NEDERLAND NADER BESCHOUWD
Als ik het hierna over 'schaatsers' heb, zijn dat mannelijke
schaatsers met een KNSB-licentie. Onder 'ijsbaan' wordt verstaan een 400-meterbaan. Met "2007" wordt gedoeld
op 2007 vóór aanvang van het seizoen 2007 - 2008.
De hier gebruikte cijfers zijn niet actueel meer, maar dat is in dit verband van minder belang.
Nederland heeft uiteraard ook zijn eigen 'Adelskalendern'. Bij
René van Kleef zie je de eerste
750 Nederlandse schaatsers op die lijst. Frans van Bakel gaat nog veel verderwaar het de Nederlandse
schaatsers betreft. Dat heeft in het voorjaar van 2008 tot een mooie samenwerking geleid. De resultaten
daarvan vind je
hier.
Bekijk je de lijst van Frans wat nader, dan zie je dat niet minder dan 209
Nederlandse schaatsers in het seizoen 2007 - 2008 hun puntentotaal hebben verbeterd.
De jongste daarvan was (op 10 april 2008) nog geen zestien
jaar oud, met een klassement van 214,939, de oudste 70 (ja, zeventig!) met een klassement van 221,442,
een niet geringe prestatie.
Sven Kramer is zeker niet de jongste Nederlandse schaatser: er zijn nog 47 jongere schaatsers.
52 schaatsers, in leeftijd variërend van 16 tot 65, hebben in 2007 op
alle vier de klassieke afstanden een persoonlijk record gereden.
Laten we eens naar 'de toekomst' kijken. 106 schaatsers van 25 jaar of
jonger hebben in 2007 één of meer persoonlijke records verbeterd. Dat
lijkt me dus 'materiaal' voor toekomstige (wereld)kampioenschappen. 22 van
hen hebben (op de Adelskalendern) een klassement lager dan 160,000. Van
deze 22 staan er 17 op de lijst van 100 schaatsers (van alle
nationaliteiten) die in een toernooi in 2007 de beste prestaties hebben
geleverd.
Al die cijfertjes zijn natuurlijk leuk, maar ik heb altijd de neiging om
te kijken of je er nog meer uit kan halen dan alleen "Wie schaatst er
nou het snelst?" Waar komen, bijvoorbeeld, al die schaatsers
vandaan? Komen de meeste schaatsers uit Friesland? Niet dus! De meeste
komen uit Noord-Holland. Dat is niet zo vreemd, want Noord-Holland heeft
2,5 miljoen inwoners en Friesland nog geen 650.000. We kijken dus
hoeveel schaatsers er per 100.000 inwoners zijn. In de grafiek
hieronder zie je dat Groningen dan ruim aan kop gaat.
Zo kun je ook bekijken uit welke gemeenten de meeste schaatsers komen.
Van de tien gemeenten met de meeste schaatsers ligt er maar één
(Gaasterland-Sloten) in Friesland (Heerenveen komt op de elfde plaats),
vier in Noord-Holland, drie in Zuid-Holland, één in Noord-Brabant en één
in Overijssel. Hoewel Zuid-Holland als provincie middelmatig scoort,
zijn het twee Zuid-Hollandse gemeenten die aan kop gaan. Ze vormen een
aaneengesloten gebied met de gemeente Alkemade. In dit gebied liggen de Nieuwkoopsche
Plassen, de Langeraarsche Plassen, de Kager Plassen en het
Braassemermeer. Bij mooi vriezend weer is er dus ijs genoeg. De Friese
gemeenten Scharsterland en Wymbritseradeel hebben ook wat meren, maar
komen toch pas op de 23e en 66e plaats.
Eén ding is duidelijk: het zijn allemaal plattelandsgemeenten. Bij de tophonderd gemeenten bevinden zich
slechts vijf gemeenten met meer dan 50.000 inwoners:
Groningen, Haarlem, Deventer, Alkmaar en Eindhoven. Inderdaad, al die
gemeenten beschikken over een ijsbaan, maar een ijsbaan zegt niet alles: Amsterdam heeft ook een
ijsbaan, maar staat slechts op plaats 175. De rangorde van gemeenten met
een ijsbaan is:
Nu kijken we alleen
even naar de tophonderd van de Nederlandse Adelskalendern en maken de
volgende grafiek.
Hier zien we dat in Friesland 3,93% van de Nederlandse bevolking leeft,
maar dat 7,32% van de schaatsers hier vandaan komt en zelfs 20% van de
tophonderd. Ook Noord-Holland, Drenthe en Groningen leveren meer
schaatser dan je op grond van hun bevolkingsaantallen zou mogen
verwachten. Utrecht en Overijssel doen wat ze moeten doen. De bevolking
van de andere provincies is duidelijk minder 'schaatsminded'. Naast
Friesland leveren Noord-Holland, Utrecht, Overijssel, Drenthe en
Groningen meer schaatsers voor de tophonderd dan je op grond van hun
bevolkingsaantallen mag verwachten.
Cijfertjes roepen om interpretatie en verklaring. Waarom wordt er in de
ene provincie, of in de ene gemeente, veel meer geschaatst dan in de
andere? Is daar misschien een 'historische' verklaring voor? Vóór
december 1961, toen de eerste kunstijsbaan geopend werd (de Jaap
Edenbaan) moesten we op de vorst wachten voor we konden gaan schaatsen.
Toen vroor het ook nog wel eens. Vorst alleen is natuurlijk niet genoeg,
je moet ook water in de buurt hebben. Maar niet al het water is
geschikt. Stromend water, de Rijn of de Geul, leveren geen beschaatsbaar
ijs op. Je moet kanalen of meren hebben, waarin het water stil staat.
Dat stilstaande water vind je dus beduidend meer in de 'platte'
provincies in het noorden en westen dan in het geaccidenteerde Limburg.
Als het een paar dagen vroor had je in die platte provincies het ijs 'om
de hoek'. Dat hadden de meeste Limburgers niet. Ze kregen het schaatsen
daar dus niet met de paplepel ingegoten. Ze hebben er geen
schaatstraditie ontwikkeld.
Waarom heeft Noord-Holland, zowel in absolute aantallen als relatief,
beduidend meer schaatsers dan Zuid-Holland dat meer inwoners heeft? Zou
dat te maken kunnen hebben met het feit dat Noord-Holland drie ijsbanen
heeft en Zuid-Holland maar één?