij Adrie wilde zijn om daar nog een tosti te eten. Daar kwam ik rond half één aan. Er waren een paar andere gasten die aan tafeltjes zaten, dus ik ging aan de bar zitten.
Adrie zag aan de plastic zak dat ik bij de boekhandel geweest was. "De stad in geweest?" vroeg hij.
"Ja, met de bus deze keer. Dan weet ik tenminste zeker dat de auto niet gejat wordt. Gaan we vaker doen, beter voor het milieu ook." Geef dat maar meteen door, dacht ik erbij. Voor ik uit de bus stapte had ik Stef al gebeld dat ik weer in het dorp was.
Adrie weet intussen dat hij pas een cappuccino hoeft te maken als ik mijn tosti op heb. Toen hij de cappuccino voor me neerzette trok ik de stoute schoenen aan. "Waarom zien we je vrouw zo weinig? Je kan toch wel eens hulp gebruiken als het druk is?"
Hij hoefde geen moment na te denken. "Dat heeft ze in het begin wel geprobeerd, maar ze kan helemaal niet tegen die drukte van zo'n volle zaak. Een heel enkele keer, als ik na het inkopen doen 's morgens wat te laat ben, doet ze de zaak wel open en dan helpt ze ook wel klanten, maar dat zijn er nooit veel. Ze doet wel de hele administratie. Daar heeft ze na ons trouwen een keer een cursus voor gevolgd. De eerste jaren had ze natuurlijk ook genoeg te doen met Adrie.
"Jammer eigenlijk", zei ik. "De meeste mannen zien toch graag een aantrekkelijke vrouw achter de bar staan."
Er kwam iets van een glimlach op zijn gezicht. "Ik zal haar zeggen dat ik niet de enige ben die vindt dat ze er aantrekkelijk uit kan zien."
De nuance ontging me niet. Ik waagde een gokje. "Je ziet natuurlijk geen mooie benen als ze achter de bar staat."
"Oh, die zijn je toch wel opgevallen de vorige keer." Adrie kwam helemaal los. "Ze heeft eigenlijk helemaal geen vriendinnen hier in het dorp. Ze praat dus nooit met andere vrouwen over kleding, hoe je haar het leukst zit en meer van die dingen. Jij komt uit de grote stad, dus je bent dat veel meer gewend. Misschien zou ze eens met jou moeten praten."
Ik wist niet wat ik hoorde. Ik zei maar gauw: "Ik ben ook maar gewoon een plattelandsmeisje, hoor. Ik ben opgegroeid met loeiende koeien in de stal. Ik moest heel erg wennen aan Amsterdam en vind het heerlijk weer in een gewoon dorp te wonen. Als Lies een keer zin heeft mag ze best een keer langskomen. Ik ben meestal de hele dag thuis en Stef zie ik overdag alleen bij de lunch. Die schrijft maar door."
Ik liep in redelijke verwarring naar huis. De vorige keer liet Adrie op geen enkele manier blijken dat hij ook maar iets in Lies zag en nu zegt hij, en voor zover ik kon nagaan nog gemeend ook, dat hij haar er graag aantrekkelijker wil laten uitzien. Hij roept zelfs mijn hulp daarbij in. Is dat een manier om Lies het terrein nog verder te laten verkennen? Dan moet hij wel heel snel nagedacht hebben, want hoe kon hij nou weten dat ik over haar zou beginnen?
Ik weet het niet meer. Was 'niet met Herman bemoeien' toch een waarschuwing, geen bedreiging? Zijn er twee kampen en zit hij in het kamp dat ons wil beschermen, maar ons dat om een of andere reden niet kan vertellen? Stuurt hij Lies naar me toe om me dingen te vertellen die hij me niet kan vertellen? Kan ze naar ons toekomen zonder dat dit het andere kamp opvalt?
In 'De Zuigende Stad' wordt over ons dorp niet veel geschreven. Er heeft een korenmolen gestaan die in de dertiger jaren is afgebrand en nooit weer herbouwd. Er is een melkfabriekje geweest dat in de vijftiger jaren economisch het loodje legde. Er wordt niet bij verteld wie de eigenaren waren, alleen dat er een aantal arbeidsplaatsen verloren gingen. Ons huis wordt genoemd als één van de weinige villa's in het dorp. Dat is alles. Ik kan nog eens nagaan wie de eigenaar was of waren van het melkfabriekje.

Deel 5: De derde dame

Donderdag 19 april, 14.15 uur


Dat het zo snel zou gaan had ik absoluut niet verwacht. Net voor we zouden gaan eten gisteravond, ging de telefoon. Ik nam hem op.
"Met Annet."
"Met mevrouw Heemstra. Mijn man heeft gezegd dat ik een keer bij u mocht komen. Zou dat morgen schikken?"
"Ja hoor, dat schikt prima. Hoe laat?"
"Half tien ongeveer?"
"Ik zorg dat de koffie klaar staat."
"Oh, fijn. Dag mevrouw."
Er werd al afgebroken voor ik "Dag" kon zeggen.
"Dat was Lies", zei ik tegen Stef. "Die leeft in een klein wereldje. Ze zei mevrouw tegen me. Ik weet nauwelijks meer wanneer iemand voor het laatst mevrouw tegen me zei. Ze noemde zichzelf mevrouw Heemstra. Wie doet dat tegenwoordig nog, behalve de vrouwen in het verzorgingshuis?"
Ik had Stef al verteld over mijn gesprek met Adrie en hij wist ook niet zo gauw wat hij ervan denken moest.
"Wat ga je met haar bepraten?" vroeg Stef bij het eten.
"Geen idee. Ik had niet verwacht dat ik daar zo snel over moest nadenken. Ik laat haar maar praten, om te beginnen. Ze is er kennelijk wel aan toe om eens uit de sleur van alledag te breken. Wie weet wat er allemaal loskomt. Zo te horen lijkt ze me iemand die nog haar zondagse jurk aantrekt omdat ze op visite gaat. Wat zal ik aantrekken?"
"Het is morgen weer om op het terras koffie te drinken, maar het lijkt me niet zo handig te spelen dat je Eva bent in de Hof van Eden."
Vanochtend besloot ik een kort rokje aan te trekken. Ik diepte uit een la een spijkerrokje op dat ik nog had uit jongere jaren, maar me nog steeds paste. Stef kon niet nalatend waarderend te fluiten. "Staat je nog steeds uitstekend, maar is dat niet superkort?"
"Niet eens zo veel korter dan wat zij laatst droeg", zei ik ter geruststelling. "Daar zal ze echt niet van opkijken."
Om kwart voor tien werd er aangebeld. Ik deed het hek niet van huis uit open maar deed het daar. Dat leek me wat welkomender. Ze was met de fiets gekomen en niet in haar zondagse jurk. Ze droeg weer een kort rokje en een bloes die zonder veel nadenken van een rekje was gehaald in een goedkope kledingzaak.
"Leuk dat je er bent, Lies", riep ik. "Ik ben Annet. "Kom binnen."
We schudden handjes. Ze zette haar fiets tegen de garage en we liepen naar het terras.
"U boft wel", zei Lies, toen ik met twee cappuccino's uit de keuken kwam, "met zo'n grote tuin en dat u altijd lekker in de zon kunt zitten."
"Zullen we gewoon Lies en Annet zeggen", stelde ik voor, "anders lijken we net een stel oude dames. Dat ben jij ook nog lang niet."
"Oh. Ja. Goed. Ik zie op televisie wel eens dat mensen vaak jij en jou tegen iedereen zeggen en dat lijkt me dan zo onbeleefd. Ik ben dat niet zo gewend. Mijn man ... uh ... Adrie heeft wel eens gezegd dat klanten ook allemaal jij en jou tegen elkaar zeggen. Dat vindt hij ook heel gewoon."
"Jij komt niet zo graag in de zaak, hè? Te druk, zei Adrie."
"Het is niet zo erg dat het druk is. Ik weet nooit zo goed wat ik tegen iedereen moet zeggen. Ik heb nooit zo gauw een antwoord klaar als iemand iets vraagt of tegen me zegt."
"Je praat nu toch ook?"
"Ja, maar u ... uh ... jij ... bent alleen. Ik bedoel, we zijn maar met z'n tweeën, dan vind ik het niet zo moeilijk meer. Ik heb wel eens gehad dat ik even door de zaak moest en toen zei een man dat ik lekkere benen had. Ik kreeg zo'n kop. Ik wist niet hoe gauw ik weer weg moest zijn."
"Je hebt toch mooie benen en je laat ze zien ook. Of mag ik dat niet zeggen?"
"Dat is wat anders. Jij bent een vrouw en denkt er verder niks bij."
"Lies, mannen denken er ook lang niet altijd iets bij. Ze willen vooral stoer doen tegenover hun vriendjes."
"Denk je? Ik ben zo opgevoed, weet je."
Ze vertelde spontaan over haar jeugd in een zeer christelijk dorp. Haar ouders waren niet zo christelijk, maar waren wel overbezorgd. Ze was enig kind en werd voortdurend gewaarschuwd voor wat enge mannen allemaal wilden, zonder dat precies werd duidelijk gemaakt wát die enge mannen dan wel wilden. Dat hoorde ze pas later van meisjes uit haar klas op de middelbare school, waar ze met de bus heen ging. Ik was verbaasd te horen dat ze op haar zeventiende haar vwo-diploma haalde. Ze moest dus heel wat meer kunnen dan de simpele administratie van een plattelandskroeg bijhouden.
"Had je geen vriendje af en toe op school?" vroeg ik.
"Ik moest altijd direct weer thuiskomen van mijn ouders. Ik mocht nooit naar feestjes. En de andere meisjes zagen er veel leuker uit dan ik, geloof ik."
"Zal ik jou eens wat zeggen? Gewoon recht voor zijn raap? Als jij eens naar een goede kapper gaat en de goede kleren uitkiest, zie jij er hartstikke leuk uit. Zo'n rokje kan je altijd dragen, niks mis mee. Een bloes of een truitje hoef je niet te dragen om te verbergen dat je een vrouw bent. Dat mag je laten zien. Je bent echt niet het lelijkste meisje van de klas. O ja, je hebt nauwelijks make-up nodig, volgens mij, maar een enkel accentje hier en daar kan je alleen maar verder verfraaien. Vindt Adrie ook leuk. Let op mijn woorden. En nog wat. Als jij in de spiegel kijkt en denkt: goh, daar staat een leuke meid, dan vind je het misschien ook niet meer zo moeilijk om de zaak in te gaan. Wat kan jou het schelen wat die mannen roepen? De volgende keer doen ze het niet meer. Ze bestellen nog een extra pilsje, omdat ze in je bloesje kunnen kijken als jij het neer komt zetten. Zal ik nog een cappuccino maken?"
Dat wilde ze wel. Ik ging naar de keuken en haastte me niet. Ze moest maar even de tijd hebben om na te denken over wat ik haar gezegd had. Als ik haar maar niet te rauw op het dak gevallen was. Daar zag het niet naar uit toen ik met de cappuccino's het terras op kwam. Ze leek zelfs wat opgelucht, of er iets van haar afgevallen was.
"Jij weet vast wel een goede kapper en een goede kledingzaak in de stad," zei ze, "maar ik weet niet zo goed waar ik op moet letten".
"Dan ga ik toch met je mee. Wat dacht je van zaterdag? Volgens mij heb jij een hoofd voor heel kort haar. Je lijkt meteen tien jaar jonger. Ik zie het helemaal voor me. Maken we een afspraak?" Ik liep naar de woonkamer om de telefoon te pakken. Het nummer van mijn kapper staat ook in het geheugen. Ik zocht het nummer op en gaf Lies de telefoon. "Op dat knopje drukken. Je zegt dat je Lies Heemstra, niet mevrouw Heemstra heet en dat je voor zaterdag wil afspreken. 't Maakt mij niet uit hoe laat. Daarvoor of daarna gaan we je mooi aankleden."
Ze kon om drie uur terecht. "Mooi", zei ik. "We zorgen dat we om een uur of tien in de stad zijn. We kijken eerst hier en daar wat rond. Dan gaan we lunchen op het Raadhuisplein. Daarna gaan we serieus inkopen doen. De mooiste nieuwe dingen houd je aan. Na de kapper gaan we terug naar het dorp. We gaan bij Adrie aan de bar zitten en jij gaat lekker zitten sjansen met de barkeeper. Als er na een uurtje een vent binnenkomt met wie ik begin te sjansen hoef je niet ongerust te worden, want dat is de vent met wie ik al een tijdje zeer gelukkig getrouwd ben. OK?"
Ze dacht nog heel even na. "Ja. Ik vind het nog een beetje eng, maar het lijkt me ook wel leuk." Ze stond op. "Nou, dan ga ik meer. Dankjewel, Annet."
Ik liep met haar mee naar het hek. Ze gaf me een hand en bedankte me nog een keer. Nadat ze een meter of honderd gereden had draaide ze om en kwam weer terug fietsen. "We hebben nog niet afgesproken hoe we naar de stad gaan. Zal ik je om een uur of half tien komen halen?" Ik vond het uitstekend. Ze ging weer op weg. Voor de bocht in de weg draaide ze zich om wuifde. Ik wuifde terug.
Bij de lunch vertelde ik Stef wat we besproken en afgesproken hadden. "Ik heb geen moment de indruk gehad dat ze zich anders voordeed dan ze is. Ik wou niet verder aandringen om haar meer te laten vertellen over haar verleden. Dat komt vast nog wel een keer. Ze is enig kind. Als ze echt van Herman afstamt is er dus een goede kans dat zij en jonge Adrie de voorlopig laatste afstammelingen zijn. Ze zouden dus in principe recht hebben op al het geld dat nog op de bank staat. Waarom halen ze dat niet gewoon op?"
"Goeie vraag", zei Stef.

Maandag 23 april, 9.15 uur

Vrijdag heb ik me weer eens op het huis gestort. Het zijn allemaal bezigheden die weinig denkwerk vereisen, dus ondertussen kon ik doordenken over het fenomeen Lies. Ik vond haar echt een fenomeen. Ze lijkt op het eerste gezicht een doetje, een tutje, maar opvallend genoeg zei ze niet iets van "Als Adrie dat goedvindt". Ze had gewoon besloten dat ze met mij naar de stad zou gaan om zich op te laten kalefateren en dat deed ze. Ze zat dus niet onder de plak. Of wist ze dat Adrie zoiets al lang wilde? Maar dan nog had ze genoeg eigen wil om daaraan niet te voldoen zolang ze daar niet zelf achter stond.
Ik betrapte mezelf erop dat ik me een stuk volwassener voelde, al was ze zo'n tien jaar ouder, maar was dat wel zo? Binnen de regeltjes van haar strikte opvoeding had ze zich zelfstandig gedragen. Ik had haar hoogstens het laatste zetje gegeven om een nieuwe stap te zetten. Had Adrie ook gezien dat ze een vrouw, een vriendin, weet ik veel, nodig had om de laatste stap te zetten? Hoe was de relatie tussen die twee? Hoe was die tot stand gekomen? Ze moest toch wel een enkel vriendje gehad hebben voor ze Adrie ontmoette? Tussen de tijd dat ze haar diploma haalde en het moment dat ze Adrie ontmoette moet ze toch een baan gehad hebben. Daar moet ze mannen ontmoet hebben. Het zijn niet alleen seksbommen die aan de man raken. Ook de schildknapen van de ridder op het witte paard raken aan de vrouw.
Ik zat hier natuurlijk ook heel dubbel in, realiseerde ik me. Mijn hoofddoel was niet Lies' leven leuker te maken, maar mijn leven met Stef te vrijwaren van al die toestanden. Ik wilde haar vertrouwen winnen, zodat ze mij wat meer informatie zou geven. Nou ja, als de ene hand de andere wast, worden ze beide schoon.
Lies was stipt op tijd zaterdag. Het is maar een kort ritje naar de stad, maar lang genoeg om me duidelijk te maken dat ze een ervaren rijdster is. "Heb je er zin in?" vroeg ik, toen we het dorp net uit waren.
"O ja, zeker. Ik heb eens goed naar mezelf gekeken in de spiegel."
"Wat had je aan?"
Ze gaf niet meteen antwoord. Ik keek naar haar. Ze bloosde.
"Lies," zei ik, "er is helemaal niets slechts aan om naar jezelf te kijken, hoor, als je in je blootje staat. Wij hebben ook een spiegel in de badkamer. Daar sta ik voor als ik me sta af te drogen na het douchen en ik ga nooit met kleren aan onder de douche. Dat schijnt vrij normaal te zijn."
Ik zou haar willen vragen of ze zich uitkleedde waar Adrie bij was, maar dat leek me op dat moment wat al te snel. Ik vroeg dus maar of ze al enig idee had wat ze wilde kopen.
"Van alles eigenlijk. Ik trek altijd maar wat aan. Je hebt me een beetje aan het denken gezet, maar ik weet niet zo goed wat er in de mode is tegenwoordig."
"Heb je een maximumbedrag in je hoofd?"
"Nou, nee. De zaak is niet echt een vetpot, maar ik heb een aardige erfenis overgehouden nadat mijn moeder ook is overleden."
Dat was mijn moment om even niets te zeggen, omdat ik niet wist wat te zeggen. Ik dacht: je hoeft me niet vertellen waar die erfenis vandaan komt, maar ik vond het tegelijk heel lullig van mezelf. Op haar leeftijd horen je ouders nog te leven. Lies vertelde gewoon verder. "Mijn vader had een hartinfarct toen hij zesenzestig was. Mijn moeder was al jaren nierpatiënt. Ze is drie jaar geleden overleden."
Ik wist niets beters te doen dan een hand op haar schouder te leggen. Ik wist niet wat ik zeggen moest.
Op het plein boven de parkeergarage vroeg ik of ze ook ondergoed moest. Daar had ze nog helemaal niet over nagedacht. "Dat kon altijd nog," vond ze.
Er zijn een stuk of vier modezaken in de stad waar ik altijd langs ga als ik wat nieuws wil kopen. Daar gingen we ook nu langs. Lies paste nog niets. Ze moest zich eerst maar wat oriënteren. Ze bekeek van alles: broeken, jurken, rokken, truitjes, topjes. Om half twaalf gingen we lunchen, om ons niet te hoeven haasten als er echt gekocht ging worden. We namen een salade met gerookte kip. Ik stelde voor er een glaasje wijn bij te nemen.
"Wijn?" vroeg Loes. "Nu al?"
"Eén glaasje. Dat kan best, hoor. We doen net of het een feestje is. Je voelt je toch een beetje feestelijk?"
Zo zag ze er wel uit. Ze was op een plezierige manier gespannen, als een schoolmeisje dat voor het eerst met een vriendje zal uitgaan. "Heb je al een beetje idee wat je wilt hebben?" vroeg ik.
Dat had ze. Tijdens het bekijken had ze niet veel commentaar gegeven, maar ze had haar ogen goed de kost gegeven. Ze beschreef vrij nauwkeurig twee jurkjes en een pakje bestaande uit een broek en een mouwloos jasje.
"Heb je ook aan schoenen gedacht? Je hebt echt benen voor hoge hakken."
Daar had Lies nog niet aan gedacht, maar als we tijd genoeg hadden, zou ze daar ook naar kijken. We begonnen om kwart over twaalf. Wat ze aan ervaring miste maakte ze ruimschoots goed met een aangeboren goede smaak. Ik hoefde nauwelijks te adviseren. Snel beslissen kon ze ook. Om kwart over twee lag de kofferbak van haar auto vol. Ze droeg haar laatste aanwinsten: een korte rok, een truitje met v-hals en een zwart leren jack. "Zo," zei ze, "nu nog schoenen." Dat werden ook meteen maar drie paren. Ze bekeek zichzelf op haar hoge hakken en zag er zeer tevreden uit. Op die hoge hakken volgde ze me naar de kapper.
Ze had dezelfde kapster die ook al een paar keer mijn haar gedaan heeft. We legden uit waar wij aan dachten. Lia, de kapster, haalde er wat tijdschriften met foto's bij. Na enig bladeren zei Lies zeer beslist: "Zo wil ik het."
Lia keek naar de foto, keek naar Lies, keek weer naar de foto. "Ik haal mijn baas er even bij."
Haar baas keek ook heen weer. "Je hebt lef", zei hij. "Het is drastisch, maar het zal je goed staan. Zeker weten."
Het was niet eens zo veel werk voor Lia, zo simpel was het eigenlijk. Ik complementeerde stiekem mezelf. Dat korte haar had ik goed gezien. Ze zag er inderdaad een paar jaar jonger uit.
We stonden om vier uur weer buiten. "Zullen we eerst nog een kopje koffie drinken?" vroeg Lies. "Ik moet er even aan wennen, hoor, dat ik zo naar huis ga. Ik word nu weer een beetje zenuwachtig."
In het restaurant hing ze het jack over de stoel. Ze keek naar beneden. "Zie ik er niet een beetje erg ... hoe noem je dat ... opzichtig uit? Ik bedoel ..."
"Je bedoelt dat iedereen kan zien dat je borsten hebt? Dat wisten ze al, hoor. Je hebt toch zelf gezien dat je er goed uitziet? Of niet soms? Die bloes die je aanhad hing er maar wat omheen. Je had nog een bikini moeten kopen, of ga je nooit zwemmen?
"Soms, maar wat ik wel eens op tv gezien heb, daar durf ik me niet in te vertonen."
"Dat komt nog wel. Alles went. Wat denk je? Zal Adrie vinden dat je er leuk uitziet?"
"O ja. Hij zei vanochtend dat ik als een groen blaadje moest thuiskomen. Dat begreep ik eerst niet eens."
Ik moest lachen. "Een ouwe geit houdt ook nog wel van een groen blaadje. Dat zal hij wel gezegd hebben."
"Ja, precies. Vind jij het gek dat ik met een oudere man getrouwd ben?"
"Dat gaat alleen jullie tweeën wat aan. Je moet gewoon lak hebben aan wat anderen daarvan vinden of zeggen."
Ik moest me weer inhouden om niet door te vragen. Ik wilde niet laten blijken hoe nieuwsgierig ik was. Ik wil dat ze me als een vriendin ziet aan wie ze dingen kan vertellen. Ik vind haar ook aardig genoeg. Ze is niet het tutje waar ze op leek. Zo zag ze eruit, maar dat had ze nu achter zich gelaten.
In de parkeergarage vroeg Lies: "Wil jij rijden? Ik ben er niet helemaal met mijn gedachten bij."
Op een parkeerplaats vlak voor het dorp stopte ik. "Lies, ontspan je. We stoppen straks voor de zaak en daar gaan we naar binnen. Meteen het diepe in. Als je eerst je huis ingaat, ga je weer zitten nadenken en heb je je helemaal voor niets mooi gemaakt. Je ziet er fantastisch uit. Laat je maar bewonderen."
Ze haalde een paar keer diep adem. "Rijen maar."
Ze liet me als eerste naar binnen gaan. Ik liep meteen door naar de bar waar nog een paar krukken onbezet waren. Ik riep "Hallo" tegen wat bekenden. Lies liep vlak achter me. "Verrek nou", hoorde ik iemand zeggen. "Is dat Lies?"
Bij de bar deed ik een stap opzij. Ik keek naar Adrie die naar Lies keek. Ik keek naar Lies die naar Adrie keek. Ze glimlachte en haalde haar schouders op, alsof ze wou zeggen: "Ja, ik moest wel." Adrie kwam achter de bar vandaan, pakte haar bij haar schouders en zei: "Heel goed, meisje." Hij gaf haar een zoen. "Gaat u zitten, dames. Wat zal ik inschenken? Alles wat u vanavond gebruikt is van het huis."
We wilden allebei wijn. Adrie schonk niet uit de gebruikelijke fles wijn, maar maakte een nieuwe fles voor ons open. "Dit is één van die flessen voor speciale gelegenheden", zei hij. We toostten. "Dankjewel, Annet", zei Lies en gaf me drie zoenen.
Het nieuwtje had zich gauw rondgepraat, maar voorlopig was er nog niemand die van dichterbij de veranderingen wilde opnemen. Het was iets van, denk ik, 'Je kan moeilijk met de vrouw van de baas gaan lopen flirten, als die er met z'n neus boven op staat.' Die baas had duidelijk iets minder aandacht voor zijn klanten dan gebruikelijk.
We waren net aan ons tweede glas wijn begonnen, toen mijn favoriete stamgast binnenkwam. "Dit is Stef, de beroemde schrijver en dit is Lies, die we van nu af aan wel vaker hier zullen zien, denk ik. Hoop ik."
"Dat moet je zeker doen, Lies. Adrie, de tent ziet er ineens een stuk leuker uit. Houen zo. Doe mij maar een pils."
Lies zei nog niet veel. Ze was niet meer gespannen, eerder afwachtend. Ze zat vooral in de grote spiegel achter de bar te kijken hoe er naar haar gekeken werd. Als er weer een nieuwe klant binnenkwam zag je hoe er naar haar gewezen en gekeken werd.
"Ik heb wel bekijks", zei Lies.
"Vind je 't gek?" zei Stef. "We zitten hier niet in een blindeninstituut. Je moet nog eens vaker met Annet praten. Dankzij haar ben ik ook een flinke vent geworden."
Ik zei tegen Lies dat ze niet op Stefs flauwe grapjes moest letten en dat ik wel een hapje wilde eten. "Zullen we aan dat tafeltje gaan zitten?"
Lies keek wat geschrokken. "Jullie laten me toch niet alleen zitten hier?"
Ik stelde haar gerust. "Nee hoor. Jij eet gewoon met ons mee. Laat je bevallig van je kruk zakken en laat je benen bewonderen terwijl we naar dat tafeltje lopen. Let maar op, er is geen man die er iets over durft te zeggen."
Lies en ik zaten naast elkaar met onze rug naar de muur. Stef zat tegenover mij. "Gewoon terugkijken", zei ik tegen Lies. "Deze tent is ook van jou. Die mensen zitten hier gewoon voor de gezelligheid. Na een paar dagen hoor je gewoon bij het meubilair."
"Een fraai stukje meubilair", voegde Stef eraan toe.
"Hier, nou hoor je 't ook eens van een ander", zei ik.
Adrie wilde nog wel een zelfde fles wijn opentrekken, nadat hij ons eten gebracht had. Lies zat vooral naar Stef en mij te luisteren, maar ze bleef niet verlegen op haar bord kijken. Na een tijdje zei ze: "Ik zou natuurlijk kunnen beginnen met hier 's middags af en toe te zijn. Dan is het hier nog niet zo druk als nu. Dan kan Adrie ook eens wat ontspannen. Ik heb er wel eens over nagedacht, hoor, dat Adrie ook geen jaren meer volhoudt alles in z'n eentje te doen. Andere Adrie heeft er helemaal geen zin in om de zaak over te nemen en we willen hem niet dwingen. Dat wordt toch niets. Adrie zou bij wijze van spreken het liefste achter de bar zijn laatste adem willen uitblazen. Dus we zitten hier nog wel een tijdje. We willen geen gedoe met personeel. Wie houd je dan over? Ik zal de eerste stap toch een keer moeten maken."
"Je hebt vandaag al een hele stap gemaakt", zei ik. "De eerste stap heb je afgelopen woensdag al gemaakt, toen je mij opbelde. Elk volgende stapje is een stukje makkelijker. Als je weer eens een adviesje nodig heb, weet je me te vinden."
"Graag! Ik wil jullie huis ook wel eens van binnen zien. Adrie vond het ook wat leuk om in jullie zwembad te zwemmen."
Ik zag het kwartje ook bij Stef vallen. Wat Adrie zijn vader niet wilde vertellen en ons niet durfde vertellen, had hij wel tegen zijn moeder verteld. Het kwartje viel ook bij Lies. "O jee, ik had hem gezegd dat ik het niet verder zou vertellen. Zijn jullie nu boos?"
"Nee hoor", zei Stef. "We hadden toch gezegd dat het mocht. Vertel dan maar meteen alles. Hij heeft er zeker niet alleen gezwommen? Vinden we ook niet erg. Op zijn leeftijd had ik die kans ook met beide handen aangegrepen."
Lies knikte. "Hij was vreselijk verliefd. Ik heb haar twee keer gezien. Ze zag er heel leuk uit. Het is allang weer over intussen. Zo gaat dat tegenwoordig."
"Komt Adrie vanavond nog hier?" vroeg ik. "Dan kunnen we gewoon zeggen dat we het weten. Dan is dat ook weer uit de wereld."
Het leek Lies niet onmogelijk en dat was het ook niet. Even na tienen, toen wij al weer aan de wijn zaten, kwam hij de zaak binnen. Hij liep naar de bar, waar zijn vader een pilsje voor hem inschonk. Die wees in onze richting. Hij stak een hand op en stond toen even met open mond te staren. Met het pilsje in zijn hand kwam hij naar ons toe. "Wat is er met jou gebeurd?"
"Je moeder wou eens wat anders", zei ik. "Vind je het leuk? Je mag wel gaan zitten, hoor."
Hij zat nog een tijdje te kijken. "Het is wel heel wat anders, mam, maar ... uh ... leuk. Ja."
"Nou durf je de straat weer met me over?"
"Doe niet zo gek. Vindt pa het ook leuk?"
"Hij staat de halve avond hierheen te kijken", zei ik, "en echt niet naar mij."
Lies bekende dat ze een foutje had gemaakt en per ongeluk wat doorverteld had. Hij zat als een puber te blozen en wilde wat zeggen. "Laat maar", zei Stef. "We vinden het best. We hoeven niet alles te weten, maar had dat meisje toevallig een navelpiercing en is ze die kwijt geraakt?"
Adrie knikte. Eén raadseltje was tenminste opgelost.
We vonden het een mooi besluit van de avond. We hoefden Lies niet helemaal alleen achter te laten. We namen zoenend afscheid van haar.
Eenmaal buiten zei Stef: "By George, you did it."

Dinsdag 24 april, 16.30 uur

Gisteravond, even voor achten, werd er aangebeld. We verwachtten geen bezoek. We liepen samen naar de monitor in de hal. Er was niets op te zien. We zeiden niets en wachtten af. We bleven ongeveer tien minuten staan voor we weer naar binnen gingen.
"Ik denk", zei Stef, "dat er iets neergezet is en niet door vrienden. Het is geen verrassingscadeautje. We gaan morgenochtend wel kijken of het er nog staat."
'Ze' waren er in ieder geval weer in geslaagd een gewone avond naar de knoppen te helpen, want zoiets brengt je niet in de stemming om ontspannen te lezen of tv te kijken. Ik kon ook Lies nog steeds niet uit mijn hoofd zetten. Ze is goed beschouwd een aardige meid en aardige meiden wil je niet associëren met vervelende dingen. Ik kan geen link meer leggen tussen haar en het bestuur. Daardoor wordt het net zo moeilijk een link te leggen tussen Adrie en het bestuur. De manier waarop hij haar zaterdag begroette en voortdurend naar haar keek was echt, niet gespeeld. Het was niet vreselijk uitbundig allemaal, maar zo heb ik hem ook nooit gezien. Zou zijn excuus voor 'weekendtas' dan toch echt zijn? Of weet hij meer van het bestuur dan ik, maar kan hij dat niet laten blijken? Is hij, om in thrillertermen te spreken, een dubbelspion? Moet ik naar hem toe meer open kaart spelen? Lies heeft gezegd dat ze ons huis ook wel van binnen wil zien. We kunnen ze om te beginnen een keer samen uitnodigen. Rustig aan beginnen: een kop koffie komen drinken op zondag. Daar kunnen we lunch aan vastplakken. Dan vraag ik gewoon of Lies toevallig verre familie van die verdwenen Stefanie is. Bij het betalen in een van die modezaken had ze even haar betaalpas op de toonbank gelegd. Daar stond op A. Heemstra - van Beek. Ik kon dus een logische verklaring geven voor het feit dat ik haar achternaam kende. Dat speelde gisteravond allemaal door mijn hoofd, maar ik heb er Stef nog niet mee lastiggevallen.
Vanochtend zijn we tamelijk vroeg opgestaan. Zodra het voldoende licht was, deden we vanuit de hal het hek open. Bij de voordeur konden we zien dat er inderdaad een doos stond. We liepen er heen, maar bleven op een afstandje. We zetten geen voet buiten het hek. Het was een verhuisdoos die al eens gebruikt was. Bovenop zat een sticker, waarop met viltstift "3-12" geschreven stond.
"We gaan dat ding niet zelf bekijken", zei ik. "Dat laten we de politie doen. Ze zullen best begrijpen dat we door de eerdere gebeurtenissen een beetje achterdochtig zijn geworden."
Stef belde niet met 112, maar gewoon met het bureau in het andere dorp en vertelde wat er aan de hand was. "Ze willen ook explosievendeskundigen meesturen", zei Stef na het telefoontje. "Dat kan dus nog wel even duren. Vind je het erg als ik gewoon aan het werk ga?" Dat vond ik niet erg.
De politie kwam rond elf uur. Ze waren een uur later klaar. Een van de politiemensen kwam vertellen wat het resultaat was: "De doos is helemaal leeg, mevrouw. Waarschijnlijk een grap."
Ik bedankte ze hartelijk voor de moeite. Ze hadden er wel begrip voor dat we gebeld hadden. Ik maakte meteen maar de lunch klaar.
"Het is helemaal geen grap", zei ik tegen Stef. "Ze wilden laten zien dat ze daar van alles kunnen neerzetten, bijvoorbeeld iets dat ontploft als wij de deur opendoen. Hoe heet dat ook alweer?"
"Een boobytrap."
Ik werd er niet vrolijk van. Het bestuur had ook nog steeds niet gereageerd op mijn mailtje van ruim een week geleden. Of was die lege doos hun reactie? "Bekijk het maar!" Als dat zo is, is er ten minste één ding duidelijk: 'zij' en het bestuur zijn dezelfde personen. Nee Annet, bedacht ik weer, dan moeten ze ook weten dat ik de Herman ben die dat mailtje gestuurd heeft en dat kunnen ze niet weten. Ik zat in de put. Ik vond het helemaal niet leuk meer hier. We zaten in een fort, maar wel een belegerd fort. En de belegering was onzichtbaar. Ik zat mezelf steeds dieper de put in te praten. Daar moest ik gauw mee ophouden. Ik zei tegen Stef dat ik een eind ging hollen.
Hij keek naar buiten. "Heb je gezien dat het regent."
"Kan ik tegelijk douchen."
In de tijd dat ik me omkleedde was het al harder gaan regenen. Voor ik bij het hek was, was ik al doornat. Het sporthemdje plakte om me heen. Ik aarzelde even. Liep dat wel lekker zo? Ik had een oplossing. Het kon me allemaal geen moer schelen. Ik was kwaad, ik wilde uitdagen. Echt koud was het niet. Ik trok mijn hemdje over mijn hoofd, liet het ter plekke vallen en holde de weg op. Na één rondje stopte ik even en gooide het broekje bij het hemdje. Spiernaakt holde ik nog twee rondjes. Ik weet ook wel dat er maar een minieme kans was dat iemand me zo zou zien, maar het gaf een gevoel van ongeremdheid en van bevrijding. Ik trok me van niemand een bal aan.
Zo nat als ik was stapte ik bij Stef naar binnen. Hij draaide zich om en bekeek me. "Was het spannend?"
"Heb je 't gezien?"
"Ik stond voor het raam wat na te denken toen je de deur uitholde. Ik zag dat hemdje uitgaan en rekende er eigenlijk op dat het broekje meteen zou volgen. Het heeft wel iets, hoor, een blote vrouw voorbij zien hollen."
"Het was maar een beetje spannend, maar het geeft wel een kick."
Hij stond op. "Kun je nog een rondje?"
"Wel twee."
In de stromende regen holden we samen twee rondjes. "Dat had ik net even nodig", zei ik onder de douche. "Heel onverwacht iets idioots doen. Ik zat er helemaal doorheen vanwege die lege doos. Ik heb nu zo'n gevoel alsof we gevreeën hebben. Nee, handjes thuis. Jij gaat zo weer aan het werk. Je mag wat langer doorschrijven vandaag. Ik kook wel."
Ik weet nu weer heel zeker, dat we er alles aan zullen doen om ervoor te zorgen dat we nog heel lang op deze plek blijven wonen. Ik ben ook heel blij dat Stef niet het type man is dat bezorgd vraagt "Was dat wel verstandig, schatje?", maar het type dat zijn kleren uittrekt en gezellig twee rondjes meeholt. Dan hoeft hij niet te zeggen dat hij van me houdt. Daar kan ik weer een hele tijd mee door.
Na het douchen ben ik een tijdje op bed gaan liggen. Vijf rondjes om het bos is toch wel zo'n vier kilometer en dat hol ik ook niet iedere dag. half doezelend schoot me iets te binnen wat ik Lies zou kunnen vragen. Het was bijna net zo snel weer weg, maar ik heb het gevoel dat het iets belangrijks zou kunnen zijn. In ieder geval zou ik willen weten waar ze opgegroeid is. Bij een heel christelijk dorp denk je al gauw aan de Veluwe of daaromtrent. Ik had al eens eerder op het internet gekeken of je van mensen allerlei cruciale data kan achterhalen, maar geboorteregisters zijn pas na honderd jaar openbaar. Over een jaar of zestig zal de geboortedatum en -plaats van Lies niet meer zo relevant zijn. Het lijkt me aan de ene kant leuk haar beter te leren kennen, maar aan de andere kant stuit het me tegen de borst om dat met zulke egoïstische motieven te doen. Afgelopen zaterdag had ik dat gevoel niet. Ik zag een schuchtere vrouw voor het eerst uit haar schulp kruipen en vond het leuk daarbij wat te duwen en trekken. Ze is ook intelligent genoeg om het verder zonder veel hulp te doen. Als ze haar plannetjes durft door te zetten zullen we haar over een tijdje vaker bij Adrie ontmoeten, maar dan heeft ze weer minder tijd om te praten. Ondertussen gaan 'zij' gewoon door met het beramen en uitvoeren van plannetjes.
Ik heb nog een mailtje aan Ankie gestuurd.

Lieve Ankie,
Het was gisteravond weer raak, in zekere zin: een doos voor het hek. Vanochtend hebben we politie laten komen. De doos was helemaal leeg, maar voor ons was de afzender duidelijk.
Zou je 'het bestuur' de volgende e-mail van 'Herman' willen sturen: "Kan ik per omgaande een bericht van u ontvangen? Anders gaat voor u de tijd dringen." Het hoeft niet morgen meteen, want dan heb je wat anders aan je hoofd en dat lijkt me heel wat leuker. Hij zal in ieder geval geen last van jetlag hebben.
Vanochtend heb ik een spannende manier van rondjes rond het bos hollen ontdekt. Dat vertel ik je nog wel.
Liefs,
Annet.


Vanavond ga ik Loes bellen. Anneke en Henk hebben we ook een beetje verwaarloosd. Die ga ik uitnodigen voor de meivakantie. Die is niet zo ver meer weg.

Donderdag 26 april, 9.15 uur

Het kost me vandaag veel moeite, maar ik wil dit gewoon chronologisch blijven vertellen. Het is ook een manier om mezelf rustig en bij de les te houden.
Dinsdagavond heb ik wat afgebeld. Het gaat redelijk goed met Hans. Loes mag hem elke dag bezoeken, maar verder mag hij nog geen bezoek hebben. Het zal zeker nog een maand of twee duren voor hij weer voorzichtig aan het werk kan.
Anneke begreep gelukkig heel goed dat we de afgelopen tijd wat weinig van ons hebben laten horen. "Jullie hebben genoeg aan je kop met al dat gedoe."
Terwijl ik haar vertelde over de laatste gebeurtenissen, zat me wat dwars. Het verminderde contact had niet alleen te maken met al dat gedoe. Als ik een tijdje geleden weer eens wat wilde doorpraten met iemand dan anders dan Stef, dacht ik in de eerste plaats aan Anneke. Nu denk ik meteen aan Ankie. Ik wou daarover niet uitgebreid over de telefoon praten. Ze komen volgende week donderdag en blijven tot en met zondag. In die vier dagen vind ik vast wel een moment om uit te leggen hoe het allemaal precies zit. Als het weer een beetje meewerkt kunnen we ook nog in de zon zitten. Dat zal ook bijdragen aan een ontspannen sfeertje.
Ik had de telefoon er nog niet opgelegd of hij ging weer: Lies! Ze had nog nagedacht, maar woensdag zou ze de stoute schoenen aantrekken. Om elf uur de zaak openen en tot een uur of drie alleen draaiende houden. Adrie wilde weer eens uitgebreid bij een groothandel rondneuzen om te kijken of er producten waren die hij aan het tot nu toe beperkte assortiment, afgezien van de drankjes, kon toevoegen. "Ik kan wel een steuntje in de rug gebuiken", zei ze. "Heb je tijd voor een cappuccino en een tosti hier?"
Die tijd had ik uiteraard. Ik zou er om een uur of half twaalf zijn.
Ankie had al om kwart over zeven gisterochtend aan haar pc gezeten.

Lieve Annet,
Vanmiddag na mijn werk verstuur ik het mailtje. Dat doe ik op weg naar Karels huis. Hij is er pas om een uur of zeven, maar dan staat zijn warme prak ook klaar. Kan hij zo'n nietszeggend hapje in het vliegtuig overslaan. We hebben weer uitgebreid gemaild. Ik begin nu te begrijpen waarom jij dat schrijven zo leuk bent gaan vinden, al is het onderwerp niet altijd even leuk. Ik kom er nu achter dat ik in mijn vorige relaties behoorlijk oppervlakkig bezig was. Het was vaak leuk, gezellig, prima in bed en zo, maar dan had je ook wel zo'n beetje gehad. Karel en ik zitten echt niet de meest diepe filosofische gedachten uit te wisselen en de problemen van de wereld op te lossen, maar het gaat wel ergens over. Voornamelijk over ons, wat we wel willen en niet willen, wel pikken en niet pikken. Of over dingen die je liever niet zou willen, maar toch pikt van elkaar, omdat de volmaakte echtgenoot/partner/minnaar nu eenmaal niet bestaat. "Alleen God schijnt er in geslaagd te zijn iemand naar zijn eigen beeld te scheppen en dat ging ook al gauw fout", schreef Karel. Dat vond ik wel een goeie. Deze manier van met Karel leven kan ik zonder enige moeite nog wel een tijd volhouden.
Dat 'spannende hollen' intrigeert me. Ik neem niet aan dat je door enge mannen bent achtervolgd, want dat lijkt me wat al te spannend. Ik heb erover zitten nadenken. Je weet dat ik zwemmen leuker vindt dan hollen. Daarvoor ga ik dan naar het Zuiderbad. Daar kunnen liefhebbers één uur per week, op zondagmiddag, naaktzwemmen. Dat zal wel aardig zijn, maar ik kan me niet voorstellen dat ik daar steeds net op zondagmiddag zin in krijg. Dat kom ik wel een keer bij jullie doen. Los daarvan, het zette me wel aan het verder denken over 'spannend hollen'. Zit ik in de goede richting te denken?
Liefs,
Ankie.


Ik heb gisterochtend nog wat verder nagedacht over mijn theorie van "twee kampen". Het ene kamp is het bestuur. Zij beschikken over het geld. Uit de laatste statutenwijziging kun je opmaken dat het geld voor een deel of helemaal niet meer naar de nakomelingen van Herman gaat. Het neerzetten van de tas met geld wijst erop dat in ieder geval een deel van het geld voor minder nette doelen is gebruikt. Het andere kamp is dat van de nakomelingen van Herman, mogelijk Lies en jonge Adrie. Die willen de beschikking over het geld weer terug. Dan komt er een derde partij opdagen: een echtpaar dat het huis koopt dat Herman heeft laten bouwen. Dat huis was geen deel van de nalatenschap, maar voor een van beide kampen is het lastig dat het ons eigendom is en dat wij er permanent wonen.
Om half twaalf was ik bij Adrie, eigenlijk bij Lies dus. Ze droeg een van haar nieuwe broeken en het mouwloze jasje over een T-shirt. Ik was de eerste klant. Ze begroette me met een zoen. "Je ziet er goed uit", zei ik.
"Zo voel ik me ook. Ik ben maar een klein beetje zenuwachtig, maar dit heb ik al eens eerder gedaan, natuurlijk."
Ze was zaterdagavond tot sluitingstijd blijven zitten. Jonge Adrie moest wel al die tijd bij haar blijven zitten, want alleen zitten durfde ze nog niet aan.
Ik vroeg of er niemand bij haar was gekomen om te zeggen: "Goh, Lies, je bent wel veranderd."
"Ja, een paar en die waren best aardig. Ze vonden mijn haar leuk en dat ik er leuk uitzag en zo. Ik heb gezegd dat jij me daarbij geholpen had. Dat mocht toch wel?"
"Geen probleem. Adrie, grote Adrie dan, vond het volgens mij ook heel leuk."
"O ja, zeker. Toen we binnenkwamen, met al die mensen erbij, kon hij natuurlijk niet vreselijk enthousiast doen, maar later wel, hoor." Het leek er even op of ze verder zou gaan, maar zo vertrouwelijk kon ze toch niet meteen worden. "Ik vergeet helemaal je cappuccino en je tosti."
Terwijl ze bezig was praatte ze door. "Het was niet helemaal nieuw voor me, hoor, de horeca. Na mijn schooltijd ben ik bij een groot hotel/restaurant gaan werken, waar ze ook veel zalen hadden waar vergaderingen en conferenties werden gehouden. Ik werkte bij de organisatie daarvan, maar als het erg druk was viel ik ook wel eens in bij de bediening."
"Vond je dan toen niet eng? Je was nog een stuk jonger."
"Nee. Die mensen waren vooral druk met elkaar aan het praten. Die letten niet eens op het personeel. We hadden trouwens allemaal hetzelfde aan, zo'n soort uniformpje, weet je wel, dus ik viel toch niet op."
"Heb je zo Adrie leren kennen?" gokte ik.
Het was nog waar ook. Adrie had een vergadering bijgewoond van de horecabond of hoe dat heet. Hij had iets verder gekeken dan het uniformpje en haar aangesproken. De vergadering eindigde met een borrel, maar hij wilde daar ook nog eten. Hij had haar gevraagd met hem mee te eten. Klantvriendelijkheid was haar goed ingeprent, maar ze had toch eerst aan haar baas gevraagd of het wel mocht. Die zag geen bezwaar. Daarna had Adrie nog eens met haar gegeten en van het een kwam het ander. Ik vond dat ik nu ook wel kon vragen of ze eerder een vriendje had gehad.
Ik zag meteen dat het een pijnlijk punt was. Ja, één keer, maar ..."
"Daar praat je liever niet over. Hoeft ook niet. Ik ben wel eens wat al te nieuwsgierig. Vergeet het maar."
Er kwamen nog twee klanten binnen, dus het werd moeilijk verder te praten over meer persoonlijke dingen. Bij het weggaan zei Lies: "Zaterdagavond ga ik het echt proberen. Komen jullie ook?" Ik zei dat het er dik in zat.
Ik ging niet meteen naar huis, maar wandelde nog eens naar de begraafplaats. Er lagen weer tamelijk verse bloemen op het graf van Herman. Ik speurde verder, naar graven van Van Beek. Die waren er wel, ook oude graven, maar bij geen ervan lagen verse bloemen. Had Lies, als die de bloemenlegster was, niets met haar andere grootouders? Ik kon me daar iets bij voorstellen.
Ik was net het dorp uit, toen mijn mobieltje ging. Het was Stef, maar ook op zijn mobieltje.
"Waar zit je ineens, lieverd?"
"Waar zit jij?"
"Ik ben net het dorp uit en over een minuut of tien thuis. Maar wat is er?"
"Ik kom net bij Adrie aan om je op te halen."
"Op te halen voor wat?"
"Dat vertel ik in de auto wel. Kom nou maar hierheen. Ik kom je tegemoet."
Een paar minuten later stapte ik in de auto. Stef draaide en ging richting snelweg.
"We gaan naar Amsterdam. Naar Ankie."
Ik schrok me rot. "Wat is er met haar? Is er wat met haar gebeurd? Of met Karel?"
"Ze is thuis. Ze mankeert niets. Ze is alleen heel erg geschrokken. Ze werd om een uur of half twaalf op haar werk gebeld. Een man. Ze moest zich niet meer met jou bemoeien of er zouden vervelende dingen met haar kunnen gebeuren. Of met jou. Ze heeft een tijd zitten trillen en nadenken wat ze moest doen. Ze wilde jou bellen, maar ze kreeg mij dus. Ze ging zich ziek melden en ging naar huis."
"Heeft ze gevraagd of ik kwam?"
"Daar kreeg ze kans niet voor. Ik zei dat we naar haar toe kwamen."
"Dankjewel lieverd", zei ik door mijn tranen heen.
We zeiden een hele tijd niets meer. Ik zat verdrietig, bezorgd en heel kwaad te zijn. Die vuile klootzakken moesten met hun gore poten van mijn Ankie afblijven. Die moest lekker bij ons in het gras kunnen liggen zonnen terwijl ik haar rug streelde. Ik moest met haar in één bed kunnen slapen als wij daar toevallig zin in hadden. Als ze iets met mij uit te vechten hadden, moesten ze dat maar doen, maar van haar hadden ze af te blijven.
"Verdomme", zei ik. "Karel komt vanavond thuis uit Engeland. Dat zou een leuke avond moeten worden. Ze zou bij hem thuis vast gaan koken."
"Dan gaan we op tijd weer weg", zei Stef nuchter.
We zetten de auto weer bij het Olympisch stadion. Van de tram naar haar huis holde ik bijna.
Stef moest de deur dichtdoen, want Ankie en ik stonden elkaar alleen maar een hele tijd stevig vast te houden. Na een tijdje gingen we naar de woonkamer waar we op de bank gingen zitten.
"Ik ben maar vast koffie gaan zetten", zei Stef."
"O, sorry Stef", riep Ankie. "Ik heb nog niet eens 'dag' tegen je gezegd. Je bent een schat. Ik ben zo blij dat jullie er zijn. Wat moeten we nou?"
"Om te beginnen rustig blijven en niet in paniek raken", vond Stef. "Niemand behalve wij en Hans weet dat jij die mailtjes gestuurd hebt. De laatste keer dat je bij ons was, was je met de auto. Daar zit een kentekennummer op. Iemand die dat per se wil kan erachter komen bij wie dat kentekennummer hoort. Ze hebben hun huiswerk gedaan en jou gebeld. Dit is net zoiets als dat mailtje aan Ellen".
Dat moest ik Ankie nog uitleggen en wat mijn verklaring ervoor was: Stef en mij isoleren. Ondertussen schonk Stef koffie in.
"Moet ik dan gewoon doen of er niets aan de hand is", vroeg Ankie.
"Dat moet je helemaal zelf beslissen", zei Stef. "Wij vinden het heel leuk als je komt, maar als je een tijdje niet komt, kunnen we ons dat ook heel goed voorstellen. Ik neem aan dat je er ook met Karel uitgebreid over wilt praten."
"Ja natuurlijk. Ik had wel over iets anders willen praten vanavond, maar dit is niet onze laatste avond samen. Maar dan moeten jullie wel meepraten."
"Lieverd", zei ik. "Je hebt Karel een week niet gezien. Je hebt wel wat anders te doen."
"Dat komt ook wel. Jullie hebben alles op een rijtje. Ik weet het uit de tweede hand. Karel is gek op feitjes, hoe exacter, hoe beter. Hij komt iets van kwart over zes aan. Ik bel hem om te vragen of hierheen komt, in plaats van ik naar hem, omdat we iets met ons vieren te bespreken hebben. Niet zeuren, zo doen we het. Ik heb nog niet nagedacht over het eten. Ik bestel wel een chinees of een pizza."
"Jij bestelt niets", zei Stef. "Ik ga naar de markt, scharrel wat bij elkaar en maak er een maaltijd van. Ondertussen kunnen jullie vast voorbespreken wat de vrouwelijke inbreng in de bespreking is." Hij vond een tas in de keuken en trok Albert Cuypwaarts.
"Jij hebt een prima vent, Annet," zei Ankie, "maar dat wist je al. Kom."
We gingen naar de slaapkamer, kleedden ons uit en gingen op bed liggen. We vreeën niet. We lagen gewoon lekker dicht tegen elkaar aan. We hadden niet zoveel te voorbespreken. We wisten precies wat we wilden. Leven zoals wij wilden leven, met onze mannen en met elkaar. We moesten alleen nog in overleg met die mannen besluiten hoe we dat in elkaar zouden steken. Samen in bed hoefden we alleen maar te voelen wat het was om af en toe bij elkaar te zijn. Dat wilden we ons niet laten afpikken.
Stef belde na een klein uur aan. Ik hoorde hem tegen Ankie zeggen: "Jullie hoeven je niet te haasten. Ik ga vast wat voorbereiden." Op dat moment hield ik heel veel van hem en ik sprong uit bed om het hem te vertellen. Het werd een lange zoen voor hij me losliet.
Ankie zat op de rand van het bed toen ik de slaapkamer weer in kwam. Ik ging naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen. Zij sloeg een arm om mij heen en gaf me een zoen. "De mannen moeten heel sterke argumenten hebben als ze willen dat we elkaar een tijdje niet zien. Ik wil ook nog een hoop van je afkijken."
We kleedden ons aan. Ankie belde Karel, die net na zevenen aankwam. Tijdens het eten legden we zo goed mogelijk uit wat er aan de hand was.
"Het zijn klootzakken", zei Karel. "Dat staat buiten kijf. Maar het zijn geen harde criminelen die voor niets terugdeinzen. Dan zou er al veel meer gebeurd zijn. Ook van die molotovcocktail wisten ze dat die geen persoonlijke schade, zelfs geen materiële schade zou aanbrengen, behalve een paar aangebrande tegels. De aanslag op die politieman staat hier hoogstwaarschijnlijk helemaal buiten. Ik denk dat jullie tweeën", hij keek naar Ankie en mij, "voorlopig gewoon moeten doen wat jullie willen doen. De enigen die zich daarmee mogen bemoeien zijn Stef en ik. Wij weten tot hoever we kunnen en mogen gaan. Maar let wel: ik zeg voorlopig. Ankie, je bent een flinke en zelfstandige meid, maar als op een gegeven moment de klootzakken vinden dat ze een grens moeten overgaan omdat de zaken hun te langzaam gaan, zal ik misschien 'stop!' tegen je roepen. Dan stop je, of je zoekt alles verder maar weer in je eentje uit. OK?"
"Heb ik al eens gezegd dat ik van je houd?"
"Betekent dat 'OK'?"
"Ja."
"Dit is de derde keer dat je het zegt. Soms vind ik het niet zo erg als iemand in herhaling valt. Mag ik blijven slapen?"
"Je mag in ieder geval bij mij in bed komen liggen. Slapen zien we nog wel."
Ik keek vragend naar Stef. "Ik sluit me helemaal bij Karel aan. Ik blijf alleen niet slapen. Ik heb iemand anders in gedachten om het bed mee te delen."
We gingen om negen uur weg. Om half twaalf kwamen we thuis. Ik was bekaf. Ik heb het bed gedeeld met Stef, maar daar bleef het bij.

Maandag 30 april, 13.00 uur

Ankie belde donderdagmiddag, vanuit huis, zag ik. "Moet jij niet werken?" vroeg ik.
"De laatste vier jaar heb ik geen dag gemist wegens ziekte. Ik had wel naar mijn werk kunnen gaan, maar dan had ik toch voortdurend zitten dubben over de toestand bij jou. Dan kan ik net zo goed thuisblijven."
"Ben je er nog niet uit dan?"
"Jawel. Ik kan net zo stronteigenwijs en koppig zijn als jij en voorlopig hebben we de zegen van de mannen. Maar ik moet nog even wennen aan het idee, dat een stel ongure types me in de gaten houdt."
"Ik zou voorlopig maar niet alleen naar bed gaan."
"Dat bood Karel ook heel lief aan, maar dat doe ik wel, door de week dan. Dat zou de eerste concessie zijn aan die klootzakken. Voor je 't weet doe je er weer een. Nog even en je denkt: misschien toch wel verstandig en wel zo rustig om elkaar maar een tijdje met rust te laten."
"Dat zou best zo kunnen zijn."
"Lekker rustig voor mij ja. Voor jou verandert er niets. Als ik me toch zorgen zit te maken om jou, kan ik me zelf er ook wel bij nemen."
"Je bent lief. Maar waarom bel je eigenlijk?"
"Zomaar en om nog te bedanken dat jullie gisteren meteen naar me toe kwamen racen. Heb ik Stef ook nog bij zijn Margreet weggerukt."
"Hij vindt Ankie en Annet nog net ietsje belangrijker dan Margreet."
"In omgekeerde volgorde dan."
"Reken maar. O, ik heb je nog niet over Lies verteld." Ik gaf haar een uitgebreid verslag over Lies' metamorfose en de gemengde gevoelens die ik bij haar had. "Weet je wat? Ik stuur je alles wat ik tot nu geschreven heb en ik stuur je in het vervolg meteen ook elke keer wat ik erbij geschreven heb. Dan ben je steeds helemaal op de hoogte. Kun je meedenken."
"Staat er ook in wat dat spannende hollen was?"
"Kun je allemaal lezen."
"Volgens mij ben je gek genoeg om helemaal in je blootje gelopen te hebben."
"Eén rondje in een half blootje, twee rondjes in een heel blootje en twee rondjes in twee hele blootjes."
"Dat zeg ik, je bent gek. Jullie zijn gek. De eerstkomende keer bij jullie wil ik ook gek zijn. Mag Karel trouwens meelezen?"
"Tuurlijk mag hij meelezen en vooral ook meedenken."
"Goed, dan ga ik nu lekker zwemmen, in een beschaafde zwempak. Dag lieverd."
Na woensdag vond ik dat ik de zaak wel een paar dagen mocht laten rusten. Het enige nieuwe is eigenlijk dat we weer eens met de neus gedrukt waren op het feit dat we nog steeds in de gaten worden gehouden. Iemand die van onze kant het dorp inrijdt kan alleen maar bij ons vandaan komen. Wie een auto onze kant ziet oprijden hoeft maar te wachten tot die terugkomt om het kentekennummer te noteren, als het al niet gebeurd is. Moeten we Anneke en Henk bellen dat ze beter niet met de auto kunnen komen? Ze zijn hier al eens geweest, maar toen waren 'ze' kennelijk nog niet op het idee gekomen ons van vrienden te isoleren. Het is een kleine moeite om ze van het station te halen. Moet ik het met Stef over hebben.
Ik ben wel eens wat jaloers op Stef. Wat er ook gebeurd is, hij zet zijn pc aan, draait een knopje in zijn hoofd om en gaat schrijven. Ook als ik niet schrijf ben ik voortdurend met de zaak bezig. De beste manier om me af te leiden is nog het schrijven over iets anders. Maar ik kan moeilijk gaan schrijven over mijn boeiende avonturen met de stofzuiger of het sorteren van het wasgoed.
Zaterdagavond zijn we naar Adrie gegaan zoals ik Lies beloofd had. We waren er om een uur of zes en gingen aan een tafeltje voor twee zitten. Op die manier konden we ook nog wat woorden met Lies wisselen zonder dat iedereen mee kon luisteren. Ze kwam achter de bar vandaan en naar ons toe. Ze zag er leuk, bijna sexy uit: hoge hakken, kort rokje en een bloes die een fraai uitzicht bood toen ze onze consumpties neerzette. "Adrie dacht dat jullie een pilsje en een wijntje wilden."
"Klopt", zei ik. "Je ziet er leuk uit meid. Je hebt ook een nieuwe bh gekocht, zag ik."
Ze bloosde. "Is ie tè?"
"Ben je gek. Ik zei toch dat je er leuk uitziet? Je kan er nooit te leuk uitzien. Valt het een beetje mee?"
"Ja hoor. Ik ben om vijf uur begonnen, dan begint het zo'n beetje te lopen. iedereen doet erg aardig."
Andere klanten vroegen haar aandacht. De rest van de avond bleef ik haar zo'n beetje volgen. Ze gaat het wel redden.

Dinsdag 1 mei, 9.00 uur

Stef vond het een goed idee Anneke en Henk te vragen met de trein te komen. Nadat ik Anneke verteld had wat Ankie was overkomen leek het haar ook beter. Over Ankie heb ik niet meer verteld dan dat ze een vriendin is die ik tijdens mijn trip in Egypte ontmoet heb. Ik heb nog niet verteld dat de keer dat ze hier met de auto kwam niet de eerste keer was. Dat komt allemaal als ze hier zijn.
Gisteren ben ik al snel weer gestopt met schrijven. Ik heb weer eens nagelezen. Het viel me ineens op dat een toevallige, onvoorbereide lezer zich zou kunnen afvragen of we Stefs en mijn ouders nog wel eens zien of spreken. Het lijkt erop of ze deel uitmaken van een heel ander stukje leven, dat niets te maken heeft met het leven dat ik hier beschrijf. We bellen ze vrij regelmatig, maar dan gaat het over de gewone dagelijkse dingen in het leven die in elk huishouden voorkomen. In weekends gaan we er een dagje heen en praten over dezelfde koetjes en kalfjes, al is het daar dit jaar nog niet van gekomen. Ik denk niet dat mijn ouders meteen laaiend enthousiast zijn als ze horen dat ik een keer zonder sportkleren om het bos gehold heb. Ze zouden waarschijnlijk de wenkbrauwen fronsen als ik ze zou vertellen waarom Ankie zo'n bijzondere vriendin is. Ik vind het al moeilijk het aan Anneke te vertellen. Ik ben niet bang dat ze er negatief over zal doen. Ik wil alleen dat ze voelt of begrijpt dat er tussen ons niets veranderd is. Ik heb haar pas leren kennen toen ik al met Stef samenwoonde. Ik weet niet eens of er tussen goede vriendinnen wat verandert als één van hen een duurzame relatie met een man krijgt. Voor ik Stef leerde kennen heb ik nooit een vriendin gehad met wie ik allerlei vertrouwelijkheden uitwisselde. Vriendjes duurden ook nooit lang genoeg om het zover te laten komen. Ik was een laatbloeiertje op dat terrein, maar bij de laatste twee vóór Stef kwam er ook seks aan te pas. Het was plezierig, maar niet meer dan "Je bent jong en je wilt wat." Stef was de eerste bij wie ik bleef slapen na de eerste seks. Na het laatste hapje van een goed diner loop je ook niet meteen van de tafel weg. Ik was trouwens nog nooit bij een jongen blijven slapen of hij bij mij. Het kwam gewoon niet bij me op. Bij Stef kwam het gewoon niet bij me op weg te gaan. Het was geen bewuste keuze. Mensen hebben ook nog wel iets van instinct en dat instinct vertelde me dat ik bij de goede persoon op de goede plek was. Na die eerste ochtend vind ik het nog steeds fijn om bij het wakker worden zijn hand ergens op mijn lichaam te voelen.
Vandaag laten we het zwembad weer vollopen. In principe kunnen we het hele jaar door zwemmen, want het is een verwarmd bad. We weten ook wel dat het eigenlijk onnodige verspilling van energie is, maar om het een heel klein beetje goed te maken doen we het niet vóór 1 mei. De verwarming werkt op een thermostaat die het water op twintig graden houdt, niet bijzonder warm dus en die thermostaat werkt van 's morgens zes tot 's avonds zes.

Zondag 6 mei, 10.30 uur

Afgelopen donderdag was ik blij dat ik de deur uit kon gaan om Anneke en Henk van het station te halen. De dagen ervoor heb ik maar wat rond lopen klungelen. Ik kwam aan niets constructiefs toe. 's Woensdags ben ik het zwembad maar eens ingedoken, maar daarna lekker in de zon liggen was er niet bij. In de zon ging het net, maar er waren nogal wat wolken. Donderdag regende het zelfs af en toe, maar Anneke en Henk waren wat de zon betreft niet voor niets gekomen. De rest van de dagen dat ze er waren, was het heerlijk zonnig weer. Ze kwamen aan met de trein van 12.27. Ik was tien minuten te laat vanwege een ongeluk op de provinciale weg. Ik had er niet eens aan gedacht ze even te bellen dat het wat later werd.
"Ik werd al haast ongerust", zei Anneke. "Zo langzamerhand heb ik het idee dat er van alles kan gebeuren bij jullie."
Stef had voor de lunch gezorgd, maar mocht van ons daarna gewoon weer gaan werken. Het leek mij wel een goed idee ze eerst de foto's van Egypte en Australië te laten zien.
"Dat is Ankie", zei ik bij de foto van Ankie op de duikplank.
"Ziet er niet uit als een type dat alleen op vakantie gaat omdat ze geen man kan krijgen", zei Henk.
Ik vertelde dat een relatie kort daarvoor op een nogal wat lullige manier was beëindigd, maar dat een nieuwe relatie er inmiddels veelbelovend uitzag. "Naast een andere relatie", zei ik erbij.
"Heeft ze twee vriendjes?" vroeg Anneke.
"Ze heeft een heel goed vriendinnetje."
"Is ze bi?"
"Nee, ik ook niet. Ik bedoel ... we vinden van niet, maar ... uh ... OK, het zit zo." Ik vertelde het hele verhaal.
"Vond je het moeilijk om te vertellen?" vroeg Anneke. "Was je bang dat we het raar zouden vinden of veroordelen of zo?"
"Wel moeilijk, maar niet daarom. Ik vond het moeilijk om aan jullie, aan jou eigenlijk, te vertellen, omdat we goede vriendinnen zijn en omdat jij zou kunnen gaan denken dat je dan op het tweede plan komt of zoiets."
Anneke dacht even na. "Ik weet zeker dat ik op het tweede plan kom. Het derde plan eigenlijk, want Stef staat nog steeds op nummer één voor zover ik weet. Jij staat na Henk ook op het tweede plan. Dat bedoel ik niet pesterig, hoor, zo van: denk maar niet dat jij zo belangrijk voor mij bent. Ik had een goede vriendin, dacht ik altijd, toen ik Henk leerde kennen. Zij vond het maar niks dat ik meer tijd aan Henk ging besteden dan aan haar. Dat ging ze me kwalijk nemen. We waren al gauw geen vriendinnen meer. Als wij geen goede vriendinnen waren zou je niet eens de moeite genomen hebben me over Ankie te vertellen. Dat wil ik graag zo houden. Als je Stef dumpt voor een nieuw vriendje, kan je het me ook rustig vertellen. Dan zal ik zeggen dat je een stomme trut bent, maar verder even goede vriendinnen, hoor. OK?"
"Je bent een schat. We moeten in Amsterdam een keer met ons zessen gaan eten. Of met ons drieën, zonder de mannen erbij. Weer eens lekker uitgebreid roddelen."
Toen Stef zijn dagtaak erop had zitten, had ik alle verhalen over Australië bij de foto's verteld en waren Anneke en Henk over de toestand hier ook helemaal bijgepraat. Zij nodigden ons uit om zaterdag bij Adrie te gaan eten. Ze waren ook wel nieuwsgierig naar Lies.
De vrijdag was voor Stef een gewone werkdag. Na het ontbijt op het terras zei Henk: "Meiden, ik ga een eind fietsen. Jullie hebben vast nog meer te bepraten over allerlei dingen waar mannen niets verstandigs over kunnen zeggen. Met de lunch hoeven jullie niet op mij te wachten. Misschien ga ik wel een tosti bij Lies eten."
Anneke en ik namen twee ligstoelen op het terras in beslag. We hadden de boeken klaar liggen, maar daar kwamen we niet meteen aan toe.
"Hebben Henk en jij nog uitgebreid nagepraat over Ankie en mij?" vroeg ik.
"Niet uitgebreid. Het is gewoon iets onverwachts. Je bent de eerste heterovrouw niet met zo'n ervaring en je zult de laatste ook niet zijn. Zoveel weet ik ook nog wel. Je bent alleen de eerste die we kennen die zoiets overkomt. Nee, wacht even, dat klinkt wat negatief, alsof het iets is dat na een tijdje weer over zal gaan. Ik ken je goed genoeg om te weten dat het niet zomaar een bevlieging is."
"Ik zit er zelf ook nog veel over na te denken. Ik weet in ieder geval zeker dat ik haar niet kwijt wil raken. Maar ik wil jou ook niet kwijtraken."
"Ankie is alleen een tikkie anders."
"Ja. Begrijp je dat een beetje?"
"Nee, maar dat hoeft ook niet. Begrijp jij dat ik van Henk houd? Begrijp ik dat jij van Stef houdt? Ik kende Stef vóór ik Henk leerde kennen. Ik vond hem een aardige vent en nog steeds, een goede vriend. Jij ontmoet hem en wordt meteen stapelverliefd. Dat begrijp ik ook niet. Waarom zou ik ineens moeten begrijpen waarom jij, behalve van Stef, ook nog eens van een vrouw houdt? Eerlijk gezegd heb ik me wel eens af zitten vragen hoe het is om met een vrouw te vrijen."
"Zo vaak hebben we het niet gedaan, hoor. Daar gaat het ook niet in de eerste plaats om. Het is hetzelfde als vrijen met een man en het is anders. Ik heb geen idee hoe het voor andere vrouwen is. Voor mij betekent het vooral dat ik samen ben met iemand die ik helemaal vertrouw. Kijk, zie je nou? Daarom vond ik het moeilijk het jou te vertellen. Nu lijkt het weer of ik zeggen wil dat ik jou niet helemaal vertrouw."
Ik stond op, liep naar het zwembad en sprong erin. Al ronddobberend vroeg ik me af waarom ik zo moeilijk zat te doen over iets waar Anneke niet moeilijk over deed. Ik ben nog teveel een schooljuf die alles wil uitleggen, ook aan mensen die helemaal geen uitleg nodig hebben. Het is, denk ik, mijn manier om iets aan mezelf uit te leggen, wat ik toch niet kan uitleggen, waar ik niet de juiste woorden bij kan vinden. Vorige week woensdag hadden Ankie en ik in de kamer op de bank kunnen blijven zitten. Waarom trokken we onze kleren uit en gingen we op bed liggen? Daarom! Omdat de situatie zo was en wij zo zijn. Ik weet niet waarom ik bepaalde gevoelens heb. Ik mag ermee doen wat ik wil, zolang er geen waarschuwend stemmetje zegt dat ik het beter niet kan doen of iemand anders zegt dat ik ermee moet kappen. Zover was ik toen Anneke op de rand van het zwembad kwam zitten en vroeg of ik eruit was. Ik ging naast haar zitten en legde toch weer uit.
"Als je het daar nou bij houdt voorlopig," zei Anneke, "is er niets aan de hand. Wij blijven goede vriendinnen die alleen samen uit de kleren gaan als we in de zon gaan liggen."
Stef nam ook een duik vóór de lunch. Dat deed Henk toen hij rond twee uur van zijn fietstocht terugkwam. Hij had inderdaad een tosti gegeten bij Adrie. Lies was er ook, maar hij had niet met haar gepraat, want Adrie had hem bediend. Die herinnerde zich dat Henk met ons al eens eerder bij hem was geweest. Aan Lies was Henk niets bijzonders opgevallen. "Gewoon een wel aangenaam uitziende dame. Als je niet beter weet denk je niet meteen dat het wel de vrouw van de eigenaar zal zijn. Het is een duidelijk leeftijdsverschil."
Zaterdag zijn Anneke en ik in de stad ouderwets wezen winkelen: veel bekijken en passen zonder iets te kopen. Anneke kocht tenslotte nog twee uitverkooptopjes. Ik kocht een sportbroekje waarin een broekzakje zit, waar ik mijn mobieltje in kan stoppen als ik ga hollen. Dan hoefde ik dat niet de hele tijd in mijn hand te houden. "Dat lijkt me nou zo vervelend," zei Anneke, toen we koffie zaten drinken, "dat je bij alles wat je doet er rekening mee moet houden dat er iets lulligs kan gebeuren."
"Dat is het ook, maar we rekenen erop dat het na deze zomer is afgelopen, hoe het ook afloopt. Bovendien zijn we er niet constant mee bezig." Ik vertelde van die keer dat ik een dolle bui alles had uitgetrokken. Ze schudde alleen met haar hoofd.
We waren om half zeven bij Adrie. Lies kwam naar ons toe om de bestelling op te nemen. Ze zag er heel ontspannen uit. Ik vertelde wie Anneke en Henk waren. Toen ze de drankjes bij ons neergezet had vroeg ze of we er om een uur of negen nog zouden zijn. "Adrie gaat iets zeggen wat iedereen moet weten. Ik mag het niet verklappen."
"Hij zal toch niet gaan zeggen dat hij de tent gaat sluiten?" zei Stef.
Gezien wat Lies me laatst gezegd had over zijn laatste adem leek me dat niet waarschijnlijk. Op zijn beurt vond Stef het onzin dat ik zat te speculeren dat het iets met onze toestanden te maken kon hebben. "Dan zou Adrie het ons echt wel eerst rechtstreeks verteld hebben." We merkten wel dat ook om ons heen de meest wilde theorieën de ronde deden, maar we moesten echt wachten tot negen uur. Adrie kwam achter de bar vandaan en klom op een stoel. Uit een witte envelop haalde hij een foto die hij omhoog hield. Er stond een persoon op, maar we zaten net te ver weg om die te herkennen.
"Dit is Ans", zei Adrie. "Ze heeft een krant in haar hand, de krant van afgelopen woensdag. Achterop staat geschreven 'Het gaat goed met me.' De envelop zat vanochtend bij de post. Morgen breng ik de foto naar de politie."
Iedereen wilde de foto natuurlijk van dichtbij zien. We wachtten rustig onze beurt af. "Het kan best een fake zijn", zei Henk. "Je neemt een oude foto en gaat fotoshoppen met een foto van een net verschenen krant. Dat kan een kind tegenwoordig. Dat zullen de experts van de politie wel kunnen uitzoeken."
Wij wisten niet beter dan dat het een foto van Ans was. Ze zag er goed uit. Ze zat op een stoel die bij IKEA weggehaald zou kunnen zijn voor een muur met een wit overgeschilderd behangetje. Aan twee lichtere plekken kon je zien dat voor het maken van de foto een kast opzij was gezet en een schilderijtje of zo van de muur was gehaald om herkenning te voorkomen. Er was net geen vloerbedekking te zien. Er was wel nagedacht over het maken van de foto. Die foto kon ook nog op vrijdag gemaakt zijn, maar de krant was van dezelfde dag dat Ankie gebeld was. Ik kon niet nalaten daar op te wijzen toen we weer aan onze tafel zaten bij een nieuw glas wijn.
"Denk je echt dat er enig verband is?" vroeg Henk.
"Ik weet het gewoon niet. Ik word er af en toe knettergek van. Het zijn steeds van die kleine dingen, waar de politie niets mee kan. Als die foto echt recent is, kan de politie er nog niets mee. Ze zullen echt geen vingerafdrukken vinden. Ze kunnen misschien vaststellen of het handschrift van Ans is. Ik weet alleen dat ik altijd de mogelijkheid heb opengehouden dat Ans nog leeft en op de een of ander manier bij onze zaak betrokken is. Voor mij is die foto net zo echt als het telefoontje naar Ankie, het mailtje naar Ellen, onze auto in de sloot, dingen die in onze tuin en zwembad worden gegooid. En net zo echt als een lieve vent met wie ik straks naar bed ga, goede vrienden die op bezoek zijn en een vriendin die ik nu graag wil vertellen wat er nu nou weer is gebeurd."
"Dan bel je haar toch", zei Anneke.
"Nee. Die ziet Karel alleen in het weekend. Die ga ik niet storen. Als ik de rest van het weekend af en toe een beetje afwezig ben," zei ik tegen Anneke en Henk, "sorry."
Dat zei ik nog eens extra tegen Stef toen we in bed lagen. "We begrijpen het wel als je morgen de hele dag op je kamer zit", zei hij. "Ga maar slapen."
Even voor half acht werd ik wakker. Ik trok mijn sportgoed aan en ging naar buiten. Ik holde vijf rondjes. Anneke zat met thee op het terras toen ik uitgehold was. Ik douchte en ging bij Anneke zitten die thee voor me inschonk. Ze zei niets. Dat liet ze aan mij over.
"Je mag wel wat zeggen, hoor", zei ik. "Ik wil er zo weinig mogelijk aan denken vandaag."
"Ik wil niet vervelend zijn, maar dat ga je toch doen. Dan ga je je ook nog schuldig voelen omdat je geen aandacht schenkt aan je gasten. Luister: we voelen ons geen gasten. Je hoeft ons niet bezig te houden, dus je kunt in ieder geval ophouden met je schuldig te voelen. We gaan straks met ons vieren ontbijten en daarna doe jij gewoon wat je wilt doen. Je kunt gaan hollen of fietsen, in je eentje, met één van ons of met ons allemaal. Je kunt in je hok gaan zitten en het van je af schrijven. Je kunt ons erover plat lullen. Zie maar."
Het werd dus schrijven. Stef heeft me tussendoor een paar broodjes gebracht. Ik voel me in ieder geval een stuk rustiger nu. Ik hoef het allemaal nog niet vandaag opgelost te hebben. Ik ga nog even van de zon genieten.

Maandag 7 mei, 9.30 uur

Wat ik gisteren geschreven heb, heb ik meteen daarna aan Ankie gemaild, zonder er verder iets bij te schrijven. Dat wilde ik vanochtend doen, maar er was al een mailtje van Ankie dat ze gisteravond geschreven en verstuurd heeft.

Lieve Annet,
Met Karel heb ik net je laatste stukje 'dagboek' gelezen. Die foto van Ans maakt het weer een stuk ingewikkelder allemaal. maar daar wil ik het nu even niet over hebben. Volgens Karel denk je teveel na, over ons dan. Met 'ons' bedoel ik niet Karel en mij, maar jou en mij. Je weet en voelt heel goed, volgens Karel, dat er niets verkeerds is aan wat wij voor elkaar voelen en dat we dat elkaar af en toe ook letterlijk laten voelen. Maar ergens zit nog steeds een klein moralistische Annetje die een waarschuwend vingertje opsteekt. Karel ziet het zo: je was niet bang dat Anneke het zou afkeuren en ook niet dat ze zich 'verdrongen' zou voelen. Anneke is je beste vriendin en je wilde als het ware haar goedkeuring. Je wilde ook van haar horen dat wij mogen voelen en doen wat we willen. Dat heeft ze dan misschien niet met zoveel woorden gezegd, maar als je alles goed hebt opgeschreven wat je met haar bepraat hebt, is dat duidelijk genoeg. Je mag heel principieel leven, als het maar je eigen principes zijn, waar je helemaal achter staat. Tot zover Karel. Ik ben maar een heel klein beetje minder slim dan hij, dus ik denk dat hij gelijk heeft. Ik weet een stuk meer dan hij van jou. Stef wist die woensdag ook heel goed wat jij en ik toen wilden: bij elkaar zijn. Natuurlijk steunen die mannen ons en willen we niet anders, maar we willen ook elkaar steunen, gedeelde smart en zo. We doen dat niet door op de bank te zitten en opbeurende woordjes tegen elkaar te zeggen. We gaan heel dicht bij elkaar liggen, huid op huid, dan hoeft er niet zoveel gezegd te worden. Dan weten we genoeg.
Zo, dan ga ik nu Karel laten zien hoe goed ik ben in lichaamstaal.
Ik houd ook van jou.
Ankie.


Ik wist het wel, maar soms moet je iemand anders horen zeggen wat je al weet om er voor honderd procent zeker van te zijn. Die kleine moralistische Annet houdt van nu af aan haar mond wel. De grote Annet zal wel te veel nadenken, maar die wacht toch nog even met het terugschrijven van een mailtje.
Ans leeft dus nog. Ik twijfel daar geen moment aan. En het is geen toeval dat die foto nu ineens opduikt. 'Zij' wisten dat wij binnen de kortste keren van het bestaan van die foto zouden afweten. We hebben zaterdag geen gelegenheid gehad er met Adrie over te praten, maar dat ga ik vandaag nog doen. De kroeg is dicht, dat weet ik, ik bel gewoon bij ze aan. Ik bel niet van tevoren. Als ze niet huis zijn, heb ik pech gehad en ga ik morgen naar de kroeg. Ik ga Adrie rechtstreeks vragen of hij me alsjeblieft wil vertellen wat er in dit dorp gebeurd is, dat er nu voor zorgt dat er mensen zijn die ons hier weg willen hebben. Hij heeft me al eens verteld dat Steffie als een del beschouwd werd, dan kan hij me ook nog wel iets meer vertellen. Nu ik er wat aan bijgedragen heb dat Lies meedraait in de kroeg en er uiterlijk ook niet op achteruit gegaan is, kan ik misschien een paar potjes bij hem breken. Als het meezit en Lies is er ook bij kan ze nog wel een soort bondgenoot zijn. Bij de lunch zal ik het er met Stef over hebben.

19.30 uur

Stef wilde wel met me meegaan, maar dat leek me wat overdone. Ik ken Stef wel, maar zo goed ken ik Adrie nu ook weer niet. Voor je het weet wordt het dan weer een gesprek tussen twee mannen. Ik wilde ook een beetje op zijn vaderlijke gevoel spelen. Per slot van rekening heeft hij wel iets met vrouwen die een stuk jonger zijn dan hij. Zo'n aardig jong vrouwtje dat zo graag in jouw dorp wil blijven wonen moet je toch behulpzaam zijn? Dat was ongeveer mijn uitgangspunt en voor de rest zou ik het wel op zien komen spelen.
Ik was er om kwart over een. Lies deed de deur open. "Hè Annet. Kom je voor mij?"
"Ja, ook, maar ... uh ... ik wilde Adrie wat vragen, als het jullie uitkomt tenminste. Is hij thuis?"
"Nee, maar ik verwacht hem elk moment. Kom binnen."
Ze ging me voor naar de keuken, waar ze koffie ging zetten.
"Je bent veranderd", zei ik. "Je bent niet meer dat grijze muisje van twee weken geleden."
"Meid, ik ben zo blij dat Adrie gezegd heeft dat ik eens met jou moest gaan praten. Ik ben al aan het kijken of ik een horecaopleiding kan volgen. Met wat veranderingen hier en daar, een wat uitgebreider menu bijvoorbeeld, kunnen we vast meer klanten uit de stad trekken."
"Ik zie het voor me", riep ik enthousiast, "Auberge à Trois."
"Die is mooi! Moet ik onthouden. Hoe kom je d'r op? O, daar heb je Adrie." Ze liep naar de hal. Ik hoorde haar zeggen: "Annet is er. Ze wil je wat vragen. Kan toch wel, hè? Ze heeft net een mooie nieuwe naam bedacht, Auberge à Trois. Hoe vind je die?"
Ze kwamen net de keuken in en Adrie keek wat onbegrijpend.
"A-drie", zei Lies. "A trois. Wanneer heeft iemand het voor het laatst Landrust genoemd? Als we mensen uit de stad willen trekken, moeten we het een beetje chique uitstraling geven."
"Ja, leuk." Adrie klonk nog niet overtuigd. "Hallo, Annet."
Lies schonk koffie in. We bleven in de keuken zitten. Het was ook duidelijk een eetkeuken.
"Wat wil je weten?" vroeg Adrie me. Het klonk niet onvriendelijk, maar ook niet als 'Vraag maar en ik vertel het je.'
"Jullie weten", ik betrok Lies er meteen bij, "dat wij wat probleempjes gehad hebben." Ik vatte alles nog maar eens kort samen, zonder de boodschappen aan Ankie en Ellen te noemen. "Jij hebt wel eens gezegd dat je alles weet wat hier in het dorp gebeurt en wat er eerder gebeurd is. Je hoeft geen namen te noemen, maar als jij toevallig weet dat iemand hier in het dorp iets met die ongein te maken heeft, kun je misschien vragen of hij er mee wil stoppen. Wij willen hier graag nog lang blijven wonen. We willen onze kinderen hier ook laten wonen."
"Ben je in verwachting?" vroeg Lies.
"Nee, maar dat hoeft wat ons betreft geen jaren meer te duren."
Adrie zat voor zich uit te staren. Ik ging nog maar even door. "Stef en ik hebben er natuurlijk heel wat over nagedacht. We denken dat het iets te maken heeft met het huis dat van die huisarts is geweest. We hebben het ook altijd vreemd gevonden dat er twee vrouwen verdwenen zijn die verre familie van elkaar zijn. Nou lijkt het erop dat Ans in ieder geval nog leeft. Misschien heeft die Stefanie ook nog wel een hele tijd geleefd, maar ergens anders. Misschien is ze wel gevlucht omdat ze hier als een lellebel beschouwd werd."
"Denken jullie dat Ans ook gevlucht is?"
"Dat zou toch kunnen? Waarom verdwijnt iemand plotseling spoorloos?"
"En denken jullie dat het iets met jullie problemen te maken kan hebben?"
"Ik weet het gewoon niet. We willen alleen maar dat het stopt. En ik denk dat iedereen in het dorp blij is als Ans weer gewoon terug is."
"En jullie denken dat ik er iets aan kan doen." Adrie keek weer een tijdje voor zich uit. Hij zat te dubben. Dat maakte het voor mij al duidelijk dat hij meer wist dan ik. Hij zat te dubben over wat hij me wel en niet kon of wilde vertellen. Hij slaakte een diepe zucht. "Ik weet wel veel, maar ga alsjeblieft niet denken dat ik alles weet. Aan de bar willen mensen hun hart wel eens luchten, maar ze willen ook wel eens alleen maar roddelen over wat de tante van de vriendin van de zus van de buurman heeft gehoord. Goed, mijn vader heeft me ooit verteld dat hij van een zogenaamde betrouwbare bron had gehoord dat die Stefanie een relatie had met die huisarts. Zo zeiden ze dat toen natuurlijk nog niet. In die tijd noemden ze dat nog het plegen van ontuchtige handelingen. Daar kwam dan het leeftijdsverschil nog bij, alsof een man het kan helpen dat hij serieus een veel jongere vrouw heel leuk en lief kan vinden. Ik heb nooit achter jonge meiden aangelopen. Lies is de enige en daar heb ik nooit spijt van gehad."
"Ik ook niet", zei Lies en ik zag dat ze het meende. "Nu denk je zeker," zei ze tegen mij "waarom liep ze er tot voor kort dan als een grijze muis bij? Waarom verstopte ze zich als het ware?"
"Lies wilde niet opvallen", zei Adrie. Wilde hij voorkomen dat Lies meer ging vertellen? "Dat is ook een heel verhaal, maar nu niet zo interessant." Dat vond ik wel, maar het was niet het juiste moment om aan te dringen.
"Goed, Annet," ging Adrie door, "ik wil nog wel eens bekijken wat ik voor jullie kan achterhalen. Verwacht niet teveel. Er wordt nog wel eens overdreven wat ik allemaal zou weten. Jullie komen nog wel eens langs, dus ..."
Ik weet wanneer ik moet opstappen. "Als je iets weet, dan horen we het. Bedankt vast. Langs komen doe we toch wel."
Lies liep met me mee naar de deur. Zachtjes zei ze: "Ik zal wel een beetje aandringen. Je hebt mij ook geholpen. Tot gauw."
Het was nog geen overweldigend resultaat, maar het begin was er. Ik had de indruk dat Adrie niet hoefde te bekijken wat hij wist. Hij wilde nog eens goed nadenken over wat hij ons wilde vertellen.
Ik heb Ankie een mailtje gestuurd.

Lieve Ankie,
Je hebt helemaal gelijk. Anneke is mijn beste vriendin. Ik houd van jou.
Annet.


Dinsdag 8 mei, 13.30 uur

De haag rond het huis geeft heel veel privacy, al komt er alleen maar één keer in de zoveel dagen een boer langs. Vanuit mijn werkkamer, boven de eetkamer, kijk ik niet verder dan die haag en de bomen die daar nog boven uitsteken. Stef heeft vanuit zijn kamer boven de zitkamer een uitzicht op de akkerbouwgronden aan de overkant van de weg. De weg zelf kan hij niet zien. Hij kon me laatst alleen maar voorbij zien hollen, omdat de deuren in de haag openstonden. Af en toe zit ik nog wel eens na te denken over een manier om toch zicht te krijgen op de weg, via een hoog geplaatste camera. Het hoogste punt van het huis is dan nog niet hoog genoeg. Dat heb ik al eens uitgerekend. De twee woonlagen zijn allebei iets van twee meter vijftig hoog. Dan komt er een puntvormig dak van ongeveer twee meter hoog. Precies in de punt zit een schoorsteen die nog een meter hoog zal zijn. De schoorsteen staat in verbinding met de open haard in de zitkamer die maar een heel enkele keer aan is. We hebben dus nog een vliering, waar we geen van beiden ooit geweest zijn. We hebben in de garage genoeg ruimte om spullen op te bergen. Bij de restauratie zijn de bouwvakkers er wel geweest. Er zit een luik in het plafond van de bovenhal. Als je dat opentrekt komt er een soort uitschuifladder naar beneden, hebben we ons laten vertellen. Ik liep de hal in om eens te kijken. Hoe kom je bij dat luik, vroeg ik me af, om het open te trekken? Aan één kant zat een ring. Ik pakte een stoel uit mijn kamer en ging erop staan. Ik kon net niet bij die ring.
Stef had mij horen rommelen en kwam een kijkje nemen. "Wat ben je aan het doen?"
"Ik wou eens een kijkje nemen op die vliering."
"Waarom?"
"Zomaar. Dat hebben we nog nooit gedaan. Ik kan er alleen net niet bij. Probeer jij eens."
Even later was de ladder uitgetrokken en klom ik naar boven. Er was niets te zien, want het was aardedonker. Er zitten geen raampjes in het dak. Een grote staaflantaarn ligt altijd in de garage. Ik besloot eerst een paar rondjes te hollen en op de terugweg de lantaarn te pakken. Bij het hek stopte ik en draaide me om. Stef stond bij het raam van zijn kamer. Ik trok mijn shirtje omhoog, liet het weer zakken, wuifde naar Stef en holde het hek uit voor drie rondjes.
Nog in mijn sportkleren klom ik, gewapend met de lantaarn, de ladder op. Alleen op het gedeelte rond de schoorsteen kon ik rechtop staan. Ik bescheen methodisch het hele vloeroppervlak, ruwhouten planken. Ik zag het pas op het laatste moment omdat ik er zo dichtbij stond. Het stond bijna tegen de schoorsteen, vanuit het luik gezien erachter. Het was een klein houten doosje. Ik pakte het op. Er rammelde iets in. Ik maakte een schuifdekseltje open: schaakstukken. Ik bleef nog een tijd doorzoeken maar verder was er niets te vinden.
Stef hoorde mij de ladder afkomen en kwam naar het resultaat kijken. Ik liet hem het doosje zien. "Dit is alles wat er lag."
"Waarom hebben die bouwvakkers dat daar destijds laten liggen?"
"Gewoon niet meer aan gedacht."
Ik zette het doosje op mijn bureau, haalde een handdoek uit de badkamer waar ik mijn sportkleren uittrok. Ik ging buiten onder de koude douche staan en dook het zwembad in. Het was me wel duidelijk van wie de schaakstukken geweest waren, maar waarom lagen ze op de vliering? Ik kon me maar één goede reden voorstellen: om ze te verbergen, in ieder geval uit het zicht te houden.
Ik haalde op mijn kamer de stukken uit het doosje. Ze waren prachtig, leken wel handgesneden en bewerkt. Het zou wel eens een behoorlijk antiek stel schaakstukken kunnen zijn, dus waardevol. Ik zette de stukken op een rijtje en dat maakte ook weer iets duidelijk: de witte dame ontbrak.
Schaakstukken verlies je niet. Bij het opruimen na het spel kan je er een laten vallen, maar dan pak je het op. Kon de dame kapot gegaan zijn doordat er iemand op is gaan staan? Ik heb geen verstand van hout, maar ik heb de indruk dat die stukken van heel hard hout gemaakt zijn. Zou Herman de witte dame als een soort talisman altijd bij zich gehad hebben, een soort symbool van zijn Steffie? Maar waarom moest hij alle andere stukken dan verbergen? Een incompleet stel stukken is altijd minder waard. Had die witte dame een waarde van zichzelf, voor Herman of voor iemand anders? En dan de belangrijkste vraag: waar is de witte dame nu? Is zij de derde spoorloos verdwenen dame? Van de keren dat ik me wat in het schaken had verdiept herinnerde ik me dat stukken tijdens een spel geofferd kunnen worden. Je laat doelbewust een van je stukken slaan om daardoor op langere termijn voordeel te verkrijgen. Zo kan ook een dame geofferd worden. Ze verdwijnt uit het spel, maar bij een volgend spel staat ze gewoon weer op het bord.
Zit ik nou een beetje rare symboliek te bedrijven? Dames verdwijnen uit het ene spel, maar komen in een ander spel terug, op een ander bord, zoals Steffie, of op hetzelfde bord, zoals Ans, misschien. Komt de witte dame ook nog terug op hetzelfde of een ander bord? Zit iemand nu te bedenken hoe hij dame Annet kan offeren om daarmee op langere termijn voordeel te behalen? Ik had al eens eerder zoiets geschreven, herinnerde ik me. Ik zocht het op, het was op 11 oktober vorig jaar geweest. Toen zag ik mezelf nog als een pion, maar ik schreef ook al dat een dame geofferd kan worden.
Ik was weer terug bij het schaken en daarmee bij het schakende bestuurslid. Wat weet hij van de ontbrekende witte dame? Het bestuur had nog steeds niet gereageerd op mijn laatste mailtje. In schaaktermen waren zij nog steeds aan zet en was hun bedenktijd zo langzamerhand wel verlopen. Waren ze niet bang meer voor mijn bedreiging met onthullingen?
In ons gesprek met Lies hadden we het zwemmen van jonge Adrie met zijn vriendinnetje afgedaan, maar feit blijft dat de navelpiercing van dat vriendinnetje een schaakstuk voorstelde. Adrie had er niet om gevraagd het terug te geven aan dat ex-vriendinnetje. Wou hij er niet extra de aandacht op vestigen?
Vragen, vragen, vragen. Drie verdwenen dames. Drie dames die gezegd wordt dat ze beter uit de buurt kunnen blijven van dame Annet. Die heeft weer een andere dame op de kaart gezet, zoals dat heet. Je kan ook zeggen dat ik een dame weer actief bij het spel betrokken heb. Wat schreef ik ook al weer de vorige keer? De koning kan alle kanten op, maar met kleine stapjes. De dame kan ook alle kanten op, maar van de ene kant van het bord naar de andere. Adrie, de koning van Lies, kan maar kleine stapjes doen. Lies had ik al een grote stap laten maken. Ze wil me helpen, maar ze zal ook haar koning willen beschermen. Welke rol laat zij jonge Adrie spelen? Is hij een paard, dat als enige over de andere stukken heen kan springen en zo blokkades kan nemen waar dat anderen niet mogelijk is?
Er begint zich een nieuw actieplan af te tekenen. Ik ga mezelf er niet aardiger door vinden, maar ik moet meer met Lies aanpappen. Ze lijkt me aardig genoeg om een vriendin te kunnen worden, maar voorlopig moet ik in ieder geval eerlijk zijn tegen mezelf. Een netter woord dan aanpappen is er niet. Ik wil haar gebruiken voor mijn eigen doeleinden. Het enige excuus dat ik ervoor heb is dat zij misschien nog slimmer is dan ik denk en haar geheel eigen spelletje met mij, met ons speelt. Ik moet haar in vertrouwen nemen, in de hoop dat zij dat ook doet. Waarmee geef ik aan dat ik haar vertrouw? Ik ga haar niet over Ankie vertellen. Ik ga iets moois niet bezoedelen door het als een soort wapen te gebruiken. Lies heeft gezegd dat ze ons huis wel eens van binnen wil zien. Ik kan haar een keer uitnodigen. Ik kan haar vertellen dat mijn kamer, als het zover is, tegelijkertijd babykamer wordt. Om te beginnen kan ik haar vertellen dat we erover denken na de zomer serieus werk te gaan maken van een kind. Ze moet zich toch vereerd voelen als ik zeg dat zij de eerste is die het hoort.
Getver, nee, dat wil niet. Ik wil dat Ankie het als eerste van mij hoort. Ik wil dat ze met net zo veel verwachting naar de geboorte uitkijkt als ik en Stef. Ik weet dat ze dat zal doen.
Ik kreeg een merkwaardig, maar wel plezierig gevoel over me. Een warm gevoel kun je het ook noemen. Het had te maken met het denken aan Stef en Ankie, de twee mensen van wie ik houd, maar ook met het denken aan een nog niet geboren, nog niet eens verwekt kind, waarvan ik zou gaan houden. Ik weet ineens heel zeker dat ik een kind wil. Ik moet morgen beginnen met een nieuw serie pillen, maar ik wil er niet meer mee beginnen. Ik wil niet wachten tot na de zomer. Wat er allemaal nog gaat gebeuren deze zomer, het kind zal er geen last van hebben.
Ik stuurde een mailtje naar Stef dat hij eerst mijn verhaal moest lezen voor hij naar beneden kwam. Dan hoef ik niet zo veel meer uit te leggen.

Woensdag 9 mei, 13.30 uur

Stef bleef een tijdje tegen de deurpost leunen toen hij gistermiddag van boven kwam. Dat doet hij wel vaker als ik op de bank zit te lezen. Het is een goed teken. Vaak zegt hij dan iets leuks of iets liefs. Hij zei deze keer niets. Hij knikte alleen en liep door naar de keuken. Hij kwam terug met een pilsje en een fles wijn, schonk in en kwam naast me zitten. Hij zei niet meteen iets. Na een paar slokken zette hij zijn glas op tafel en sloeg een arm om heen. "Je wilt een kind ook met Ankie delen."
Het was geen vraag, het was de vaststelling van een feit. Ik had het mezelf nog niet zo gerealiseerd, maar ik wist dat hij gelijk had. "Ja, als zij een kind krijgt wil ik dat ook met haar delen. Ik bedoel ..."
Hij legde een vinger op mijn lippen. "Ik weet wat je bedoelt, Netje. Ik ken je al een tijdje. Ik weet dat je van me houdt. Dan hoef je niet zo veel meer uit te leggen."
Het was zo'n moment dat je niet hoeft te vrijen en zelfs niet hoeft te zoenen. Nog meer samen kan even niet.
Ik was de eerste die weer wat zei. "Is het zo duidelijk?"
"Voor mij is het van het begin af aan duidelijk geweest. Ik hoop voor Ankie en Karel dat het voor hun ook zo duidelijk is. Bel d'r maar."
Op haar vaste telefoon kreeg ik de voicemail. Het mobieltje werd bijna direct opgenomen. "Hi, lieverd."
"Hi. Hebben jullie tijd en zin om het weekend hierheen te komen?"
"Ik wel. Karel, zullen we dit weekend naar Annet en Stef gaan?"
"Wat doe je bij Karel? Het is dinsdag."
"Bemoei je er niet mee en laat me even rustig met Karel praten, ja."
Ik hoorde intussen Karel zeggen dat hij het prima vond.
"Heb je 't gehoord?" vroeg Ankie.
"Ik heb niks gehoord. Ik bemoei me niet met jullie onderlinge gesprekken."
"Trut! We komen. Hoe laat kunnen we aankomen?"
"Kom vrijdag, meteen uit je werk."
"Leuk. Doen we. Er is toch niet iets gebeurd, hè?"
"Helemaal niets, maar waarom ben je daar opeens?"
"Die lummel liet me gisteren via een mailtje weten dat hij vandaag jarig is. Ik heb niet eens een fatsoenlijk cadeautje voor hem kunnen bedenken."
"Ik stoor jullie niet langer. Geef hem een zoen van me. Tot vrijdag."
"Ze komen", zei ik totaal overbodig tegen Stef. "Karel is jarig. Vandaar dat ze bij hem is."

Maandag 14 mei, 10.00 uur

Ik heb een paar dagen op een wolk geleefd. Ik was als een schoolmeisje dat net aan haar grote vakantie is begonnen. Alle vervelende dingen waren opgeborgen voor een tijd. Ik speelde huisvrouwtje. Ik speelde leuke spelletjes met mijn vriendje. We deden net of we getrouwd waren en kindertjes gingen maken. En vrijdag zou mijn vriendinnetje komen aan wie ik een geheimpje mocht vertellen. Het zou ook nog eens mooi weer worden tijdens het weekend.
Vrijdagochtend deed ik alle boodschappen aan de hand van een lijstje dat grotendeels door Stef was opgesteld. 's Middags ging ik naar de stad. Ik kocht voor 't eerst een paar sexy slipjes, een kort rokje en een topje met veel inkijk. Om een uur of vijf trok ik mijn nieuw aanwinsten aan en ging op het terras zitten.
Stef bleef deze keer tegen de schuifpui aanleunen. "Toen ik nog jong was dacht ik dat mijn kinderen een deugdzame moeder zouden krijgen. Ze zullen het met een wulpse sloerie moeten doen."
Ik trok mijn rokje nog wat op. Stef bekeek me aandachtig. "Dat noemen ze nog steeds onderkleding? Nou ja, dit weekend zal er toch niet veel kleding gedragen worden. Ik neem aan dat Ankie Karel verteld heeft hoe losbandig het hier toegaat en dat hij geen overwegende bezwaren heeft."
Ik was nog even serieus. "Ik zeg vanavond nog niks, over kindertjes krijgen en zo. Daar wil ik eerst met Ankie alleen over praten, morgen. Ga jij een stuk fietsen met Karel, of lopen, whatever. OK?"
"Op één voorwaarde."
"Ja?"
"Ik heb nog nooit een vrouw onder haar rokje over haar billen geaaid. Dat wil ik nu eindelijk wel eens doen."
Ik gaf hem ruimschoots de gelegenheid.
Tegen half zeven hoorden we een auto stoppen. Stef liep naar de hal om op het knopje te drukken. Ik liep vast naar het hek. Ankie stapte uit voor Karel de auto naar binnen reed. Ze bekeek me eens goed. "Hoe doe je dat precies?" vroeg ze.
"Hoe doe ik wat?"
"Je kijkt alsof je niet eens weet dat je er uitdagend uitziet."
"Ik hoef jou toch niet uit te dagen om me te zoenen?"
Toen we uitgezoend waren stonden Stef en Karel al op het terras met elkaar te praten. We zoenden elkaars mannen. We zouden binnen eten maar borrelden nog buiten.
"Ik hoef toch niet te wachten, hè, Karel?" zei Ankie.
"Nee hoor, waar het hart vol van is ..."
"We hebben op Karels verjaardag nog eens goed doorgepraat", zei Ankie. "Karel denkt dat ik intussen oud en wijs genoeg ben, vooral het laatste, om te weten wat een echt goede relatie is. We gaan dus op zoek naar een huis of een flat waar we samen in passen."
Ik vloog Ankie nog maar weer eens om haar nek en gaf Karel ook een paar welgemeende zoenen.
Bij de koffie zei Karel, meer tegen mij dan tegen Stef: "O ja, nog wat. Voor mijn werk maakt het niet zoveel uit waar ik precies woon. Ankie denkt dat ze in haar soort werk ook ergens anders dan in Amsterdam redelijk snel een baan kan vinden. We denken er dus over hier in de buurt ergens een huis te zoeken. Niet in dit dorp, hoor. We hoeven ook niet op elkaars lip te zitten, maar wel zo in de buurt dat jullie elkaar wat makkelijker en vaker kunnen zien. Als ik Ankie dan weer eens tijdje alleen moet laten, kan ze wat makkelijker bij een vertrouwd persoon uithuilen."
Ik keek naar Ankie. "Ik leef al een paar dagen op een wolk. Hij wordt steeds mooier."
"Waar komt die wolk vandaan?"
Voor ik wat kon zeggen zei Stef: "Ze heeft het heel goed opgeschreven. Jullie moeten het maar lezen. Vind je niet, Netje? Haal je laptop, dan ruim ik intussen de tafel af."
Het was de allereerste keer dat Stef me Netje noemde in het bijzijn van anderen en ik vond het niet meer dan normaal. Ik liep in een soort roes de trap op om de laptop te halen. Ik zat naast Ankie toen zij en Karel zaten te lezen. Tegen het eind voelde ik haar hand onder mijn topje over mijn rug gaan.
Stef schonk nog eens koffie in en zette er cognacglazen bij. Karel sloot de laptop. Hij ging naast Stef zitten, tegenover Ankie en mij, maar niet om afstand te nemen. "Die Hermien had het over een driehoeksverhouding. We zitten nu dus eigenlijk met twee driehoeken. Leg die twee driehoeken tegen elkaar en je hebt een mooi vierkant of een mooie ruit. Past prachtig bij deze omgeving, maar het past overal wel. Ik liep een stukje achter op Stef, maar ik ben al aardig dichtbij gekomen, geloof ik."
"Nee", zei Ankie.
"Je bent er al", ze ik.
"Welkom bij de club", zei Stef.
We bleven de rest van avond aan de tafel zitten praten. Om half elf was de cognac op en gingen we naar bed. In de hal gaf ik Ankie een nachtzoen. "Ik heb sportschoentjes meegenomen", zei ze. "Gaan we morgenochtend een paar rondjes hollen?"
"Half acht op het terras."
Ik zat al vlak na zeven uur op het terras met een kop thee. Om kwart over zeven kwam Ankie naar beneden in haar sportschoentjes. Ze dronk ook nog thee voor we gingen hollen. Ik dacht dat ik het wat rustig aan moest doen, maar ze hield me probleemloos bij. Zwemmen zorgt ook voor een goede conditie. Na het derde rondje bleven we even bij het openstaande hek staan. "Nog één rondje?" vroeg ik. "Dan moeten die kerels toch wel eens opgestaan zijn om voor een ontbijt te zorgen."
Na het vierde rondje zat Karel op het terras. Ik haalde handdoeken uit de badkamer. We douchten onder de koude douche en zwommen wat rond.
"Jullie hebben straks de zonneweide helemaal voor jezelf", zei Karel toen we bij hem kwamen zitten. "Stef en ik gaan een eind fietsen. Hij zal zo wel klaar zijn met het ontbijt. Willen jullie vast koffie?"
Dat wilden we. Mijn fiets moest wat aangepast worden voor Karel, maar dat was weinig moeite. Ze vertrokken tegen tienen. We hoefden niet op ze te rekenen met de lunch.
Ik haalde een plaid uit een kast en legde die bij het zwembad op het gras. Ankie nam twee boeken mee. Ik ging op mijn rug liggen. Ankie kwam naast me liggen. Ze steunde haar hoofd op haar linkerhand en streelde met haar rechterhand mijn buik. "Hier moet het dus komen", zei ze. "Ik ben nog niet zover, maar ... Ik weet niet zo goed hoe ik het zeggen moet. Ik vind ontroerd altijd een beetje beladen, bijna ouderwets woord, maar zoiets was ik wel toen ik las dat je een kind ook met mij wilt delen. Als je zo'n bolle buik hebt wil ik die ook strelen. Ik wil je nu hele lijf strelen."
Dat wilde ik ook.
In het begin vroegen we ons nog af of we het wel seks moesten noemen, alsof we er een excuus voor moesten hebben. Voor wat we deden hadden we geen excuus nodig. Het was seks en het was mooi en het was heerlijk. Ik heb in het begin de hele relatie met Ankie ondergewaardeerd. Ze was meteen meer dan een goede vriendin, maar hoeveel meer begint me pas nu duidelijk te worden. Tegen Stef heb ik gezegd: eerst hij, dan een tijd niks, dan Ankie. Stef staat onbetwist op de eerste plaats, maar het duurt niet zo heel erg lang voor Ankie in zicht komt.
"Ben jij anders naar vrouwen gaan kijken?" vroeg Ankie na een tijdje.
"Nee, ik kijk maar naar één vrouw anders. Jij?"
"Nee, ik ook niet. Ik ben toch wel wat veranderd, ook wat mannen betreft. Als ik samenwoonde met een man, had ik toch wel eens bij het zien van een andere aantrekkelijke vent, dat ik als het ware de mogelijkheden zat in te schatten. Sinds ik Karel ken heb ik dat niet meer gehad. Is toch eigenlijk raar?"
"Zou het er iets mee te maken kunnen hebben dat het met Karel meer is dan lekker in bed en verder ook wel leuk en gezellig? Heb ik je laatst niet horen zeggen dat je van hem houdt? Zou dat er iets mee te maken hebben?"
"Ik denk dat het ook iets te maken heeft met een driehoeksverhouding. Geef me nog een zoen, dan ga ik nog wat koffie maken."
Daarna lagen we lekker in de zon te lezen. We maakten samen de lunch en lazen weer verder. Ik zag op een gegeven moment dat Ankie was ingedut. Ik ging dicht tegen haar aan liggen en dutte ook weg. We werden wakker door het geplons van de mannen in het zwembad. Het was al vier uur geweest. We vonden het een nette tijd voor een drankje. Karel ging naast Ankie zitten. "Heb je zin om morgen naar een huis te kijken?"
"Heb je wat gezien?"
"Puur toeval. We kwamen er gewoon langs. In een dorpje aan de andere kant van stad. Het is al bijna een beetje luxe buitenwijk van de stad. Het is niet zo'n paleis als hier, maar het is vrijstaand, uit de dertiger jaren, redelijk lapje grond eromheen, aan een rustige straat. Er zat een bejaard echtpaar in de tuin. We zijn er maar op afgestapt en hebben gezegd dat we geïnteresseerd waren. Ze dachten eerst dat Stef en ik geïnteresseerd waren, maar dat hebben we recht gezet. Ik heb gevraagd of ik morgen ook met mijn vrouw mocht komen kijken. Dat mocht, na de lunch. Doen?"
"Natuurlijk doen, gek. Je hebt toch geen andere vrouw?"
"Niet dat ik weet. Hebben jullie een leuke dag gehad?"
"We hebben een fijne dag gehad, ja. We hebben afgesproken dat als het zover is, ik voortdurend Annets bolle buikje kom strelen. Ik wil ook een beetje in verwachting zijn dan, om uit te proberen, zeg maar."
"Hebben jullie tijdens het fietsen nog over meisjes gekletst?" vroeg ik.
"Tijdens het fietsen hebben we niet eens gepraat", zei Stef. "Maar bij een salade met gerookte kip en een glaasje wijn hebben we wel in beschaafde termen over twee meisjes gesproken, ja."
Ankie lachte. "In een beschaafd gesprek komt seks niet aan de orde natuurlijk."
"Natuurlijk niet", zei Karel. "We zijn heren. We hebben nog maar eens vastgesteld dat we jullie rustig een tijdje alleen konden laten omdat jullie heel lief voor elkaar zouden zijn. Nou, jullie lagen lief en vreedzaam naast elkaar te slapen toen we terugkwamen. Dat hadden we dus goed gezien."
Ik vond dat de mannen na zo'n lange fietstocht wel enige rust verdiend hadden en stelde Ankie voor het koken voor onze rekening te nemen. In de keuken vertelde ik Ankie dat als het wat zou worden met dat huis, we op minder dan een uur fietsen van elkaar zouden wonen. "Er is nog ruimte zat op mijn wolk", zei ik erbij.
We aten buiten. De koffie dronken we binnen.
"Lieve meisjes," zei Stef, "wij zijn van die nuchtere kerels, weet je wel. We dromen graag mee over kindertjes en huizen. We kunnen ook heel goed meepraten over het strelen van al of niet bolle buikjes en wat er bij vrouwen zo al meer bolvormig is. Maar terwijl jullie in de keuken bezig waren hebben wij het ook nog over andere dingen gehad."
Karel ziet wel iets in mijn theorie van twee kampen. Kamp 1 is het bestuur, drie mannen die kunnen beschikken over waarschijnlijk veel geld. Dat geld of een deel ervan willen ze besteden aan het verwerven van ons huis en mogelijk het bos er omheen. Als dat niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. "Maar, let op, zij hebben tot nu toe niets gedaan. Ze zijn even in paniek geraakt door die mailtjes, maar zijn inmiddels tot de conclusie gekomen dat paniek onnodig is."
Kamp 2 zijn nakomelingen van Herman. Zij zien hun geld verdwijnen. Ze hebben er in ieder geval geen controle meer over. Zij weten iets van de plannen van het bestuur en weten ook dat die zo nodig over lijken gaan. "Het klinkt misschien gek, maar zij doen hun best jullie hier weg te krijgen. Ze willen jullie beschermen. Als jullie weg gaan, kan jullie niks meer gebeuren. Wat er tot nu gebeurd is, is goed beschouwd redelijk onschuldig. Jullie zijn geen moment in gevaar geweest. Die molotovcocktail hadden ze ook op de garage kunnen gooien. Dat zou een heel wat bedreigender indruk gemaakt hebben. Zij zitten met hetzelfde probleem als jullie: ze weten of vermoeden iets, maar het is niets waar de politie iets mee kan doen. Bij dat kamp horen in ieder geval Adrie, Lies en Ans. Het is Ans op een gegeven moment te heet onder de voeten geworden. Ze wacht betere tijden af. Jullie hebben duidelijk gemaakt dat vertrek er niet in zit en Adrie en Lies proberen nu op een andere manier contact met jullie te maken. Vergeet niet dat Adrie Lies hierheen heeft gestuurd. Ik denk, Annet, dat jij niet hoeft na te denken hoe je meer contact kunt hebben met Lies. Dat zal ze zelf doen. Er is nog een mogelijkheid: ik zie het helemaal verkeerd."
We hebben nog heel wat afgetheoretiseerd die avond, vooral ook over de plaats van Adrie in het geheel. "Ik ben voorlopig dus werkloos", was mijn conclusie. "Ik wacht af tot Lies wat doet. Wat doe ik in de tussentijd? Het kan nog wel even duren voor een zaadcel en een eicel elkaar helemaal gevonden hebben en ik wat anders aan mijn hoofd heb."
"Mij staat bij", zei Ankie, "dat ik ergens iets gelezen heb over een roman over een gelukkig getrouwde dame die het in haar hoofd haalt een relatie te beginnen met een vrouw. De echtgenoot vindt het maar niks. Voor wie kleedt zij zich zo sexy aan, vraagt hij zich af, voor haar of voor mij? Die andere vrouw wordt ook jaloers. Wat doe je nog bij die droplul, vraagt zij. Maak nou eens een keuze. Die keuze maakt zij. Zij zegt tegen de andere twee dat ze het samen maar moeten uitzoeken. Ze begint een naturistencamping in Frankrijk. Dat zijn zo de grote lijnen."
Ik zei dat ik er na het weekend nog eens over ging nadenken.
Zondagochtend hoorde ik iemand uit mijn kamer komen. Aan de voetstappen dacht ik te horen dat het Karel was. Ik zag hem al zoeken naar koffie en thee en ging er uit. Karel stond inderdaad in een kastje te turen. Ik wees hem waar alles stond en ging vast op het terras zitten. Een paar minuten later kwam hij met koffie en thee bij me zitten. "Ankie had me uiteraard gezegd hoe het dagelijks leven hier zo'n beetje verliep", zei hij. "We zijn geen gasten, maar tijdelijke huisgenoten. De huisgenoot die het eerste opstaat maakt koffie en thee. En een simpele dresscode: come as you are. Het gekke is dat ik het al niet meer gek vind. Misschien heeft Stef je dat al gezegd, maar toen we gisteren terug kwamen, hebben we een tijdje naar jullie staan kijken."
"Stef zei dat jullie ons stonden te bewonderen."
"Vanuit individuele perspectieven bewonderden we de een en keken we waarderend naar de ander."
"En jullie wisten heel goed dat de een en de ander kort daarvoor hadden liggen vrijen."
"Daarom waren we gaan fietsen. We begrepen dat jullie wat privacy wilden."
"Ik heb Stef daar op passende wijze voor bedankt. Ik neem aan dat Ankie ..."
"Ook zo haar manier van dankjewel zeggen heeft? Klopt."
"Wat klopt?" vroeg Ankie die net het terras op kwam met bordjes en bestek.
"Bijna alles", zei ik. "O nee, daar heb je hem al. Alles dus." Stef zette de rest van de ontbijtspullen op tafel.
"Gaan jullie nog hollen", vroeg Karel, "in diezelfde leuke outfit als gisteren?"
"Je denkt toch niet dat we speciale sportschoenen voor de zondag hebben", zei Ankie.
Het hollen deden we een half uur na het ontbijt. We kregen de mannen niet mee. Karel had als excuus dat hij geen sportschoenen bij zich had. Stef wilde solidair zijn. Ze stonden ons wel aan te moedigen elke keer als we voorbij het hek kwamen.
Bij het vijfde rondje stopten we vlak voor de laatste bocht en gingen in het gras langs het pad zitten afwachten. We mochten tevreden zijn: hooguit vijf minuten later kwamen Stef en Karel in een sukkeldrafje kijken waar we bleven.
We gingen met Ankies auto naar het andere dorp. Ik zag dat ze moeite moest doen om niet al te enthousiast over te komen. Ik zou er zelf ook serieus over nadenken als we nog zoekende waren. Over de prijs werd nog niet gesproken. Daar was de makelaar voor. Het oudere echtpaar kon ook nog geen precieze datum noemen. Ze zijn nog zoekende naar een goede aanleunwoning of iets anders waar, in noodgevallen, verzorging gegarandeerd was. Die datum was voor Karel en Ankie ook geen probleem. Ze vinden alles binnen nu en een jaar goed. Ze zouden vandaag contact met de makelaar opnemen.
In de auto op de terugweg en later in de tuin was Ankie het hele huis al aan het inrichten. Ik hielp vrolijk mee.
Kort na het eten gingen ze weg. Ankie zal vanavond wel bellen over de prijs van het huis en zo.

Deel 6 : Eindspel

Dinsdag 15 mei, 10.15 uur


Ze doen het! Ze kopen dat huis! Ankie belde gisteravond. Ze was nog half door het dolle. "En nu niet gaan roepen 'Gaat dat niet wat al te snel', want dat weten we ook wel. Maar Karel vindt dat als je iets moois ziet en je wilt het hebben, je niet te lang moet doorzeuren. Wie ben ik om dat tegen te spreken? We zullen ook wel een te hoog bod gedaan hebben, maar vergeleken met Amsterdam lijken de huizen bij jullie in de buurt vanzelf koopjes. Bovendien houden we aan onze flats ook nog een aardige cent over. Dus, lieve Annet, het moet wel raar lopen als ik bij de presentatie van jullie co-productie aan de boze buitenwereld niet persoonlijk als een soortement van co-moeder aanwezig kan zijn. Ben je ook een beetje blij?"
"Volgende domme vraag."
"Houd je van me?"
"Ga zo door."
"Waarom zijn jullie getrouwd? Ik bedoel, waarom niet een samenlevingscontract?"
"Een huwelijk is ook niet meer dan een samenlevingscontract, maar wel een heel stuk simpeler te regelen."
"Da's een goeie. Zal ik Karel eens voorleggen. Als we samen een huis kopen, moeten we wel iets regelen. Goed, ik ga nu serieus verder dromen over inrichting en zo. Dag lieverd."
Ik ben natuurlijk heel blij voor Ankie en voor mezelf. Als ze daar eenmaal wonen kan ik met de auto in een kwartiertje bij haar zijn.
Wat ik zondagavond zei klopt ook nog steeds: wat doe ik zolang er niets gebeurt en Lies niet naar mij toekomt? Sinds ik geen schooljuf meer ben doe ik al meer in het huishouden. Ik heb taken van Stef overgenomen. Dat vind ik ook niet erg, want ik heb er de tijd voor en Stef kan lekker doorschrijven. Als alles meezit kan Margreet ergens in het najaar klaar zijn en volgend jaar bij de Boekenweek in de winkels liggen. Om te beginnen kan ik daaraan weer wat meer aandacht schenken. Dat is er de laatste tijd nogal bij ingeschoten.
Wat de roman betreft, aarzel ik nog. Meer dan dat basisidee heb ik niet. Af en toe denk ik ook dat het idee van een driehoeksverhouding nogal uitgekauwd is. Het heeft van alles met jaloezie te maken, maar daar kan ik geen zinnig woord over zeggen. Ik ben niet jaloers op Karel omdat hij Ankie weer meeneemt na een fijn weekend hier. Stef en Karel hoef ik ook niets te vragen. Die staan hun vrouwen te bewonderen terwijl ze heel goed weten dat die twee kort daarvoor met elkaar hebben liggen vrijen. Daar kan ik ook over schrijven, maar wie is er geïnteresseerd in een verhaal waarin alles van een leien dakje gaat?
Meer sporten hoef ik ook al niet. Vrijwel dagelijks loop ik vijf rondjes. Mijn lijf is in een prima conditie om er een kleine Van Aarden gedurende negen maanden in te herbergen. Het enige wat ik moet afzweren als het zover is, is de alcohol. Een beetje jammer, maar dat houd ik wel vol.
Ik zat wat voor me uit te staren. Mijn oog viel op het doosje met schaakstukken dat nog op mijn bureau staat. Herman heeft, dacht ik ineens, op twee manieren geschaakt. De eerste manier is wekelijks een partijtje schaak spelen. De tweede manier kom je in de moderne tijd niet meer tegen: als minnaar een meisje of vrouw ontvoeren.
Als Karel gelijk heeft, hoeven we voor kamp 2, Adrie en de zijnen, niet bang te zijn. Hij heeft het niet zo bedoeld, maar het maakt me niet geruster. Kamp 1 komt meteen met veel radicalere oplossingen voor hun probleem.

Donderdag 17 mei, 9.15 uur


Eergisteravond belde Lies: ze ging woensdag de stad in. Had ik zin met haar mee te gaan? Dan kwam ze me met haar auto halen om een uur of elf. Ze wilde ook in de stad lunchen. Natuurlijk had ik zin.
In de auto vertelde Lies dat ze wat kantoorspullen nodig had, maar dat ze ook haar voorraadje make-up wilde aanvullen. Daar kon ze mijn advies wel bij gebuiken. Ik bekeek haar nog eens goed en zei dat ze niet zo gek veel nodig had om er goed uit zien. Lippenstift, iets voor de wimpers en de wenkbrauwen waren volgens mij voldoende en een lekker geurtje was natuurlijk ook nooit weg.
De boodschappen waren gauw gedaan. We gingen naar het Raadhuisplein om te lunchen. We hadden net onze bestelling gedaan en Lies ging even naar het toilet. Ze haalde haar handtasje uit haar boodschappentas en stond op. Wat er precies fout ging weet ik niet, maar ze viel bijna. Ze pakte net op tijd de rand van de tafel, maar liet daarbij haar tasje vallen. Er vielen wat spullen uit en ik bukte me om ze op te rapen: een kammetje, een nagelvijl, een lipstick en een schaakstuk, een witte dame. Ik weet nog niet hoe ik zo rustig kon blijven. Ik deed de spullen in het tasje en gaf het aan Lies. Ik wist niet of ze gezien had wat er uit het tasje was. Ik gaf het haar. "Wat deed je nou?"
"Ik weet het niet. Ik denk dat mijn hak achter het kleed bleef haken of zo. Ik ben zo terug." Ze liet niet blijken dat ik iets gezien had wat ik misschien niet zou mogen zien.
Ik geloof in allerlei toevalligheden, maar zonder goed gekeken te hebben wist ik ook zeker waar de witte dame was die uit mijn schaakdoosje miste. Ik hoefde me ook niet meer af te vragen of Lies echt wel een afstammeling van Herman en Steffie was. Het enige waar ik nog niet zeker van was, was of Adrie dat wist toen hij Lies ontmoette.
Lies praatte honderduit over haar toekomstplannen voor de Auberge. Ze is echt van plan die naam te gebruiken als het zover is. In september begint ze met haar horecacursus. Ik moest mijn best doen mijn aandacht erbij te houden. Ik zat koortsachtig te bedenken wat mijn volgende stap zou zijn. Ik wist het toen we de parkeergarage uitreden. "Heb je tijd om straks nog even binnen te komen? Kun je het huis van de binnenkant bekijken."
"O ja. Leuk!"
Ze wilde eerst het zwembad zien. "Daar heeft dat stoute zoontje van mij dus gezwommen met zijn vriendinnetje."
"Kunnen jullie goed met elkaar opschieten?" vroeg ik.
"Heel goed. Het is geen typisch moederskindje, hoor, maar hij heeft altijd al meer aan mij verteld dan aan Adrie. Die wil nog wel eens streng zijn. Ik ben ook nog wel ouderwets, denk ik, voor mezelf, maar je kunt van zo'n jongen niet verwachten dat hij overal hetzelfde over denkt als wij, Adrie en ik bedoel ik. Jij en Stef zullen ook wel wat vrijer zijn dan wij."
"Van ons mocht Adrie hier zwemmen. Wat was er dan voor stouts aan?"
Ze aarzelde en bloosde."Niet zeggen dat ik het verteld heb, hè? Dat meisje was erg vrij, zogezegd. Ze zei dat als toch niemand ze kon zien, dat ze geen zwempak aan hoefden te trekken."
"En daar had Adrie wel oren naar."
Lies knikte alleen maar. "Wees blij dat hij het eerlijk vertelt, meid", zei ik. "En zo vreselijk vrij is dat tegenwoordige niet meer, hoor. Denk je dat Stef en ik wat aantrekken als we gaan zwemmen? Het afgelopen weekend hadden we een bevriend stel op bezoek. Het was mooi weer en ze hadden geen zwempakken bij zich."
"Echt? Je bedoelt ..."
"Ik bedoel dat het helemaal niet erg is je vrienden in hun blootje te zien en omgekeerd. Je hebt toch wel eens van naaktstranden gehoord?"
"Ja, natuurlijk. Op Ameland zijn we daar per ongeluk een keer langs gekomen. Ik heb maar naar de zee gekeken."
"Kom op. Laat ik je de binnenkant zien."
In de keuken zette ik meteen water voor thee op. Lies wilde ook wel zo'n moderne keuken. Ze had nog geen eens een magnetron. Ze was vooral onder de indruk van de ruimte die we hadden. Voor we naar boven gingen dronken we eerst thee. Ik had intussen mijn plan klaar.
In de slaapkamer moest ik even uitleggen waar de monitor voor was. Toen we uit de slaapkamer kwamen stak Stef zijn hoofd om de deur van zijn kamer. "Hallo Lies. Wat vind je ervan?"
"Hartstikke mooi en zoveel ruimte."
Stef deed de deur van zijn kamer helemaal open. "Dit is mijn hok." Hij liep naar het raam en draaide de luxaflex helemaal open. Lies liep erheen om het uitzicht te bewonderen. "Wordt dit je nieuwe boek?" vroeg ze, wijzend op de monitor.
"Als alles goed gaat, inderdaad."
"Laten we de grote schrijver niet langer storen", zei ik en troonde Lies mee naar mijn werkhok, dat niet veel anders is dan dat van Stef.
Er staat ook een fauteuilachtige stoel op mijn kamer. "Ga zitten", zei ik tegen Lies. "Ik wil je wat laten zien."
IK ging aan mijn bureau zitten en pakte het schaakdoosje. Ik haalde de stukken eruit en stelde ze in twee rijen op. Ik zat zo dat Lies niet kon zien wat ik deed. Ik draaide me om en ging opzij. "Kijk eens. Wat vind je hiervan?"
Lies stond op en kwam naast me staan. "Er mist een stuk", zei ze.
"Ja", zei ik. "De witte dame. Ik kon het niet helpen, maar ik zag dat jij een witte dame in je tasje hebt. Vind je het vervelend om die er even bij te zetten?"
Terwijl ze haar tasje openmaakte en de witte dame eruit haalde bleef ze gefascineerd naar de stukken kijken. Ze zette de dame erbij. Voor mij was er geen twijfel mogelijk: het was de missende dame.
Lies leunde voorover. "Hoe kom je daaraan? Ze horen bij elkaar."
"Die heb ik een paar dagen geleden gevonden op de vliering, waar we nog nooit geweest waren."
"Maar ik heb dat stuk van mijn vader gekregen. Die had het ook altijd bij zich."
"En die had het van zijn vader, jouw grootvader, gekregen. Dat was een heel goede schaker."
"Hoe weet je dat?"
"Zullen we naar beneden gaan en nog eens thee zetten, of koffie? Dan vertel ik het. Vergeet die witte dame niet."
In de keuken maakte ik twee cappuccino's. Lies zat nog wat verbijsterd te kijken. We bleven aan de keukentafel zitten.
"Weet je wie dit huis heeft laten bouwen?" vroeg ik.
Ze schudde met haar hoofd.
"Je grootvader. Hij was huisarts in het dorp. Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik denk dat je grootmoeder hier ook een tijdje gewoond heeft. Ze waren niet getrouwd, dat was nogal erg in die tijd, maar niemand wist ervan. Ze hebben ook een kind gekregen, een zoon."
Ik wachtte even, maar Lies keek alleen maar naar me. Ik kon niet meer stoppen. "Je grootmoeder heette Stefanie. Je grootvader heette Herman. Je vader heette ook Herman."
Ze keek me niet-begrijpend aan. "Hoe kun jij dat nou weten? Wie heeft je dat verteld?"
Ze was niet alleen verbaasd meer. Het leek wel of ze ergens bang voor was. Ik legde geruststellend een hand op haar arm. "Rustig maar, Lies. Niemand heeft me iets verteld. Toen die rare dingen bij ons gebeurden ben ik dingen gaan uitzoeken. Zo ben ik erop gekomen. Je hoeft je er echt niet voor te schamen dat je vader een buitenechtelijk kind was, hoor. Daar kijkt tegenwoordig niemand meer van op."
"Daar gaat het niet om", zei ze. "Ik ... uh ... nee, ik moet er eerst met Adrie over praten." Ze stond tegelijk resoluut op.
Ik liep met haar mee naar auto. Voor ze instapte pakte ik haar arm vast. "Lies, één ding: Stef en ik willen hier heel graag blijven wonen en zolang we hier wonen willen we graag bij jullie komen. Dat kan alleen maar als we als vrienden met elkaar omgaan. Begrijp je?"
"Ja. Goed."
Ze stapte in en reed weg.
Ik heb nog een tijd zitten nadenken in de keuken. Dat doe ik nog steeds. Ik kan alleen maar afwachten tot Adrie of Lies weer contact opneemt.

Maandag 21 mei, 14.45 uur

"Nu moeten we de druk op de ketel houden", zei Stef toen ik hem vertelde waar ik met Lies over gepraat heb. "We gaan vrijdagavond gewoon naar Adrie, na het eten. Hij en Lies hebben dan ook de gelegenheid gehad om te overleggen. Ze zullen toch iets moeten zeggen."
We waren er vrijdagavond om een uur of negen. Het was behoorlijk druk, maar er was nog een tafeltje voor twee vrij. We wuifden in de richting van de bar. Stef gaf aan dat we twee wijn wilden. Adrie en Lies stonden beiden achter de bar. Ik verwachtte dat Lies de wijn zou komen brengen, maar Adrie kwam zelf. Hij zette de glazen neer. "We hebben iets te bespreken." Meer zei hij niet.
Op zich was het normaal dat Adrie niet wat langer bleef praten. We zaten aan een tafeltje voor twee en ook hij houdt zich aan de regel dat je niet blijft staan kletsen. Hij wilde kennelijk niet opvallen door langer bij ons tafeltje te blijven staan. Wij speelden het spelletje mee en praatten op gedempte toon, hoewel het over niets bijzonders hadden, niets vertrouwelijks tenminste.
Het tweede glas wijn kwam Lies brengen.
"Komen jullie maandagochtend koffie bij ons drinken?" vroeg ik.
"Ik kan wel. 'k Zal het Adrie vragen."
Achter de bar fluisterde ze Adrie iets in het oor. Hij keek onze kant op en knikte. Dat was geregeld. Er kwam een tafeltje voor vier vrij waar we aan gingen zitten. Dat kwam mooi uit, want een paar minuten later kwamen Ellen en Hermien binnen. Die hadden we ook al een tijdje niet meer gezien of gesproken. Ik voelde me weer een beetje schuldig en dat zei ik dus maar eerlijk toen ze ook een glas wijn voor zich hadden staan. "Het is misschien nog erger dat ik Hans en Loes een hele tijd niets van ons heb laten horen. Ik begin zo langzamerhand een egocentrische trut te worden."
"Dan ben ik net zo erg", zei Stef om me weer wat op te vrolijken.
Hermien aaide ons allebei over de bol. "Wij begrijpen heus wel dat jullie wel wat anders aan jullie hoofd hebben, hoor. Is er nog iets vervelends gebeurd de laatste dagen?"
"Dat is het juist", zei ik. "Ik ben niet alleen maar met vervelende dingen bezig. Ik ben ook vol van allerlei leuke dingen. Ik ben gestopt met de pil. Ankie komt hier dicht in de buurt wonen. Natuurlijk zijn Stef en Ankie het belangrijkste voor me, maar er zijn meer mensen die ik niet graag zou willen missen en vaker zou willen zien. Ik kan toch niet wachten tot ik weer eens ziek wordt voor dat ik jullie weer eens zie?"
"Zwanger worden heeft hetzelfde effect", zei Ellen. "Waag het niet naar een vroedvrouw te gaan of in een ziekenhuis te bevallen."
Ik kon haar met de hand op het hart verzekeren dat ik daar geen moment aan gedacht had. Ik liet het verder aan Stef over om ze helemaal op de hoogte te brengen van de laatste ontwikkelingen, inclusief de afspraak die we net voor maandagochtend gemaakt hadden. Waar ze vooral van opkeken was het verhaal over Lies. Ze dachten dat Adrie een aantrekkelijke dame in dienst had genomen.
"Ze is me voor die tijd nooit opgevallen", zei Hermien, "maar je hebt er wel iets moois van gemaakt, Annet."
"Het meeste heeft ze zelf gedaan, hoor. Ze heeft haar zelfvertrouwen opgevijzeld na wat adviesjes van mij over de buitenkant."
"Ben je toch wat meer op vrouwen gaan letten? Kijk je toch wat anders naar ze?"
Ik zei hetzelfde als wat ik tegen Ankie had gezegd: "Er is maar één vrouw naar wie ik anders ben gaan kijken. Jullie zijn ook heel lief, hoor, en jullie zien er ook goed uit, maar ... uh ... nou ja, jullie begrijpen wat ik bedoel."
Ellen moest lachen. "Wij zijn precies zo, hoor. We kijken ook maar naar één vrouw anders. Toevallig kijken we naar mannen wat anders dan jij."
"Ik kijk ook maar naar één man anders. Toevallig heb ik het geluk dat er ook een vrouw is waar ik anders naar kijk en zij naar mij."
"En die Karel heeft daar ook geen probleem mee?" vroeg Hermien.
"Die is gelukkig net zo'n nuchter type als Stef die niet vindt dat hij wel even uitmaakt, wat ze wel of niet mag. Hij weet dat hij nummer één is en dat ik heel blij ben met een goede tweede plaats."
We praatten nog een tijd door over relaties en hoe verschillend mensen daar mee omgaan, dus het liep al tegen half twaalf toen we thuiskwamen. Ik zag dat er gebeld was. Er was voicemail: "Met Ankie. Je mag me tot twaalf uur terugbellen of morgenochtend na tienen."
Uiteraard belde ik meteen. "Dag Annet, met Karel. Ze had opeens een onbedwingbare zin in kaas die ze nu aan het snijden is. Er was mail. Daar zul je niet vrolijk van worden. Intussen staat ze naast me trappelen."
"Ik ga me nu echt zorgen maken, lieverd." Zo klonk ze ook.
"Wat schrijven ze?"
"Wacht even. Luister. 'Op uw e-mails zullen we verder niet reageren. We hebben urgentere zaken af te handelen.' Dat is alles. Wat bedoelen ze daar nou mee? Het zit me niet lekker."
"Ze weten niet dat de mailtjes van de zogenaamde Herman van ons komen, lieve schat. Ze hebben waarschijnlijk ontdekt dat de politie ze niets kan maken en de rest zegt niets, gewoon bluf of zoiets."
"Je woont nog steeds op een plek, waarvan anderen vinden dat jullie daar beter niet kunnen wonen."
"Maandag weet ik waarschijnlijk meer. Dan komen Adrie en Lies hier. Zij moeten wel iets meer weten van dat bestuur. Het gaat per slot van rekening om de centen van Lies en Adrie junior. We hebben net vanavond met ze afgesproken. Je moet trouwens de groeten van Ellen en Hermien hebben. We hebben het nog uitvoerig over je gehad."
"Wat heb je allemaal gezegd?"
"Dat je zo'n lekker knuffeldier bent."
"Iemand anders hier wil ook knuffelen, geloof ik. Of geknuffeld worden."
"Dan zitten we in dezelfde situatie."
We praatten nog even door, maar wat we zeiden was meer op de mannen gericht dan op elkaar. Ineens had ik Karel aan de lijn: "Ik heb Ankie voor straf naar bed gestuurd. Mag ik Stef even?"
Ik gaf Stef de telefoon.
Ik wachtte niet op de afloop van het gesprek, maar ging vast naar boven. Ik hoorde Stef nog net zeggen: "Ik geloof dat Netje dat al begrepen heeft." Hij had gauw genoeg door dat ik het precies begrepen had.
Zaterdagochtend heb ik Loes gebeld. Ik viel maar direct met de deur in huis: "Ik vind het heel slecht van mezelf dat ik niet vaker gebeld heb. Ik had ook wel eens bij Hans op bezoek mogen gaan."
"Ga daar niet over inzitten. Wij weten ook wel dat je met wat anders bezig bent. Misschien is het wel goed dat je niet op bezoek bent geweest, want dan zou Hans toch maar weer politieman gaan spelen."
"Maar hoe gaat het nou met hem?"
"Goed. Waarschijnlijk mag hij over een week naar huis. Daarna moet hij nog een paar weken een paar keer per week naar een fysiotherapeut om allerlei oefeningen te doen en dan mag hij voorzichtigjes aan het werk. Voorlopig alleen achter een bureau. Hij doet wel heel flink, maar het heeft hem mentaal ook wel een klap gegeven."
"En jou?"
"Ook."
"Ga je zondag naar het ziekenhuis?"
"Dan komen zijn ouders. Ik kan wel een keer spijbelen."
"Kom je bij ons? Ik heb je nog veel meer te vertellen. Het wordt geen weer om in de zon te liggen, maar het blijft wel droog."
Dat spraken we dus af. Ze kwam om een uur of elf op de fiets aan. Ze trok haar fietskleren uit en dook het zwembad in. Voor de gezelligheid dook ik er maar bij. Ze had nog een korte broek en een T-shirt meegenomen. Die waren genoeg om buiten te kunnen blijven zitten.
Het hele medische verhaal over Hans ga ik hier niet uitgebreid beschrijven. Belangrijkste is dat fysiek alles weer helemaal in orde komt. Daarnaast ziet Loes ook wel dat Hans en zij ook wel wat psychische hulp zullen kunnen gebruiken. "Je wordt wel ineens heel hard met je neus op het feit gedrukt dat hij gewoon een gevaarlijk beroep uitoefent. Je bent gezellig met je vent aan het fietsen, je hoort een paar knallen en dan ligt hij in het gras te bloeden. Dat beeld wil ik uit mijn kop hebben." Ze barstte in huilen uit. Ik wist niet veel meer te doen dan een arm om haar heen te slaan en te laten uithuilen. Toen ze weer wat bijgekomen was, zei ze: "Nou ja, dat beeld raak ik nooit kwijt, natuurlijk, maar ik wil wel leren erover te praten zonder weer in huilen uit te barsten. Hans herinnert er zich gewoon niet veel van. Die was lekker aan het fietsen en hij wordt ineens wakker terwijl hij aan allerlei slangetjes ligt en hoort dat hij daar al een week ligt. Ik was er gelukkig bij toen hij weer bijkwam. God, wat was ik blij. Vertel jij nou maar iets leuks."
Ik vertelde niets over wat ik intussen allemaal had uitgezocht. Dat was hooguit interessant, maar ook even onbelangrijk voor Loes. Ik vertelde wat zich de afgelopen tijd verder in mijn leventje had afgespeeld. Dat ging dus vooral over Ankie. Loes hoorde het zonder interrumperen aan. "Waarom vertel je dit aan mij?" vroeg ze.
"Als jij iets leuks of iets moois meemaakt wil je dat toch ook graag aan anderen vertellen? En je wou iets leuks horen, toch?"
"Ga nog even zo door en ik word ook verliefd op je. Nee hoor, zo snel gaat dat bij mij niet. Maar voor jou is het de gewoonste zaak van de wereld, zoals je het vertelt."
"Nou, zo is ook niet helemaal gegaan, hoor. Het begon spontaan, omdat Ankie nog wat makkelijker is in die dingen. Ik zat daarna nog wel eens wat na te denken. Kan dit allemaal wel en zo. Nou, dat kan dus. Het is mijn leven, het zijn mijn emoties en het is mijn lijf. Daar ga ik allemaal zelf over."
"Waar is Stef trouwens?" vroeg Loes.
"Die mocht van mij een keer overwerken op zondag. Maar hij zorgt ook voor de lunch."
Ik zei nog tegen Loes dat als Hans tijdens zijn revalidatieperiode eens wat wilde zwemmen of in de zon wilde liggen, hij kon langskomen wanneer hij wilde en zij natuurlijk ook als ze vrij was. Ze vertrok een uur na de lunch om nog een flink eind te fietsen. Ik had het gevoel dat ik weer "bij" was.

Dinsdag 22 mei, 9.00 uur

Gisteren kon ik het niet meer opbrengen ook nog te schrijven over het gesprek met Lies en Adrie van die ochtend. Ze belden om tien uur precies aan. Lies had een zelfgebakken cakeje meegenomen voor bij de koffie. We gingen in de eetkamer om de tafel zitten. Dat was een idee van Stef. Hij zat tegenover mij, Adrie tegenover Lies. Volgens Stef zou dat meer het gevoel geven dat we samen ergens voor stonden en niet tegenover elkaar. Aan Adrie is meestal nauwelijks te zien hoe zich voelt. Dat zal wel bij zijn vak horen: voor de klanten staat altijd precies dezelfde man achter de bar. Lies zag er volgens mij redelijk ontspannen uit. Dat vond ik een goed teken.
"Je hebt Lies wel de schrik van haar leven gegeven door precies te weten wie ze was", zei Adrie tegen mij. "Ze is er al weer helemaal overheen, hoor", voegde hij er geruststellend bij. "Maar nu jullie toch zoveel weten, kunnen jullie maar beter alles weten, dat wil zeggen: alles wat wij weten. Wij weten ook nog niet alles."
"In de twintiger jaren", zei ik, "ik kan de precieze datum opzoeken, heeft jouw grootvader een keer, op zondag nog wel, gevochten met de kruidenier, de overgrootvader van Lies. Dat was dus de vader van de verdwenen Stefanie. Wij noemen haar trouwens Steffie. Dat deed ze zelf ook en Herman natuurlijk, Lies' grootvader."
De verbazing was deze keer duidelijk van Adries gezicht te lezen. "Hoe weet je dat in godsnaam?"
Ik vertelde hem van mijn speurtochten in de archieven van de krant en over de andere dingen waar ik achter gekomen was. Ik vertelde nog niets over de hulp die ik daarbij gekregen had van Hans, Ellen en Ankie. Dat kon later nog wel een keer komen. Toen was het Adries beurt.
Van de vechtpartij wist Adrie dat zijn grootvader om te beginnen Steffies vader had aangesproken op het wegblijven van zijn dochter bij de kerkdiensten. Tijdens de daarop volgende woordenwisseling was ook het ontuchtig gedrag van Steffie ter sprake gekomen. Volgens Adrie ging het bij het laatste om niet meer dan vermoedens. Een van de klanten scheen na diverse biertjes eens gezegd te hebben dat hij Steffie op een zondagochtend bij de huisarts naar binnen had zien gaan. Van andere roddels of geruchten over Steffie en de huisarts wist Adrie niets. De verdwijning van Steffie was ook nooit met de huisarts in verband gebracht. De ontmoeting van Adrie en Lies was puur toeval en was precies zo gegaan als Adrie verteld had. De naam Van Beek had hij niet in verband gebracht met de familie Van Beek in het dorp, waarvan Ans de laatste was. Toen hij Lies ten huwelijk vroeg was hem de waarheid over haar afkomst verteld.
"Wacht even", zei ik. "Lies, jij zei dat je niet wist dat je grootvader dit huis had laten bouwen? Is je dat niet verteld?"
"Dat is haar nooit verteld", zei Adrie. "Ik wist het ergens, zeg maar vaagjes. Ik heb er nooit bij stil gestaan het aan Lies te vertellen. Dat heb ik pas gedaan toen ze met jouw verhaal thuiskwam. Het is nog veel gekker allemaal, hoor. Pas toen Herman, haar vader, eenentwintig werd, is hem verteld dat die man die regelmatig op bezoek kwam niet zijn grootvader was, maar zijn vader. Zijn vader was overleden, volgens zijn moeder, vlak nadat hij geboren was. Hij is geboren in Ede, maar hij is van kind af aan opgegroeid in Garderen. Daar woonde Lies dus ook toen ik haar ontmoette. Je weet hoe christelijk ze daar zijn en zo is Lies ook opgevoed. Haar moeder en háár ouders komen daar ook vandaan. Het dorp daar wist niet beter dan dat Hermans moeder vroeg weduwe was geworden."
Bij de vraag hoe het allemaal zat met geboorteaktes en zo had Adrie nooit stilgestaan. Over de familiegeschiedenis wist hij dus niet veel meer dan wij. "Lies vond het best een beetje eng terug te gaan naar het dorp waar haar familie vandaan kwam."
Lies lachte een beetje schuchter. "Mijn ouders waren nogal streng. Bij mijn vader was het denk ik een soort reactie op de slechte dingen die zijn moeder gedaan had. Ik weet ook wel dat zoiets tegenwoordig heel normaal gevonden wordt, maar ik moet daar ook nog aan wennen. Toen ik hierheen kwam had ik het gevoel dat iedereen bijna kon zien dat ik van zondige afkomst was. Daarom bleef ik ook altijd maar wat op de achtergrond."
"En nu loop je dagelijks vrolijk rond te hupsen in je korte rokjes", riep ik.
"Ja, ik ben toch wel een beetje andere vrouw geworden."
"En dan is er nog de erfenis van de oude Herman", zei Stef, "of liever gezegd, het geld dat op een bank staat en waar de nakomelingen van Herman een beroep op kunnen doen."
Adrie en Lies waren niet verbaasd, ze waren stomverbaasd. "Weten jullie dat ook?"
"Als Annet ergens haar tanden in heeft gezet, laat ze niet gauw meer los."
"Ik denk", zei ik, "dat het geld bij de bank in stad staat en dat jij of jonge Adrie iets hebben waarmee je bij de bank aan kunt tonen dat je recht hebt op dat geld. Klopt dat?"
"Dat klopt. Je hebt het zelfs gezien."
Het was nu mijn beurt om verbaasd te zijn, maar niet voor lang: "De witte dame!"
"Precies! Mijn vader had van zijn vader, kort voor diens dood, die witte dame gekregen. Als hij daarmee naar de bank ging, moest hij naar de directeur vragen en die dame laten zien. Dan kon hij het geld krijgen dat hij vroeg. Er was maar één voorwaarde: per jaar kon hij niet meer krijgen dan tien procent van het bedrag dat er op 1 januari was. Mijn vader heeft er maar één keer gebruik van gemaakt, toen hij een huis ging kopen."
"Maar hoe wisten ze bij de bank dat het de goede dame was?"
Lies haalde de dame uit haar tasje. "Bekijk haar maar eens goed."
Ik bekeek haar goed, maar zag niets bijzonders. Ik keek vragend naar Lies.
"De onderkant", zei ze.
In de onderkant waren een in elkaar verweven S en H uitgesneden of gegraveerd. Dat was opgevuld met goud. Het was duidelijk dat het een uniek schaakstuk was.
"Het gaat me natuurlijk niets aan", zei Stef, "maar heb jij al eens geld opgehaald daar?"
"Een jaar geleden wilden we de keuken gaan verbouwen. We kunnen redelijk rondkomen van wat de zaak opbrengt, maar veel sparen is er niet bij. Ik ben dus naar de bank gegaan, kreeg de directeur te spreken, maar die zei dat ik niks kreeg."
"De statuten zijn gewijzigd", zei ik.
"Dat weet je dus ook al."
"Maar je had toch die erfenis van je moeder? Daar heb je nog die kleren van gekocht."
"Die zou met de verbouw van de keuken ook wel grotendeels op geweest zijn, vandaar."
Ik schonk nog maar eens koffie in en sneed nog wat plakken cake af. Ik vroeg aan Adrie waarom hij altijd wat moeilijk deed als ik over de huisarts begon.
"Ik had gewoon geen zin in het oprakelen van oude dingen. Ik vind jullie heel aardig, hoor, maar jullie zijn nieuw. Jullie hebben niet de band met dorp die ik heb. Ik was er gewoon niet zeker van dat jullie niet alles gewoon zouden vertellen. Dat wilde ik ook voor Lies niet."
"OK", zei Stef. "Jullie weten nu dat we jullie voor het hele dorp te schande hadden kunnen zetten, tussen aanhalingstekens. Dat hadden we een tijd geleden al kunnen doen. Dat hebben we dus niet gedaan. Denk je dat we dat alsnog zullen doen?"
"Ik geloof er niks van", zei Lies. "Jij toch ook niet, Adrie?"
Adrie schudde alleen met z'n hoofd.
Er was nog een ding waar ik duidelijkheid over wilde hebben. "We hebben natuurlijk wel eens met vrienden over van alles gepraat. Je kunt er echt op vertrouwen dat die ook niets doorvertellen. Ze wonen hier een eind vandaan en vinden het dorp niet zo belangrijk als wij. Een van die vrienden had een theorietje. Julie zouden weten dat die bestuursleden van die stichting die over het geld gaat ons hier weg willen hebben en desnoods harde middelen zouden gebruiken om ons daartoe te brengen. Jullie zouden dan maar vast ongevaarlijke middelen gebruiken om hetzelfde te proberen, een soort bescherming dus. Is dat zo?"
"Absoluut niet", zei Adrie en ik geloofde hem.
"Zou Ans een handlangster geweest kunnen zijn? Zou ze daarom verdwenen zijn?"
Adrie zat een tijd na te denken. "We wisten natuurlijk dat Ans verre familie van Lies is. Ik weet niet of Ans dat weet. We hebben het er nooit over gehad. Wie weet er in het dorp nou dat Lies van zich zelf Van Beek heet? En zo'n bijzondere naam is het nou ook weer niet. Dus jullie denken dat Ans iets te maken kan hebben met al dat gedoe bij jullie?"
"En nog iemand anders in het dorp. Ook nadat Ans verdwenen is worden we op een of andere manier in de gaten gehouden. Ze weten altijd wie hier op bezoek is geweest. Shit! Daar denk ik nou pas aan. Ze kunnen nu ook weten dat jullie hier zijn. Wat ontzettend stom van me."
"Wat is er dan bij die bezoekers gebeurd?" vroeg Lies.
"Niks ergs, hoor. Vervelend telefoontje of mailtje. Sorry, maar dat kan jullie nu ook gebeuren."
"Maak je geen zorgen, kind. Daar kunnen we nog wel tegen. Ik ben blij dat we het uitgepraat hebben. We hoeven in ieder geval tegen elkaar niet meer geheimzinnig of achterdochtig te doen. Dank zij jou ben ik toch een beetje een ander mens geworden. Dan wil ik ook wel iets pikken dat niet zo leuk is. Als het tenminste gebeurt. Misschien vraag ik van de zomer wel eens of ik mag komen zwemmen."
"Gaan we dan eerst een sexy bikini voor je kopen?"
"Daar hebben Adrie en ik het tussendoor ook nog over gehad. Ik ga ook al lang niet meer naar de kerk, maar wat er in de loop van de jaren allemaal ingestampt is, is niet van de ene op de andere dag verdwenen. Ik wil best een keer proberen om een keer helemaal in ... uh ... nou ja, gewoon in mijn blootje dus te zwemmen, maar dan niet meteen met een man erbij. Begrijp je dat een beetje?"
"Lies", zei Stef, "als jij dat graag een keer wilt, ga ik bij Adrie aan de bar zitten, bestel het ene pilsje na het andere en we gaan zit bekvechten over wie de mooiste vrouw heeft. Ik ga pas naar huis als jij hebt gebeld dat je weer netjes aangekleed bent."
"Zo zal het dus niet gaan", zei ik. "Ik breng Lies netjes aangekleed met de auto terug. Dump mijn laveloze echtgenoot op de achterbank, rijd de auto tot aan het zwembad en dump de echtgenoot in het zwembad, waar ik zijn hoofd boven water houd tot hij weer een beetje nuchter is."
Bij het weggaan vroeg ik aan Lies: "Leg je vaak een bloem op het graf van je grootvader?"
"Alleen als er niemand in de buurt is."

Woensdag 23 mei, 9.00 uur

De rest van de maandag, nadat Adrie en Lies waren vertrokken, was ik blij, opgelucht, tevreden, noem maar op. Ik was als een meisje dat op haar verjaardag precies het cadeautje gekregen had waar ze al die tijd op gerekend had. Pas dinsdagmorgen nam ik de tijd om er eens goed naar te kijken. Alles wat ik vermoed had klopte wel zo'n beetje. Het mooiste was dat Adrie en Lies van mogelijke tegenstanders veranderd waren in medestanders. Ik hield een soort leeg gevoel over, alsof een maximaal op spanning staande ballon langzaam was leeggelopen. Er was niets verrassends gebeurd. Was dat het gewoon?
Stef had wel in de gaten dat er iets was en vroeg ook wat het was. Ik heb maar gezegd dat ik alles nog eens goed moest overdenken omdat ik er zelf ook nog niet helemaal uit was. Om een uur of drie vannacht werd ik wakker. Ik kon niet meer in slaap komen en ben naar beneden gegaan. Ik heb een glas whisky ingeschonken, iets wat ik maar zelden doe. Ik ging in de eetkamer zitten op dezelfde stoel als waarop ik tijdens het gesprek had gezeten en probeerde alles nog eens terug te halen. Goed beschouwd was ik vooral zelf veel aan het woord geweest. Ik had verteld waar ik allemaal achter gekomen was. Annet zou wel eens laten zien hoe slim ze was. Lies en Adrie, hij vooral, hadden bevestigd wat ik zei, maar er feitelijk niets nieuws aan toegevoegd. Ik had moeten doorvragen. Lies had een keer geld willen hebben en had dat niet gekregen. Had ze het daar zonder meer bij gelaten? Het was toch geld waar ze recht op had? Wisten ze echt niets meer over Ans?
Ik zat ook een hekel aan mezelf te hebben. Tijdens het gesprek was ik er helemaal van overtuigd dat ze eerlijk waren en nu zat ik weer wantrouwig te wezen. Als ze niet eerlijk waren, waren het geweldige toneelspelers. Dat kon en wilde ik niet geloven.
Na een tijdje hoorde ik Stef naar beneden komen. Ik bleef in mijn glas zitten staren. Ik voelde een hand op mijn schouder. Een andere hand pakte het glas. Hij nam een slokje en zette het weer voor me neer. "Ik kan twee dingen doen", zei hij. "Ik kan even je ochtendjas halen, zodat je hier niet zit te verkleumen of ik kan je naar bed dragen en je zelf warm houden, terwijl jij over van alles en nog wat ligt te dubben. Eerlijk gezegd geef ik de voorkeur aan het laatste."
Ik dronk het restje whisky op en zei dat het laatste mij ook wel aangenaam leek. In bed vertelde ik Stef wat me dwars zat. "De nacht is er niet om na te denken, Netje", zei hij. "Ga van iets leuks dromen. Morgen wordt het in ieder geval een mooie dag. Ga maar lekker verder werker aan een mooi kleurtje." Ik denk dat de whisky ook wel geholpen heeft bij het snel weer in slaap vallen.
Ik was toch al weer vroeg wakker, kwart over zes. Ik zat in de keuken even te dubben, maar over een heel praktische vraag: eerst thee of eerst hollen? Het werd hollen. Mijn sportschoenen staan altijd in de hal, voor mijn sportkleren moest ik weer naar boven. Daar had ik geen zin in. Mobieltje in de hand meenemen? Onzin, zo vroeg in de morgen. Criminelen houden ook niet van vroeg opstaan. Ik holde mijn vijf rondjes, ging onder de koude douche staan en dook het zwembad in. Terwijl ik lekker lag te dobberen, dacht ik na. Ik ga niet verder zitten twijfelen: Adrie en Lies behoren bij de 'good guys'. Punt uit. Ans weet ik nog niet, maar ik ga Adrie er verder niet over lastig vallen. Voorlopig ga ik helemaal niets meer uitzoeken. Ik weet niet hoe ik kan voorkomen dat er nog iets gebeurt. Ik weet niet wat ik verder nog kan uitzoeken. Daar moet ik me dan maar bij neerleggen en afwachten tot de volgende klap komt. De komende tijd ben ik een gewone doordeweekse huisvrouw. Stef kan al zijn werktijd aan het schrijven besteden en veel van zijn vrije tijd aan mij. Ik ga mijn vrije tijd aan leuke dingen besteden. Om te beginnen ga ik vanavond proberen te regelen aanstaande zaterdag een dagje Amsterdam te doen met Ankie en Anneke. Ik ga er zo vroeg mogelijk heen en neem de laatste trein terug. Stef zal wel zo lief willen zijn mij naar het station te brengen en me daar weer vandaan te halen. Al die gedachten gingen door mijn hoofd en ik voelde me er lekker bij. Ik besloot meteen mijn rol van huisvrouw op te pakken en aan een goed ontbijt te gaan werken. Mijn hoofd was nog maar net boven de rand van het zwembad uit toen er een aantrekkelijke vent uit de keuken en in mijn richting kwam. Ja, wat doe je in zo'n situatie? Ook een huisvrouw is toch in de eerste plaats een vrouw? Achteraf bleek het ontbijt ook al klaar te zijn.

Donderdag 24 mei, 13.00 uur

Ankie en Anneke waren meteen enthousiast. Ankie had een nog wat handiger voorstel. "Je komt hier vrijdagavond al heen. Hoef je zaterdag niet zo idioot vroeg op. Je slaapt in mijn bed, maar je slaapt er alleen. Ik vind je ontzettend lief, maar ik ga wel bij Karel slapen. Je komt naar ons toe voor het ontbijt."
Met Anneke spraken we af om tien uur bij het Noord-Zuid-Hollands Koffiehuis bij Amsterdam Centraal. Daar gaan we wel bespreken wat we verder gaan doen. Als het weer mee zit, en daar ziet het wel naar uit, doen we alles op de fiets. Karel past de zijne aan voor mij.

Maandag 28 mei, 9.15 uur

Ik ben net weer even opgehouden met janken. Sinds zaterdagvond heb ik weinig anders gedaan. Ankie heeft me bijna naar mijn laptop toe gesleept. Ze zit nu naast me. "Schrijf het op en schrijf het van je af. Nee, wacht. Dat lukt toch niet. Dat schrijf je niet even van je af. Zet in ieder geval alles op een rijtje. Dat doe je nu al een hele tijd zo en dat werkt. Dan weet je wat je wilt doen en bekijken we samen wat we kunnen doen. Ik zit hier niet omdat je toevallig een vriendinnetje van me bent. Begin maar met iets leuks, bijvoorbeeld met de vlindertjes in je buik in de trein naar Amsterdam."
Ik had geen vlindertjes in mijn buik, maar vond het wel fijn op weg te zijn naar Ankie en keek erg uit naar het dagje Amsterdam met ons drieën. Rond borreltijd kwam ik bij Ankie. Een half uurtje later kwam Karel. Het was gewoon een gezellig avondje. Ze gingen om half elf naar Karels flat. Ik belde nog even met Stef voor ik naar bed ging.
Zaterdagochtend was ik om half negen bij Karel, die een stevig Engels ontbijt had gemaakt. De klokken van de Sint Nicolaaskerk gaven net aan dat het tien uur was toen we het terras van het koffiehuis opkwamen. Anneke zat er al achter een cappuccino. Ik hoefde niet te vertellen wie wie was. Bij het eerste kopje zaten de twee meiden elkaar een beetje op te nemen, terwijl ik het gesprek aan de gang hield met dingen die niet vreselijk belangrijk waren. Bij het tweede kopje zei Anneke: "Goed, een andere keer zal ik wel eens jaloers op jullie worden, vandaag maken we er in ieder geval een leuke dag van."
Het werd een leuke dag. We hebben niet veel anders gedaan dan fietsen en op terrasjes zitten. Ankie is een geboren Amsterdamse en liet Anneke en mij plekken zien waar wij als plattelandsmeisjes eigenlijk maar heel weinig van wisten en waar de gemiddelde toerist ook niet komt. We vonden het alle drie jammer dat de Walletjes door de meeste toeristen om de verkeerde redenen werden bezocht.
We zetten de fietsen in de box bij Ankie en liepen naar een Portugees restaurant in de buurt van de Overtoom. Bij de koffie ging mijn mobieltje. Het was Stef.
"Hi, lieverd. Zit je me vreselijk te missen?"
"Ik ben niet je lieverd, al zou ik dat best willen worden. Noem me maar Pat."
Ik hoefde Ankie en Anneke niet te vertellen dat ik me rot schrok. Dat zagen ze heel duidelijk.
"Waar is Stef?" vroeg ik, zo kalm mogelijk, nadat ik een tijd helemaal niets gezegd had.
"Die zit hier naast me, gezond en wel. Nóg gezond en wel. Dat wil je vast zo houden. Hij gaat je nu vertellen wat jij moet doen. We hebben hem precies verteld wat hij wel en niet mag zeggen. Als hij iets verkeerds zegt, hoor je hem daarna 'Au' zeggen."
"Dag lieverd. Ik mankeer niks. Ik weet niet waar ik ben. De heren hier kan ik niet herkennen. Ze dragen van die bivakmutsen. Jij moet uiterlijk woensdag naar een makelaar gaan om te zeggen dat we het huis willen verkopen. Als de makelaar het huis heeft laten taxeren wordt de taxatieprijs de verkoopsprijs. Zodra het huis officieel op de markt is, wordt je iedere dag om zes uur gebeld of er kopers zijn en wat ze willen betalen. Zij zullen zeggen wanneer je 'ja' moet zeggen. Zodra het voorlopig koopcontract getekend is, mag ik naar huis. Zodra ze merken dat de politie zich ermee bemoeit, hoef je er niet op te rekenen dat ik onbeschadigd thuiskom. Ik ..."
"Meer hoeft hij niet te zeggen", zei Pat. "Die twee andere dames moeten uiteraard ook ver uit de buurt van de politie blijven. Als de komende tijd iemand je lieve echtgenoot wil spreken dan zeg je maar dat hij een tijdje alleen wilde zijn om over zijn schrijverscarrière na te denken. Jij weet ook niet waar hij is, maar kunt hem in noodgevallen bereiken."
"Maar ..."
De verbinding werd verbroken.
Ik zat verlamd voor me uit te staren. "Ze hebben Stef." Meer kon ik niet uitbrengen. Ik kon alleen huilen.
Ankie nam het mobieltje uit mijn hand en zette het af. Anneke stond op en liep naar de bar. Daarna weet ik een tijd niks.

13.30 uur

(Hier neemt Ankie even van Annet over. Die ligt nu te slapen.)
Annet moest weer huilen, toen ze over dat telefoongesprek schreef. Ik ook. In het restaurant zag ik alleen dat ze ontzettend schrok. Verder zat ze tussen "Waar is Stef?" en "Maar" alleen maar te luisteren. Toen ze gezegd had dat 'ze' Stef hadden wist ik wie ze bedoelde. Anneke wist het ook en was meteen gaan betalen. Ze had tegelijk gevraagd een taxi te bestellen. Annet was totaal verdoofd, in een soort shocktoestand. Ze volgde ons op de automatische piloot naar buiten en de taxi in. Bij mijn flat bleef Anneke in de taxi zitten. Ze is een heel verstandige meid en inderdaad Annets beste vriendin. "Ik ga niet mee. Ze heeft nu alleen jou nodig. Bel me morgen als het jullie uitkomt."
Ik heb Annet uitgekleed en in bed gelegd. Daarna heb ik Karel gebeld om te zeggen dat ik niet naar hem kwam en waarom niet en dat ik hem de volgende ochtend wel weer zou bellen. Gelukkig weet Karel wanneer hij niet moet aandringen. Ik heb me uitgekleed en ben Annet stevig vast gaan houden. We hebben niet veel geslapen. Tussen huilbuien en korte slaapjes door vertelde Annet wat Stef gezegd had. Ik bedacht intussen wat ik moest doen. Dat wist ik al gauw: Annet niet alleen laten. Als ze naar huis wilde ging ik met haar mee. Ik zou mijn baas zeggen dat ik zeker een week niet kon komen in verband met familieomstandigheden. Per slot van rekening is Annet nog heel wat belangrijker voor me dan familie.
Rond een uur of negen was Annet weer redelijk bij haar positieven. We gingen samen onder de douche en maakten samen een ontbijt. Ik belde Karel om te vragen of hij ook kwam. Hij was er binnen een half uur met een taxi. Annet kon nu redelijk samenhangend vertellen wat Stef gezegd had. "Hij praatte anders dan normaal, alsof hij iets van papier las. Hij wou nog iets meer zeggen, maar de telefoon werd hem meteen weer afgepakt."
"Wat wil je nu?" vroeg Karel.
"Stef terug en helemaal gaaf. Daarna zien we wel. Voor mijn part zetten we ergens ons tentje op."
"Duidelijk. Jij, Ankie?"
"Je zult het even zonder mij moeten doen. Ik blijf voorlopig heel dicht in Annets buurt, hier of bij haar thuis."
Annet wilde protesteren maar ik zei dat ze daar verder niets over te vertellen had. Ze legde zich er heel snel bij neer. Ze wilde wel graag naar huis.
"Da's allemaal dus duidelijk", zei Karel. "Goed, ik breng jullie weg. Vandaag en morgen doen jullie helemaal niks. Jullie denken zelfs nergens over na. Dat laten jullie tot en met maandag aan mij over. Ik kom maandagavond naar jullie toe. We bepraten het verder. Ik blijf slapen en ben dinsdagochtend weg voordat jullie zelfs maar denken aan opstaan. Akkoord?"
Ik zei dat ik heel veel van hem hield en hij vroeg niet eens of dat 'Ja' betekende. Annet zat erbij te huilen. Dat leek me wel goed. Ik belde Anneke om te vertellen wat er precies gezegd was in dat telefoongesprek en wat we verder gingen doen.
"Ik ga jullie niet voortdurend bellen en storen", zei ze. "Jullie bellen mij wel als er iets nieuws is of als ik iets kan doen. OK?"
Ik beloofde dat we elke dag even zouden bellen.
In de auto ging ik met Annet achterin zitten. Hoe dichter we bij hun huis kwamen hoe meer ik de spanning in haar lijf kon voelen. Karel stapte bij het hek wel uit, maar ging niet mee naar binnen. Hij gaf mij een zoen maar raakte Annet niet aan, alsof hij haar te breekbaar vond. Annet gaf mij haar tasje om de sleutels op te zoeken. Toen ik het hek weer sloot hoorde ik Karel wegrijden. Annet was al op weg naar de voordeur. Ik moest er een drafje inzetten om op tijd de deur open te doen. In de zitkamer zei ze: "Stef is er niet." Ik kon maar net voorkomen dat ze op de grond viel. Met mijn hulp kon ze op de bank gaan liggen. Ik heb nooit eerder iemand zo hartverscheurend horen en zien huilen. Het was mijn eerste ervaring iemand van wie ik houd zo diep in de put te zien zitten. Ik heb ook gehuild. Ik heb die avond wat eten bij elkaar gescharreld. We hebben maar heel weinig gepraat. Ik heb nog kort met Anneke gebeld. We zijn vroeg naar bed gegaan.

Dinsdag 29 mei, 9.15 uur

Vanochtend heb ik pas gelezen wat Ankie geschreven heeft. Omdat ze toch naast me zat kon ik haar meteen ontzettend stevig knuffelen. Zonder haar zou ik ... ja, wat zou ik eigenlijk? Ik weet het niet. Omdat zij er is kan ik weer redelijk logisch nadenken, terwijl ik me hevig ongerust zit te maken over Stef. Ze is geen moment uit mijn buurt en ik vind het nog plezierig ook. Ik wil ook geen moment alleen zijn. Dan red ik het niet. Dat weet ik ook zeker. In bed voel ik een heel vertrouwd lijf tegen me aan en terwijl ze meeleest kan ik rustig schrijven dat ik veel liever een ander lijf tegen me aan gevoeld had. (Ankie knikt goedkeurend.)
Gistermiddag belde Karel dat we met eten niet op hem hoefden te wachten. Hij zou wel ergens een broodje eten. Hij was er om half acht. We waren net aan de koffie toe.
"Ik ga iets moeilijks vragen, Annet", zei Karel. "Ze willen je dingen laten doen, zoals naar de makelaar gaan en zo. Daarna zullen ze misschien nog meer willen. Jij maakt je hartstikke ongerust over Stef en je wilt hem zo gauw mogelijk weer bij je hebben. Dat begrijp ik heel goed. Als je dat kan opbrengen: doe alles op het laatste moment. Als ze iets nieuws willen: vraag bedenktijd. Als je zegt dat je iets zult doen, zeg op het laatste moment dat er iets tussengekomen is. We moeten zoveel mogelijk tijd proberen te winnen om zelf iets te bedenken, ook over het inschakelen van de politie."
"En Stef dan? Die zit ergens zijn eentje. God mag weten wat voor gruwelverhalen ze hem vertellen over wat ze met mij zullen doen of misschien al gedaan hebben. Weet je wat die vent aan de telefoon zei? 'Ik ben niet je lieverd, al zou ik dat best willen worden.' Weet je wat hij misschien wel tegen Stef gezegd heeft? ' We hebben dat lekkere vrouwtje van jou wel eens om dat bos zien hollen. Dat stoute vrouwtje had helemaal geen kleertjes aan. Die willen we best eens van heel dichtbij bekijken.' Misschien hebben ze dat wel eens gezien. Weten wij veel? Nu zitten hier twee lekkere vrouwtjes. Verdomme, Ankie, ik had je niet mee mogen laten komen."
"Verdomme, Netje, al had ik hierheen moeten kruipen. Oh ... sorry, Annet."
Ik moest weer huilen, maar anders. "Geeft niet. Jij mag me ook af en toe Netje noemen." Tegen Karel zei ik: "Ik begrijp wat je bedoelt. Ik zal mijn best doen, maar ik beloof niets. Als ze nu met Stef voor de deur zouden staan en zouden zeggen 'Gelijk oversteken, jij Stef, wij het huis', zou ik meteen 'ja' zeggen."
"Stef loopt op dit moment geen gevaar. Jullie moeten allebei dat koopcontract tekenen. Daar hebben ze hem net zo hard voor nodig als jou. Ik heb nog een voorstel. Een goede collega van mij heeft bij de politie in Amsterdam gewerkt. Hij was geen politieman, maar een soort beleidsadviseur. Hij is jurist. Mag ik hem in vertrouwen vertellen wat er hier speelt? En dat niet alleen. Hij heeft nog goede relaties met de politie, kent daar mensen. Mag hij de zaak met een politieman daar bespreken? Die klootzakken weten misschien wat er zich afspeelt bij de politie hier, maar ze kunnen niet heel Nederland in de gaten houden. Een stel rechercheurs uit Amsterdam kan volgens mij ongemerkt zijn werk hier doen, als ze weten wat er op het spel staat. Zelfs de politie hier kunnen ze erbuiten houden. Formeel misschien niet, maar dan doen ze maar een beetje creatief."
Ik moest er wel over nadenken en wist het allemaal niet zo gauw. Ik zag de voordelen wel. We zaten in ieder geval niet alleen maar een beetje af te wachten tot zij weer iets verzonnen hadden. "Ik mag nog wel even doordenken, hè?" zei ik tegen Karel. Ik kan er morgen ook nog de hele dag met Ankie over praten. Misschien bedenken wij ook nog wel iets. Dan bel ik je morgenavond. Goed?"
"Natuurlijk is dat goed. Ankie en ik zijn alleen maar hulptroepen. Jij beslist wat je doet. Wij doen mee."
"Jij bent ook een schat. Laten we nu dan maar over wat anders praten."
"Ja fijn", riep Ankie. "Kunnen we Stef even vergeten."
"We vergeten Stef helemaal niet, lieve trut. We houden alleen even op met nadenken over wat we moeten doen. Vertel maar wat over jullie huis. Weten jullie al of jullie gaan trouwen?"
Wat ik een tijdje geleden over trouwen als samenlevingscontract had gezegd, vonden ze allebei eigenlijk wel heel terecht. Ze hadden zelfs al een datum: 10 oktober, een vrijdag. Ze waren niet van plan er een gigantisch feest van te maken. "Raad eens wie ik als getuige wil hebben", zei Ankie. Ik zei dat ik geen flauw idee had.
Ze hadden intussen ook de originele bouwtekeningen van het huis gekregen. Die zaten ze regelmatig te bestuderen om te bekijken of ze wat verbouwd wilden hebben. Ze zouden er ook nog eens met een binnenhuisarchitect over praten.
Karel moest om half zes op. We gingen om half elf naar bed. Ik lag voor het eerst in mijn eentje in ons bed. Het was een rot gevoel. Ik zag Stef voor me in een kelder op niet meer dan een matras die op de grond lag, zonder dekens. Ik huilde mezelf in slaap.
Ik werd pas wakker toen Ankie bij me in bed kroop en me een zoen gaf. "Die is van Karel. Hij is net weg. Hij vindt je een flinke meid. Ik ook. Heb je een beetje geslapen?"
"Als een blok. Hoe laat is het eigenlijk?"
"Kwart over zes, in die buurt."
"Heb je je sportschoenen meegenomen?"
"Ja. Wil je nu?"
"Nu."
Ankie ging naar mijn werkhok. Ik liep vast naar de hal waar ik mijn schoentjes aantrok. Ankie kwam in sportbroekje en -shirtje naar beneden. "Trek jij niets aan? Misschien staat er wel iemand om jou, ons in de gaten te houden."
"Ik hoop het. Niet om te laten zien dat ik zo'n lekker vrouwtje ben, maar om te laten zien dat ze me er niet zomaar onder krijgen."
"Je hebt nog gelijk ook."
Met mobieltjes in de hand maakten we ongestoord vijf rondjes. Als er al iemand keek, was het van grote afstand. We doken meteen het zwembad in.

16.00 uur

(Dit is weer van Ankie, maar nu zit Annet erbij.)
Ik vond het wel leuk te ervaren hoe het is om op te schrijven wat je gedaan, bedacht en bepraat hebt. Behalve dat hollen en zwemmen hebben we natuurlijk niets gedaan wat de moeite van het beschrijven waard is. Bij het ontbijt zei ik dat ik van Karel moest vragen of Annet alles wat ze opgeschreven had aan hem wilde mailen en of hij dat aan die collega mocht laten lezen, tenminste als Annet het goed vond dat hij er met die collega over sprak.
"Mijn onderbewustzijn heeft erover nagedacht terwijl ik sliep", zei Annet. "We doen het zo als Karel voorgesteld heeft. Mag die collega ook al die persoonlijke dingen over jou lezen?"
"Er staat toch niets in waarvoor ik me hoef te schamen? Als die collega eruit opmaakt dat ik wel eens met Karel naar bed ben geweest, zal hij daar niet vreemd van opkijken. Hij leest dan ook dat we netjes gaan trouwen. Als hij zich erover verwondert dat ik ook nog eens een hechte, om niet te zeggen intieme relatie heb met een vrouw, moet Karel je maar eens aan hem voorstellen. Dan begrijpt hij het wel. Je kan tegen Karel zeggen dat hij bepaalde passages mag schrappen voor hij het laat lezen, maar ik denk niet dat hij het nodig vindt. Ik ga toch niet met een puriteinse Jan Doedel trouwen?"
"Hoe lang deed je er vroeger over voor je met een man ging samenwonen?"
"Dat weet je toch. Veel te kort, soms al na een maand of twee, drie."
"Hoe lang ken je Karel nu?"
Ik dacht even na. "Verrek nou. Drie maanden. En ik ga met hem trouwen. Ga je nou zeggen dat ik weer veel te snel ga?"
"Dat ga ik helemaal niet zeggen. Ik wou alleen maar zeggen dat het niet zo veel te maken heeft met hoe lang je hem kent. Het heeft er meer mee te maken hoe goed je jezelf kent, denk je niet?"
"Ja juf. Mag ik nog een tijdje in uw klasje zitten? Voor bijlesjes, want meester Karel geeft ook heel goed les, hoor."
Zoals ik het allemaal opschrijf klinkt het erg luchtig, maar het was niet meer dan een manier om de steeds voelbare spanning een beetje draaglijker te maken. Annet zit niet voortdurend geboeid naar het scherm te kijken om te zien wat ik allemaal schrijf. Uit mijn ooghoeken zie ik hoe ze langs scherm naar buiten in het niets staart.
"Ik zou er met Hermien over willen praten", zei ze op een gegeven moment. "Misschien kan die me een idee geven hoe Stef zich op het ogenblik moet voelen. Ze kent hem intussen een beetje. Misschien kan ze ongeveer aanvoelen hoe hij ermee omgaat. Maar ik kan niet zomaar naar haar toegaan. Dat brengt haar mogelijk ook in de problemen."
Het was mijn moment om een slim idee te hebben. "Zelfs die klootzakken zouden het begrijpen als je in jouw omstandigheden naar de huisarts gaat. Je slaapt slecht en je wilt slaappillen hebben. Voor alle zekerheid schrijft ze echt een recept uit en ga je die slaappillen ook echt ophalen. Je kan ze hier meteen door de plee spoelen."
Annet ging meteen bellen en maakte een afspraak. Ze vroeg erbij of ze als laatste die ochtend kon komen. De assistente dacht dat kwart over twaalf dan een goede tijd was. Het leek Annet niet zo'n goed idee dat ik meeging. Dat zou allemaal maar opvallen. "Ik fiets erheen en jij mag het fort verdedigen. Of vind je het eng in je eentje?"
"Waarschijnlijk zal ik me wel wat gespannen voelen, maar jullie hebben toch overal van die waarschuwingsdingen laten aanbrengen? Ik hoef maar een piep te horen en ik bel 112."
We hadden meteen weer wat te doen: het alarmsysteem testen. Annet ging het bos in, ditmaal netjes gekleed. Via de mobieltjes vertelde ik elke keer wanneer ik een piep hoorde. Alles werkte. Daarna legde ze met hele systeem nog een keer uit, vooral hoe ik het echte lawaai buiten kon aanzetten en weer uitzetten.
Annet ging om twaalf uur weg. Om tien over twaalf belde ze dat ze bij de praktijk van Ellen voor de deur stond. Ik voelde me inderdaad niet lekker in mijn eentje. Aan lezen kwam ik ook niet toe. Ik zette de tv maar aan en ging wat zitten zappen. Hier en daar bleef ik een paar minuten hangen, maar het was allemaal niks. Om kwart voor een belde Annet dat ze op de terugweg was. Ik ging de spullen voor de lunch vast klaarzetten. Ik vloog haar om de nek toen ze weer thuis kwam. Ik was ontzettend opgelucht.
Ellen had direct gezien dat Annet met iets ernstigs zat. Annet had nog geprobeerd niet al te dramatisch te doen door te beginnen met te zeggen dat ze Ellen weer kwam misbruiken voor iets dat niet medisch was. Ze was prompt in een behoorlijke huilbui losgebarsten. Als dat voor Ellen al nodig was, was dat wat haar betreft meteen een medische reden om bij je huisarts te komen. Het verhaal zelf was gauw verteld en ook de reden waarom ze bij Ellen kwam: om het aan Hermien door te vertellen. Ellen had zelf ook wel een mening. "Stef is een nuchtere vent. Hij staat met beide benen op de grond. Hij is niet iemand die zich gauw iets laat wijsmaken. Natuurlijk maakt hij zich er zorgen over dat jij in je eentje zit."
"Ik zit niet in mijn eentje, Ankie is bij me en die blijft de hele week."
"Wat jou op dit moment betreft kan ik geen betere therapie voorschrijven. Als ik die lange van mij dit vertel wordt ze nog enthousiaster over driehoeksverhoudingen. Ik mag wel uitkijken. Slaap je goed?"
Annet zei dat ze in ieder geval goed sliep, maar dat ze een recept voor slaapmiddelen wilde hebben als dekmantel. Ellen had in een of ander boek nagekeken wat de goedkoopste waren. Annet had nog gezegd dat Hermien elk moment mocht bellen dat haar uitkwam, al was het midden in de nacht.
Na de lunch gingen we naar de apotheek die in het andere dorp is. Daar deden we meteen voor een paar dagen boodschappen.
Annet maakte een afspraak met een makelaar in de stad die ze op goed geluk uit de Gouden Gids pikte. Hij komt morgen om vijf uur. Daarna schoot haar te binnen dat 'ze' niet haar, maar Stefs e-mailadres hadden. We zetten zijn pc aan en jawel, er was een mailtje van Pat. Het was gistermiddag om 17.17 uur verzonden.

Annet,
Als dat vriendinnetje er net zo aantrekkelijk uitziet als jij, mag ze wat ons betreft blijven. Als ze ook haar mondje maar houdt. Maar dat zul je haar wel verteld hebben. Geen stoute dingen doen die je Stef later niet zou willen vertellen.
Pat.


Ze weten dus dat ik er ben, maar dat is geen verrassing. Ze zullen ook wel weten dat Karel geweest is, maar als het goed is, als je dat tenminste 'goed' mag noemen, hebben ze die ook al eerder met mij samen gezien. En nou zitten die viezeriken er ook nog op te kicken dat die twee vrouwtjes bij afwezigheid van hun mannen er wel als lesbo's tegen aan zullen gaan. Ik zou aan andere mannen dan onze eigen mannen niet eens willen uitleggen hoe de relatie tussen Annet en mij in elkaar zit, laat staan aan dat tuig. Mijn tweede liefde zit nu trouwens te dutten. Ik zal haar met zachte hand naar bed geleiden en er zelf bij gaan liggen. Ik ga niet met haar vrijen. Daarvoor is ze me te lief. Ik zie wel hoe laat we wat eten.

Woensdag 30 mei, 9.15 uur

Vanochtend ben ik net na vijven al uit bed geglipt zonder Ankie wakker te maken. Voor ik naar beneden ging heb ik even gelezen wat ze gisteren geschreven heeft. Ik zag er als een berg tegenop dat ze zondag weer weg moet. Dan sta ik er verder in mijn eentje voor. Ik kan alleen nog met haar en Karel bellen en mailen en af en toe misschien voor een dagje naar Amsterdam vluchten. Terwijl ik in de keuken thee zat te drinken hoorde ik: "Annet! Waar ben je?"
"Aan de thee!"
Ze kwam de keuken binnenstormen. "Wil je dat niet meer doen, trutje? IK schrok me rot toen ik merkte dat ik alleen in bed lag."
"Wat zou er dan gebeurd moeten zijn, lieverd?"
"Weet ik veel. Ik word wakker, het is nog geen half zes en je bent er niet. Je bent niet op je kamer en je bent niet op het toilet. Moet ik dan meteen denken: die zal wel aan het theedrinken zijn? Je kan wel met een dolle kop in je nakie de deur uitgerend zijn en ergens in een weiland liggen janken."
"Zolang je hier nog bent zal ik het niet meer doen. Als ik midden in de nacht een plasje moet doen maak ik eerst jou wakker. Wil je een kopje thee?"
"Ja, doe maar. Sorry hoor. Ik mag toch wel ongerust wezen? Ik was vannacht een tijdje wakker. Ik heb nagedacht. Ik ga zondag niet naar huis. Ik blijf hier tot Stef terug is. Dat kan geen weken duren, volgens mij."
Ik wilde wat zeggen, protesteren eigenlijk. "Niet gaan zeuren, Annet. Ik bel naar mijn werk dat ik vakantie neem om voor een familielid te zorgen."
"Tuurlijk! Zal Karel ook leuk vinden. Die gaat gewoon in zijn eentje op vakantie. Kunnen jullie weer fijn mailen. Kunnen jullie mekaar nog beter leren kennen."
Ik hoorde mezelf en kon mezelf wel een rotschop geven. "Nee, sorry, lieverd. Ik bedoel het niet zo lullig. Doe dan verdomme ook niet zo lief."
Voor de verandering ging ik maar weer eens een potje zitten janken. Ankie troonde me mee naar boven en de slaapkamer.
"Luister, Netje," zei ze, toen we weer in bed lagen, "ik geloof niet in voorbeschikking en dat soort flauwekul. We komen elkaar bij puur toeval in een vliegtuig tegen. We vinden elkaar aardig, daarna vinden we elkaar erg aardig en daarna wordt het nog mooier. Door weer puur toeval kom ik in mijn stamkroeg een leuke vent tegen. En nu durf ik bijna met zekerheid te zeggen dat ik dankzij jou, door jou positieve invloed op mij, whatever, met die vent nog een hele tijd door wil gaan en hij met mij. Mag ik dan alsjeblieft als jij het heel hard nodig hebt ook iets voor jou betekenen? Ja, huil maar lekker tegen me aan. Maak je bezorgd over Stef. Mis Stef. Wees bang. Dat doe ik ook allemaal, maar met ons tweeën kunnen we het net een beetje beter aan. Daarom blijf ik hier en dat wil jij ook. Einde discussie."
We bleven nog een half uurtje zonder praten liggen. Daarna gingen we onze vijf rondjes hollen, zwemmen en ontbijten.
Gisteravond heb ik Anneke op de hoogte gehouden en Ankie heeft Karel verteld dat ik het met zijn plannen eens was. Ik heb mijn hele verhaal aan hem gemaild. Ik moest het zelfs in stukjes knippen, omdat het anders te groot was. Karels collega heeft heel wat te lezen.
Voor vandaag staat er nog niet meer op het programma dan het bezoek van de makelaar en om zes uur het telefoontje van Pat. Toen we holden motregende het wat, maar intussen begint het aardig op te klaren. We kunnen in de zon bedenken wat we verder kunnen doen.

15.30 uur

Tegen tienen ging de telefoon. Het nummer was onderdrukt, dus ik bereidde me voor op iets lulligs.
"Met Annet."
"Met Hermien. Stoor ik?"
"Natuurlijk stoor je niet."
"Ik heb het verhaal pas gisteravond laat gehoord. Ik bel van mijn werk, ik heb net nog even, want het wordt een drukke dag. Ik denk dat wij vanavond ontzettend zin hebben ons te ontspannen in de kroeg. Zou het niet reuze toevallig zijn dat jullie daar ook zaten? We zijn reuze verrast dat jij er met Ankie bent. Kunnen we gezellig bijkletsen."
"Slim bedacht, Hermien. We zijn er om een uur of negen. Hartstikke bedankt vast."
"Ik wil gewoon dat aantrekkelijke vriendinnetje van je weer eens zien."
"Ze valt niet op grote tieten."
"Dat dacht die kleine ook eerst. Doei."
Ik had hands free gebeld zodat Ankie kon meeluisteren. "Die kan het niet laten om een geintje te maken. Gelukkig is ze ook behoorlijk slim."
Bij Adrie zouden we vertellen dat Stef er voor een tijdje alleen op uit was omdat hij helemaal vast zat met zijn boek, writer's block of zoiets. Hij moest zich helemaal herbezinnen. Hij had wat gehuurd in een bungalowpark op de Veluwe. Ankie was een goede vriendin met een vreselijke burn out die op het rustige platteland wat wilde bijkomen. Ik vond de aanspraak wel gezellig nu Stef er niet was. Een beetje moederen sprak me ook wel aan.
Ik zat me af te vragen of we 'Herman' nog niet eens een mailtje konden laten sturen, al was het alleen maar om hun gedachten wat af te leiden van hun inspanningen om ons weg te krijgen.
"We weten nog steeds niet helemaal zeker of dat bestuur erachter zit", merkte Ankie terecht op.
"Klopt, maar we moeten ergens vanuit gaan. Ze hebben ergens geld voor nodig. Daarvoor hebben ze zelfs de statuten gewijzigd, zodat Lies geen geld meer kon krijgen waar ze eigenlijk recht op heeft. Ik heb eigenlijk geen idee wat het huis en de grond bij elkaar waard zijn momenteel. Het loopt in ieder geval in de tonnen, boven de vijf ton."
"Je moet het door minstens drie taxateurs laten taxeren. Dat kan allicht weer wat langer duren. De definitieve prijs wordt dan het gemiddelde van die drie. Kun je ook nog met die Pat over steggelen, als ze ver uit elkaar liggen. Moet je nog eens over nadenken. Van die dingen."
"Maar ik wil meer doen. Ik vind het vreselijk om alleen maar lijdzaam af te wachten tot zij weer wat doen. Zo zit ik niet in elkaar. Er is nog altijd iemand in het dorp die weet wie hier komt en dat meteen doorgeeft. Ze weten dat jij bij me bent. Ze wisten ook dat wij met ons drieën in Amsterdam waren."
"Iemand kan jou gewoon gevolgd zijn."
"Ja, lekker idee. Wat willen ze trouwens met ons huis?"
"Je hebt toch al eens wat bedacht?"
"Ja, een exclusieve seksclub, waar vermoeide captains of industry zich een paar dagen lekker kunnen laten verwennen."
"Geblesseerde sporters lijkt me ook een leuke doelgroep. Die jongens uit de eredivisie kunnen zich wel een pare dure dagen en nachten veroorloven. Hockeyers schijnen ook wel leuk te verdienen, tennissers, darters zelfs."
"Ans is er tussenuit getrokken om ergens op een rustige manier de mooiste meiden te werven. Die moeten ook nog minstens drie talen spreken, waaronder perfect Nederlands."
Ankie moest lachen. "Ga zo door. Voor je het weet ben je klaar met je business plan voor de meest exclusieve seksclub van Nederland. Waar zit jij ineens op te broeden?"
"Sporters. Niet als doelgroep, hoor. Dat sporters herinnert me weer ergens aan. Een van die bestuursleden is die voetbalcoach in de stad hier, weet je wel? Dat is zo'n beetje de buitenstaander. Die bankdirecteur en die makelaar komen steeds uit hetzelfde clubje voort. We moeten ons op die coach richten, maar hoe? Laten we daar maar eens over dubben."
Omdat bewust in de zon zitten dubben meestal niet tot verstrekkende resultaten leidt, besloten we maar naar de stad te gaan om daar te lunchen en gewoon wat te winkelen.
Ankie vroeg waar ik heen ging toen ik buiten het hek niet linksaf sloeg richting dorp, maar rechtsaf. Ik legde uit dat we dat eerder gedaan hadden om in ieder geval te proberen te voorkomen dat degene die ons in het dorp in de gaten hield wist dat wij de hort op waren.
We zetten de auto in de parkeergarage en gingen eerst wat winkelen. Ik had het rokje en topje aangetrokken die ik aangeschaft had toen Ankie voor het eerst met Karel bij ons kwam. In de auto zei Ankie: "Naast jou zie ik eruit als de eerste de beste net uit de klei getrokken boerentrien. Dat kan natuurlijk niet, hè? Bovendien zit ik met die ontzettende burn out en wat doet een vrouw dan? Die gaat leuke kleertjes kopen."
Na een paar winkels kocht Ankie een outfit die precies bij de mijne paste en die ze meteen aanhield. Haar spijkerbroek en T-shirt gingen in een plastic tas. Als Pat ons liet bespioneren deden we precies wat hij wilde: we waren gewoon twee vrouwen voor wie er niets aan de hand leek te zijn en die zich alleen maar zorgen maakten over hun uiterlijk. Wij wisten heel goed dat we aan het toneelspelen waren, maar dat was een goede oefening voor het bezoek aan Adrie. Daar werden we in ieder geval in de gaten gehouden en moesten we als het ware in topvorm zijn. Alleen Ellen en Hermien konden we ons ware gezicht laten zien. We gooiden de plastic tas in de auto en gingen op het Raadhuisplein lunchen. We namen een uitgebreide salade en een glas wijn. De alcohol zouden we er wel uitlopen voor we weer in de auto stapten. We zouden ook nog naar de boekwinkel gaan.

22.30 uur

We zijn net thuis, maar we zijn een beetje over onze slaap heen, dus we gaan onze ervaringen maar meteen opschrijven. Ondanks alle rottigheid, zou je bijna kunnen zeggen dat we een leuke avond gehad hebben, waarin we bijna volledig in onze rol zaten. Dat begon al met de makelaar, die we allebei spontaan een engerd vonden. Hij zat strak in het pak en was niet veel ouder dan wij. Hij wist niet helemaal goed of hij joviaal of beleefd moest doen, dus dat werd een wat onduidelijk mengsel. Hij moest moeite doen om niet al te duidelijk te staren naar wat wij aan lichamelijk schoon te bieden hadden. Daar speelde ik op in. "Mijn man is er helaas niet", vertelde ik hem, "die moest er een paar dagen uit om goed over zichzelf na te denken. U zult dat wel kennen, denk ik. Gelukkig had mijn lieve vriendin wat tijd om mijn eenzaamheid wat te verlichten." Ik sloeg met een overduidelijk liefkozend gebaar een arm om Ankie heen, die zich dat net zo overduidelijk maar al te graag liet welgevallen.
"Ja, nee, zeker. Ik begrijp dat", zei de brave man. "Een andere woonplaats is vaak een goed nieuw begin. Het is zeker een mooi huis. Daar moet wel een koper voor te vinden zijn."
We lieten hem eerst de tuin met de garage en het zwembad zien. "We hebben vanmiddag nog lekker gezwommen", zei ik. "Dat is juist zo fijn. Met al die privacy hier kan dat wat meer ongedwongen, begrijpt u wel?"
Hij begreep het heel goed en stond er verlekkerd bij te kijken, ons nog even tersluiks opnemend en wat wegdenkend.
Op de bovenverdieping liet ik eerst onze werkkamers zien. "En dit is onze slaapkamer", riep ik, toen ik met een wijds gebaar de deur opengooide. Het kon hem niet ontgaan dat ik aan 'onze' met enige nadruk uitsprak. Nadat hij ook de benedenverdieping uitgebreid bekeken had gingen we in de zitkamer zitten, Ankie ik samen op de bank, hij tegenover ons. Ankie legde nonchalant de ene knie over de andere. De arme ziel kreeg het steeds moeilijker en wist niet meer waar hij kijken moest.
"Ja ... eh ... mevrouw Van Aarden ... "
"Zeg maar Annet, hoor", zei Ik liefjes.
"O, ja, Annet, natuurlijk. Ik stel voor dat we een goede fotograaf een aantal foto's van het interieur en het exterieur laten nemen. Dat maakt het voor potentiële klanten wat makkelijker om een eerste voorlopige keuze te maken."
"Jij weet er vast wel eentje. Laat hem maar een afspraak maken. Heb je al enig idee van de prijs."
"Daar doe ik nu nog liever geen uitspraak over. U, ik bedoel, je kunt het beter eerst laten taxeren, door ten minste twee makelaars."
"Wij dachten aan drie, voor het geval er eentje wat erg aan de lage kant zit. Daar heb ik het vanmiddag met Ankie in het zwembad nog over gehad."
"Heel goed. Jullie hebben er wel over nagedacht. Zal ik ook drie taxateurs voor je regelen?"
"Doe dat maar. Wil je misschien wat drinken?"
Het leek even of hij 'ja' wilde zeggen, maar hij bedankte toch maar. Hij moest naar nog een klant toe, zei hij. Toen we het hek achter hem dicht gedaan hadden moet hij ons hebben horen lachen voor hij in zijn auto stapte.
"Slet!" zei ik tegen Ankie. "Hoe durf je er zo schandalig bij te zitten?"
"Ach wat kunnen mij als lesbo die kerels nou schelen?"
Bijna precies om zes uur ging de telefoon. Ik liet hem een paar keer overgaan. Ze moeten vooral niet de indruk krijgen dat ik er naast zit te wachten. Ik zette hem weer op hands free.
"Ja?"
"Is er contact met een makelaar geweest?"
"Ik wil eerst Stef spreken."
"Die is hier niet bij de hand."
Dat was zijn eerste foutje. Ik had gerekend op iets als: jij hebt hier niets te willen. Het was in feite net zo'n amateur als ik.
"Ik kan wachten tot hij bij de hand is." Ik hoorde verkeer op de directe achtergrond. Waarschijnlijk stond hij bij een telefooncel te bellen. Dat was, van zijn kant, wel weer slim.
"Dat kan even duren."
"Goed, bel me maar als het zover is." Ik verbrak de verbinding. De zenuwen gierden door mijn keel. Het leek heel stoer wat ik gedaan had, maar het was er allemaal uit voor ik het wist. Het was vooral onbezonnen.
"Jezus, Annet!" Ankie keek me niet-begrijpend aan. "Was dat lef of ..."
"Of stom? Het laatste waarschijnlijk. Ik werd wat overmoedig, denk ik, omdat hij stom deed. Ik had het niet gedaan als hij meteen gezegd had dat hij wel uitmaakte of ik Stef te spreken kreeg. Wil je wat voor me inschenken? Ik zit te trillen."
Ankie haalde een aangebroken fles uit de keuken en schonk twee glazen in. "Ze bellen in ieder geval terug. Afwachten maar."
We zaten ons bijna een half uur te verbijten tot de telefoon weer ging. Ik liet hem weer een paar keer overgaan. "Let op achtergrondgeluiden", zei ik tegen Ankie.
"Ja!"
"Het gaat goed met me, Annet."
"Stef! Echt?"
"Ik mag verder niks zeggen, alleen dat het goed met gaat en dat is echt zo. Ik houd van je."
"Ik houd ..."
"Ja, mooi. Jij houdt ook van Stef. Dat wist hij al. Hoe zit dat met die makelaar?"
"Die is geweest. Hij stuurt een fotograaf voor de reclame en zo en taxateurs. Daarna wordt er een prijs gemaakt."
"We hebben geen foto's nodig. We weten hoe het huis eruit ziet."
"Dan laten we dat zitten en de taxateurs ook. Dan is het meteen voor iedereen duidelijk dat het om afpersing gaat."
Het was een tijdje stil. Dat kwam mooi uit. Niet veraf kon je een trein horen. "Wanneer komen al die mensen?"
"Die bellen voor een afspraak."
"We bellen vrijdag weer."
"Dan ben ik bij mijn ouders. Dat lijkt me niet zo handig."
"Maandag." De verbinding werd verbroken. Ik legde de telefoon neer en nam een flinke slok. Ik keek naar Ankie. "Wat is er? Wat kijk je?"
"Ik ben blij dat je m'n vriendinnetje bent en niet mijn tegenstandster. Waar haal je dat ineens allemaal vandaan?"
"Nergens vandaan. Ik ben hartstikke bezorgd en nerveus en bang. Je kan zien dat ik zit te bibberen. Maar ik ben ook zo verdomde kwaad op dat schorem. Ik word woest als ik onder druk gezet word. Dat had Stef al heel gauw door en jij hebt dat ook nooit gedaan. Maar je mag nou mijn hand vasthouden. Houd me maar helemaal goed vast."
"Ik weet iets veel beters, Netje. We gaan lekker samen in bad. Ik masseer al die spanningen wel uit je lijf. Blijf hier rustig zitten. Diep ademhalen en zo. Ik laat het bad vollopen en ik roep als het zover is."
Ik trok mijn kleren in de kamer uit toen ze riep en liep naar de badkamer. Ankie spreidde haar armen. "Kom maar tegen mij aan liggen en laat mij m'n gang maar gaan."
Het was heerlijk haar handen overal te voelen. Ik voelde inderdaad alle spanningen uit mijn spieren wegvloeien. De bezorgdheid en de angst waren niet weg te masseren, maar ik voelde me in staat ertegen te knokken. Het was nog net geen vrijen, maar het kwam dicht in de buurt. Er was iets wat me tegenhield en Ankie voelde dat heel goed aan. Ik denk dat ik het niet eerlijk vond tegenover Stef om iets heel plezierigs te doen terwijl hij in zijn eentje in rotomstandigheden zat waar ik geen weet van had.
We douchten nog even en schonken in de kamer de glazen nog eens vol. Ik zei tegen Ankie wat ik over dat vrijen had bedacht.
"Daarvoor zit ik hier niet, lieverd. Ik ben geen invalster voor Stef en jij niet voor Karel als we toevallig weer eens kriebeltjes voelen. Wat wij hebben staat er buiten. Dat is een soort bonus. Het is niet minder, het is anders. Ik zie Karel in het weekend weer. Ik bedoel, dat is toch goed, hè, dat hij het weekend hier is?"
"Als hij niet denkt te komen, sleep ik hem persoonlijk hierheen. Hij is hier van vrijdagavond tot maandagochtend, minimaal. Hij mag hier elk moment binnenvallen, onaangekondigd."
Vanwege de uitgebreide lunch konden we wel volstaan met een paar boterhammen.
Morgen mag Ankie vertellen hoe de avond verliep. Het is nu wel tijd om het bed op te zoeken. Herbeleven kan ook nog vermoeiend zijn.

Donderdag 31 mei, 8.15 uur

(Ankie weer aan het woord)
Het gevaar zit er natuurlijk in dat we op een 'comité van wederzijdse bewondering' gaan lijken. Dat moet dan maar. Annet kan moeilijk zichzelf gaan zitten bewonderen. Ze slaapt nu toch nog (we gingen redelijk laat naar bed na een lange dag) dus wil ik hier maar gezegd en geschreven hebben dat ze het heel goed gedaan heeft bij dat telefoongesprek. Ik heb gezien hoe ze, zeker na afloop, zat te bibberen, maar aan de andere kant moeten ze op z'n minst de indruk gekregen hebben dat ze te maken hebben met een koele kikker die niet met zich laat sollen. Het is aan de ene kant een geruststellende gedachte dat we in feite met amateurs te maken hebben, maar aan de andere kant zijn amateurs ook onvoorspelbaar.
We gingen om half negen te voet naar Adrie. Ik pakte Annets hand, maar een eindje voor het dorp maakte ze zich los. "We zijn hier gewone vriendinnen, hoor. Dus binnen ook niet al te lief doen. Ik moet er ook mijn best voor doen."
Voor mij was het het eerste bezoek aan Adrie. Ik vond het zo'n typisch, wel gezellig dorpscafé. Het was niet echt druk, maar het was ook donderdagavond. We gingen aan een tafeltje aan de zijkant zitten. Ik begreep dat de vrouw die naar ons toekwam Lies was.
Annet stelde me voor als de vriendin die ze tijdens haar reisje naar Egypte ontmoet had. Ik was gewoon een beetje op vakantie. Lies vroeg natuurlijk waar Stef was en Annet gaf de verklaring die we afgesproken hadden. Ik vond het heel aardig van Lies dat ze bezorgd vroeg of alles wel goed was tussen Stef en Annet. Volgens mij meende ze dat ook echt. Annet verzekerde haar dat alles rozengeur en maneschijn was.
We hadden ons glaasje wijn voor de helft leeg toen er geroepen werd: "Hé, Annet, wat leuk! Heb je Stef ingewisseld?"
Dat kon alleen Hermien zijn. We speelden ons toneelstukje voor vier dames die elkaar onverwacht ontmoeten en ze schoven bij ons aan. Dit keer kwam Adrie de bestelling opnemen en ik werd ook aan hem voorgesteld. Er zaten geen mensen direct in de buurt, dus we konden redelijk vrijuit praten als we dat niet te luid deden. Annet zei toch nog maar: "We zitten hier gewoon leuk met elkaar te praten, hè. Dus vooral blij kijken en af toe lachen."
"Je ziet er in ieder geval uitgerust uit", zei Hermien tegen Annet. "Je gaat zeker elke avond met een goede slaappil naar bed?"
Zelfs Ellen, die toch wel wat gewend moest zijn, moest lachen.
"Dan mag ik nu even serieus zijn", zei Hermien. "Dat doen andere mensen ook wel eens in een kroeg. Annet, vanochtend had ik niet zoveel tijd, maar je weet dat ik je hier graag met Stef had gezien, waarmee ik niets ten nadele van jou zeg, Ankie, maar dat weet jij ook." Ze was even stil. "Wat zat ik eigenlijk ingewikkeld te doen? Ik zit te praten alsof jullie cliënten zijn. Over beroepsdeformatie gesproken."
"Zeg maar gewoon wat je tegen mij zei, lange", zei Ellen, "toen ik het je vertelde."
"Godverdomme. Dat verdienen ze toch helemaal niet? In ieder geval is Ankie bij Annet. Wat voor steun moet ze nog meer? Zo, dat zei ik dus. Duidelijk?"
"Je bent een schat", zei Annet. Ik beaamde dat volledig.
Daarna konden we weer even lachen. Annet vertelde van het bezoek van de makelaar.
"Hadden jullie hetzelfde aan als nu?"vroeg Ellen. Wij knikten. "Ja, dan moet die man het wel moeilijk gehad hebben."
"En jullie kunnen wel van elkaar afblijven?" vroeg Hermien. Wij knikten weer en trokken er een zedig gezicht bij.
"We zijn wel samen in bad geweest, maar dat was therapeutisch, zeg maar", zei ik. "Annet heeft geen vinger naar me uitgestoken." Ik vertelde over de aanleiding, het telefoongesprek.
Na enige stilte zei Annet: "OK, meiden, houd maar op, ja? Ik deed niets anders dan zeggen wat er voor m'n kop kwam. Er zat helemaal geen strategie achter of zo. Voor dat moment heeft het goed uitgepakt, maar voor hetzelfde geld zijn ze nu ontzettend pissig en zijn ze dat op Stef aan het botvieren. Ik ga nog wijn halen." Ze pakte haar en mijn glas, trok een opgewekt gezicht en liep naar de bar.
Ellen keek mij aan. Ze wou wat zeggen, aarzelde en zei toen: "Nou ja, ik hoef jou niet te zeggen, wat je moet doen. Je doet het al. Hoe lang kan je bij haar blijven?"
"Tot Stef terug is. Ik sta er ook niet helemaal alleen voor, hoor. We hebben Karel ook nog op de achterhand. Die komt dit weekend ook hier." Ik vertelde ze wat we met Karel hadden afgesproken. Intussen was Annet teruggekomen met volle glazen. We keken naar Hermien.
"Ja", zei ze, "daarvoor zitten we hier. Laat ik voorop stellen dat ik geen absolute waarheden zit te verkondigen. Ik ben om te beginnen een gedragspsycholoog. Ik ken Stef een beetje en die andere types ken ik helemaal niet, daar kan ik helemaal niets over zeggen. Volgens mij is Stef een heel stabiele jongen. Als ik even theoretiseer: hij schrijft in zijn verhalen over mensen in stresssituaties, omdat hij dat soort situaties aankan. Hij zit nu zelf in een situatie die hij zo in een van zijn boeken zou kunnen verwerken. Ik denk dat hij het ook zo bekijkt. Hij is er aan gewend, hoe theoretisch ook, dat soort situaties van allerlei kanten te bekijken en naar oplossingen, uitwegen te zoeken. Dat zal hij ook nu doen. Dat telefoontje van vanmiddag is voor hem heel belangrijk geweest. Hij zal zich vast en zeker zorgen over jou maken. Hij weet niet wat ze jou kunnen aandoen. Vanmiddag heeft hij je gesproken. Ze moeten jou bellen, dus ze zitten niet bij je in de buurt. Er is een klein kansje dat ze gezegd hebben 'Je vrouw wil je spreken.' Zij doen wat jij wilt, Annet. Je loopt dus vrij rond. Dat is voor hem een hele zorg minder. Maandag spreek je ze weer. Gewoon doen wat je vandaag deed: eerst wil je Stef spreken. Laat als het maar even kan blijken dat Ankie bij je is. Dat zal hem nog meer geruststellen. Dan kan hij over zijn eigen situatie nadenken. Heel egoïstisch, maar dat moet hij wel zijn. Dat zijn zo de grote lijnen. Over kleine lijnen heb ik nog niet goed kunnen nadenken. Zal ik nu een mop vertellen, want het is geloof ik tijd dat we weer eens lachen."
Die mop hoefde niet, want die plotselinge overgang was al genoeg om ons aan het lachen te maken. Het leek mij een goed moment om nog wat drankjes te halen. Ellen en Hermien hielden het bij jus, Annet en ik wilden nog wijn.
Ik kon aan Annet zien dat wat Hermien gezegd had, haar toch wel wat opgelucht had. Ellen en Hermien waren weer volledig op de hoogte en bleven niet te lang meer. Wij namen ook nog een derde glas wijn. Het moest er niet op gaan lijken dat we alleen maar gekomen waren om met die andere meiden te praten.
Ik voel nu handen op mijn schouders. Ik krijg een zoen op mijn rechterwang. Iemand zegt: "Typ maar lekker door, hoor. Je kan ook best aardig schrijven. Ik ga vast een ontbijtje maken. Vergeet niet alles wat je geschreven hebt meteen aan Karel te mailen."

20.30 uur

We hebben vóór het ontbijt eerst gehold. Netjes gekleed deze keer, want we zouden om die tijd best een verdwaalde agrariër of postbode tegen kunnen komen. Het was wel droog, maar niet echt zonnig weer. Er werd geen regen verwacht en de temperatuur was aangenaam. Het leek Ankie wel een goed idee om zich te gedragen alsof ze echt op vakantie was. We besloten dus om maar een flink stuk te gaan fietsen. Met vereende krachten slaagden we erin zadel en stuur van Stefs fiets op voor Ankie comfortabele hoogte te brengen.
We fietsten via het dorp zodat eventuele Annetwatchers wisten dat we gewoon een eindje aan het fietsen waren. We hadden geen fietstassen mee, dus ze konden zien dat we niets meenamen. Mijn portemonnee en onze mobieltjes zaten in mijn stuurtasje. We hadden korte broeken en T-shirts aan.
We hadden nog ruim vier dagen voor ik Stef en Pat weer zou spreken. Veel tijd zou ik met Stef niet krijgen. Als ik hem wilde laten weten dat ik niet in mijn eentje was, moest ik dat meteen zeggen. Dan moest hem ook nog duidelijk worden dat Ankie er niet eventjes was, maar de hele tijd. Vier dagen om na te denken over de kortst mogelijke samenvatting van: maak je over mij geen zorgen, want ik zit hier niet in mijn eentje en Ankie blijft hier tot je weer terug bent. 'Ze' wisten dat Ankie bij me was, maar niet dat ze meer dan een vakantievriendinnetje was. Ik wilde aan Stef denken en ik wilde niet aan hem denken, omdat ik hem dan alleen maar voor me zag in een of ander donker hol, zonder boek of iets anders om hem enige afleiding te bezorgen. Ik probeerde me hem voor te stellen als de held uit een spannend verhaal. Hij overmeestert de bewaker die hem zijn karige maaltijd komt brengen. Langs de trap sluipt hij naar boven. Hij hoort stemmen en tv. Uit een half open deur komt licht een gang in. Aan het eind van die gang ziet hij wat op een deur naar buiten lijkt. Maar dan moet hij eerst langs die half open deur. Dichterbij gekomen, zie hij de tv. Twee mannen zitten daar met de rug naar hem toe naar te kijken. Met twee stappen is hij de deur voorbij. Hij vindt het deurslot, probeert het en hij kan de deur opendoen. Als hij aan de buitenkant de deur bijna heeft dichtgedaan, hoort hij hoe een van de mannen de kamer uitkomt en iets roept naar de man die zijn maaltijd gebracht heeft. Hij wacht niet langer maar begint te rennen. Er is een soort oprijlaan met een hek aan het eind. Als hij halverwege dat hek is, ziet hij tussen bomen door de lichten van een auto die richting dat hek rijdt. Daar stopt de auto.
Dat leek me een mooi moment om te stoppen met mijn kinderlijke fantasietje. Aan Stef mankeert fysiek niets, maar succesvol gebruiken van fysiek geweld behoort niet tot zijn opvallende eigenschappen en dat mag van mij zo blijven.
We lunchten bij een restaurantje aan de provinciale weg. Ik vroeg Ankie of zij nog briljante invallen had gehad.
"Die zou ik meteen verteld hebben. Ik begin nu pas goed te begrijpen hoe machteloos jij je af en toe gevoeld moet hebben al die tijd en nu helemaal. Je weet niet welke kant je op moet kijken en je weet dus ook niet precies wat je ertegen moet doen."
"Ik weet nu in ieder geval dat er maandag gebeld gaat worden en dat er tot die tijd niets gebeurt, of zij moeten opeens in paniek raken."
"Ja, omdat jij vrijdag toch niet naar je ouders gaat, maar opeens komt wel dat vriendje van dat vriendinnetje langs. Wat zitten die met z'n drieën te bekokstoven. Dat schiet me nu te binnen. Sorry. Nou ja, ik doe nog wel een weekendje zonder Karel. Dat is eerder voorgekomen en zal nog wel eens gebeuren."
"Laat me even nadenken. Bestel nog maar een cappuccino."
Toen de cappuccino's kwamen had ik een plannetje. "Wat dacht je hiervan? We doen vanmiddag de boodschappen die we nog nodig hebben voor morgen en het weekend. Vrijdagochtend ga ik gewoon alleen weg. Als het mooi weer is ga jij lekker de hele dag in de zon liggen, als er geen zon is ga je iets leuks schrijven. Zie maar. Ik ga niet naar mijn ouders, ik ga naar Amsterdam. Ik kan me niet voorstellen dat ze de moeite nemen mij te gaan volgen. Karel neemt een tandenborstel en een verschoning mee naar zijn werk. We spreken een plek af waar ik hem oppik, niet zijn werk of zijn flat. Onderweg hierheen eten we bij een of ander wegrestaurant. We haasten ons niet. Ergens tussen tien en elf uur, als het donker is, komen we hier aan. Karel ligt op de achterbank. Jij zit hier intussen te griepen omdat Karel toch later komt dan je eerder gedacht had. Ter compensatie sleur je hem meteen je bed in en is het mijn beurt om te griepen. Ik ga me te buiten aan de cognac en slaap tot jij me komt zeggen dat het ontbijt klaar staat. Daarna zien we wel verder."
Afgezien van het tweede griepen en de cognac vond Ankie het wel een goed idee. "En hoe komt Karel weer weg?"
"We staan maandagochtend waanzinnig vroeg op, als het nog donker is. We brengen Karel naar het station via de binnenweggetjes en we zorgen dat we weer thuis zijn voor het licht wordt. Als het licht wordt geven we wij voor de dan wellicht weer aanwezige toeschouwer de gebruikelijke ochtendvoorstelling van hollende vrouwtjes."
Ankie keek me wat onderzoekend aan. "Je hoeft je voor mij niet vrolijker voor te doen dan je bent, hoor. Spaar je energie maar voor andere dingen."
"Ik weet het, lieverd. Ik doe het vooral voor mezelf. Bespreek het vanavond maar met Karel."
Er was voicemail toen we thuiskwamen, maar we gingen eerst de boodschappen doen met de auto. De eerste voicemail was van de fotograaf. Ik belde hem. Hij kon morgen al komen, maar ik vertelde hem de bekende smoes. Het wordt dinsdag elf uur. De andere twee waren taxateurs. Ze komen maandag en woensdag.
Bij het wijntje voor het eten belde ik Anneke met de laatste ontwikkelingen. Ankie belde Karel bij de koffie na het eten. Hij had intussen met zijn collega besproken. Die wilde het wel met een bekende van de politie bespreken. Karel had het verhaal geprint. Mocht de politieman het ook lezen? Van mij mocht dat. Het plan voor het weekend vond Karel prima. Het leek hem beter pas uit Amsterdam te vertrekken als de grootste files opgelost waren. Hij zou zich tot die tijd wel vermaken in een kroeg in de Rivierenbuurt. Daar zou ik hem op zeven uur oppikken.
Ik zat me alleen nog af te vragen wat ik de godganse dag in mijn eentje in Amsterdam moest doen. Ik had niet het idee in de stemming te zijn om volop van de stad te genieten.
"Ik kan toch meegaan", zei Ankie. "Ik kan toch ook het eerste stuk op de achterbank gaan liggen? Het laatste stukje terugweg met Karel samen op de achterbank liggen lijkt me ook wel uit te houden."
Ik wist het even niet meer en ik weet het nog niet. Ik ben bezorgd. Ik voel me klote en soms ben ik zelfs een beetje blij omdat er mensen zijn die voor me zorgen, aan me denken en met me mee denken. Dan wil ik niet blij zijn, want welke vrouw zit er nou blij te wezen als d'r vent ergens wordt vastgehouden en bedreigd wordt? Ik ga dit opslaan en naar Karel mailen. Ik zet mijn laptop uit. Ik ga naar beneden en breek de cognacfles aan die we vanmiddag gekocht hebben. Daarna ga ik vroeg naar bed. Met Ankie. (Ankie knikt.)

Zaterdag 2 juni, 16.00 uur

Ankie is toch meegegaan naar Amsterdam. Ik was er niet helemaal van overtuigd dat het een goede beslissing was, maar het kon me niet meer schelen. Ik wilde geen hele dag in mijn eentje zijn. Ik zag me al midden op een terras in huilen uitbarsten omdat ik me vreselijk zielig voelde. We hadden geen enkele haast, dus we namen niet de snelweg, maar reden een soort toeristische route. We lunchten in Abcoude. We zetten de auto bij het Olympisch Stadion. We hadden nog aardig wat tijd. Die hebben we voor een deel doorgebracht met een rondvaart. Dat was voor ons allebei al weer een tijd geleden en is altijd leuk, zelfs voor een geboren Amsterdamse als Ankie. Daarna hebben we nog wat in het Vondelpark gewandeld. We waren op tijd bij de kroeg. Ankie ging naar binnen. Ze kwamen zeer opgewekt naar buiten. Karel ging achterin zitten en aaide me over mijn bol. Ankie kwam weer naast me zitten.
"Wil je niet bij je vent zitten?" vroeg ik.
"Nee, dan gaat hij de hele tijd maar aan me zitten friemelen. Je weet hoe die kerels zijn. Hij gaat lekker een dutje doen."
Dat deed hij inderdaad tot we bij een wegrestaurant waren. Karel zei dat hij thuis wel zou vertellen, wat hij te vertellen had. Ik liet de conversatie grotendeels aan hem en Ankie over. Ze hadden ook wel het nodige bij te praten. Bij de koffie kwam hij met een verrassing voor Ankie. "Er was een brief van dat echtpaar van het huis. Ze gaan op 15 oktober verhuizen. Je kan gaan solliciteren. Kun je 1 december in je nieuwe baan beginnen."
Ankie was dolenthousiast. "Kom ik over een paar maanden in de buurt van mijn maîtresse wonen."
Ik was natuurlijk ook wel blij, maar ik hield het, een beetje mat, bij: "Er is gelukkig ook nog goed nieuws."
Het was al bijna donker toen we daar wegreden. Ze gingen nu wel samen achterin zitten. Dan hoefde ik daar niet nog een keer apart voor te stoppen. Toen we de snelweg afgingen voor de laatste kilometers naar het dorp gingen ze onderuit. We waren om half elf thuis.
We gingen in de eetkamer aan tafel zitten. Ik schonk cognacjes in. Ik had de pest in omdat ik drie nachten in me eentje moest slapen en daar tegenop zag. Ik durfde nauwelijks naar Ankie en Karel te kijken, omdat ik dan blije gezichten zou zien, omdat ze weer bij elkaar waren. Ik kon even niet tegen blije gezichten. Ik wilde janken, maar dan zou ik mezelf weer een zwakke trut vinden, die een beetje zielig zat te doen.
"Zeg eens wat", zei ik.
"Ik ben zó blij dat ik weer bij Ankie ben." Karel zei het nogal nadrukkelijk. Het was precies het duwtje dat ik nodig had om van het randje te vallen. Ik zat te huilen, te vloeken en zei van alles wat ik me niet herinner. Ik voelde Ankie van alle kanten om me heen en tegen me aan en moest alleen nog maar meer huilen. Het duurde minstens een kwartier voor ik weer een beetje bij de wereld was en een slokje nam. Ik keek naar Karel. Hij keek tevreden terug. Ik stond op om hem een zoen te geven. "Schoffie. Dankjewel. Dat had ik precies nodig. We krijgen die rotzakken wel klein en Stef terug in mijn bed."
"Moet ik nog wat bijzonderheden vertellen?"
"Ja. Gaan jullie de keuken verbouwen? Wat voor behang nemen jullie? Wat voor nieuwe meubels gaan jullie kopen? Hoe vaak mag ik mijn maîtresse bezoeken voordat het al te storend wordt? Dat wil ik allemaal weten. Over andere dingen kunnen we morgen praten."
Ik hoefde niet zo veel meer te zeggen. Ik liet ze gezellig bekvechten over verfkleuren, gordijnen en inrichting. We gingen om kwart voor twaalf naar bed. Ik ging als eerste mijn tanden poetsen. Ankie loste me af. "Ik kom je straks nog een nachtzoen geven."
Na een minuut of tien kwam ze nog even bij me liggen. We zoenden en streelden. "Nou weg", zei ik na een paar minuten, "en laat Karel die vlindertjes in je buik wegjagen."
Ik viel in slaap voor ik me erg alleen kon voelen.
Ik werd tegen achten wakker en ging er meteen uit. In de keuken zat Karel een boek te lezen.
"Goeiemorgen, idioot", zei ik. "Wat doe je hier? Heeft Ankie je uit bed gegooid?"
"Ik had opdracht thee voor je in te schenken, zodra je uit bed kwam. Ik heb als compromis bereikt dat ik niet eerder dan kwart voor acht hier hoefde te zitten."
"Schenk dan maar in. En nog eens bedankt voor die rotopmerking tussen aanhalingstekens van gisteravond. De juiste toon en de juiste inhoud. Hoe wist je dat zo precies?"
"Ik zit nogal eens te onderhandelen. Ik let erg op lichaamstaal. Soms stel je iemand gerust als je denkt dat het nodig is. Ik zeg ook wel eens iets bewust om te irriteren en zo uit te lokken. Gisteravond had ik de indruk dat jij jezelf als het ware zat op te naaien. Je was ook heel gespannen, fysiek bedoel ik. Ik kan niet in je hoofd kijken, maar ik kon me voorstellen dat je er ook wel aan dacht dat Ankie niet bij jou maar bij mij zou slapen. Dat heb ik er maar dik bovenop gelegd. Het werkte. Gaat het nu goed?"
"Je weet wel, naar omstandigheden. Ik heb goed geslapen. Ik kan er weer tegen. Daar gaat het om. Ik vind het alleen lullig voor jullie dat Ankie nu hier haar vakantie zit op te maken."
"Zit daar nou niet over in. Als ze per 1 december een nieuwe baan heeft en per 1 november ontslag neemt heeft ze de hele maand november voor vakantie. Dan kan ik ook. Australië lijkt mij wel wat. Ankie krijg ik wel zo ver. Niets tegen haar zeggen."
Ankie kwam rond half negen de trap af. Ze kwam de keuken in met haar sportschoenen aan en de mijne in haar hand. "Ik ben er klaar voor. Lieve Karel, heb jij na vijf rondjes van deze schoonheden een ontbijtje klaar?"
"Lieve Karel zal zijn best doen."
"Gaat alles weer een beetje?" vroeg Ankie terwijl we naar het hek liepen. Ik zei dat ik er weer tegen kon. "Vlindertjes weggejaagd?"
"Voorlopig."
De vijf rondjes en wat poedelen in het zwembad bleken genoeg voor een goed ontbijt. Daarna gingen we over op serieuze zaken.
Karel zette de zaken op een rijtje. De eerste keer dat ze gebeld hadden, hadden ze Stefs mobieltje gebruikt, maar zij zullen ook wel weten dat die getraceerd kunnen worden. Vaste telefoons ook. Die tweede keer hebben ze een publieke telefoon gebruikt, niet ver van een spoorweg. Ze zullen waarschijnlijk van zulke telefoons gebruik blijven maken. Ik moet er dus steeds op blijven staan dat ik Stef, al is het maar kort, te spreken krijg. Dat maakt het voor hun ook lastiger, want ze moeten onopvallend Stef in bedwang houden. Het is niet zeker, maar redelijk aannemelijk, dat Stef ergens in deze buurt vastgehouden wordt. Dat kan ook in de stad zijn. In ieder geval moeten we daar maar van uitgaan.
De collega heeft donderdag mijn verhaal aan een politieman gegeven. Hij heeft er niet bij gezegd dat het allemaal echt gebaseerd. Een kennis van hem heeft het zogenaamd geschreven en hij heeft als een soort vriendendienst aangeboden het aan een politieman te laten lezen, om te bekijken of het allemaal op waarheid zou kunnen berusten. Hij heeft er bijgezegd dat er een beetje haast bij is, omdat de auteur vanaf aanstaande dinsdag een tijdje het land uitgaat. De man zou zijn best doen.
"Ik wil nog wel even opmerken", besloot Karel, "dat je, of je dat bewust deed of niet, dat telefoontje heel goed hebt afgehandeld. Je hebt ze toch wat afhankelijk gemaakt van jouw medewerking. Hoe lullig voor Stef ook en daardoor voor jou, we hebben er weer een paar dagen bij gekregen voordat ze een bod kunnen uitbrengen. Die taxateurs en de fotograaf moeten hun werk doen. Dan moet de makelaar de zaak gaan rondbreien. Probeer die derde taxateur uit te stellen tot woensdag. Weer een dag gewonnen."
"Dus nu gaan we verder zitten afwachten? Wat vind je van mijn idee om iets in de richting van die voetbalcoach te doen?"
"Je kunt erover nadenken, maar ik zou eerst afwachten wat die politieman te zeggen heeft. Als de politie vanuit Amsterdam niets kan doen, kunnen we altijd nog zien. Dan moeten we weer heel anders gaan denken. Ik zeg er voor alle duidelijkheid nog maar eens bij dat ik Adrie en Lies ook niet goed ingeschat heb. Jij hebt het helemaal voor het zeggen. Zonder ons was je ook een heel eind gekomen."
"Dat kun je vergeten. Zonder jullie was ik nu een nerveus wrak geweest. Hebben we plannen voor vandaag?"
"Dat is voor mij wel duidelijk", zei Karel. "Ik heb huisarrest, maar ik vermaak me wel met een boek. Jullie kunnen doen wat jullie willen."
"Ik kan ook in mijn eentje op stap gaan. Dan hebben jullie weer een paar uur de