© Evert van Wijk 2007
DEEL 1: HET BEGIN VAN HET EINDE
Nee, ik ga niet beschrijven hoe
mijn dagelijks leven hier verloopt. Ik heb al te vaak gehoord en gelezen dat
wij, mijn 'medebewoners' en ik, maar een luizenleventje hebben, op jullie
kosten. Ik mag nog blij wezen dat ik mijn cel niet met een ander hoef te
delen, zodat ik ongestoord kan schrijven. Daar zal voorlopig al mijn 'vrije'
tijd in gaan zitten. Ik heb maar één hulpmiddel tot mijn beschikking: mijn
geheugen. Daarin moet, daar ben ik van overtuigd, dat ene kleine feitje
verborgen zitten dat tot nu toe iedereen, ikzelf incluis, over het hoofd
heeft gezien. Als ik dat aan het licht weet te brengen zal iedereen zeggen:
"Dat we dat niet eerder gezien hebben! Het lag zo voor de hand." Precies.
Waar verstop je een boom? In
een bos. Al die bomen lijken op elkaar, al zijn er geen twee hetzelfde.
Maanden lang heeft een team van rechercheurs dat oerwoud van feiten in alle
richtingen doorkruist en alles wat hen opviel nauwkeurig beschreven en
vastgelegd in dossiers. Alleen die ene boom is niemand opgevallen. Mijn
advocate, haar medewerkers en ik hebben hetzelfde gedaan. Ook wij hebben die
ene onopvallende boom niet gezien, hoe vaak we er misschien ook langs
gelopen zijn.
Nog één keer ga ik die tocht
maken. Nog één keer ga ik zo exact mogelijk alles beschrijven wat ik zie of
eerder gezien heb. Als ik het oerwoud verlaat zonder die boom gevonden te
hebben, zal niemand mijn reisverslag lezen. Ik schrijf het in de eerste
plaats voor mezelf en kan me dus permitteren de waarheid en niets dan de
waarheid te schrijven. Ik hoef niet te proberen me zelf te bedriegen. Ik
weet nog niet zeker of ik alles wat er gebeurd is in chronologische
volgorde zal beschrijven. Misschien moet ik juist kriskras door het oerwoud
heen trekken, niet de platgetreden paden volgen. De bomen daarlangs zijn al
door iedereen gezien en tot in detail beschreven. Ik doe het nog één keer,
in de hoop op dat ene onverwachte perspectief, die bundel zonlicht die net
even anders valt.
Ben ik verbitterd, omdat ik
hier al bijna drie jaar ten onrechte zit en nog minstens tien jaar hier zal
moeten zitten? Socrates werd veroordeeld tot het drinken van de gifbeker.
Zijn vrienden beklaagden hem omdat hij onschuldig was veroordeeld. "Hadden
jullie liever gezien," vroeg Socrates, "dat ik schuldig veroordeeld was?" Ik
wil me niet op dezelfde hoogte plaatsen als Socrates, maar hij had wel een
punt. Als ik 's morgens in de spiegel kijk, zie ik een man die niet schuldig
is aan dat waarvoor hij veroordeeld is. Een enkele keer zie ik, vlak voordat
ik in slaap val, nog het beeld van een meisje dat bewegingsloos in een
onnatuurlijke houding in de berm ligt. Het is een afschuwelijk beeld, maar
ik hoef er geen schuld bij te voelen. Af en toe voel ik daarbij woede op
degene die haar dit heeft kunnen aandoen. Wie ziet hij - het kan toch geen
vrouw zijn? - als hij 's morgens in de spiegel kijkt? Wat ziet hij vlak
voor hij in slaap valt? Voelt hij, opnieuw, opwinding of zoiets? Walgt hij
van zichzelf? Dat zou hij wel moeten doen.
●●●●●
"Hi, Rob."
Het was zondagochtend, een
uur of tien. Het was lekker weer, dus ik zat met een kop koffie op het
terras de bijlagen van de zaterdagkrant te lezen. Marja wist dat ze niet
hoefde te wachten op mijn toestemming of mijn uitnodiging mijn tuin in te
komen. Ze liep meteen door naar de keuken en kwam even later naar buiten met
een glas fris.
"Is je moeder aan het werk?"
vroeg ik naar de bekende weg. Marja's moeder werkte in de thuiszorg en moest
dus ook wel eens in het weekend werken. Sinds september van het jaar
daarvoor kwam Marja dan vaak bij mij langs. Ze had altijd een boek of een
tijdschrift bij zich en ging rustig zitten lezen. Af en toe scrabbelden we.
Een enkele keer deed ze een spelletje op mijn pc. Ik had ook wel eens gezien
dat ze tekstjes schreef, maar het was me nooit opgevallen dat ze die ergens
had opgeslagen. Ik wilde haar ook niet vragen wat ze schreef.
Ze was een jaar of zeven
toen ik haar voor het eerst, in het voorbijgaan, had gezien. Ik was toen met
mijn vrouw, die ook Marja heet, een paar huizen bij haar en haar moeder
vandaan in hetzelfde rijtje komen wonen. Ruim een jaar later woonde ik er
alleen. Na twee jaar samenwonen en vijf jaar huwelijk vond Marja haar
tennismaatje Peter toch wat aardiger dan mij. Het heeft een behoorlijke tijd
geduurd voor ik erover heen was. Ik bemoeide me nauwelijks met de mensen in
mijn directe omgeving. Verder dan "Goeiemorgen" en "Goeiemiddag" kwam ik
niet. Ik ging naar mijn werk en ging weer naar huis. De scholengemeenschap
waar ik Nederlands gaf was ongeveer tien kilometer van het dorp vandaan.
Als het weer niet al te slecht was fietste ik heen en weer. Fietsen deed ik
ook in mijn vrije tijd. Af en toe maakte ik een flinke wandeling.
Er kwamen meer kinderen uit
mijn dorp naar mijn school, maar Marja was de enige die ik herkende in de
nieuwe eerste havoklas die in augustus begon. Ik had haar uiteraard zien
opgroeien, maar ze was niet meer dan een van de vele opgroeiende kinderen
in de buurt aan wie ik geen aandacht besteedde. Als leraar besteedde ik wel
aandacht aan mijn leerlingen. Marja viel op tussen de andere. Ze zag er leuk
uit en ze was intelligent. Naar mijn idee kon ze zonder probleem
overstappen naar het vwo.
Die dag in september regende
het 's morgens behoorlijk. Ik besloot de auto te nemen. Toen ik 's middags
naar huis reed, regende het nog of weer. Halverwege kwam ik Marja achterop,
die naast haar fiets liep. Lekke band. Ik stopte en vroeg of ze mee wilde
rijden.
"Nou, graag meneer." Ze
noemde me toen nog netjes "meneer". Ik maakte het voorwiel los, zodat de
fiets net in de kofferbak kon, al kon ik die niet afsluiten. Dat maakte niet
uit voor dat kleine stukje.
"Mamma is er nog niet," zei
Marja, toen we ons straatje inreden, "haar fiets staat niet tegen het
schuurtje. Mag ik even bij u op haar wachten? Ik vind het niet leuk alleen
thuis te zijn."
Ik vond het best. Ik nam een
pilsje en gaf haar een glaasje fris. Ze ging voor het raam staan. Ik haalde
een stapel opstellen uit mijn tas en begon te lezen. Een paar minuten
later tikte Marja tegen het raam. Ik zag haar moeder afstappen. We liepen
samen naar de voordeur. Marja begon meteen te vertellen wat er gebeurd was.
Ik vroeg of ze niet even binnen wilde komen. We wisselden onze voornamen
uit. Ineke wilde wel een glas wijn. Ik vertelde haar dat ze tevreden mocht
zijn over de prestaties van haar dochter. We praatten over nog wat andere
dingen. Na een klein half uur vertrokken ze. Ik zette het voorwiel weer aan
de fiets. Ineke zou zelf de band plakken.
●●●●●
Als ik één dag in mijn leven
zou mogen overdoen, zou het die zondag zijn.
Marja was in een stoel gaan
zitten. Het boek lag ongeopend op haar bovenbenen. Ze droeg een kort
spijkerbroekje en een knalgeel T-shirt. Ze keek wat dromerig voor zich uit.
Ze dacht aan iets leuks. Er lag iets van een glimlach op haar gezicht.
"Vind je mamma aardig?" Ze
keek me niet aan terwijl ze het vroeg.
"Ik vind haar heel aardig."
"Vind je haar ook lief?"
Nu keek ze me wel aan. Ik
wist meteen dat ik behoedzaam te werk moest gaan. Ze had haar vader niet
gekend. Die was, toen ze nog geen jaar oud was, bij een ongeluk om het leven
gekomen. Dat had Ineke me verteld. Na die eerste kennismaking kwamen we wel
eens bij elkaar over de vloer. Ik at wel eens bij hun, zij bij mij. In de
wintermaanden was het drie keer, bij erg slecht weer, voorgekomen dat Marja
met mij in de auto naar school en huis reed, elke keer op verzoek van Ineke. Ik mocht Ineke graag. We
konden goed praten over gemeenschappelijke interesses. Zij vertelde over
het verlies van Karel, haar man. Ik vertelde haar over mijn scheiding van
Marja en wat die scheiding voor mij betekend had. We kwamen erachter dat we
nooit met iemand anders zo uitgebreid over onze verschillende verliezen
gepraat hadden. We waren geen van beiden op zoek naar een nieuwe relatie. We
waren niet verliefd. Van mezelf wist ik dat zeker en ik had nooit de indruk
gekregen dat het bij Ineke anders lag. We waren goede vrienden, niet meer en
zeker niet minder. Op dat moment realiseerde ik me dat Marja daar wel eens
heel andere ideeën over kon hebben. Ik weet wel iets van psychologie, maar
lang niet alles. Ik kon me wel voorstellen dat ik een soort vaderfiguur voor
haar was geworden en dat ze het fijn zou vinden als ik bij haar moeder en
haar zou komen wonen, een compleet gezin. Ik heb geen hekel aan kinderen,
anders was ik geen leraar geworden, maar een eigen kind heb ik tot nu toe
nooit gemist. Ik vond het leuk Marja van tijd tot tijd een paar uur om me
heen te hebben. Ze ging haar eigen gangetje en liet mij mijn eigen gang
gaan. Ook met haar kon ik leuke gesprekken voeren. Ze was leergierig en wist
vaak de goede vragen te stellen over iets wat ze gelezen of op tv gezien
had.
"Ik vind haar ook lief, maar
niet lief op de manier zoals jij het, denk ik, bedoelt."
Ze leek niet teleurgesteld.
Ze knikte bedachtzaam. "Vind je mij ook lief?"
"Anders zat je hier niet. Ik
vind jou net zo lief als je moeder."
"Ik vind jou heel erg lief."
Ze stond op, kwam naast mijn stoel staan, sloeg beide armen om mijn nek en
zoende me op beide wangen. Ik kon het niet nalaten even een arm om haar heen
te slaan. Ze maakte zich al snel weer los, pakte mijn koffiebeker en haar
glas en ging naar de keuken. Ze kwam even later terug met koffie en fris,
pakte haar boek en ging lezen. Ik liet de krant verder voor wat die was en
ging naar binnen om een nieuwe serie opstellen te lezen en van commentaar te
voorzien. Ze waren van Marja's klas. Ik viste haar opstel als eerste uit de
stapel. Zoals de meeste kinderen had ze het op de pc geschreven en geprint.
●●●●●
MIJN VADER. Het was de titel van Marja's opstel. Dat trof me
uiteraard, omdat die, voor mijn gevoel, zo direct aansloot op waar ik net
met haar over gepraat had. Het was het imaginaire verslag van een bezoek dat
een meisje met haar vader brengt aan Disneyland bij Parijs. Het grappige is
dat in het verhaal de vader niet het meisje, maar het meisje de vader
rondleidt. Zij heeft de plattegrond. Zij beslist waar ze heen gaan en in
welke volgorde. Zij vertelt hem bijzonderheden over de Disneyfiguren die ze
tegenkomen. Opvallend is ook dat alleen in het begin een moeder heel
terloops ter sprake komt. Ik wist natuurlijk
dat Marja en Ineke een heel sterke band hadden. Voordat ze naar huis gaan
wil het meisje ook nog de Eiffeltoren zien en Parijs vanaf de top. Het einde
van het opstel gaf me een schok. Bovenop de Eiffeltoren kijkt het meisje
niet om zich heen, maar naar haar vader, die van het uitzicht geniet.
Waarom spring je niet naar beneden? dacht ze. Dat was de laatste zin.
Een volledig onverwacht, bijna volwassen einde van het verhaal.
Ik schoof het opstel onderop
de stapel en pakte een ander, maar kon me daar niet meteen op concentreren.
Waar kwam die merkwaardige, haast agressieve slotzin vandaan? Ik had Marja
nog nooit op agressief gedrag kunnen betrappen. Was ze kwaad op de vader die
ze nooit had leren kennen? Die kon ze moeilijk meer dood wensen, want dat
was hij al. Ik kon me niet voorstellen dat ik die imaginaire vader was. Ze
had me net nog twee welgemeende zoenen gegeven. Ze was een puber en pubers
zijn wel eens wat onevenwichtig, weten niet altijd goed raad met hun
gevoelens, maar ik kon me niet indenken dat ze me de ene dag dood wilde
hebben en de andere dag heel erg lief zou vinden.
Ik bekeek nog wat opstellen,
maar kon mijn aandacht er niet bij houden. Ik zette de tv aan en begon wat
te zappen. Ik kwam in een sportprogramma terecht en keek zonder veel
interesse. Tegen twaalf uur kwam Marja naar binnen. Ze zag de stapel
opstellen liggen.
"Heb je mijn opstel al
gelezen?" vroeg ze.
"Nee, nog niet", loog ik.
"Mamma zal nu wel thuis
zijn. Doei."
Ze vertrok door de voordeur.
Ik belegde twee bruine
bolletjes met kaas en maakte nog een beker koffie. Daarmee en een boek ging
ik weer op het terras zitten. Ook het lezen van een boek wilde niet echt
lukken. Het opstel bleef door mijn kop zeuren. Na een uur gaf ik het op. Ik
besloot een eind te gaan wandelen. Het boek, een thermosfles met iced tea en
mijn mobieltje deed ik een rugzakje.
Tijdens het eerste jaar in
het dorp nam ik op mijn of onze wandelingen altijd een stafkaart van de
omgeving mee. Inmiddels kon ik die omgeving dromen. Stukken weiland en
landbouwgrond werden afgewisseld door bospercelen, smalle verharde wegen
door zandwegen met een fietspad ernaast. Hier en daar stond zo'n
picknicktafel, waaraan ik wel eens had zitten lezen. Ik dacht na over Marja.
Was het wel verstandig dat ik ten opzichte van haar een soort dubbelrol
had: leraar en oppasvader? Waar ging ze op doordeweekse dagen tijdens
schoolvakanties eigenlijk heen als Ineke werkte? Alleen op zon- en
zaterdagen kwam ze bij mij. Ik kon me niet herinneren dat een van hen daar
ooit iets over gezegd had.
De zandweg met fietspad
langs de bosrand maakten een bocht. Toen ik die door was zag ik een eind
verderop iets knalgeels in het gras naast het fietspad. Wat later zag ik ook
wat blauws. Het duurde even voor het tot me doordrong. Marja! Wat deed dat
kind daar? Ik begon te hollen.
●●●●●
"Marja!" riep ik toen ik nog
een eind bij haar vandaan was. Er was geen enkele reactie. Ik stopte een
meter of drie van haar af en besefte dat het niet erger kon. Ze was niet
gaan liggen. Het leek of iemand haar daar achteloos had laten vallen. Ik
liet me op mijn knieën naast haar zakken. In haar hals zag ik blauwe
plekken. Haar mond was open. Tegen beter weten in voelde ik aan een pols.
Niets!
Ik ging op mijn rug liggen.
Ik huilde, hoe lang weet ik niet. Ik dacht nog helemaal niet aan Ineke. Ik
wist alleen, heel egoïstisch, dat ík dit meisje zou missen. Was dat wat
ouders voelden die hun kind moesten missen? Nog veel sterker natuurlijk.
Het was bijna half drie toen
ik mijn mobieltje pakte en 112 belde. Ik legde uit wie en wat ik
aangetroffen had en waar ik me bevond. Ongeveer een kwartier later kwam de
politie. Degene die leiding had kwam naar mij toe, de anderen gingen aan
het werk.
De politieman stelde zich
voor als Harry Derksen. Hij noteerde mijn naam, adres en telefoonnummers.
Ik vertelde hem waarom ik daar was. Ik vertelde hem ook wie Marja was.
"U kende haar?" Hij sprak al
in de verleden tijd over haar.
"Ik ben leraar. Ze is een
van mijn leerlingen." Voor mij behoorde ze nog helemaal tot het heden.
Ik vertelde hem waar ik les
gaf. Zijn zoons hadden op dezelfde school gezeten. Hij kende de directeur
goed.
"Kent u haar ouders?"
"Ze heeft alleen een moeder.
Haar vader heeft ze nooit gekend." Ineens schoot het door me heen. "Moet ik
het haar moeder vertellen?" Hoe moest ik dit in godsnaam aan Ineke
vertellen?
"Ik ben ik hier voorlopig
niet nodig. Mijn mensen weten wat ze moeten doen. U kunt met mij meerijden.
Ik zal wel het eerst het woord doen. Kent u haar goed?"
In de auto vertelde ik dat
ik goed bevriend was met Ineke. Ik vertelde niet dat Marja die ochtend nog
bij mij was geweest. Ik weet niet waarom niet. Het leek me op dat moment
kennelijk niet belangrijk.
"U kunt dus nog wel een
tijdje bij haar blijven om haar op te vangen", constateerde Derksen nuchter.
We zeiden verder niets tot we voor het huis van Ineke stopten. Het was even
na drieën. Ik belde aan. Het duurde even voor Ineke opendeed. Ze droeg een
badjas. Waarschijnlijk had ze in de tuin liggen zonnen.
Ze schrok toen ze Derksen
zag. "Waar is Marja?" Ze vroeg het aan mij. "Wat is er gebeurd?"
Derksen deed een stap naar
voren. "Zullen we naar binnen gaan, mevrouw?"
Ineke liep voor ons uit naar
de woonkamer. Ik ging naast haar op de bank zitten. "Wat is er met Marja
gebeurd?" Ze keek weer naar mij, tranen in haar ogen.
"Mevrouw Van 't Riet," zei
Derksen, "we weten nog niet precies wat er gebeurd is. Meneer Helder vond
uw dochter bij het Ericapad. Ze ..."
Ineke onderbrak hem. "Vond
haar?" Het was een kreet. Ze wist meteen wat hij bedoelde. Haar bovenlichaam
boog naar voren. Haar hoofd zakte nog dieper. Ze huilde. Af en toe leek ze
wat te zeggen, maar ik verstond het niet. Ik sloeg een arm om haar schouders
en huilde mee. Het duurde zeker een kwartier voor Ineke weer rechtop ging
zitten. Met de mouw van haar badjas wreef ze de tranen uit haar ogen. Ze
snikte nog.
"Kan ik Marja zien?" vroeg
ze aan Derksen.
"Mijn mensen zijn nog bezig
met het onderzoek, mevrouw. Ik denk dat u haar morgenochtend in het
mortuarium van het Elisabeth Gasthuis kunt zien. Ik laat het u zo gauw
mogelijk weten." Hij stond op. "Ik vind het heel erg voor u, mevrouw. Ik
zal u niet verder storen nu." Hij gaf haar geen hand, maar maakte een
knikje. Ik liep met hem mee naar de voordeur.
"Ik zal de directeur van de
school inlichten", zei hij bij de voordeur. "Die kan dan voorbereiden wat er
morgen op school moet gebeuren. Ik zal ook nog een keer met u willen
praten."
●●●●●
Ineke zat op de bank voor
zich uit te staren. Het maakte haar niet uit dat haar badjas half open hing
en dat ze het bovenstukje van haar bikini niet aan had. Ik had ook wel wat
anders aan mijn hoofd. Ik had haar wel eens eerder zo gezien.
"Zal ik koffie of thee
maken?" vroeg ik.
"Doe maar wat fris."
In de koelkast vond ik een
pak appelsap. Ik schonk twee glazen in en nam die mee naar de kamer. Ineke
pakte een glas aan en dronk het in één keer leeg. Ze zette het voor zich op
tafel. Ze keek ernaar en zei: "Zo leeg is mijn leven nu. Mijn man is dood.
Mijn meisje is dood. Wat moet ik nog?" Ze begon weer te huilen. Ik wist
niet wat ik moest doen of zeggen om haar te troosten. Er zou familie
gewaarschuwd moeten worden. Ik wist daar eigenlijk helemaal niets van. Om de
ene of andere reden hadden we het daar nooit over gehad. Er moesten toch
grootouders zijn, misschien ooms en tantes. Ik liet haar rustig uithuilen.
"Ik ga wat aantrekken." Ze
stond op en ging de trap op naar de slaapkamer. Ze bleef langer weg dan ik
dacht. Na bijna een half uur werd ik zelfs ongerust. Ik wilde net gaan
kijken toen ik haar de trap af hoorde komen. Ze had kort daarvoor weer
gehuild.
"Ik heb mijn ouders gebeld.
Ze waren kapot. Ze wilden meteen komen, maar ik heb gezegd dat jij er was en
dat ze morgenochtend maar moesten komen. Ik kon niet eens vertellen wat er
precies gebeurd is. Wat is er eigenlijk gebeurd?"
Ik vertelde dat ik niet meer
wist dan dat Marja om een uur of twaalf bij me weggegaan was, omdat ze dacht
dat Ineke wel thuis zou zijn en dat ik een uur later was gaan wandelen. Ik
kon nauwelijks mijn tranen inhouden toen ik vertelde hoe ik haar gevonden
had. Ik was ervan overtuigd dat er geen sprake was van een ongeluk. Iemand
had haar dood gemaakt. Het woord 'vermoord' kon ik er niet uit krijgen.
"Hebben ze haar ook ...?" Ze
kon niet verder, maar ik begreep wat ze bedoelde.
"Ik heb niet gezien dat er
met haar kleren was gerommeld. Ik denk het niet." Ik was niet zo zeker als
ik het wilde laten klinken, maar zag toch iets van opluchting bij Ineke.
"Ik was wat later thuis dan
ik gedacht had", zei ze. "Omdat Marja er niet was dacht ik dat ze bij jou
was en ook wel iets gegeten had. Ik heb dus rustig gedoucht en uitgebreid
geluncht. Om een uur of half twee ging ik naar jou. Je was er dus niet. Ik
dacht dat jullie samen ergens heen gegaan waren en ben lekker in de tuin
gaan liggen zonnen. Ik sliep half toen jullie aanbelden. Ik dacht nog:
waarom komt dat kind niet gewoon achterom? Wat moet ik zonder haar, Rob?" Er
volgde weer een huilbui.
Deze keer sloeg ik twee
armen om haar heen. Wat moest ik anders doen? Het was geen moment voor
dooddoeners en gemeenplaatsen. Mijn eigen gevoelens van verdriet en woede
kon ik ook niet onder woorden brengen.
We werden gestoord door mijn
mobieltje. Het was mijn directeur. "Ik heb het gehoord, Rob. Vreselijk! Ik
bel alle collega's af om te vragen of ze morgen om half acht op school
kunnen zijn. Dan kunnen we wat afspraken maken over de opvang van de
kinderen. Er komt ook iemand van de politie en mensen van Slachtofferhulp.
Als jij het niet kunt opbrengen kan ik me dat ook voorstellen."
"Ik zal mijn best doen",
beloofde ik.
●●●●●
Om een uur of tien zei Ineke
dat ze naar bed ging. Ze had nog wel ergens een slaappil. We hadden die
avond veel gezwegen, maar ook gepraat, Ineke vooral. Ze had herinneringen
opgehaald. Af en toe had ze daarbij zelfs gelachen. Ze vond het niet nodig
haar schoonouders nog te bellen. Ze had nooit een goede relatie met ze
gehad. Ze hadden sinds kort na het overlijden van Karel ook geen
belangstelling voor hun kleindochter meer getoond. Haar schoonvader werkte
bij Buitenlandse Zaken, altijd op een of andere ambassade, in die tijd in
Washington. Karel was in verschillende buitenlanden opgegroeid. Hij had ook
geen echt warme relatie met zijn ouders, die hun sociale verplichtingen
altijd belangrijker vonden dan hun zoon.
Ik ging pas weg toen Ineke
in bed lag. Ik liep met haar mee naar de slaapkamer. Zij ging naar de
badkamer. Ik ging op de rand van haar bed zitten. Na een minuut of tien kwam
ze ongekleed uit de badkamer. Iemand anders zou hier misschien schrijven
dat ze naakt was, maar zo voelde ik het niet. Ze kroop onder het dekbed en
sloot haar ogen. Ik zoende haar op een wang en hield haar hand vast tot ze,
na een paar minuten, sliep.
Thuis schonk ik nog een glas
whisky in. Ik trok Marja's opstel onder de stapel uit. Ik las het nog een
keer door tot die laatste schokkende zin. Na wat er gebeurd was kreeg die
zin nog veel meer lading. Niet 'hij' was dood, maar zij. Had ze met die zin
iets duidelijk willen maken? Ze wist dat ik die zou lezen. Had ze mij iets
willen vertellen? Waarom had ze dat niet aan haar moeder verteld? Die avond
nog had Ineke gezegd dat Marja haar altijd alles vertelde. "Ze heeft nogal
vaak gezegd dat ze jou heel leuk vindt." Ze glimlachte. "Een paar dagen
geleden vroeg ze me nog of ik jou aardig vond."
Ik was verrast. "Dat vroeg
ze mij vanochtend ook. Ik zei natuurlijk 'Ja' en toen vroeg ze of ik je ook
lief vond."
"Wat zei je toen?"
Ik vertelde het haar. Ze
knikte. "Zij wilde wat meer." Het was mijn beurt om te knikken. Ik nam ook
wat tijd om na te denken. Ik besloot toch te vertellen dat Marja me om de
nek was gevallen en gezoend had en wat ze daarbij gezegd had.
"Ze heeft nooit laten
blijken dat ze een vader miste," zei Ineke, "maar welke moeder weet nou
zeker wat er in het hoofd van haar dochter omgaat. Ik vertelde ook alles aan
mijn moeder, maar natuurlijk niet echt alles, zeker niet in die gevoelige
leeftijd."
Daarna waren we weer een
tijd stil.
Moest ik Ineke het opstel
laten lezen? Die laatste zin zou haar nog meer schokken dan mij. Daar moest
ik nog eens over nadenken. Ik kwam er in die situatie toch niet uit. Ik
legde het opstel niet terug bij de stapel. Ik stond op en legde het in een
la van mijn bureau. Ik schonk nog een whisky in en zette de tv aan. Ik viel
midden in een horrorfilm. Ik begreep niet alles, maar het leidde in ieder
geval even af van de echte horror van die dag.
De film werd gevolgd door
het late journaal. Marja was nu nieuws. Harry Derksen kwam in beeld. Hij
deelde mee dat hij nog niets mee te delen had. De 'plaats delict' kwam in
beeld, afgezet met roodwitte linten. Hans, mijn baas, kwam in beeld en
vertelde dat alle leerlingen de volgende dag in de aula van de school bij
elkaar zouden komen. Anneke, een meisje uit Marja's klas dat ook bij ons in
de straat woonde, kwam in beeld. Ze zei dat Marja "altijd" haar vriendin was
geweest en dat ze niet begreep hoe iemand dat had kunnen doen. "Marja was
altijd zo aardig tegen iedereen." Meer voorspelbare beelden hoefde ik niet
te zien. Ik ging naar mijn slaapkamer, poetste mijn tanden en zette mijn
wekker op half zeven. Ik zou morgen de auto nemen, zodat ik om half acht op
school kon zijn. Ik viel als een blok in slaap.
●●●●●
Rituelen. We kunnen nog
altijd niet zonder. We trekken ons al lang niet meer de haren uit het hoofd
en gooien er geen as meer op. We doen geen zwarte kleding meer aan na een
sterfgeval. Na een gewelddadig sterfgeval doen we het nu eigentijds. We
leggen bloemen op de plaats waar het slachtoffer is gevonden, al kennen we
het slachtoffer niet of nauwelijks. Als het een kind was leggen we er nog
een knuffel bij. Ik had Marja nog nooit met een knuffel gezien, maar ze
werden aangedragen. Niet op de plaats waar ik haar gevonden had. Die lag,
wat ongemakkelijk, net iets te ver van het dorp. Ze kwamen dus bij Ineke
voor de deur te liggen, in het kleine voortuintje. Het was alleen nog
wachten op iemand die de haast onvermijdelijke stille tocht zou
organiseren.
De min of meer officiële
gebeurtenissen van de dag na de moord op Marja (ja, ik kan dat woord nu wel
neerschrijven) ga ik hier niet in detail beschrijven. De kranten hebben dat
destijds voldoende gedaan. De tv, publiek en commercieel, leverde haar
gebruikelijke aandeel met voortdurend herhaalde beelden, met verslaggevers
die onbenullige of onnodige vragen stelden aan de politie die nog steeds
geen nadere mededelingen kon doen en geen ongefundeerde veronderstellingen
naar buiten wilde brengen. Klas- en schoolgenoten en hun ouders en mensen
uit ons straatje werden geïnterviewd. Het was "vreselijk", het was
"afgrijselijk" en "zo erg voor die moeder". Was zo'n lief meisje, waren
'onze kinderen' dan nergens meer veilig voor pedofielen? Dat was al gauw de
heersende opvatting: Marja was het slachtoffer geworden van een pedofiel.
Zou die smeerlap in het dorp wonen?
Na de bijeenkomst in de aula
verliet ik de school. Ik kon het niet opbrengen met één van de klassen na te
praten over het gebeurde. Er waren toch wel collega's genoeg en niet te
vergeten Slachtofferhulp.
Vlak voor ik in mijn auto
stapte werd ik nog benaderd door een tv-ploegje van de regionale zender. Ik
moest me inhouden ze niet van me weg te slaan. Ik zei dat ik niets toe te
voegen had aan wat er al bekend was en geen behoefte had aan het leveren van
commentaar. Thuisgekomen kleedde ik mij meteen om, pakte mijn fiets en reed
weg. Waar ik precies gereden heb weet ik niet meer, in ieder geval niet
langs het Ericapad. Waar ik over gedacht heb herinner ik me evenmin. Ik
weet alleen dat ik in twee uur bijna zeventig kilometer gefietst heb. Ik heb
vooral de woede uit mijn lijf getrapt.
Nadat ik gedoucht had ging
ik met een paar boterhammen en koffie op mijn terras zitten. Mijn vaste en
mobiele telefoon nam ik mee naar buiten. Ik zou liever naar Ineke gaan,
maar ik wilde haar niet storen in het contact met haar ouders. Ik nam net
mijn laatste slok koffie toen mijn vaste telefoon ging. Ik zag dat het
Ineke was.
"Met Rob. Hoe ..."
"Je mag wel even langskomen,
hoor."
"Ik kom eraan."
Ik stond niet meteen op. Was
er iets veranderd tussen ons? Ik had haar wel eerder gezoend: op haar
achtendertigste verjaardag in november, op Nieuwjaarsdag. Niets bijzonders,
zoenen is een cliché geworden. Het betekent niet meer dan dat je iemand
eerder ontmoet hebt. Het zegt vaak niets meer over vriendschap of
genegenheid. De zoen die ik haar gaf voor ze in slaap viel was niet cliché.
Het vasthouden van haar hand was niet cliché. Ik had me niet afgevraagd of
zij dat nodig had. Ik had het zelf nodig. Ze had niet gevraagd of ik langs
wilde komen. Ze wist dat ik op dat moment niets liever wilde, dat we
verdriet moesten delen en mooie herinneringen. Of was het toch wat anders,
wat meer?
Het had geen zin om verder
na te denken of te speculeren. Ik bracht de vaste telefoon naar binnen en
liep achterom naar Ineke. Ze zat in de tuin met haar ouders. Terwijl ik het
tuinhekje opendeed stond zij op en kwam me tegemoet lopen. We omarmden
elkaar stevig. We zoenden niet. Ik streelde haar korte, zwarte haar en haar
rug. Ik voelde hoe ze snikte en had zelf ook weer tranen in mijn ogen, om
haar, om Marja, om mezelf.
●●●●●
We stonden een minuut of
twee zo, dicht tegen elkaar aan. Toen maakte Ineke zich los.
"Dit is Rob dus", zei ze
tegen haar ouders. Ik gaf ze een hand en zei iets over deelneming. Ik
schatte ze op een jaar of zestig. Ineke had ze natuurlijk alles al verteld,
maar ze wilden toch nog eens van mij horen wat er de dag ervoor gebeurd
was. Niet het laatste, maar wat ze nog bij mij gedaan had.
Ik was gauw uitverteld.
Zoveel hadden we immers niet gepraat of samen gedaan. Ik vertelde dus ook
maar over andere keren dat ze bij me was geweest. Ik zei wat ze graag
wilden horen en wat ik ook van harte meende: dat het een lief en slim meisje
was, dat ik het leuk vond als ze bij me was, dat ik haar net als Ineke en
zij erg zou missen.
Ineke had uiteraard wel
opgemerkt dat ik niet precies vertelde waar ik met Marja over gepraat had.
Ik kon onvoldoende inschatten wat ze aan haar ouders kwijt wilde en wilde
niet voor de troep uit marcheren.
"Ik heb ze verteld wat Marja
van onze relatie vond, Rob", zei Ineke met een glimlach. "Vertel het hele
verhaal maar."
Ik maakte een
verontschuldigend gebaar en vertelde wat ik had weggelaten.
"Dat meisje zag veel en
dacht er goed over na", zei Irma. "De laatste keer dat ze bij ons was had ze
het over jou." Ze keek naar mij. "Het maakte me wel nieuwsgierig."
Dat vond ik allemaal wel
mooi, maar ik wilde liever van Ineke horen of zij al in de gelegenheid was
geweest Marja te zien en hoe ze dat ervaren had. Ik was er ook vrijwel zeker
van dat ze gehoord had of nog te horen zou krijgen dat een sectie moesten
worden uitgevoerd. Het moest vreselijk zijn te weten dat koele deskundigen
beroepsmatig stonden te snijden in het kleine lichaam dat je van jongs af
aan had zien groeien. Ik had er nooit bijzonder veel aandacht aan besteed,
maar wist dat ze slank was. Ze stak zeker niet boven haar medeleerlingen
uit. Als ze een strak T-shirt droeg, zoals die zondag, was er een pril
beginnetje van borstjes te zien. Ze liep daarin duidelijk wat achter op de
meeste van haar leeftijdsgenootjes.
Jaap zei dat Irma en hij
zeker de rest van de week bij Ineke zouden blijven. Hij zou haar helpen bij
het regelen van alles wat er geregeld moest worden, de begrafenis om te
beginnen. Ik keek naar Ineke. Ze schudde met haar hoofd.
"We kunnen nog niet zeggen
wanneer de begrafenis is." De onderdrukte emotie was bijna voelbaar. "We
mochten haar vanochtend even zien." Minuten lang bleef ze voor zich uit
staren. Aan haar gezicht was niets te zien. Haar handen balden zich tot
vuisten en ontspanden zich weer. Alles speelde zich binnen in haar af.
"Ze moeten haar nog
onderzoeken om erachter te komen wat er gebeurd is." Het kwam er bijna
toonloos uit, maar er lag een wereld van verdriet en andere emoties achter.
Er werd bij de voordeur
gebeld. Jaap liep er heen en kwam snel weer terug. "Het is die politieman",
zei hij tegen mij. "Hij wil je graag spreken."
Derksen was buiten blijven
staan. "U was niet thuis en ik nam aan dat u hier was. Ik zou u even willen
spreken. Schikt dat nu?"
"Momentje." Ik liep naar
achteren om te zeggen dat ik bij mij thuis met Derksen ging praten.
●●●●●
Ik bood Derksen iets te
drinken aan, maar hij hoefde niets. Ik nam zelf een pilsje, waarmee ik aan
tafel ging zitten, tegenover de politieman. Hij pakte een blocnote uit zijn
tas en een ballpoint. Hij pakte ook een kleine recorder. Op zijn vraag zei
ik dat ik er geen bezwaar tegen had dat hij het gesprek opnam.
"Vertelt u nog eens zo
nauwkeurig mogelijk wat er gisteren gebeurd is."
Als hij me ononderbroken had
laten doorvertellen was ik in een paar minuten klaar geweest, want zoveel
was er niet te vertellen. Natuurlijk onderbrak hij me wel regelmatig.
"Marja kwam wel vaker bij
u?"
"Als haar moeder in het
weekend moest werken."
"En haar moeder wist altijd
dat ze hier was?"
"Uiteraard wist ze dat. Ze
kwam haar wel eens ophalen."
"Waarom ging ze niet naar
vriendinnetjes?"
"Geen idee. Daar heb ik het
nooit met haar over gehad. Zij vond het leuk om hier te zijn. Ik vond het
leuk als ze hier was. Het was een heel leuk meisje, meneer Derksen."
"Waar praatte u met haar
over?"
"Soms praatten we
nauwelijks. Ze las een boek of deed spelletjes op mijn pc. Ik las een boek
of bereidde lessen voor. Als we praatten was het meestal omdat ze iets wilde
weten."
Derksen wilde ook zo
nauwkeurig mogelijk de verschillende tijdstippen weten. Hoe laat was Marja
gekomen? Hoe laat was ze weggegaan? Hoe laat was ik gaan wandelen? Hoe laat
had ik haar gevonden? Ik deed mijn best die tijdstippen zo exact mogelijk
aan te geven, maar helemaal zeker kon ik daar niet van zijn.
Aan de hand van de stafkaart
kon ik wel precies aangeven waar ik gelopen had, zelfs de plek waar ik Marja
gevonden had. Hij ging met zijn vinger langs de route.
"Zou het zo kwart over twee
geweest kunnen zijn dat u haar vond?"
Ik zei dat dat best zou
kunnen. Hij bladerde in zijn notities. "U heeft de alarmcentrale om 14.29
uur gebeld." Hij keek er vragend bij.
"Ik heb een tijd in het gras
liggen huilen. Kunt u zich daar iets bij voorstellen?"
"Heeft u haar aangeraakt,
iets aan de positie van haar lichaam veranderd?"
"Ik heb haar pols gevoeld,
meer niet. Daar kon ik bij zonder iets te veranderen."
Derksen las de aantekeningen
na die hij gemaakt had. "Het lijkt me duidelijk. Nog een andere vraag: komen
er wel eens vaker leerlingen bij u thuis?"
"Nooit. Marja kwam hier niet
als leerling, maar als dochter van een vriendin. Ik was een soort
oppasvader. Ze was niet graag alleen thuis."
"Wat is uw relatie met haar
moeder?"
"Dat heb ik u gisteren in de
auto al verteld: een vriendschappelijke relatie, meer niet." Ik had ineens
het gevoel dat ik Ineke en mezelf tekort deed.
Derksen zette de recorder
uit en deed die met zijn blocnote en pen in zijn tas.
"Bedankt", zei hij. "Het kan
zijn dat ik later nog iets wil weten. Dan bel ik u wel. U kunt mij ook
bellen als u zich nog iets herinnert wat volgens u van belang is."
Ik liet hem uit. Ik wachtte
niet tot hij in zijn auto stapte en vertrok, maar ging weer naar binnen.
Binnen dronk ik het laatste restje van mijn bier op. Ik had niet het idee
dat ik een belangrijke bijdrage aan het onderzoek geleverd had. Uit
krantenverhalen en van de tv wist ik dat familie en bekenden van een
slachtoffer altijd per se wilden weten wie de dader was. Ik was geen familie
maar heel wat meer dan een bekende. Het interesseerde me, op dat moment,
toch totaal niet wie de dader was. In mijn gedachten was alleen plaats voor
dat ene onontkoombare feit: Marja zou nooit meer langs komen. In mijn
gedachten zag ik Ineke alleen aan tafel zitten eten. Ze hoefde zich nooit
meer naar huis te haasten als haar werk wat uitgelopen was. Ze had ineens
twee redenen om af en toe een graf te bezoeken en wat bij te werken. Zou ik
met haar mee willen gaan als Marja bij haar vader lag?
Ik bracht het lege glas en
het lege flesje naar de keuken en liep direct door naar Ineke.
●●●●●
Jaap
zat alleen in de tuin. Op de tafel stonden een bierflesje, een bierglas en
twee lege wijnglazen.
"Ze zijn aan het koken", zei hij. "Zal ik een biertje voor je halen?" Hij
was al opgestaan voor ik kon antwoorden. Ik hoorde wat praten in de keuken.
Jaap verscheen in de deuropening met twee flesjes en een glas. "Of je blijft
eten." Ik knikte. "Ja", riep Jaap naar binnen en kwam bij me zitten. Ik
schonk mijn glas vol en nam een slok.
"Ik vind het een plezierige gedachte dat ze een vertrouwd iemand in de buurt
heeft", zei Jaap. "Irma en ik kunnen hier nu eenmaal niet voortdurend
blijven. Ineke zou over veertien dagen met Marja naar een bungalowpark in
Drenthe gaan voor twee weken. Daarna zouden ze een week bij ons komen. We
wonen vlakbij het Sneekermeer. We hebben een motorjacht. Dat bungalowpark ga
ik morgen afzeggen. Ze ziet zichzelf daar geen twee weken alleen zitten."
"Gaat ze drie weken naar jullie?"
"Ze weet het nog niet. Verder dan de begrafenis denkt ze nog niet. Hoe kan
dit iemand nou twee keer overkomen? Opeens heb je geen man meer en opeens
heb je ook geen dochter meer."
Ik wist net zo min een antwoord als hij. Ik kon me voorstellen dat hij en
Irma ook dachten: opeens heb je geen schoonzoon meer en opeens heb je geen
kleindochter meer. We verzonken beiden in onze eigen gedachten.
Ik had ook nauwelijks vooruit gedacht. Het was de laatste week voor de grote
vakantie. Ik was van plan in loop van de volgende week met mijn
kampeerspullen richting Ardennen te fietsen. Daar zou ik wel verder zien. Ik
fietste altijd, dat wil zeggen: na mijn scheiding, een week of vier in mijn
vakantie. Op dat moment zat ik er niet echt naar uit te kijken. Misschien
kon ik mijn vertrek laten afhangen van wat Ineke zou doen. Ik zou mijn
gezelschap niet opdringen, maar als zij daar behoefte aan had zou ik er op
zijn minst kunnen zijn.
Bij het eten vertelde Ineke dat haar baas gebeld had. Ze had hem maar een
paar keer eerder kort ontmoet en kende hem dus nauwelijks. Hij had, tegen
haar verwachting in, niet als een manager, maar als een mens gesproken. Ze
kreeg in ieder geval tot haar geplande vakantiedatum ziekteverlof. Ze moest
goed de tijd nemen om te zien wat ze daarna wilde doen. Over haar cliënten
moest ze zich geen zorgen maken. Dat was zijn werk. "Ik heb nog geen moment
aan cliënten gedacht", zei ze. "Vandaag heeft een stel voor niets op me
gewacht."
Ik had niet veel tijd nodig om te vertellen hoe mijn gesprek met Derksen was
verlopen.
Jaap en ik ruimden na het eten de tafel af, deden de spullen in de
vaatwasmachine en zetten koffie. Ik schonk de koffie in en bracht die naar
buiten. Een stel buren, die ik van gezicht kende, was de tuin in gekomen om
hun deelneming te betuigen. Ze vertrokken al snel weer. Irma vertelde dat er
die middag, toen ik er nog niet was, ook enkele buren waren langsgekomen.
Geen van ons hoefde het journaal te zien. Dat zou weer voor een deel gewijd
zijn aan 'de zaak Marja van 't Riet'. Wat we moesten weten zou Ineke
rechtstreeks van de politie horen. Ze had geen belangstelling voor
speculaties van 'onze verslaggever ter plekke' en nietszeggende commentaren.
Rond negen uur vertrok ik. Ineke liep met me mee naar het hekje. We hielden
elkaar weer even stevig vast. Ineke maakte zich los, trok met twee handen
mijn hoofd naar zich toe en zoende mij op mijn lippen. "Dank je, Rob." Ze
draaide zich om en liep terug. Ik liep naar huis en schonk een whisky in.
Nooit eerder was ik door één simpele zoen zo in verwarring geraakt. Ik had
haar die avond daarvoor gezoend, maar dat was anders. Ja? Was dat anders
omdat ik haar wang gezoend had? Moest er eerst een lief meisje vermoord
worden om mij te laten realiseren wat ik werkelijk voor de moeder voelde?
Was ik door mijn scheiding bang om me opnieuw aan een vrouw te binden? Ik
wist verdomme niet wat ik voelde en ik wist het wel. Ik dronk mijn glas leeg
en ging naar bed.
●●●●●
De
rest van die week verliep als in een roes. Ik ging naar school, maar in zo'n
laatste week voor de vakantie werd er toch al niet veel aandacht aan lessen
besteed. Er werd nog steeds veel over Marja gepraat. Het was intussen wel
bekend dat ik de laatste was die haar gezien had. Hans had een keer terloops
opgemerkt: "Ik wist niet dat ze wel eens bij jou was." Ik weet niet meer hoe
ik daarop reageerde, waarschijnlijk helemaal niet.
Op donderdag kwam de politie met de voorlopig laatste concrete mededelingen.
Marja was door verstikking om het leven gekomen. In het forensisch onderzoek
was uit niets gebleken dat ze seksueel misbruikt was. De politie ging er
vanuit dat ze niet vermoord was waar ik haar gevonden had. Waarschijnlijk
was ze daar met een auto heen gebracht. Ik zei het niet hardop, maar dacht
het wel: eruit gegooid, zul je bedoelen. Het had al geruime tijd niet
geregend, dus op de zandweg waren geen duidelijke autosporen aangetroffen.
Er had zich niemand gemeld die haar die zondag na twaalf uur gezien had. De
politie was ook een middag bij Ineke thuis geweest. De kamer van Marja was
doorzocht, maar daar was ook geen enkele aanwijzing gevonden.
Elke dag ging ik wel even bij Ineke langs, direct uit school of na het eten.
Die donderdag werd besloten dat ze de dinsdag daarop begraven zou worden.
Inderdaad vonden een paar mensen dat er een stille tocht gehouden moest
worden. Via haar vader had Ineke laten weten dat zij daar geen enkele
behoefte aan had. Ze zou er in ieder geval niet aan deelnemen. De tocht ging
niet door.
Ik was geen al te grote steun voor Ineke tijdens die dagen. Ik had mezelf
toegegeven dat ze voor mij meer was dan een vriendin. Het leek me niet de
juiste tijd haar daarmee lastig te vallen. Van de weeromstuit werd ik
afstandelijker. We zoenden niet meer.
De begrafenis, die om elf uur begon, verliep sober. Er was geen verdere
familie, wel veel schoolkinderen, leraren en buurtgenoten. De burgemeester
en Derksen zag ik ook. Er was muziek die Marja leuk gevonden had. Ineke
vertelde uit haar hoofd hoe Marja was geweest en wat ze voor haar betekend
had. Alleen tegen het eind brak haar stem even. Een meisje uit Marja's klas
las een gedicht voor. Jaap bedankte iedereen. Daarna werd ze bij haar vader
begraven.
Ik ging met Ineke en haar ouders mee terug. In de tuin aten we een paar
boterhammen. Er werd niet veel gezegd.
"Jullie mogen nu wel gaan", zei Ineke tegen haar ouders toen we klaar waren
met de lunch. "Ik wil nu even alleen zijn." Haar ouders begrepen het en
gingen hun spullen inpakken. Ze namen huilend afscheid. Ik liep met ze mee
naar de auto. Voor ze wegreden draaide Jaap nog even zijn raampje open.
"Blijf je op ons meisje letten?" vroeg hij. Ik beloofde het en ging naar
binnen.
Ineke was op de bank gaan liggen. Ze richtte zich een beetje op. "Jij mag
ook wel gaan. Ik kom vanavond bij jou eten." Ze ging weer liggen en sloot
haar ogen. Ik stond nog even naar haar te kijken. Ik zou van alles willen
zeggen. Ik deed het niet.
Met de auto ging ik naar de supermarkt om voor een paar dagen eten en
drinken in huis te halen. Weer thuis maakte ik eerst een salade niçoise en
zette die in de koelkast. Daarna wist ik niet wat ik moest doen. Voor lezen
had ik geen rust. Er maalden allerlei gedachten door mijn hoofd. Ik voelde
een mengeling van verdriet, verwachting, spanning. In arren moede ging ik
maar een wasje draaien en de douchecel schoonmaken. Ik ging ook weer eens
met de stofzuiger door het huis. Nadat ik de was in de droger had gedaan
ging ik op de bank liggen en viel in slaap.
●●●●●
Er werd aan mijn schouder getrokken.
Ineke natuurlijk. Ik keek op mijn horloge:
bijna half zeven. Ik mompelde iets van "Sorry!"
"Ik zit al een tijdje op je terras. Ik ben maar zo vrij geweest een glas
wijn in te schenken."
"Ja, natuurlijk, prima."
Ik stond op en liep nog wat stijfjes naar de keuken om een biertje te pakken
en ging ook naar buiten. Ineke had de jurk die ze 's morgens droeg verwisseld
voor een spijkerbroek en een T-shirt.
"Heb je nog wat geslapen?" vroeg ik.
"Nauwelijks. Ik heb nagedacht. Ik wil hier een tijdje weg. Ik wil niet
voortdurend bij het boodschappen doen die blikken in mijn rug voelen van 'O,
daar gaat die zielige mevrouw die haar dochtertje heeft verloren.' Ik wil
geen buren voorbij zien lopen die proberen niet te laten merken dat ze naar
binnen gluren."
"Ga je naar je ouders?"
"Nee. Het zijn schatten, hoor, maar dan gaan ze lopen troetelen. Dat was de
afgelopen dagen wel fijn, maar daar kan ik geen weken tegen. Nee, ik wil
gewoon een eind weg, een heel andere omgeving."
"In je eentje?"
"Dat ook niet."
Ik hoefde niet lang na te denken. "Je wilt dat ik meega." Het was geen
vraag.
"Als jij dat ook wilt."
"Heb je al een idee?"
Het liefst zou ze naar een Grieks eiland gaan: luieren, lezen, praten,
nadenken. "En nog veel huilen", voegde ze er na een korte pauze aan toe.
Een zonnig eiland was nooit mijn ideale bestemming geweest, maar voor Ineke
wilde ik wel een keer van mijn gewoontes afstappen. Ik zag wel een
probleempje. "Het zal niet zo simpel zijn om nu nog iets te vinden."
"Zou je op het internet geen last minute reizen kunnen vinden en meteen
boeken?"
"Laten we dan meteen maar even kijken."
Met Google zocht ik op 'last minute Griekenland eiland'. Al na een paar
minuten vond ik een vijftiendaagse vliegreis naar Karpathos, een tweekamer
appartement met uitzicht over het stadje en de haven. Het vertrek was de
komende vrijdag, 's morgens om zes uur. De prijs was 610 euro. Ineke keek
over mijn schouder mee. "Boeken", zei ze.
Ik vulde alle benodigde gegevens in en betaalde met mijn creditcard. Er
verscheen een bevestiging op mijn scherm. De vliegtickets en de
boekingspapieren voor het appartement kon ik bij de desk van de
vliegmaatschappij ophalen voor we vertrokken.
"Waar ligt Karpathos precies?" wilde Ineke weten.
Ik googelde nog even verder. Karpathos ligt een kilometer of vijftig ten
noordoosten van de oostpunt van Kreta. Het was er op dat moment 34° bij een
matige zuidenwind.
Ik sloot de pc af en bracht de salade, borden en bestek naar het terras. De
wijn stond er al. Ik haalde nog een glas voor mezelf.
Bij het eten besloten we op donderdag naar Schiphol te gaan en vlakbij in
een hotel te overnachten. We zouden met de trein gaan. Als we redelijk vroeg
weggingen konden we ook nog wat door Amsterdam lopen. Ineke wilde geen
koffie, ze was moe. Ik liep met haar mee, maar ging niet mee naar binnen. We
kusten elkaar vluchtig. Nu ik dit opschrijf, niet 'zoenden' maar 'kusten',
voel ik weer het verschil dat ik toen voelde. Er wás iets veranderd
tussen ons. Het besluit om samen weg te gaan was in no time genomen, alsof
het de gewoonste zaak van de wereld was.
's Woendags hielp ik Ineke met het opruimen van haar voortuintje. De bloemen
gingen in de kliko. De kaarten, briefjes en tekeningen gingen ongelezen en
onbekeken op een stapeltje. De knuffels gingen op het bed van Marja. Die kon
het Leger des Heils een keer komen ophalen. 's Avonds at Ineke weer bij mij.
De volgende dag namen we een taxi naar het station.
●●●●●
Een
bus zette ons om een uur of twee bij het appartement af. Het zag er goed uit
en was ruimer dan ik verwacht had. In de zitkamer was een kookhoek met twee
elektrische kookplaten. Er waren wat pannen, borden, kopjes, glazen en
bestek. We waren trouwens niet van plan meer te koken dan water. Er was een
tafel met twee stoelen en twee fauteuils. Op het balkon stonden ook twee
stoelen en een klein tafeltje. In de slaapkamer stonden twee eenpersoons
bedden. Er was één kast en een douchecel annex toilet. Het balkon gaf het
beloofde uitzicht over stadje en haven. Er was, voor zover ik dat zo gauw
kon zien, geen gebouw hoger dan vier verdiepingen. Het zag er allemaal
vriendelijk en niet al te toeristisch uit. We deden korte broeken en schone
T-shirts aan en gingen het stadje in. We haalden eerst allebei honderd euro
uit de muur. Ik kreeg ook die van Ineke en zou de rest van de tijd, met de
nodige aanvullingen, als kassier optreden.
We hadden de maaltijd in het vliegtuig niet gebruikt. We streken dus op een
terrasje neer en bestelden dolmadakia en een karafje rezzina. Na de late
lunch liepen we langs het haventje en een smalle weg langs de kust. Niet
veel verder dan een half uurtje lopen was een strandje waar ligstoelen en
parasols verhuurd werden. Er vlakbij was een restaurant met terras.
"Dat lijkt me wel iets voor morgen", zei Ineke. Ik was het helemaal met haar
eens.
We wandelden rustig terug en ook wat door het stadje. We kochten koffie,
thee, suiker, melk, stokbrood, boter, wat kaasjes en een paar flessen wijn.
Daarmee gingen we terug naar het appartement. Het balkon lag op het
noordwesten. De zon bescheen het grootste deel. De thermometer wees 32° aan,
zag ik.
We pakten eerst in de slaapkamer onze koffers uit. In het hotel bij Schiphol
hadden we al afgesproken dat we niet moeilijk en preuts zouden doen. We
waren allebei gewend zonder pyjama, zonder wat dan ook te slapen. Dat deden
we in het hotel dus ook. Het zorgde niet voor spanning, juist voor
ontspanning.
"Kan er iemand op ons balkon kijken?" vroeg Ineke.
"Ik geloof het niet. Ik kijk even." Ik liep er heen en keek rond.
"Als iemand de moeite neemt een verrekijker te gebruiken, kan hij op het
balkon kijken", was mijn commentaar.
"Mooi. Het is warm zat." Ze trok alles uit, pakte een boek en ging naar het
balkon. Ik volgde haar voorbeeld. Ik legde mijn boek op het tafeltje, haalde
een fles wijn, twee glazen en een kurkentrekker uit de kamer, maakte de fles
open, schonk twee glazen in en ging zitten.
We zaten naast elkaar, ongeveer een halve armlengte uit elkaar. We pakten
geen van beiden ons glas op. Het leek alsof we op iets wachtten. Er hing een
niet onplezierige spanning. We zochten beiden, zo voelde ik het tenminste,
naar de juiste woorden. Ik wist wat ik wilde zeggen, maar niet hoe. De
eerste woorden, van haar of van mij, zouden de sfeer van ons verblijf op dat
eiland volledig bepalen. Het was niet zomaar een vakantiereisje. Het was
helemaal geen vakantie. Het verwerken van het verlies van Marja kon, vooral
voor Ineke, pas nu goed beginnen. Maar dat was niet het element dat die
spanning veroorzaakte. We hadden ons, letterlijk, bloot gegeven. Waren we
bereid ook alle andere reserves te laten varen? Waren wij, nee, was ík
bereid het risico te nemen te horen dat mijn verwachtingen, mijn vermoedens,
op niets gebaseerd waren? Hoe zou het op het eiland en later thuis verder
gaan als Ineke zei: "Lief van je, Rob, maar zullen we gewoon goede vrienden
blijven?"
Ineke boog zich voorover en pakte haar glas op. Ik deed hetzelfde. We
wendden ons naar elkaar toe en brachten de glazen tegen elkaar.
Ineke glimlachte. "Op Marja, die ons hier bij elkaar gebracht heeft."
●●●●●
We namen een slok van onze wijn en zetten de glazen weer neer. Ik wist geen
woord uit te brengen. Ik kon alleen maar naar haar kijken.
"Ik weet niet hoe ik me moet voelen", zei Ineke. "Ik ben ontzettend
verdrietig omdat ik het liefste wat ik had ben kwijtgeraakt. Ik ben ook
ontzettend blij, omdat jij van me houdt. Je hoeft niets te zeggen, Rob.
Blijf nog maar gewoon een tijdje zo naar me kijken. Dan zeg je voldoende."
Ik wist nog steeds niets te zeggen. Ik legde alleen een hand op haar
schouder. We keken elkaar aan. Na ik weet niet hoeveel of hoe weinig tijd
liet ik mijn hand van haar schouder naar haar hand glijden. Ik ging staan en
trok haar op. We liepen naar de slaapkamer en gingen op een bed liggen. We
kusten. We streelden. We lachten. We huilden. We zeiden van alles. Ik
herinner me geen woord, maar we begrepen elkaar. We huilden weer. We lachten
weer. Het was een herdenking en het was een feest.
Nee, we vreeën niet. Het was op dat moment niet nodig om extra uitdrukking
te geven aan onze gevoelens of om fysieke ontlading te zoeken. We lagen nog
een tijd lang dicht tegen elkaar aan zonder iets te zeggen.
Het begon al wat donkerder te worden toen we terug gingen naar het balkon.
We aten stokbrood met kaas en dronken wijn. Ineke belde naar haar ouders om
hen te laten weten dat alles in orde was. We hoefden een tijdje niets te
zeggen.
Bij de koffie vroeg Ineke: "Wil jij een kind?"
Het was al te donker om goed de uitdrukking van haar gezicht te zien. Ik kon
ook alleen maar eerlijk zijn.
"Als ik het al zou willen, zou ik daar niet voor kunnen zorgen. Vorig jaar,
net na mijn veertigste, heb ik een ingreepje laten uitvoeren."
"Goed", zei ze. "Ik hoef geen vervanger of vervangster van Marja. Jij bent
ook geen vervanger van Karel. Ik zal hem geen moment vergeten. Ik houd van
jou, maar zal vaak over hem praten. Kun je daarmee leven?"
"Ik wil leven met jou zoals je bent. Zo lang we hier zijn laten we de
toekomst voor wat ze is. We hebben het over nu en het verleden. Daar moeten
we mee leren leven. Daar komen we nog lang niet uit. We kunnen een
beginnetje maken."
"Het begin hebben we al gemaakt, lief." Ze stond op en leunde ruggelings
tegen de balustrade. Ik zag alleen haar silhouet.
"Marja had dit al gezien of gevoeld." Ze sprak meer tegen zichzelf dan tegen
mij. "Het was in ieder geval wat ze graag wilde. Daar ben ik zeker van. Zou
ze er nog geweest zijn als wij wat eerder eerlijker tegen elkaar en tegen
onszelf geweest waren?"
Ik stond ook op en pakte haar schouders vast. "Ineke," ik zei het bijna
streng, "we gaan elkaar en onszelf geen schuldgevoelens zitten aanpraten. Al
was het liefde op het eerste gezicht geweest, dan had Marja nog een stomme
ziekte of een stom ongeluk kunnen krijgen. Dan was ze net zo dood geweest
als nu. We hebben niemand, ook onszelf niet, opzettelijk bedonderd. We
hebben ons leven geleid als gewone mensen, niet meer en niet minder. Kom, we
gaan slapen."
Ineke liep naar de slaapkamer. Ik ruimde de spullen op en legde de
kaasresten in de koelkast.
Ineke zat op de rand van een bed. "We schuiven ze even tegen elkaar", zei
ze.
Dat deden we. Ik poetste mijn tanden en ging dicht tegen haar aan liggen. Ze
viel snel in slaap, ik niet veel later.
●●●●●
Even
na zevenen werd ik wakker. Ineke sliep nog. Zo stil mogelijk ging ik naar de
zitkamer en maakte thee. Ik ging met een boek op het balkon zitten, maar van
lezen kwam nog niet veel. Ik vond het niet meer dan normaal dat ik Karel
niet deed vergeten, maar realiseerde me ook dat ik al maanden niet of
nauwelijks aan Marja, mijn ex, had gedacht. Ineke wilde, terecht, de
herinnering aan Karel levend houden. Was het nou zo dat ik geen herinnering
levend hoefde te houden omdat Marja zelf nog springlevend was? Ik was er
vrijwel zeker van dat Ineke me haar wel zou doen vergeten, niet in de exacte
betekenis van het woord, maar ik zou niet meer met weemoed of iets
dergelijks aan haar terugdenken. De leegte die ik lang gevoeld had was
opgevuld. Ik voelde me weer een compleet mens. De leegte bij Ineke zou ik
nooit helemaal kunnen opvullen. De leegte die Marja bij haar achtergelaten
had kon ik enigszins invoelen, maar die gevoelens vielen in het niet bij de
hare. Zij had Marja in zich voelen groeien. Negen maanden waren ze een
onlosmakelijk geheel geweest. Twaalf jaar had ze haar zien groeien en
ontwikkelen tot het lieve jonge mens dat ze geweest was.
Het was kwart over acht toen Ineke uit de slaapkamer kwam. Ze had gehuild,
zag ik. Ik stond op, pakte haar weer bij de schouders en was weer streng.
"We spreken één ding heel goed af, Ineke: we gaan niet in ons eentje zitten
huilen. Ik ben hier niet alleen om liefhebbend naar je te kijken. Ik ben
hier om met je mee te huilen. Ik wil je verdriet delen. Ik wil je horen
vertellen hoe Marja opgegroeid is. Ik wil je zien lachen als je over de
leuke dingen vertelt die ze gedaan heeft. Ik wil weten hoe bezorgd je was
als ze ziek was."
Ze sloeg haar armen om heen en kuste me. "Ik heb elf jaar lang alles in mijn
eentje moeten verwerken. Dat moet ik nog afleren. Wees maar een strenge
leraar." Ze kuste me nog eens. "Geef me nu maar een kopje thee."
Ik dronk nog een kopje thee mee. Daarna douchten we. Ineke trok haar
bikinibroekje, een korte broek en een poloshirt aan. Ik droeg iets
soortgelijks. Ik pakte de dingen die we nodig hadden in mijn rugzakje.
"Dat bovenstukje kan je hier laten", zei Ineke. "Ik heb gisteren diverse
topless vrouwen gezien."
We ontbeten op ons gemak op een terrasje bij de haven. Daarna wandelden we
naar het strandje, waar we ligstoelen en parasollen in bezit namen. De lucht
was strakblauw. Het was behoorlijk warm, maar er stond wel een verkoelend
windje.
Het werd een rustige dag. We lazen. Af en toe gingen we het water in. We
lunchten uitgebreid op het naburige terras, met de nodige rezzina. Daarna
lazen we weer, zwommen weer wat en doezelden af en toe. Om een uur of vier
wandelden we terug. Onderweg kochten we weer wat stokbrood en kaas. In het
appartement liep Ineke direct naar de slaapkamer. Ik borg de spullen op en
trok vast een fles wijn open die ik met twee glazen op het tafeltje op het
balkon zette. Daarna ging ik naar de slaapkamer.
Ineke lag op haar rug op bed, bloot. "Ik wil je nu helemaal." Ze zei het met
een bijna felle ondertoon. "Laat me alles vergeten, behalve ons."
We vreeën of het voor ons allebei de allereerste keer was, voorzichtig,
verkennend. We raakten elkaar aan, wachtend op een reactie. Het was een spel
dat we lang niet gespeeld, maar nog niet helemaal verleerd hadden. We pakten
iets terug van het plezier, het geluk misschien zelfs, dat ons bijna twee
weken daarvoor zo ruw was afgepakt. We zeiden geen woord. We lieten onze
handen, onze lippen, onze lichamen uitdrukken wat we voelden, voor elkaar en
voor onszelf. Ze spraken duidelijke taal.
We lagen nog een tijdje naast elkaar. Alleen twee handen raakten elkaar.
"Ik houd van je." Ik had het nog niet eerder tegen haar gezegd.
Ineke draaide zich op haar zij, legde haar hoofd op mijn schouder, een arm
over mijn borst en begon vreselijk te huilen. Het leek of pas op dat moment
voor het eerst de onontkoombare werkelijkheid tot haar doordrong. Ik deed
niet meer dan haar rug strelen. Ik kon haar verdriet bijna voelen. We waren
samen naar een top geklommen. Ze lag nu in het diepste dal. Er was maar één
schrale troost. Van daar kon ze nog maar één kant op: omhoog.
●●●●●
Op
het balkon schonk ik wijn voor ons in. Ineke zag er ontspannen uit. Het leek
zelfs wel of haar bewegingen losser waren dan voor we vertrokken. Onze
stoelen stonden bijna tegen elkaar aan. Het was de laatste avond op
Karpathos. De dagen daar waren bijna allemaal hetzelfde verlopen. We
ontbeten op het terrasje bij de haven. We gingen naar het strandje om te
lezen, te zwemmen en weg te dommelen. We lunchten op het terras. We liepen
terug naar het appartement en deden steeds dezelfde boodschappen. We aten op
het balkon en praatten of lazen tot het te donker was. Dan gingen we naar
bed. Zo neergeschreven lijkt het buitengewoon saai. Het was geen moment
saai. Het was een ontdekkingstocht naar verlies en verdriet, naar liefde,
naar elkaar. We leerden onszelf ook nog wat beter kennen.
Twee keer hadden we een brommer gehuurd om wat andere stukken van het eiland
te zien. De tweede keer, op de voorlaatste dag, waren we via een smal, zo te
zien weinig gebruikt weggetje bij de kust terug terecht gekomen. We lieten
de brommers liggen en klommen langs de rotsen naar beneden. Er was een smal
strandje. We kleedden ons uit en holden de zee in. Het vrijen dat al in het
water begon maakten we af in het zand. Daarna zaten we een tijdje met de
armen om elkaar heen. Ineens stond Ineke op en stak haar handen omhoog. "IK
... MAG ... WEER ... GE ... LUK ... KIG ... WOR ... DEN", riep ze tegen de zee. Ik stond
ook op en hand in hand liepen we de zee in om het zand van ons af te
spoelen. We lieten ons drogen door de zon, zittend op een gladde rots onder
aan de helling.
Een keer of drie had Ineke met haar ouders gebeld. De derde keer had ze
verteld van de verandering in onze relatie. "Ze zijn er heel blij mee", zei
ze. "Wie niet?"
We hadden geen woord gewijd aan wat we zouden doen als we weer thuis waren.
Dat kwam daar wel. Van één ding was ik op dat moment zeker: de dag dat we
thuis kwamen zou ze niet in haar eigen huis gaan slapen.
Het leek of ze mijn gedachten gelezen had. "Heb jij nog steeds een
tweepersoonsbed?"
"Ja."
"Mooi zo."
We barstten in lachen uit. Het was de eerste keer dat we zo maar om
eigenlijk niets lachten.
"Ik ben heel blij dat ik hierheen gegaan ben en natuurlijk dat jij
meegekomen bent", zei Ineke. "Als ik thuis was gebleven had ik nu nog als
een zombie rondgelopen, had ik zitten zwelgen in mijn verdriet. Ik ben er
nog lang niet, maar ik weet zeker dat ik er kom. Wacht, dat zeg ik niet
goed. Ik weet zeker dat wij er komen. Ik moet weer leren in het meervoud te
praten. Heb jij dat ook?"
"Ik weet al niet beter meer. Ik vond je heel mooi en heel dapper vanmiddag
toen je riep dat je weer gelukkig mag worden. Als je dat vasthoudt mag je
best weer eens terugvallen."
"Jij staat klaar om me op te vangen, toch?"
"Ik zal er misschien niet altijd op het juiste moment zijn." Ik wist toen
nog niet dat het profetische woorden waren.
"Dan zal ik het alleen moeten opknappen. Dat moet ik ook leren. Af en toe
denk ik haar nog te zien of te horen. Vanochtend onder de douche hoorde ik
de slaapkamerdeur piepen. Ik dacht heel even: ze komt weer eens gezellig bij
me onder de douche. Wat is er? Wat kijk je?"
Een passage uit Marja's opstel schoot door mijn gedachten. De ochtend dat
het meisje en haar vader naar Disneyland
gaan, staan ze vroeg op. De vader wast haar haren onder de douche en föhnt
ze. Daarna kleedt zij zich aan.
Ik vertelde Ineke over het opstel, inclusief die schokkende en
raadselachtige slotzin. Ze begreep het net zo min als ik. Ik zei dat ik het
opstel thuis had en dat ze het zelf maar moest lezen. Misschien zag zij er
dingen in die ik niet zag.
"Gaan meisjes met hun vader onder de douche?" vroeg ik nog.
Ineke wist het ook niet helemaal zeker. "Als ze klein zijn misschien. Een
pubermeisje zal dat niet zo gauw doen, denk ik, als haar lichaam echt
vrouwelijk wordt. Ik heb het nooit gedaan in ieder geval, al ben ik echt
niet preuts opgevoed. Hoe komt dat kind op zo'n verhaal? Ik wil het wel
lezen, ja."
Ik had de indruk dat ze de rest van die laatste avond nog een paar keer
terugdacht aan het opstel
●●●●●
Het
duurde een paar seconden voor ik me realiseerde dat ik weer in mijn eigen
bed was wakker geworden. Met mijn ogen nog gesloten strekte ik een arm uit.
Ik voelde geen vertrouwd ander lichaam. Ik richtte me op en keek op de
wekker: kwart voor negen. Dat vertrouwde andere lichaam had er duidelijk wel
gelegen. Ik was niet uit een droom wakker geworden. Ik stapte uit bed en
liep naar beneden.
Ineke zat aan tafel de krant te lezen. Ik bleef in de deuropening naar haar
staan kijken. Dat wilde ik de rest van mijn leven elke ochtend zien.
Ineke keek me lachend aan. "We kunnen twee dingen doen," zei ze, "óf ik doe
de gordijnen dicht, óf jij doet net als ik een ochtendjas aan. Of weten de
buren niet beter dan dat jij altijd in je nakie rondloopt?"
Ik moest nog terugschakelen naar mijn normale dagritme. In mijn ochtendjas
maakte ik thee voor mezelf. Ik had nog knäckebröd, boter en een stuk kaas
waar ik wat schimmel van af moest snijden. We hadden in ieder geval iets om
mee te ontbijten. Ineke maakte daarna koffie.
Tegen half tien stopte er een auto voor de deur. Derksen stapte eruit en
liep naar mijn voordeur. Ik liep er ook heen. Hij was er iets eerder en
drukte op de bel. Hij hoefde niet lang te wachten.
"Kom ik ongelegen?"
Ik had niet de indruk dat hij daar erg mee zou zitten. "U had een geschikter
tijdstip kunnen kiezen, maar als u nog iets wilt weten, kom dan maar
binnen."
Ik ging hem voor naar de kamer. Hij liet niet blijken dat hij verbaasd was
dat Ineke daar zat in een ochtendjas. Hij groette haar kort en ging zonder
af te wachten aan tafel zitten.
"Wilt u koffie?" vroeg Ineke. Dat wilde hij wel. Ineke liep naar de keuken.
"Het lijkt me beter dat ik u even alleen spreek", zei Derksen.
Hij irriteerde me, niet alleen omdat hij onaangekondigd binnenviel. Zijn
gedrag, zijn houding was anders dan een paar weken daarvoor.
"Ik neem aan dat het over Marja gaat", zei ik. "Ineke, mevrouw Van 't Riet,
weet veel meer van haar dan ik. Ik kan u in ieder geval niets vertellen wat
zij niet weet."
Ineke kwam binnen en zette koffie, suiker en melk voor Derksen neer. Ze ging
ook aan tafel zitten.
"Ik was hier al eerder," zei Derksen tegen mij, "maar van de buren begreep
ik dat u kort na de begrafenis op vakantie gegaan bent en gisteren bent
teruggekomen."
"Rob was niet op vakantie." Ineke klonk ook geïrriteerd. "Ik wilde een
tijdje weg van alles en heb hem gevraagd of hij met me mee wilde gaan naar
een Grieks eiland. Ik ben nog steeds mijn dochtertje heel erg kwijt, meneer
Derksen, en ze komt nooit weer terug, maar we hebben daar ook iets nieuws
gevonden. Daarom zit ik hier en niet in mijn eigen huis. Dat scheelt u
misschien een vraag."
"Ik wilde meneer Helder wat vragen", zei Derksen onverstoorbaar. Hij keek
mij aan. "Hebt u tijdens die wandeling op die zondag iemand gezien?"
"Niet dat ik weet."
"Hebben anderen u gezien?"
"Hoe moet ik dat weten?"
Derksen wilde wat zeggen, maar Ineke onderbrak hem. Ze klonk nu kwaad.
"Probeert u nou duidelijk te maken dat Rob een alibi nodig heeft? Wat is dat
voor nonsens?"
"Ik doe mijn werk, mevrouw. Afgelopen maandag kwam er een getuige naar het
bureau. Die vertelde dat meneer Helder in zijn tuin uw dochter omhelsde. Ze
is, voor zover we nu weten, voor het laatst gezien toen ze vanuit de tuin
hier naar binnen ging." Hij keek niet naar mij, maar naar Ineke. Hij wilde
haar reactie zien. Het leek of ze wilde opspringen. Ze wilde ook wat zeggen,
maar ik was haar voor.
"Die getuige heeft een beperkt geheugen of een morbide fantasie. Ik heb haar
niet omhelsd. Naar aanleiding van waar we over praatten, heeft ze mij
omhelsd en twee zoenen gegeven. Ik heb een arm om haar heen geslagen, ja.
Alles bij elkaar heeft dat nog geen halve minuut geduurd. Daarna ben ik naar
binnen gegaan. Zij bleef buiten zitten lezen. Zij kwam alleen binnen om te
zeggen dat ze weer naar haar moeder ging."
"Niemand heeft haar zien vertrekken. U was, voor zover bekend, de laatste
die haar levend zag en de eerste die haar ... uh ... aantrof. Wij hebben ook nog
wat aangetroffen."
●●●●●
Toen
Derksen over de kleding van Marja begon herinnerde ik me weer dat Ineke
verteld had dat ze die niet teruggekregen had. Die drie kledingstukken en
een paar sandalen werden nog onderzocht door het Forensisch Instituut. Op
het T-shirt waren haren aangetroffen die niet van Marja waren. Die leverden
DNA-materiaal op.
Ik trok een haar uit mijn hoofd. "Wilt u deze meenemen? Kunt u hem
vergelijken. Het zou me niets verbazen als hij identiek was aan de haren op
haar T-shirt. Ze heeft dicht tegen me aan gestaan. Ik heb op mijn knieën bij
haar in het gras gezeten."
Daar was Derksen ook voor gekomen, zei hij. Niet voor die haar, maar voor
een wangslijmvliesmonster. Het haar zou ook van iemand anders kunnen zijn.
Hij zou het op prijs stellen, zei hij, maar het klonk anders, als ik naar
het bureau wilde komen voor het afnemen van zo'n monster. Hij zei erbij dat
hij me er niet toe kon verplichten. Ik zei dat ik 's maandags zou komen.
Derksen dacht even na en vroeg of wij ons in de afgelopen twee weken nog
iets herinnerd hadden dat van belang zou kunnen zijn. "U heeft er samen over
gepraat, neem ik aan?"
"Is dat een serieuze vraag, meneer Derksen?" Ineke's stem droop van het
sarcasme. "Ja, af en toe hebben we er wel even aandacht aan besteed tussen
alle toeristische uitjes en discobezoek door en nee, iets nieuws is ons niet
te binnen geschoten. We hoopten eigenlijk dat u en uw mensen wat verder
waren gekomen."
Derksen meende zich nu toch te moeten verontschuldigen. "Ik kon niet weten
dat u hier zou zijn, mevrouw. Ik wil het niet moeilijker voor u maken dan
het al is. Ik heb meneer Helder ook gezegd dat ik liever met hem alleen zou
willen spreken. Ik vertel u eerlijk dat we niet verder zijn gekomen. Op de
plek waar meneer Helder haar aantrof zijn geen sporen gevonden. Er is
niemand, behalve die ene getuige, die haar gezien heeft. Er heeft zich
tenminste niemand anders gemeld. Het onderzoek, ook het forensisch
onderzoek, gaat nog steeds door." Hij stond op. "Dan zie ik u maandag", zei
hij tegen mij. Hij knikte naar Ineke.
Ik liep met hem mee naar de voordeur. Buiten draaide hij zich om. "Hier en
daar kan het een wat vreemde indruk geven dat u in dit stadium zo ... uh ...
intiem bent met mevrouw Van 't Riet."
Ik hoorde iets achter me. Ineke stond bij de kamerdeur. Ze deed een stap in
onze richting, maar hield zich toen in. Ik reageerde niet op zijn opmerking,
maar deed de deur dicht. Ik draaide me om. Ineke stond niet meer in de
deuropening. Ze zat op de bank, ellebogen op haar knieën, handen voor het
gezicht. Ik ging naast haar zitten en sloeg een arm om haar heen. "Gooi het
er maar uit, lief."
Ze ging rechtop zitten. Ze had tranen in haar ogen. "Moeten we nou ook nog
gaan zitten nadenken over wat allerlei bekrompen geesten eventueel over ons
zullen denken? Wat denken ze dan, verdomme? Man vermoordt meisje zodat
moeder kwetsbaar wordt en wenend in zijn sterke armen valt? O ja, was die
man niet al een paar jaar gescheiden? Die had zeker weer eens een vrouw
nodig om aan zijn gerief te komen. Gadverdamme! Waarom moeten mensen van
iets moois altijd weer iets lelijks maken? Ik heb jóu gevraagd mee naar
Griekenland te gaan. Daar heb ík het initiatief genomen omdat jij veel te
netjes was om misbruik te maken van mijn kwetsbaarheid. Moet ik in mijn
blootje in de tuin gaan staan en nog een keer uitschreeuwen dat ik weer
gelukkig mag worden en dat ik gelukkig wil worden met Rob Helder? Ik ga me
niet verbergen. Wij gaan ons niet verbergen." Ze stond op en maakte een
gebaar waarmee ze het huis aanduidde. "Vanaf nu is dit óns huis!"
Deel 2: SCHAKELS IN EEN KETEN
Er is een keten van feiten die ik moet beschrijven. Elk feit is een schakel in
die keten. Eén keer is een verkeerde schakel tussengevoegd, waardoor de
daarop volgende schakels alleen maar schijnbaar bij de voorgaande passen.
Het kan ook zijn dat er een schakel ontbreekt en niemand heeft gezien dat er
tussen twee schakels iets wringt.
De laatste schakel in de ketting was de laatste klap van de hamer van de
president van het gerechtshof die het definitieve einde van het proces in
hoger beroep aangaf. Op de publieke tribune zaten drie familieleden van het
slachtoffer: de moeder en twee grootouders. Bij hen was er geen sprake van
opluchting en tevredenheid. Voor hen was ik nog steeds niet Rob H., die met
één hamerklap van verdachte definitief veroordeelde werd. In die rechtszaal
en daarbuiten waren zij de enigen die zeker wisten dat ik niet degene was
die Marja om het leven had gebracht. Zij kregen een extra reden om vurig te
wensen dat alsnog de werkelijke dader gevonden zou worden. Maar voor de
politie en het Openbaar Ministerie was de zaak met succes afgesloten. Verder
onderzoek was niet meer nodig. Mijn advocate was eerlijk genoeg om te zeggen
dat zij geen enkel aanknopingspunt voor een cassatieverzoek zag. Over mijn
schuld of onschuld had zij zich nooit uitgelaten, maar voor zover ik dat kon
beoordelen had ze mijn belangen op deskundige manier behartigd.
"Waarom geloof je in mijn onschuld?" heb ik Ineke één keer gevraagd.
"Omdat ik in mezelf geloof." Duidelijker en overtuigender kon ze niet zijn.
Dat geloof, meer nog dan mijn eigen kennis, heeft me er tot nu toe bovenop
gehouden. Het maakte me destijds en nog steeds niet uit hoe ik in de
publiciteit werd afgeschilderd. Ik was woedend over de wijze waarop Ineke
werd beschreven: welke normale moeder ging zo kort na de dood en begrafenis
van haar dochtertje lekker vakantie vieren op een Grieks eiland? Welke
normale vrouw woonde onder één dak, sliep in één bed met de man die haar
dochtertje vermoord had? Wat was dat voor een harteloos, gevoelloos,
egoïstisch mens? Haar ouders waren geen haar beter. Die hadden dat harteloze
mens immers opgevoed? Had ik soms een soort sinistere macht over die mensen?
De vier weken die ik hiervoor beschrijf geven maar een deel van de keten
weer. Niet alle schakels in dat deel worden beschreven en nog niet alle
beschrijvingen zijn volledig. Waarom had Marja die zondag niet achterom,
maar door de voordeur mijn huis verlaten? Dan had die slecht oplettende
getuige haar misschien zien vertrekken, alleen zien vertrekken. Ik weet
bijna zeker dat daar het juiste vervolg van de keten begint. Marja ging naar
huis, maar wilde eerst nog iets anders doen of ergens anders heen gaan. Er
is geen schim van bewijs voor mijn zekerheid. Alleen ik en drie andere
mensen weten dat zij iemand anders ontmoet heeft, iemand die een alle
verstand en menselijk gevoel overstijgend motief had voor het beëindigen van
haar jonge leven. Wist 'hij' van te voren dat hij haar zou ontmoeten? Was
zijn besluit al genomen of was het in een opwelling gebeurd? Had Marja zelf,
in alle onschuld, aan dat besluit of die opwelling bijgedragen? Ik weet
eigenlijk nog maar zo weinig van haar. De tijd waarin ik elke dag met Ineke
samen was is maar zo kort geweest, te kort om veel over Marja gepraat te
kunnen hebben. Ineke komt op bezoek wanneer ze maar kan. In die korte tijd
is er zoveel anders te zeggen. Sinds ik met schrijven ben begonnen stuur ik
haar kopieën. Ook daar praten we over. Een enkele keer verander ik dan iets.
●●●●●
Wat
is de eerste schakel in de keten? Voor mij is dat wel duidelijk: de dag dat
ik Marja en haar fiets met mijn auto thuis bracht, de dag dat ik mijn eerste
gesprek met Ineke voerde. Een paar dagen daarna, een vrijdag, had ze me
uitgenodigd bij hun te komen eten. Ze wilde nog iets terugdoen. Het werd een
plezierige avond. Marja praatte vrolijk met ons mee. "Meneer" werd al snel
"Rob". Ineke vertelde over het overlijden van Karel, ik over mijn scheiding.
"Wil jij geen dochter?" vroeg Marja aan mij.
Ik maakte mij er met een grapje van af. "Ik zie de hele dag al zoveel
meisjes. Dan kan ik thuis wel zonder."
Marja dacht even na. "Pappa's vinden dochters toch heel speciaal?"
Ineke trok haar zich tegen aan. "Deze mamma vindt haar dochter nog veel
specialerder. Ga jij maar eens naar boven, poets je tanden en geef een gil
als je in bed ligt."
Na een minuut of tien hoorden we echt een gil. Ineke reageerde laconiek:
"Daar kon je op wachten."
Ze was even weg om Marja een nachtzoen te geven.
De zondagochtend daarop zat ik op mijn terras. Het was mooi najaarsweer. Op
een gegeven moment stond Marja bij het tuinhekje. "Mag ik een tijdje bij jou
zijn? Mamma moet werken en ik vind het niet leuk alleen thuis te zitten."
Het werd al gauw een gewoonte. Ik ging er zelfs rekening mee houden. 's
Zaterdags ging ik pas boodschappen doen als ik er zeker van was dat Marja
niet meer zou komen. 's Zondags ging ik nooit heel vroeg weg om te fietsen
of te wandelen. Ik had natuurlijk zo aan Ineke kunnen vragen wat haar
rooster was, maar juist dat ongeregelde sprak me aan. Als het al een
verplichting was, dan had ik me die zelf opgelegd. Achteraf heb ik wel een
verklaring: ze was mijn band met Ineke, met wie ik, na mijn traumatische
ervaring met die andere Marja, nog geen hechtere band durfde aan te gaan. Ik
weet het: psychologie van de koude grond.
De politie had heel andere ideeën over die eerste schakel. Die moest in een
veel verder verleden gezocht worden. Daar moest de verklaring liggen voor de
geweldsdaad van een leraar die bij collega's en leerlingen zeker niet tot de
populairste behoorde, maar aan wiens vakmanschap en professionele toewijding
aan de leerlingen niemand twijfelde. Buren beschreven me als
"teruggetrokken" en "op zichzelf".
De politie moest het met haar eigen psychologische inzicht doen. Ik weigerde
pertinent, zelfs tegen het advies van mijn advocate in, mee te werken aan
een onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Ik wenste niet
ontoerekeningsvatbaar verklaard te worden voor iets wat ik niet gedaan had.
Om te recidiveren zou ik eerst een delict begaan moeten hebben. Een
behandeling was alleen nodig als ik ziek was. Ik wil best aannemen dat er
bij mij ook wel ergens een steekje los zit, maar toe nu toe heb ik me aardig
staande weten te houden in de maatschappij, zonder andere mensen echt te
schaden.
Door de politie en de pers ben ik beschreven als emotieloos. Ik denk zeker
te weten dat ik dezelfde emoties heb als ieder normaal mens. Ik heb alleen
geleerd - en op dat gebied ben ik een autodidact - die emoties zeer
selectief aan de buitenwereld te tonen.
Familie heb ik niet, of beter gezegd: misschien heb ik wel familie, maar die
ken ik niet. Mijn moeder heeft me, direct na de geboorte, afgestaan. Mijn
adoptiefouders hebben me na drie jaar naar een weeshuis of zoiets gebracht.
Ik was onhandelbaar. Tot mijn achttiende heb ik in diverse pleeggezinnen
geleefd. In het laatste was ik handelbaar, maar meer ook niet. Ik had
geleerd me aan te passen.
Contact met mijn adoptiefouders en pleegouders heb ik nooit onderhouden. Ik
had en heb geen behoefte mijn natuurlijke ouders te ontmoeten. Van jongs af
aan heb ik me alleen met mezelf bemoeid. Mijn verzorgers waren het over één
ding eens: ik wilde altijd leren en ik wilde mijn kennis doorgeven. Er werd
ook wel gezegd dat ik wilde opscheppen met mijn kennis. Ik las veel.
Mijn vwo-diploma behaalde ik met hogere dan gemiddelde cijfers. Ik ging in
Nijmegen Nederlands studeren en vond daar een kamer. Mijn studietoelage
vulde ik aan met diverse baantjes. Ik bemoeide me niet of nauwelijks met
medestudenten. Mijn uitgaansleven beperkte zich tot incidenteel bioscoop- en
kroegbezoek. Op mijn vierentwintigste, vlak voor de zomer, was ik klaar. Ik
was klaar mét iets. Ik had geen idee waarvóór ik klaar was.
●●●●●
Dankzij mijn sobere levenswijze had ik een goede fiets kunnen aanschaffen.
Ik kocht een goedkoop tentje en andere kampeerspullen en fietste naar het
zuiden. Ik weet dat ik tot Lyon ben gekomen en daar weer omgekeerd ben. Ik
besteedde niet veel aandacht aan de gebieden waar ik door heen fietste. Daar
ging het me toen niet om. Ik wilde nadenken over wat ik verder wilde met
mijn leven. 's Avonds op de campings maakte ik aantekeningen in een
schriftje dat ik speciaal daarvoor had meegenomen. Ik heb het een tijd later
weggegooid. Ik bewaar geen dingen die hun nut hebben overleefd. Ik las het
voor het weggooien nog een keer door. Op één bladzijde had ik "RELATIE"
geschreven. Meer stond er niet bij. Wat ik daarmee moest was me toen
kennelijk nog niet duidelijk. Ik was me ervan bewust dat ik nooit meer dan
oppervlakkige relaties had. Echte vrienden had ik niet, laat staan echte
vriendinnen. Om me heen zag ik relaties aan- en uitgaan. Ik hoorde
medestudenten praten over wie ze wel eens even uit haar kleren en in hun bed
konden praten. Ik weet niet hoe, wanneer of van wie ik het geleerd heb, maar
het op die manier over vrouwen praten irriteerde me. Dat seks alleen binnen
een huwelijk kan had ik al nooit geloofd. Dat er voor goede seks toch
minstens een liefdevolle relatie nodig is vond ik net zo achterhaald. Het
enige wat nodig is, is aandacht niet alleen voor je eigen plezier, maar ook
dat van een ander. Pas met en door Ineke heb ik geleerd dat seks op sommige
momenten aan een hechte relatie een extra dimensie kan geven, al hadden we
daar niet veel gelegenheid meer voor na de twee weken op Karpathos. Ik weet
nog precies hoe het zand op haar rug voelde toen we op dat strandje zaten.
Twee dingen waren, na mijn terugkomst, essentieel: een baan met bijbehorend
inkomen en een eigen woning. Over het soort baan had ik niet lang na hoeven
denken. De beste manier om kennis door te geven is het onderwijs. Ik was
niet bijzonder dol op kinderen, maar had ook geen hekel aan ze. Met ingang
van het nieuwe schooljaar was ik leraar. Een maand later huurde ik een
bescheiden driekamerflat met een balkonnetje op het zuiden. Een klein jaar
later schafte ik een tweedehands auto aan. Ik gebruikte hem incidenteel.
Op de avond van de laatste dag van dat eerste schooljaar zat ik met een
whisky op mijn balkonnetje. Die avond ging mijn vakantieschriftje bij het
oud papier nadat ik het nog een keer had doorgelezen. "WERK" was geregeld.
Bij "WONEN" stond ook nog de optie "Kopen?" Dat had geen haast. "AUTO?" was
geen vraagteken meer. "CARRIÈRE" was me in het voorafgaande jaar duidelijk
geworden. Ik wilde les geven. Anderen mochten zich bezighouden met beleid en
organisatie. De regeltjes die daaruit voortkwamen lapte ik waar mogelijk aan
mijn laars. Bij "PROEFSCHRIFT" had ik wat mogelijkheden neergeschreven. Aan
uitwerking was ik nog niet toegekomen. Ik twijfelde nog. Ik zou minder tijd
aan mijn werk kunnen besteden, minder lessen goed voorbereiden, meer de
platgetreden paden volgen, elk jaar dezelfde lesjes als in het vorige jaar
aframmelen. Wilde ik dat?
"RELATIE" was nog een onbeschreven blad en niet alleen in het schriftje. Er
was wel iets aan het veranderen. Ik was zo'n beetje gesetteld. Ik had alles
goed op een rijtje. Ik nam meer tijd voor mezelf. Ik begon langzaam aan te
beseffen dat 'mijn leven' niet 'het volle leven' was. Een paar dagen voor
die avond zat ik op een terras achter een pilsje. De man aan het tafeltje
naast mij stond op. Hij keek heel blij. Ik keek in dezelfde richting als
hij. Er kwam een mooie vrouw aanlopen. Ze omhelsden en kusten elkaar of ze
alleen op de wereld waren. Ik zat een tijdje naar het stel te kijken terwijl
ze praatten en lachten. Ik was stinkend jaloers. Niet op die man omdat hij
in zulk aantrekkelijk gezelschap was en ik daar in mijn eentje zat. Ik was
jaloers op hun, op hun onderlinge band. Ik kon zonder verder nadenken
aangeven waarom ik met niemand zo'n band had. Mijn jeugd had niet bol
gestaan van prikkels in die richting. Het werd zo langzamerhand wel tijd
ermee op te houden dat als een excuus te gebruiken.
●●●●●
Zoals afgesproken ging ik 's maandags naar het politiebureau voor dat
wangslijmvliesmonster. Om de sfeer wat ontspannen te houden maakte ik maar
een grapje tegen Derksen: "Je zal daar maar drie maal de woordwaarde voor
krijgen."
Hij keek me niet-begrijpend aan. Hij speelde duidelijk nooit scrabble. Hij
wilde ook nog met mij spreken nadat het monster was afgenomen.
"Wij zitten met een probleem, meneer Helder. Niemand heeft dat meisje uw
huis zien verlaten. Niemand heeft u uw huis zien verlaten. Uw huis staat aan
het einde van een rijtje in een straat die aan de rand van dat wijkje ligt.
U heeft op de kaart aangegeven dat u vanuit uw huis direct de Beukendreef
bent opgelopen. Daar staan bomen en struikgewas langs. Begrijpt u wat ik
bedoel?"
"U bedoelt dat ik ongezien met Marja de Beukendreef opgelopen kan zijn." Hij
merkte niet dat ik razend was.
"Uit het onderzoek is gebleken dat zij na haar ontbijt niets meer gegeten
heeft. Vond u het niet nodig haar iets te eten te geven?"
"Ze ging rond twaalf uur bij me weg. Ik ging er vanuit dat ze gewoon bij
haar moeder zou eten."
"En de moeder werd pas ongerust toen ik bij haar aanbelde, wij bij haar
aanbelden?"
Ik moest heel erg mijn best doen kalm te blijven, althans te lijken. "U zit
tegen een grens aan, meneer Derksen. Het kan u afgelopen zaterdag niet
ontgaan zijn dat mevrouw Van 't Riet en ik inmiddels meer zijn dan goede
vrienden, veel meer. Het zal me een rotzorg zijn wat u van mij denkt, maar
ik hoop niet dat u wilt suggereren dat zij zich maar weinig aan Marja
gelegen liet liggen."
Hij begon door te krijgen dat mijn gemoedstoestand toch iets anders was dan
hij leek. "Ik wil niets suggereren. Ik zoek verklaringen."
Ik vertelde dat Ineke bij me langs geweest was en dacht dat Marja met mij
ergens heengegaan was. Ik realiseerde me meteen dat Derksen hetzelfde dacht
en dat ik dat in zijn plaats ook zou denken. Het verschil was dat ik zeker
wist dat het anders gegaan was en hij niet.
"Uw overbuurman blijft erbij dat u dat meisje omhelsd heeft."
"Het zal mij worst zijn wat mijn overbuurman denkt dat hij gezien heeft. Ik
weet hoe het gegaan is. Dat heb ik u verteld. Als ik intussen verdachte ben,
zegt u dat dan."
"Hangende het verdere onderzoek bent u nog geen verdachte." Hij gaf aan dat
het gesprek wat hem betreft geëindigd was. Ik vertrok zonder hem te groeten.
Ik wenste met de fiets in plaats van met de auto naar het politiebureau te
zijn gegaan. Dan had ik mijn woede eruit kunnen trappen.
Ineke zag de bui hangen toen ik thuis kwam. "Ga eerst eens rustig zitten,
dan maak ik een lekker sterke dubbele espresso voor je." 's Zondags had ze
het espressoapparaat uit haar huis gehaald. Ze dronk veel minder koffie dan
ik en hoefde dus nooit een hele pot te zetten. Marja's opstel lag op de
tafel.
Bij de koffie vertelde ik hoe het gesprek met Derksen was verlopen.
"Die man is gestoord", was Ineke's commentaar. "Welk zinnig mens kan nou
denken dat iemand als jij een meisje, laat staan Marja, van wie je hield,
zoiets kan aandoen?"
"Jij bent de enige zinnige mens die mij kent," zei ik, "werkelijk kent. Ik
heb jou achter de façade laten kijken. Ik heb zelf ook nog nieuwe dingen
gezien. Ik weet pas een paar weken wat het verschil is tussen verdriet
hebben en jezelf zielig vinden." Het drong ineens tot me door wat ze nog
meer had gezegd. "Hield ik van Marja, jouw Marja?"
Ze lachte. "Jij hebt ook je onbewaakte momenten, Rob. Je kwam een keer op
een zaterdagmiddag bij ons, nog niet zo lang geleden. Je kwam eten. Mijn
helemaal zelfgemaakte lasagne, weet je nog? Wij lagen in de tuin te zonnen,
Marja topless. Ze had toch nauwelijks iets om een bovenstukje mee te vullen.
Op een gegeven moment zat je aandachtig naar haar te kijken, maar je keek
niet als een man die naar een lekker lijf van een vrouw of een meisje kijkt.
Ik dacht: zo zou Karel naar haar gekeken hebben."
Ik moest ook lachen. "Dat was dan die middag dat Marja met een heel
onschuldig gezicht vroeg waarom jij niet topless was."
"Achteraf denk ik dat ze wilde zien hoever ik durfde te gaan als jij er was.
Ik wilde haar niet laten denken dat ze een preutse moeder had. Naar mij keek
je trouwens heel anders, als een echte vent zal ik maar zeggen." Ze was even stil. "Ik geloof dat ik vanaf dat moment ook
anders naar jou ben gaan kijken. Ik moest nog wennen aan de gedachte dat ik
best een andere man in mijn leven mocht toelaten."
●●●●●
Marja, het praten over haar, verdreef Derksen al snel naar de achtergrond.
De vorige avond had Ineke het opstel gelezen, maar er nog niets over gezegd.
Die ochtend had ze het herlezen. "Wat ik niet begrijp," zei ze, "is dat ze
schrijft over dat meisje met haar vader onder de douche. Dat is geen eigen
ervaring, dat is nogal duidelijk."
"Je zei dat ze wel eens met jou onder de douche ging. Waarom zouden, in haar
redenering dan, vaders ook niet met hun dochter onder de douche gaan?"
Ineke schudde met haar hoofd. "Het is een heel normaal opstel, behalve het
begin en het eind. Meisje gaat met vader onder de douche. Hij föhnt haar
haren voordat ze zich aankleedt. Moeder wordt niet wakker van het föhnen.
Vader heeft voor de gelegenheid een kort rokje voor haar gekocht, dat hij
haar geeft bij het wakker worden. Ze beschrijft wat ze allemaal doen en zien
in Disneyland, maar er staat nergens dat ze het leuk vindt. Aan het einde
hoopt ze dat hij van de Eiffeltoren springt. Niet bepaald de manier om 'Dank
je wel, pappa.' te zeggen."
"Waar denk je aan?" vroeg ik, maar ik had al een idee waar ze heen wilde.
"Ik denk dat een ander meisje haar dingen verteld heeft die zij, dat andere
meisje, niet leuk vond, maar dat mocht Marja natuurlijk niet doorvertellen.
Dit was haar manier om jou op het spoor te zetten. Jou vertrouwde ze."
"Ze vertrouwde jou nog meer."
"Soms vertellen kinderen iets makkelijker aan anderen dan aan hun ouders."
Ik betwijfelde of dat meisje ook gezegd zou hebben: "Ik wou dat mijn vader
dood was." Dat zou dan de verklaring van de slotzin moeten zijn.
Er schoot me nog wel iets te binnen. "Voordat ze die zondag wegging vroeg ze
of ik haar opstel al gelezen had. Had ik toen maar 'ja' gezegd."
"We gaan onszelf geen schuldgevoelens zitten aanpraten, weet je nog?
Misschien zoek ik er ook wel veel te veel achter. We zullen het nooit meer
kunnen vragen. Verdomme!" Ze huilde.
Met mijn arm om haar schouders liet ik haar uithuilen. Intussen bedacht ik
dat de tekst van dat opstel ook op Inekes laptop moest staan. Die had ze 's
zondags ook naar mijn, inmiddels ons huis gebracht. Dat zei ik haar toen ze
weer een beetje bijgekomen was. "Las je nooit wat zij schreef?"
"Ze had haar eigen map. Daar keek ik nooit in. Kinderen hebben ook recht op
privacy. Nu mag het wel."
Ze pakte haar laptop en zette hem aan. "Ja, hier staat het", zei ze na een
tijdje.
Er stonden nog twee opstellen die ik me herinnerde en een werkstukje voor
geschiedenis. Ineke klikte nog wat door.
"Wat is dit nou?" vroeg ze. "Heeft ze dat voor Nederlands gemaakt?"
Ik keek op het scherm. Als ik het me goed herinner stond dit er ongeveer:
"oost - joost, aap - jaap, odium - jodium, acht - jacht, engel - jengel,
opper - jopper, offer - joffer, och - joch".
De
volgorde kan best anders geweest zijn. Het zei me helemaal niets. Ze moest
er een woordenboek bij gebruikt hebben. Welk kind van twaalf kent het woord
odium? Dat zei ik ook tegen Ineke. "Misschien zat ze woorden met een j voor
Scrabble te zoeken. Ze wilde graag van me winnen."
We lieten het er verder bij omdat we er toch niets van konden maken.
Het was mooi weer die dag, dus voor het eten dronken we wat op het terras.
Ik zat in een korte broek onder een parasol, Ineke lag in haar bikini in de
zon.
"Zou die slechtziende buurman ertegen kunnen als ik hier topless lag?" vroeg
Ineke.
Ik zei dat ze wat mij betreft helemaal in haar blootje mocht gaan liggen,
maar dat provoceren niet altijd de beste manier is om iets duidelijk te
maken.
"U zult wel gelijk hebben, meester", zei ze. Ze stond op om nog wat te
drinken te halen. Ze bleef voor me staan. "Laat die buurman dan maar eens
zien wat je werkelijk doet bij een omhelzing."
Dat leek me niet echt provocerend. Er was natuurlijk geen buurman om ernaar
te kijken, niet voor zover ik wist tenminste, maar ik liet wel duidelijk
zien wat ik onder omhelzen versta.
●●●●●
De rest van die week besteedde Ineke vooral aan het naar ons huis
overbrengen van spullen die zij dagelijks nodig had. Ze maakte een afspraak
met een makelaar om haar huis te koop te zetten. Ze zou er een behoorlijk
bedrag op overhouden. We zouden eens gaan praten met iemand die meer van
geldzaken wist dan wij om te weten wat we met dat bedrag moesten doen.
Moesten we dat in ons huis steken of niet? We namen een nog veel
belangrijker besluit: we zouden een geregistreerd partnerschap aangaan, in
gemeenschap van goederen.
Op een avond, vóór het journaal, werd aangekondigd dat in 'Opsporing
verzocht' aandacht besteed zou worden aan 'de zaak van het vermoorde meisje
Marja'.
Ineke wilde het beslist niet zien. Ik wilde het wel zien en ik wilde het
niet zien. Uiteindelijk keek ik toch. Duidelijk was dat de politie nog geen
stap verder was. Niet voor niets werd de hulp van het grote publiek
ingeroepen. Er werd een kaart getoond waarop de plaats van mijn huis werd
aangegeven en waar ik Marja gevonden had. De vraag was ook simpel: had
iemand tussen twaalf en twee uur Marja ergens tussen die twee plaatsen
gezien in haar gele T-shirt en korte spijkerbroek? Het was een mooie dag.
Waarschijnlijk had niemand haar in onze straat gezien, omdat met dat mooie
weer de meeste mensen rond die tijd, als ze thuis waren, in hun tuin zaten.
Was ze de straat ingelopen of uitgelopen? Was ze alleen of was ze in het
gezelschap van iemand anders? Mijn naam werd niet genoemd, maar in de
omgeving wist iedereen met wie ze het laatst gezien was. Er werden
telefoonnummers gegeven die gebeld konden worden.
Ik zette de tv uit en ging bij Ineke op het terras zitten. Ze keek me
vragend aan.
"Niks nieuws", zei ik.
Ze pakte mijn hand. "Laten we gaan lopen, naar het Ericapad."
"Weet je dat zeker?" vroeg ik bezorgd.
"Nee. Ja. Ik weet het niet. Jij hebt daar liggen huilen. Ik wil daar ook
huilen." Ze stond op. "Ga je mee?"
We liepen dezelfde route die ik toen gelopen had. We liepen hand in hand,
zonder iets te zeggen. Ik voelde de spanning in haar. Toen we de bocht in de
weg naderden moest ze ook de spanning in mij voelen. Ik liet haar hand los
en sloeg een arm om haar schouders. Haar arm ging om mijn heupen.
Het was al bijna donker toen we stil hielden bij de plek waar Marja gelegen
had. Ik hoefde niets te zeggen. Ineke liet zich zakken en ging op haar rug
liggen. Ik ging naast haar zitten. Ze huilde, maar niet hartverscheurend als
toen op Karpathos, nadat we voor het eerst gevreeën hadden. Het verlies deed
niet minder pijn, maar ze had het geaccepteerd.
Ik kon ook wel huilen, maar hield me deze keer in. Ik wilde haar alleen
laten voelen dat ze daar niet alleen was.
Ze ging rechtop zitten en leunde tegen me aan. "Ik heb geleerd het zonder
Karel te doen", zei ze. "Ik heb langer met Marja dan met hem geleefd, maar
ik zal ook weer leren het zonder haar te doen. Met jou erbij zal het iets
makkelijker gaan. Ik weet dat ik verdriet kan hebben en tegelijkertijd
gelukkig kan zijn."
We liepen langs een kortere route terug naar huis. We gingen niet meteen
naar bed. Ik schonk voor mezelf nog een whisky in en voor Ineke wijn.
"Over één ding hoef ik gelukkig niet na te denken," zei Ineke, "wat ik met
Marja's kamer moet doen, of ik die moet laten zoals die was of niet. Ik kan
er geen bedevaartsplaatsje van maken. Dat lijkt me ook wel goed. Ze hoeft
alleen maar in mijn geheugen te blijven en in het jouwe."
"Dat blijft ze", zei ik. "Ze was voor mij ..."
Ineke legde een hand op mijn mond.
"Nee, ik wou niet zeggen dat ze als een dochter voor me was. Dat was ze
niet. Ze was een vriendinnetje dat me af en toe liet zien wat spontaniteit
is, hoe je onbekommerd gevoelens kunt uiten. Ze had me nog veel kunnen
leren."
●●●●●
Met die relatie wilde het de eerste jaren dat ik mijn eigen flat bewoonde
niet echt opschieten. Ik wist wat ik mooie vrouwen vond. Ik had vrouwelijke
collega's die ik én mooi én aardig vond. Ik ging er wel eens met een uit.
Het eindigde wel eens in bed. Dat was het dan. Ik zorgde er wel altijd voor
dat ze zich over mij geen illusies gingen maken als ik de indruk had dat ze
meer in me zagen dan een van die ships that pass in the night. "Samenwonen"
kwam in mijn woordenboek niet voor.
Ik werkte voor een scholengemeenschap die op verschillende locaties
vestigingen had. Eén maal per jaar, op de dag vóór de voorjaarsvakantie,
kwamen alle leraren en hun partners bij elkaar. Dat scheen goed te zijn voor
de onderlinge band of iets dergelijks. Er was een koud buffet, de voorzitter
van het bestuur zei iets, de directeur zei iets en er was muziek.
Dansen deed ik niet. Mijn activiteiten beperkten zich tot het nuttigen van
drank en het praten met deze of gene directe collega. Meestal behoorde ik
tot de eersten die het voor gezien hielden.
Die avond zat ik aan een tafeltje waarbij twee stoelen stonden, waarvan één
onbezet. Ze kwam naar dat tafeltje toe lopen met een glas rode wijn in haar
hand. Ik had hier ook kunnen schrijven dat ze naar mij toe kwam lopen, maar
die indruk maakte ze niet. Ze was niet op zoek naar gezelschap, ze wilde
zitten.
"Mag ik hier even zitten?" vroeg ze.
Met een handgebaar gaf ik aan dat ik daar geen bezwaar tegen had. Ze zag er
aantrekkelijk uit in een strakke lange broek en een soort leren jackje met
laag uitgesneden v-hals, waaronder ik geen bloes of T-shirt zag. Ik nam een
slok van mijn whisky en ging door met waar ik mee bezig was: kijken naar het
gewoel op de dansvloer. Een paar minuten lang deed ze hetzelfde.
"Converseren is een optie", zei ze. "Ik ben Marja." Ze zei erbij op welke
locatie zij geschiedenis en aardrijkskunde gaf.
Het klonk niet uitdagend, misschien niet eens uitnodigend. Het had iets van:
als we hier toch zitten, kunnen we net zo goed met elkaar praten. Dat beviel
me.
"Ik ben Rob. Ik geef Nederlands. Ik let dus nogal op taalgebruik. Ik neem
niet aan dat je een standaard openingszin gebruikte."
"Meestal hoef ik niet te beginnen. Ik kan reageren. 'Mag ik je iets te
drinken aanbieden? Kom je hier wel vaker? Helemaal alleen op stap?' Van die
teksten, of erger. Je kent ze wel. Eerlijk gezegd vind ik het wel
verfrissend dat je gewoon je mond hield. Als je daar mee door wilt gaan vind
ik het ook best."
Tegen mijn gewoonte in begon ik het leuk te vinden. Standaard openingen
kwamen er bij mij ook nooit uit. Meestal kwam er dus niets uit. "Amuseer jij
je hier?"
"Wat denk je?"
"Wat doen we hier dan?"
Een paar minuten later liepen we buiten, in de richting van een kroeg die ze
kende, waar het decibelniveau van de muziek zodanig was dat er zonder
stemverheffing een gesprek gevoerd kon worden. Tijdens de wandeling, die een
kwartiertje duurde, zeiden we niets.
Rond half elf kwamen we bij de kroeg. Aan de bar was geen plaats meer, maar
er waren nog wel een paar lege tafeltjes. Ik haalde een whisky en een rode
wijn.
"Jij vindt zo'n feestje dus ook niks," zei ik, "maar je kleed je er wel voor
aan." Ik droeg wat ik altijd droeg: een spijkerbroek en een sweater.
"Ik houd niet van flauwe opmerkingen, maar je mag best recht voor z'n raap
zeggen dat ik er leuk uitzie, hoor. Ik hoor wel of het gemeend is of niet."
De toon was gezet. Het leek op een schermpartij: een wapen gebruiken zonder
de bedoeling de ander te verwonden. Ik voelde me om mijn gemak, wat lang
niet altijd het geval was in gezelschap van een vrouw die ik net ontmoet
had. Ik was er niet op uit meer punten te scoren dan zij. We speelden een
spel en we wisten het allebei. We vroegen elkaar naar persoonlijke dingen,
gaven eerlijke antwoorden, maar zeiden lang niet alles. Er werd met geen
woord gerept over partners.
Om een uur of twaalf bestelden we een taxi. We zetten eerst haar af. Ik liep
met haar mee tot de lift van haar flat. We zoenden niet, we schudden geen
handen. Toen de liftdeur open ging zei ze: "We hebben de hele week vrij.
Slaap ze."
Voor ik kon reageren was de liftdeur dicht.
●●●●●
"We hebben de hele week vrij." Zelfs ik begreep dat ik geen botte weigering
hoefde te verwachten als ik haar zou bellen met de vraag of we misschien
samen iets zouden kunnen doen. Ik gebruikte het weekend om daar eens rustig
over na te denken. Ik dacht ook over haar na en over mezelf. Er had iets
geklikt. Dat was me duidelijk. Ze zag er leuk uit. Daar hoefde ik ook niet
lang over na te denken. Ze zag er zelfs sexy uit, gaf ik mezelf toe. In de
kroeg had ik mijn best gedaan erachter te komen of ze nou wel of niet een bh
droeg. Ik vond mezelf niet seksistisch. Ze wist heel goed dat haar kleding
de aandacht vestigde op haar lichaam. Haar lange benen bijvoorbeeld, die nog
geaccentueerd werden door de naaldhakken van haar korte laarsjes. Ik wilde
wel aandacht geven als die gevraagd werd.
Er was natuurlijk een belangrijker vraag waarop ik een antwoord zocht:
voelde ik in haar aanwezigheid meer, of iets anders dan bij andere vrouwen
bij wie ik het niet bij één gesprek had gelaten? Voor het eerst, voor zover
ik me herinnerde, had ik het gevoel: deze gelegenheid, deze vrouw moet je
nou eens niet zomaar voorbij laten gaan. Dan doe je jezelf tekort, misschien
doe je ook haar tekort. Voor ik naar bed ging keek ik zondagavond voor alle
zekerheid nog even in het telefoonboek. Ik vond M.G. Leefstra op het adres
waar ik haar had afgezet.
Ik belde haar 's maandagsochtends om elf uur en beluisterde haar voicemail.
Ik vroeg of ze me terug wilde bellen en sprak mijn telefoonnummer in. Een
uurtje later belde ze terug. Ze nam meteen weer het initiatief. "Zeg het
maar. Wat voor leuks heb je bedacht?"
Daar was ik gelukkig op voorbereid. Ik was al lange tijd niet meer in
Amsterdam geweest. In het Van Gogh Museum was ik nog nooit geweest. Marja
vond het een goed plan. We zouden elkaar de volgende dag om negen uur op het
station ontmoeten. Tegen half elf waren we dan in Amsterdam.
Ik betrapte me erop dat ik de rest van die maandag toch wat ongedurig was.
Ik kon mijn aandacht niet bij een boek houden. Het was niet zomaar een uitje
met zomaar een vrouw. Ze wás anders dan andere vrouwen. Onzin, wist ik, ik
reageerde anders op haar. Was ik, ruim aan de late kant, dan toch een keer
verliefd geworden?
Het werd een aangenaam dagje Amsterdam. Het ging er niet zo zeer om wat we
deden en zagen. In het Van Gogh Museum keek ik meer naar haar dan naar de
schilderijen. We waren elkaar aan het verkennen, terwijl we langs de
grachten liepen. Toen we om een uur of half vijf neerstreken in een café
hadden we al aardig wat afgepraat, maar we gingen gewoon door. Het was
spannend en ontspannen tegelijk. Dit was nieuw voor mij. Nooit eerder had ik
iemand zo uitgebreid verteld over mijn verleden, hoe en waar ik opgegroeid
was. Ik zag dat Marja werkelijk geïnteresseerd was.
Bij het mijne vergeleken was haar leven maar oninteressant, vond Marja zelf.
Ze kwam uit een normaal gezin met gewone, lieve ouders, een oudere broer en
een jongere zus, met wie ze nog altijd goed kon opschieten. Als ze al iets
negatiefs wilde zeggen was het dat haar ouders nogal conservatief
christelijk waren, met alle beperkende regeltjes die daarbij hoorden. Dat
geloof had ze achter zich gelaten zodra ze het ouderlijk huis verliet. Haar
ouders wisten niets van een relatie die ze drie jaar had gehad. Ze hadden
zich niet kunnen voorstellen dat hun oudste dochter ongetrouwd met een man
samenwoonde. Haar broer en zus hadden intussen voor de gewenste
kleinkinderen gezorgd. Voor haar was moederschap niet het hoogste doel in
het leven.
Omdat het een eetcafé was en de kaart er wel aantrekkelijk uitzag, maakten
van die gelegenheid gebruik. We namen daarom geen al te late trein terug.
In de trein zei ik niet veel meer. Ik zat na te denken. Marja liet me begaan
en nam de beslissing voor me. "Ik vond het een heel leuke dag, maar ik ga me
niet nog een keer overhaast in een relatie storten, Rob. Je mag me
thuisbrengen. Je mag nog iets bij me drinken, maar we houden onze kleertjes
aan. OK?"
"Ik mag jou ook wel, Marja. Als ik wegga zoen ik je op beide wangen en vraag
ik of we elkaar nog eens zullen zien. Dan zeg jij 'Natuurlijk. Bel me maar'.
OK?"
Zo ging het dus.
●●●●●
"Had jij altijd ruzie met je vrouw?"
De derde of vierde keer dat Marja bij me was vroeg ze me dat ineens terwijl
we aan het scrabbelen waren.
"Nee hoor, we maakten nooit ruzie."
"Waarom is ze dan bij je weggegaan?"
Hoe leg je zoiets uit aan een meisje dat nooit haar eigen ouders met elkaar
heeft horen praten en niet uit eigen ervaring weet hoe een samenlevend stel
dagelijks met elkaar omgaat?
Ik kon nog even nadenken want Marja ging meteen door: "De pappa en mamma van
een vriendinnetje maken wel veel ruzie, maar die blijven gewoon bij mekaar.
Ze hoort ze wel eens tegen elkaar schreeuwen als ze al op bed ligt. Dat
vindt ze helemaal niet leuk."
"Heeft ze wel eens tegen haar ouders gezegd dat ze dat niet leuk vindt?"
"Tegen haar moeder, maar die zei dat zoiets overal wel eens voorkomt. Mamma
zegt dat mijn pappa heel lief was en dat ze nooit ruzie maakten."
"Vind je het erg dat je geen pappa hebt?" vroeg ik.
Daar moest ze even over nadenken. "'k Weet niet. Mamma is er toch? Pappa's
doen andere dingen met kinderen dan mamma's, geloof ik. Voetballen of zo. Ik
doe ook veel leuke dingen samen met mamma. Ik vind zwemmen leuker dan
voetballen. Mijn vriendinnetje gaat altijd met haar pappa zwemmen, want haar
moeder vindt er niks aan."
Ze was al weer vergeten hoe ons gesprek begonnen was, want ze was onder het
praten door met haar letters aan het schuiven.
Ik had niet gelogen toen ik zei dat Marja en ik nooit ruzie maakten. Na het
dagje Amsterdam zagen we elkaar nog twee keer in die vakantieweek. De tweede
keer eindigde in haar bed. Ik bleef niet slapen.
Het duurde enige tijd voor ik me ging realiseren dat ik Marja miste op de
dagen dat ik haar niet zag en sprak. Met seks had dat niets, tenminste niet
alles te maken. We waren wat dat betreft goed op elkaar afgestemd, maar het
was zeker niet het belangrijkste aspect van onze relatie. Een paar keer per
week aten we bij elkaar. Na een tijdje bleven we ook slapen.
Op een zondagochtend, ik was net wakker, draaide Marja zich om en kroop
dicht tegen me aan. "Wil je het nog niet zeggen of durf je het nog niet te
zeggen?" vroeg ze.
Ik hoefde niet te vragen waar ze het over had. "Het is allemaal nog zo nieuw
voor mij. Ik moet er nog aan wennen dat er iemand is die om me geeft, iemand
die ik kan vertrouwen."
"Ik geef niet om je, Rob. Ik houd van je." Ze sloeg een arm om me heen. "Zo,
het hoge woord is er uit. Ik wil niet meer mijn spulletjes pakken en naar
mijn eigen flatje gaan en daar op jou wachten. Ik wil elke ochtend in
hetzelfde bed met jou wakker worden en elke avond met jou naar bed gaan, ook
al gaan we gewoon slapen."
"Dat wil ik ook", zei ik. "Ik wil niets liever. Betekent dat dat ik mag
zeggen dat ik van je houd?"
"Probeer het eens."
"Ik houd van je." Het klonk helemaal niet verkeerd. Het duurde nog een
tijdje voor we uit bed kwamen.
We gingen nog diezelfde middag in mijn auto bij haar ouders op bezoek. Marja
wilde geen verstoppertje meer voor ze spelen. Ze had ze onderschat. Ze waren
natuurlijk blij verrast dat Marja een vriend had en al vrij snel vroeg haar
vader of we gingen samenwonen. "Kijk niet zo verrast, kind", zei hij
lachend. "We zijn het niet met alles eens, maar weten ook wel dat alles een
beetje veranderd is sinds je moeder en ik jong waren. Jullie zijn oud en
wijs genoeg om zelf uit te maken hoe je wilt leven. Jullie mogen best wat
vaker langskomen. We hebben nog steeds een logeerkamer. We zullen niet
vragen of jullie een boterbriefje hebben."
Op weg er naar toe had ik er wel een beetje tegenop gezien, maar ik voelde
me al gauw thuis. Dat was ook een nieuwe ervaring.
Op de weg terug besloten we dat we zo gauw mogelijk een vierkamerflat gingen
kopen.
●●●●●
"Ze weet niet wat ze mist",
zei Ineke toen ik haar vertelde dat ik Marja had
gevraagd of ze haar vader miste. "Ik denk dat ze geaccepteerd heeft dat de
meeste kinderen een vader hebben, maar zij niet. Ze heeft wel eens gezegd
dat ze het gek vond dat sommige kinderen de ene keer bij de vader wonen en
de andere keer bij de moeder."
Ik zei dat naar mijn idee Marja toch wel bezig was met de manier waarop
ouders of volwassenen in het algemeen met elkaar en met hun kinderen
omgingen. Waarom zou ze anders ineens vragen of ik altijd ruzie had en
waarom mijn vrouw wegging als we geen ruzie hadden?
Ineke zei dat ze nooit geprobeerd had moeder en vader tegelijk te zijn. Als
Marja had willen voetballen, zou ze met haar zijn gaan voetballen. Ze had
haar nooit bezigheden of spelletjes opgedrongen. Karel was volgens haar ook
niet het type geweest dat poppen het meest geschikte speelgoed voor meisjes
vond.
Nu terugkijkend denk ik dat de vader-dochterrelatie Marja meer bezighield
dan Ineke vermoedde. Haar laatste opstel wees toch ook in die richting, al
bleek daar bepaald niet uit dat ze een vader miste. Ik had haar graag verder
zien opgroeien. Haar dood was een katalysator geweest voor de verdieping van
de relatie tussen Ineke en mij, maar die zou er ongetwijfeld toch gekomen
zijn. Dat uitstel hadden Ineke en ik met liefde op de koop toe willen nemen.
Die laatste zondag met haar speelt ook nog vaak door mijn gedachten, die
twee zoenen die ze me spontaan gaf. Ik weet dat het vreemd klinkt, maar zou
ze me misschien lief gevonden hebben juist omdat ik niet haar vader was? Ze
zou niet het eerste schoolmeisje zijn dat verliefd was op een leraar.
De politie heeft destijds geen mogelijkheid over het hoofd gezien. Uiteraard
hadden ze zelfs geen aanwijzing gevonden dat ik ook maar een enkele keer een
leerling op een verkeerde manier benaderd had. Ineke heeft ze uit en te na
verzekerd dat ze er geen moment aan twijfelde dat Marja bij mij volkomen
veilig was. De gedachte alleen al dat ik betrokken zou kunnen zijn bij haar
dood was volstrekt belachelijk.
Tien dagen na onze terugkomst van Karpathos werd ik door Derksen gebeld met
de vraag of ik naar het bureau wilde komen. De uitslag van het forensisch
onderzoek was bekend. Het verwonderde me niet dat enkele haren van mij op
Marja's T-shirt waren aangetroffen. Ik vroeg of er intussen nog iets meer
bekend geworden was. Derksen liet er zich niet over uit.
Ik was die keer op de fiets naar het bureau gegaan en fietste op mijn gemak
terug. Ik was er niet voor honderd procent gerust op. Nog steeds was ik de
man bij wie ze het laatst gezien was. Zou de politie zich op mij blijven
concentreren of zou ze ook nog zoeken naar andere mogelijkheden? Wat mij
betreft was er over mij niets nieuws meer te ontdekken. Ik was er niet bang
voor ineens een echte verdachte te worden, maar ik had ook geen zin in een
hoop gezeur aan mijn kop. Die kop stond naar heel andere dingen. Ondanks wat
er gebeurd was, kon ik volop genieten van de dagelijkse aanwezigheid van
Ineke. Ze was net weer aan het werk gegaan; nog niet haar eigenlijke werk in
de directe zorg, maar wat regelend werk op kantoor. Ik hield me bezig met de
herinrichting van ons huis. Er waren een paar dingen in Inekes huis die ze
graag wilde houden, zoals een makkelijke stoel waar ze erg aan gehecht was,
twee etsen aan de muur en nog wat van die kleine zaken. Voor de rest hing ze
niet aan haar spullen. Die konden wat haar betreft door een kringloopwinkel
opgehaald worden, zodra het huis verkocht was en een overdrachtsdatum
bekend.
De 'omgeving' toonde geen overdreven grote belangstelling voor onze nieuwe
situatie, om het maar voorzichtig uit te drukken. Het was nog steeds mooi
weer, dus we zaten veel in de tuin, waarbij we redelijk informeel gekleed
waren. De buren die voorbij kwamen volstonden in het algemeen met een knikje
als we hun richting opkeken. Je kon ze horen denken: is dat niet wat snel?
We voelden niet de geringste behoefte ze te vertellen dat we niet in huize
'Rozengeur en maneschijn' woonden.
●●●●●
Het was voor het eerst sinds mijn scheiding dat ik weer eens voor meer
mensen dan alleen mezelf kookte. 's Woensdagsmiddags ging Marja altijd
direct uit school zwemmen. Ze ontmoette Ineke dan in het zwembad. Van
uitgebreid warm eten kwam daarna meestal niet zo veel meer had ik van Marja
gehoord. Dat leek me dus een goede dag om hun een keer uit te nodigen.
Bovendien wilde ik wel weer eens horen zeggen dat ik eigenlijk best goed kan
koken.
Ik had ruim de tijd om alles voor te bereiden dus we konden vóór het eten
ook nog op ons gemak een glaasje drinken. Marja praatte nauwelijks mee deze
keer. Ze inspecteerde mijn boekenkast, nam er af en toe boek uit om daar in
te bladeren of een bladzijde te lezen.
Ook tijdens het eten zei Marja niet veel meer dan dat ze het lekker vond.
"Wat ben je stil", zei Ineke op een gegeven moment tegen haar.
"Ik ben een beetje moe van het zwemmen."
"Hebben jullie zo veel gezwommen?" vroeg ik. Ik wist dat ze altijd serieus
baantje trokken.
"We hebben ons record met twee baantjes gebroken", zei Ineke.
Dat vond ik natuurlijk een hele prestatie, maar volgens mij was dat niet de
enige reden voor Marja's afwezigheid. Ze zat over iets na te denken.
"Was het druk?" vroeg ik haar, niet omdat ik dat zo belangrijk vond, maar om
het gesprek op gang te houden.
"Best wel." Ze haalde diep adem. "Er was een meneer die steeds achter me
zwom en dan kwam hij met zijn handen tegen mijn benen en twee keer tegen
mijn broekje." Ze keek naar Ineke toen ze dat zei. Die bleef heel rustig.
"Ken je die meneer?"
Marja schudde met haar hoofd. "Ik heb alleen zijn hoofd gezien en hij had
zo'n stom brilletje op."
"Daar kon die meneer natuurlijk niets aan doen." Ineke wilde Marja duidelijk
niet ongerust maken. "Ik heb ook wel eens een meneer aangeraakt bij het
zwemmen. Jij ook vast wel eens."
"Niet zo vaak achter elkaar", zei Marja nog, maar daarmee leek voor haar de
zaak afgedaan.
Ik geloof niet in mannen die bij herhaling per ongeluk een meisje aanraken
dat alleen een bikini aanheeft, maar ik geloof evenmin in mannen die na een
toevallige ontmoeting in een zwembad maanden lang op een nieuwe kans
wachten. Ook achteraf terugkijkend had Ineke geen enkele reden om te
veronderstellen dat Marja door een man gevolgd zou zijn. Ze was in ieder
geval nooit door een man op een verkeerde manier benaderd. Dat zou ze
verteld hebben, zoals ze het incident in het zwembad had verteld.
Ineke had Marja alles over de bloemetjes en bijtjes verteld. Ze had verteld
hoe kinderen, ook jongens, in de puberteit veranderen en waarom dat
gebeurde. Ze had haar best gedaan om daar absoluut niet prekerig bij te doen
en alleen maar op gevaren te wijzen.
Ineke ging na het eten koffie zetten, terwijl ik tafel afruimde en de
vaatwas machine vulde.
Bij het koffiedrinken vroeg Marja: "Mogen mannen meisjes aanraken?"
"Pappa's mogen hun dochter best eens lekker knuffelen", zei Ineke.
"Mag Rob mij zoenen?"
"Als jij jarig bent mag Rob jou best een dikke zoen op allebei je wangen
geven en als je vindt dat hij lekker gekookt heeft mag jij hem wel een zoen
geven."
Marja voegde meteen de daad bij het woord. "Het was hartstikke lekker", zei
ze tegen mij en tegen Ineke: "Vond jij het niet lekker dan?"
Ineke moest lachen. "Wijsneus! Van mij krijgt Rob een zoen als we weggaan
omdat jij naar bed moet."
Ze gingen weg nadat we het journaal van acht uur gezien hadden.
Voor we trouwden, toen we nog samenwoonden, hadden Marja en ik wel eens over
het hebben van kinderen gepraat. Marja was er lang niet zeker van of ze het
wel zo leuk zou vinden en ik had er geen behoefte aan om hard aan te dringen.
Als ik zag hoe Ineke en Marja met elkaar omgingen, kon ik me toch wel
voorstellen hoe fijn of plezierig of wat dan ook het kon zijn iemand om je
heen te hebben die zo dicht bij je staat. Als man voel je het dan wel niet
vanaf het eerste prille begin groeien, maar je ziet het wel opgroeien en je
kan er toch heel wat aan bijdragen hoe het zich ook geestelijk ontwikkelt.
Aan de kinderen die ik les gaf kon ik vaak inschatten wat de ideeën van hun
ouders waren. Bij ouderavonden werd dat nogal eens bevestigd. De openheid
van Ineke had ik al eerder gezien in Marja.
●●●●●
Marja en ik vonden redelijk snel een flat die ons beviel en die we met
onze gezamenlijke spullen goed konden inrichten. Door ons samenwonen kreeg
ik ook voor het eerst een sociaal leven. Marja had diverse vriendinnen met
wie ze regelmatig contact had en dus kregen we wel eens bezoek of gingen we
op bezoek. Uiteraard gingen we ook wel eens met andere stellen uit.
In de herfstvakantie gingen we twee dagen naar Marja's ouders. Tijdens het
eten vroeg Marja's moeder: "Weten jullie al wat jullie met de kerst doen?"
De vraag was compleet nieuw voor mij. Voor mij waren christelijke en andere
feestdagen net als zondagen: dagen waarop je niet hoefde te werken en waarop
ander mensen, als dat erbij hoorde, naar een kerk gingen. Van collega's had
ik wel eens begrepen dat ze met name de kerstdagen en oud en nieuw maar
vermoeiende dagen vonden met het heen en weer trekken tussen wederzijdse
ouders die kennelijk een van god gegeven recht hadden op het bezoek van
kinderen en eventuele kleinkinderen.
Marja zei, geheel naar waarheid, dat we het daar nog niet over gehad hadden.
We hadden het erover in de auto op weg naar huis.
"Vind je het erg om één van die dagen naar ze toe te gaan?" vroeg Marja. "We
kunnen eerste kerstdag na de kerk bij ze aankomen, blijven slapen en de
volgende ochtend kunnen we weer weggaan. Dan kunnen we nog net koffiedrinken
als Henk en Rita daar aankomen. Hebben ze de hele familie weer bij elkaar.
Ik hoef zelf ook niet zo nodig, want ze lopen vooral druk te doen met hapjes
en drankjes, die we lekker moeten vinden, omdat het allemaal zo gezellig is.
Ik vind ze heel lief, hoor, maar op zulke dagen vind ik dat altijd wat
moeilijker. Je drinkt gewoon wat meer dan anders, dan valt het wel mee."
Ik wist alleen dat ik dat soort dagen in mijn jeugd nooit als feestelijk
ervaren had, maar was bereid me open te stellen voor nieuwe ervaringen.
Marja en ik hadden ook afgesproken dat van elkaar houden en samenwonen niet
betekende allebei van dezelfde dingen houden en alles samen doen.
Marja tenniste graag, speelde ook competitie, ik ging liever een flink eind
fietsen. Een enkele keer kwam het wel eens zo uit dat ik mijn fietstocht
beëindigde bij de baan waar zij aan het spelen was. Op het niveau waarop zij
speelde was zij duidelijk een van de betere en ik vond het helemaal niet erg
om naar haar te kijken als ze aan het spelen was. Ze speelde om te winnen.
Ze had een conditie om ballen te halen die anderen moesten laten lopen. Als
ze serveerde was het een feest om die lange benen onder dat korte rokje te
zien. Een man die eens naast me zat te kijken merkte op: "Ze speelt niet
alleen goed, die meid heeft nog een lekker kontje ook."
Ik knikte aanmoedigend en hij ging vrolijk door. "Die benen mogen er
trouwens ook best zijn. Dat shirtje had wat gevulder gekund, maar het
hobbelt wel leuk daaronder. Volgens mij draagt ze geen bh."
Ik kon dat met zekerheid bevestigen, maar het leek mij niet het juiste
moment.
"Ik hoop dat ze na afloop nog wat gaat drinken", zei de man. "Dan kan ik
eens een babbeltje met haar maken. Nooit geschoten is nooit raak."
Marja had mij tijdens de wedstrijd al zien zitten en kwam na de laatste klap
meteen naar me toe. Ik kuste haar wat steviger dan in zo'n situatie
gebruikelijk is en zei tegen de man naast me: "Ze gaat wat met mij
babbelen." Ik zag hem in de kantine niet terug.
"Ken je die man?" vroeg Marja.
Ik vertelde haar welke waardering hij voor de diverse specifieke punten van
haar lichaam had en dat ik het in zijn algemeenheid met hem eens was. Alleen
op het punt van het onvoldoende gevulde shirtje was ik het met hem oneens.
Marja vond het wel amusant. "Heb je nog naar mijn spel gekeken of had je
alleen aandacht voor de drie b's?"
Ik verzekerde haar dat ik niet alleen aandacht had voor details, maar ook
voor het geheel en dat een mooi uiterlijk niet zonder een mooi innerlijk
kon. Ze wist dat ik het nog meende ook.
●●●●●
Na een kleine twee jaar samenwonen stelde Marja voor te gaan trouwen. Ze
hechtte er zelf niet zoveel belang aan, maar ze wilde haar ouders een
plezier doen. Het huwelijk als instituut zei mij ook niets, maar aan een
samenlevingscontract waren we ook nog steeds niet toegekomen en het was toch
wel goed om een aantal dingen te regelen. Met een simpel jawoord voor een
ambtenaar van de burgerlijke stand was alles in één klap geregeld. Zoiets
zei ik ook tegen Marja.
"En je vindt het niet echt erg om je ook nog eens officieel aan me te
binden?" vroeg ze.
Ze kende me intussen lang genoeg om te weten dat contact met andere mensen
niet tot mijn sterkste punten behoorde. Ik was meestal vriendelijk, maar wel
van een afstand. Marja moest ook nog wel eens flink haar best doen om iets
uit me trekken.
"Je hebt ooit een muur om je heen gebouwd", zei ze toen we een paar maanden
samenwoonden. "Er zit hier en daar een deur in, maar die moet je wel weten
te vinden en dan moet je ook nog de goede sleutel hebben. Heel af en toe heb
ik wel eens het gevoel dat je iets aan het slot veranderd hebt. Dan duurt
het wat langer voor de sleutel past."
Ze hoefde me niet uit leggen wat ze bedoelde.
"Ik ben blij dat je deuren hebt gevonden en de bijpassende sleutels van me
hebt losgekregen", zei ik. "Je weet me zelfs van tijd tot tijd buiten die
muur te krijgen. Die muur zal wel nooit helemaal afgebroken worden. Dat zal
ik vooral zelf moeten doen. Ik hoop dat je blijft morrelen als de sleutel
niet meteen past."
Ik weet niet of ik in mijn jonge jaren, zeg maar tot ergens in mijn
studiejaren, bindingsangst had. Ik wilde anderen geen macht over mezelf
geven en die zouden ze krijgen, dacht ik, als ze wisten wat er zich binnenin
mij afspeelde. Als ik iets fijn vond, zouden ze ermee stoppen. Als ik iets
vervelend vond, zouden ze ermee doorgaan. Als ik ze in het onzekere liet
zouden ze gewoon hun eigen gang gaan. Dan kon ik dat ook doen.
Marja was met een simpele opmerking door de eerste verdedigingslinie heen
gebroken: "Converseren is een optie." Ze had toen niet iets van "Ik ben een
zeer aantrekkelijke vrouw en wees blij dat ik bij je kom zitten." Ze had me
de keuze gelaten: praten of niet praten, meer niet.
"Trouwen maakt de band niet knellender", zei ik. "Hij knelt nu al niet,
trouwens. Het maakt de band ook niet sterker. Hoe sterk die is maken we
helemaal zelf uit, boterbriefje of geen boterbriefje. Ondanks hun principes
mogen we van je ouders onder hun dak ongetrouwd in hetzelfde bed slapen. Ik
vind ze aardig genoeg om ook eens wat aardigs terug te doen."
We hielden de hele ceremonie zo beperkt mogelijk. We vertelden niemand
buiten Marja's familie dat we gingen trouwen. Na het stadhuis gingen we met
Marja's familie, zonder kinderen, in een zeer goed restaurant eten. We
wilden ook geen cadeaus, maar Marja's vader stond erop dat hij dat diner zou
betalen. Bij de koffie hield ik een zeer kort toespraakje: "Voor het eerst
in mijn leven ben ik echt onderdeel van een familie."
Marja was daar heel duidelijk blij mee. Mijn schoonmoeder moest even een
traantje wegpinken.
Een week of twee later organiseerden we voor een aantal goede vrienden nog
een aangeklede borrel. We zeiden er niet bij waarom we die organiseerden.
Elk stel dacht dat zij alleen uitgenodigd waren. Toen iedereen, dat wil
zeggen alle vier stellen, er was, kregen ze toch wel door dat we niet zomaar
een feestje gaven. Frits, een van de mannen met wie ik wel goed kon
opschieten, riep al gauw: "Wacht eens even, jullie gaan ons toch niet
vertellen dat jullie gaan trouwen, hè?"
"Nee hoor", zei Marja, "Rob, mijn echtgenoot, is een beetje allergisch voor
de daarbij horende receptie."
"Mijn vrouw", voegde ik eraan toe, "was bang bij het uitpakken van al die
mooie cadeaus niet steeds opnieuw een blij verrast gezicht te kunnen
trekken."
Het begon al snel te dagen. Er werden niet-gemeende verwijten geroepen en er
werd veel gezoend. De algemene conclusie was dat een bescheiden feestje toch
eigenlijk veel leuker was dan een volle zaal met keiharde muziek.
"Ik kan nu tenminste nog wat praten met de verse bruid en bruidegom", zei
Frits.
●●●●●
Aan het begin van dit relaas schrijf ik dat ik niet mijn huidige leven ga
beschrijven. Een enkele afwijking van die regel mag ik mezelf wel toestaan,
vind ik. Toen ik hier kwam werd mij gevraagd of ik prijs stelde op
geestelijke verzorging. Ik zei dat dominees, pastoors, rabbi's, imams of
sjamanen mij niets te bieden hadden. Na een paar maanden kreeg ik toch een
keer bezoek van Frans, een humanistisch geestelijk verzorger. Ik zei hem dat
wat mij betreft het humanisme iets was voor mensen die niet in een god
geloofden, maar wel behoefte hadden aan regeltjes die ze zelf niet gemaakt
hadden.
Frans was uiteraard niet beledigd en nog steeds bereid tot een goed gesprek.
"Je bemoeit je met niemand, heb ik begrepen," zei hij. "Je maakt mij niet
wijs dat jij niet af en toe de behoefte hebt alles eruit te gooien. Je hebt
altijd volgehouden onschuldig te zijn. Ben je niet constant ontzettend
gefrustreerd?"
"Je weet niet half wat gefrustreerd zijn betekent", zei ik. "Mijn vrouw, dat
is ze niet officieel, maar in de praktijk wel, komt hier vrijwel wekelijks. Mijn vrouw verliest haar eerste man door een
ongeluk. Haar dochter wordt vermoord. Ze realiseert zich dat er een tweede
man in haar leven is gekomen van wie ze houdt en die van haar houdt. Samen
kunnen ze het rouwproces doormaken. Helaas verdwijnt hij achter tralies. Ja
hoor, ik ben ook wel eens wat gefrustreerd."
Frans reageerde niet direct. Ik ging dus zelf maar door.
"Ik zit in de gevangenis. Waar denk je dat Ineke in zit als ze na haar werk
in een leeg huis komt, alleen zit te eten, alleen tv zit te kijken, alleen
naar bed gaat? Al die tijd weet ze dat ik hier ten onrechte zit en weet ze
verdomd goed dat ergens een man rondloopt die zijn handen niet van jonge
meisjes af kan houden. Van mij mag je dat een hel noemen. Kom er eens bij
zitten als ze op bezoek komt. Dan kun je horen wat we er allemaal uitgooien.
Weet je wat frustratie is? Ik heb het wel eens opgezocht in een woordenboek.
Dat is de emotionele toestand van iemand die belemmerd wordt in de
verwezenlijking van zijn verwachtingen of behoeften. Zal ik een lijstje voor
je maken van al onze verwachtingen en behoeften die nu al een hele tijd
belemmerd worden? Daar kan jij en geen enkele andere geestelijk verzorger
ook maar iets aan doen. Ga nu maar, dan kun je voor iemand misschien nog
iets nuttigs betekenen."
Hij vertrok na mijn emotionele uitbarsting, waar ik zelf ook wat verbaasd
over was. Door Ineke was ik veranderd.
Sinds die eerste ontmoeting kwam Frans op onregelmatige tijden nog wel eens
met me praten. We hadden het nooit over mij, maar over dingen die er in de
wereld om ons heen gebeurden. Het kon over politiek gaan, het kon over sport
gaan, het kon over van alles gaan.
"Als ik heel eerlijk ben," zei Frans een keer, "moet ik bekennen dat ik hier
voor mijn eigen ontspanning zit. Iedereen denkt dat ik met mijn werk bezig
ben, maar ik heb ook wel eens genoeg van mijn eigen positieve opmerkingen
over de ellende die de mensen hier voelen, al hebben ze die aan zichzelf te
wijten. Soms heb ik even helemaal geen zin in die verhalen."
"Wil je erover praten?" vroeg ik.
Hij moest lachen. "Touché!"
Ik ontkwam er natuurlijk niet aan ook wel eens wat over mezelf te vertellen,
al hield ik me bij de droge feiten over mijn jeugd, mijn studie, mijn werk
en mijn huwelijk met Marja. Ik had het nooit, na die eerste uitbarsting,
over Ineke en die andere Marja. De emoties die daarbij hoorden wilde ik met
niemand anders delen dan met Ineke. Ik mocht Frans wel na een tijdje en op
zich waren de gesprekken met hem wel een soort uitje, een onderbreking van
de dagelijkse sleur, zoals dit schrijven een welkome aanvulling is op wat ik
tot dan toe deed of niet deed.
Een praatpaal was Frans niet voor me en dat zei ik ook eerlijk. Het praten
met hem was een vorm van ontspanning, als het lezen van een goed boek of het
zien van een film. Tot gisteren.
●●●●●
"Je hebt me verteld dat je aan het schrijven bent", zei Frans. "Dat doe ik
ook. Ik doe dit werk nu zo'n vijfentwintig jaar. Je wilt wel aannemen dat ik
daarin wel eens mannen tegenkom die ietwat buiten het normale patroon
vallen. Van het begin af aan heb ik die mannen beschreven. Ik vel geen
oordeel over ze, ik laat ze als het ware zelf aan het woord. Zo
langzamerhand begint het al aardig op een boek te lijken en er is een
uitgever die in principe geïnteresseerd is. Ik zou nog één man willen
toevoegen."
"Rob H., de man die de dochter vermoordt en de moeder neukt." Ik was bewust
grof, tegen mijn gewoontes in.
Hij reageerde kwaad. "Je weet verdomd goed dat ik zo niet over je denk en zo
niet over je wil schrijven."
"En jij weet heel goed dat de mensen zo over me denken, wat je ook over me
schrijft. Die smeerlap wil zijn eigen straatje schoon praten en die domme
geestelijk verzorger trapt er nog in ook. Zeg dan maar hoe je over me denkt
en hoe je dat aan je lezers wil duidelijk maken door mezelf aan het woord te
laten."
"Ik heb alles over jou en jouw zaak gelezen wat er te lezen valt. Ik heb
heel wat uren met je gepraat. Onze rollen zijn omgedraaid, dat geef ik toe.
Ik wil voor mezelf werken in de tijd van de baas, die het niet in de gaten
heeft. Maar het is ook jouw kans om te vertellen wie je bent, wat je tot nu
toe zorgvuldig vermeden hebt. Je wilde de feiten laten spreken. Dat hebben
ze gedaan. Wat je nooit gedaan hebt is voor jezelf erkennen dat jouw
gevoelens voor Marja, de kleine Marja, ook feiten zijn. Daar had niemand
iets mee te maken. Je hebt niemand, nou ja, Ineke natuurlijk wel, verteld
wat je voor dat meisje voelde en dat het volstrekt normale, heel
fatsoenlijke gevoelens waren. Wees nou eens helemaal eerlijk tegen jezelf.
Heb je echt nooit gedacht dat je best zo'n dochter had willen hebben?"
Ik stribbelde nog tegen. "Vaders kunnen ook de vreselijkste dingen met hun
dochters doen."
"Vertel mij wat. Zo'n vader komt ook in mijn boek voor. Ik had soms de
grootste moeite om naar hem te blijven luisteren. Maar daar hebben we het nu
niet over. Ik heb enige ervaring in het beoordelen van mensen. Je hebt na
heel veel jaren iemand, Ineke, gevonden bij wie je je eindelijk volledig
durft bloot te geven. Dat heb je nooit met zoveel woorden tegen me gezegd,
maar ik hoor wel eens wat tussen de regels door. Wat jij eens zou moeten
leren is dat er meer mensen zijn die het helemaal niet erg vinden als je wat
opener tegen ze bent. Ik durf er vergif op in te nemen dat Ineke dat ook wel
eens tegen je gezegd heeft."
Hij sloeg de spijker keihard precies op zijn kop. Daar had ik het met Ineke
over gehad op mijn laatste avond in vrijheid, toen we nog niet wisten wat
ons te wachten stond. Ze was een dagje bij haar ouders geweest. Haar moeder
had gezegd dat ze me heel aardig vond en dat ik een grote steun was voor
Ineke, maar ik was altijd zo afstandelijk. "Hij mag best ook eens tegen ons
zeggen dat hij van je houdt en dat hij Marja mist."
Ineke vond ook dat ik wel wat duidelijker mocht laten blijken dat ik haar
ouders echt aardig vond. "Ik weet het wel, maar zij willen dat ook graag
merken."
"Ik weet het, lief. Ik ben gewend anderen wat bij te brengen en ben zo
langzamerhand vergeten dat ik zelf nog heel wat moet leren. Marja heeft wel
eens gezegd dat ik een muur om me heen gebouwd heb. Een groot deel ervan
staat er nog steeds. Jij bent erin geslaagd er gewoon doorheen te lopen. Jij
kunt me helpen hem af te breken. Help me, alsjeblieft."
Dat vertelde ik Frans. Ik zei erbij dat ik moest nadenken over wat hij van
me wilde. Ik ben nog lang niet zover dat ik een groot publiek wil vertellen
hoe ik in elkaar zit. Ik heb er geen behoefte aan me daarmee te verdedigen.
Het enige waarmee ik me zou kunnen verdedigen zijn keiharde, bewijsbare
feiten. Daar wil ik in de eerste plaats naar blijven zoeken.
●●●●●
Ik ga niet met Frans praten. Dat wil zeggen: ik ga geen verandering brengen
in het karakter van de gesprekken die we van tijd tot tijd voeren. Wat ik
tegen hem zou zeggen zou een herhaling of overlapping zijn van wat ik hier
schrijf. Dat is allang veel meer dan ik oorspronkelijk bedoelde, veel meer
dan een feitenrelaas. Het is een voorbereiding op en voortzetting van de
gesprekken die ik met Ineke voer als ze op bezoek is. Het is in feite een
heel lange brief aan Ineke. Ze herleest vaak de kopieën die ze van me
krijgt. Het geeft even de illusie van niet helemaal alleen zijn. Ik creëer
dezelfde illusie voor mezelf. Ik heb mijn situatie wel eens vergeleken met
die van iemand die al een paar jaar in een Zuid-Amerikaans oerwoud gegijzeld
wordt gehouden. Hij heeft ook geen schuld aan zijn situatie en kan er ook
niets aan veranderen. Daar houdt de vergelijking ook meteen weer op. Ik
krijg mijn verantwoorde natje en droogje en bij fysiek ongemak mag ik naar
de dokter. Ik hoef niet alleen te dromen van een geliefde die ik misschien
ooit weer eens mag omarmen. Ik zie haar wekelijks. Ik zie haar ook wekelijks
weer vertrekken. Dan zou ik de president van het gerechtshof wel eens willen
vragen of hij beseft dat ik niet de enige ben die hij een zware straf heeft
opgelegd. Ik zou die dominee, die pastoor, die rabbi en die imam wel eens
bij me willen roepen. "Heren," zou ik zeggen, "ik kan me heel goed
voorstellen dat die god van u mij eens een lesje wilde leren. Ik kon het
allemaal wel alleen af en nu ik mag het hier bewijzen. Hij heeft in zijn
goedertierenheid jullie zelfs gestuurd om me hierbij te ondersteunen. Mag ik
nou eens van jullie horen op welke manier Ineke de toorn van jullie god
opgewekt heeft? Ze moet het nog erger gemaakt hebben dan ik. Ik ben alleen
tijdelijk mijn vrijheid kwijt. Zij is tweemaal, zonder enige aankondiging
vooraf, definitief iemand kwijt geraakt van wie ze veel hield. Moet ik
misschien geloven dat jullie god die twee graag dicht bij zichzelf wilde
hebben en dat zijn geluk voor het hare ging? Moet ze blij zijn dat die twee
veel gelukkiger zijn dan zij? Kan jullie god haar niet verlossen van die
steeds terugkerende beelden van twee handen rond de hals van Marja? "
Ik weet dat het zinloze vragen zijn aan een niet bestaande god. Ik heb
alleen met mensen te maken. Ik kan het ze niet kwalijk nemen dat ze fouten
gemaakt hebben die ik zelf ook zou maken.
Er is wel een manier om Frans enigszins tegemoet te komen: ik kan hem ook
kopieën geven van wat ik tot nu toe geschreven heb en nog ga schrijven. Daar
wil ik het eerst met Ineke over hebben. Ik heb het immers niet alleen over
mezelf, maar ook over haar. Dan zou ik natuurlijk consequent moeten zijn en
ook aan Marja moeten vragen of ze er bezwaar tegen heeft dat ik
buitenstaanders laat weten wat ik van haar vind en omgekeerd. Maar wie zegt
er eigenlijk dat ik consequent moet zijn? Bovendien, zoals een of andere
Duitser wel eens gezegd heeft: "Jede konsequenz führt zum Teufel."
Het zou ook best kunnen dat ik toch anders ga schrijven als ik weet dat niet
alleen Ineke, maar ook Frans meeleest. Hij mag best weten dat ik van haar
houd, maar gaat het hem wat aan wat ik voel als ze naar me toe komt lopen?
Moet ik hem vertellen wat ik zie? Dat hoef ik Ineke niet te vertellen. Ze
ziet aan mij wat ik zie.
Aan de andere kant heeft Frans natuurlijk alles al een keer gehoord. Hij
weet hoeveel relaties er stuk lopen op een langdurige gevangenschap. Hij
weet ook dat mannen en hun bezoekende partners wel eens meer willen dan
elkaars hand vasthouden. Zeker, ik kan een verzoek indienen om één keer per
maand bezoek zonder toezicht te mogen ontvangen. Dat staat in het reglement
dat ik bij aankomst hier ontvangen heb. Daar staat ook: "Het bezoek vindt
plaats in een vertrek of een andere daartoe geschikt bevonden en ingerichte
ruimte binnen de inrichting." Ik weet een beetje van de Nederlandse taal en
kan dus uren over zo'n zin nadenken. Wat is die daartoe geschikt bevonden en
ingerichte ruimte als het geen vertrek is? Een ambtenaar moet toch gewoon
kunnen schrijven: "Het bezoek vindt plaats in een vertrek dat zo is
ingericht dat er op een plezierige wijze seksueel contact kan plaatsvinden."
Ineke en ik hebben het erover gehad. We zijn nog niet zover dat we
ontspannen naar z'n ruimte toelopen terwijl we de begeleidende bewaker horen
denken: die gaan er even lekker tegenaan.
●●●●●
Marja zou intussen al zestien geworden zijn en haar eerste verliefdheden
achter de rug hebben. Ik kan het niet met honderd procent zekerheid zeggen,
maar ik denk dat ze nooit een storend element in de relatie tussen Ineke en
mij geweest zou zijn, niet meer tenminste dan iedere andere dochter die haar
ouders wel eens stoort op een moment dat het net even niet uitkomt. Ik heb
het nog niet opgeschreven of ik realiseer me dat ik niet schrijf wat ik
werkelijk voel. Wat ik zou moeten schrijven is dat ik met alle liefde haar
stiefvader geweest zou zijn. Ze had de band tussen Ineke en mij alleen maar
sterker kunnen maken. Ik heb met eigen ogen kunnen zien hoe Ineke van haar
genoot en kon daar jaloers op zijn.
De voorlaatste keer dat ik met Marja alleen was, was een paar dagen voor die
fatale zondag. Er waren voor die dag hoosbuien voorspeld, dus Ineke had
gevraagd of Marja met me mee mocht rijden. Onze eindtijden vielen natuurlijk
niet altijd samen, dus ze had een uurtje op me moeten wachten in de
bibliotheek. Ze zat iets te schrijven toen ik haar kwam zeggen dat ik zover
was. Onderweg bedacht ik me dat Anneke, die toch bij ons in de straat
woonde, eigenlijk ook wel mee had kunnen rijden. Dat zei ik tegen Marja.
"Ze wordt altijd door haar vader gebracht en gehaald. Die werkt altijd
thuis."
Ik herinnerde me dat Annekes vader bij een ouderavond wel eens gezegd had
dat hij de boekhouding van diverse middenstanders en andere kleine bedrijven
verzorgde. Haar moeder werkte fulltime in een kledingzaak. Ze was net als
Marja enig kind.
"Kon je dan niet met hun meerijden?" vroeg ik. "Dan was je eerder thuis
geweest."
"Maar mamma nog niet en jij ook niet. Dan zat ik in mijn eentje."
"Zou je niet bij Anneke kunnen blijven?"
Ze dacht even na. "Dat deed ik eerst wel, maar we zijn geen vriendinnetjes
meer." Het leek of ze nog iets meer wilde zeggen, maar dat deed ze niet. Ik
wilde ook niet aandringen. Ik wist niet eens wat de juiste vraag zou zijn.
Ik had helemaal geen ervaring met schoolvriendschappen.
Bij de supermarkt ging ik er nog even uit omdat ik de vorige dag gezien had
dat ik geen olijfolie meer had. Ik zette Marja voor de deur af want Ineke
was al thuis. Ik heb alleen even naar haar gezwaaid toen ze de deur voor
Marja open deed.
Die avond belde Ineke me om een uur of half tien. Of ik een borreltje kwam
drinken.
"Heb jij iets aan Marja gemerkt?" vroeg ze toen ze voor mij een whisky en
voor zich zelf een wijntje had ingeschonken. "Ik vond haar wat stilletjes."
Ik vertelde wat ze over Anneke gezegd had, maar dat was al een week zo, zei
Ineke. De dagen ervoor was ze net zo opgewekt als ze meestal was. Ze was
direct na het eten naar haar kamer gegaan met Inekes laptop om een opstel
voor mij te schrijven.
"Daar zat ze natuurlijk al over na te denken." Dat leek mij een logische
verklaring en Ineke ook wel.
Het werd een latertje die avond. Het bleef niet bij één whisky en één
wijntje. Ik was het meest aan het woord, vooral omdat Ineke vragen stelde.
Zo langzamerhand was ze wel gaan begrijpen waarom Marja bij me was
weggegaan.
"Je vertelt best veel over jezelf, maar je vertelt nooit wat je er bij
voelt. Een boek dat je gelezen hebt vind je 'goed' of 'heel goed', of je
vindt het helemaal niks, maar je zegt er niet bij waarom je dat vindt.
Waarom vind je het leuk dat Marja af en toe bij je langs komt?"
"Ik hoef jou toch niet te vertellen dat het lief en slim meisje is?"
"Nee en dat hoef je haar ook niet vertellen. Kinderen hebben volwassenen
vaak sneller door dan omgekeerd. Ik zie hoe opgewekt ze is als ze bij jou
vandaan komt. Als ik dan vraag wat ze gedaan heeft, heeft ze vaak alleen
maar gelezen en hebben jullie nauwelijks gepraat. Een tijdje geleden
vertelde ze dat je nogal somber was en dat ze gevraagd had waarom dat was."
Dat herinnerde ik me heel goed. "Ik moest mijn best doen om niet te janken.
Ik heb haar gezegd, dat zal ze wel verteld hebben, dat ik het vaak helemaal
niet fijn vond om alleen te zijn."
"Juist! Dat had je tegen mij nog nooit zo gezegd. Je was getrouwd en je was
gescheiden. Dat vond je niet leuk, maar je redde het best in je eentje.
Zeker weten?"
Ik zei dat ik er nog eens over moest nadenken.
●●●●●
Ik zit voortdurend uit te stellen. Ik wil nog steeds niet terug naar het
moment dat mijn normale leven ophield. Dat normale leven was nog maar net
begonnen. Het begon die dag dat ik Marja met haar lekke band naar huis
bracht. Alleen wist ik het toen nog niet. Ik wist het zeker toen Ineke op
Karpathos, die avond van de dag dat we daar aankwamen, zei dat ik niets
hoefde te zeggen. Ik kan die twee weken daar op allerlei manieren met één
woord aanduiden. 'Verwarrend' is er een van, verwarrend vooral voor Ineke.
Ze werd heen en weer geslingerd tussen momenten waarop er alleen maar plaats
was voor die ene zekerheid dat Marja er niet meer was en momenten waarop ze
durfde geloven dat er na elf jaar weer iemand in haar leven was gekomen met
wie ze alles kon delen.
De vierde of vijfde dag, op weg naar ons ontbijt op het terrasje aan de
haven, zei ze plotseling: "Ik kan het niet." Ze liet mijn hand los, draaide
zich om en liep terug naar het appartement. Ik moest moeite doen om haar bij
te houden en moest nog even versnellen om eerder bij de deur te zijn en die
open te doen. Ze ging op bed liggen en lag verschrikkelijk te huilen. Ik zat
bij haar zonder haar zelfs maar aan te raken, zonder een woord te zeggen. Op
dat moment kon ik niet de leegte opvullen die twee mensen bij haar hadden
achtergelaten zonder dat zij afscheid had kunnen nemen.
Ze huilde zichzelf in slaap. Ik wist niet beter te doen dan koffie te maken
en op het balkon te gaan zitten. Ik weet niet meer wat er toen allemaal door
mijn hoofd ging. Op een gegeven moment stond ik op en stond, leunend op de
balkonrand, voor me uit te staren.
Ik had Ineke niet gehoord. Ze stond ineens naast me. Ze keek niet maar mij,
maar ook over de haven en de heuvels op de achtergrond. "Mag ik hier zijn?
Mag ik hier wel met jou zijn?"
Ze vroeg het niet aan mij. Ze vroeg het aan zichzelf. Ik gaf toch antwoord.
"Je mag verdriet hebben waar je wilt. Je mag verdriet hebben met wie je maar
wilt. Je mag helemaal alleen verdriet hebben. Je bent je verlies, je
verdriet niet ontvlucht, je hebt het juist opgezocht. Je hebt het daarnet
weer gevonden en ik heb je er alleen mee gelaten. Dat wilde je ook."
Ze zei een hele tijd niets. Toen pakte ze mijn hand en leidde me naar de
slaapkamer. We gingen op bed liggen met onze kleren aan. We lagen met onze
gezichten naar elkaar toe. We raakten elkaar niet aan, behalve die twee
handen.
"Ik hoef toch niet alles alleen te verwerken?" Ze zei het nog wat onzeker.
"Ik mag me toch laten helpen? Ik kan er toch ook niets aan doen dat ik van
je houd? Daardoor mis ik Marja toch niet minder? Ik heb niet gevraagd of je
mee wilde gaan omdat ik wel weer eens wilde vrijen, zonder pottenkijkende
buren. Ik wilde zonet alleen zijn met mijn verdriet, ja. Maar ik wil ook
tegen iemand kunnen zeggen dat ik Marja ontzettend mis. Iemand die haar ook
mist. Iemand die begrijpt wanneer hij me alleen moet laten huilen en wanneer
niet."
Er kwam weer een voorzichtige glimlach op haar gezicht. "Ik mag blij zijn
dat je bij me bent. Het kan me niet schelen of het mag of niet. Zeg maar
niks. Kijk maar naar me."
We bleven nog even liggen en douchten nog een keer. Daarna liepen we meteen
door naar het terras bij het strandje voor een brunch. De rest van de dag
verliep als de voorgaande.
Uiterlijk onderscheidden we ons in niets van de gewone toeristen om ons
heen: een doordeweeks Hollands stel dat niet veel meer doet dan luieren en
intussen wat bruiner wordt. We lazen, maar minder dan we gedacht hadden. Als
we praatten was het over gewone dagelijkse dingen. Het echte praten deden we
pas 's avonds op het balkon of 's nachts in bed.
●●●●●
Ineke had er geen bezwaar tegen dat Frans ook kopieën krijgt van wat ik
schrijf. Ze zag er zelfs een voordeel in. "Hij heeft dan wel alles over jouw
zaak gelezen, maar hij heeft de zaak nooit door jouw ogen bekeken. Misschien
ziet hij dingen waar wij ons op blindgestaard hebben. Je weet maar nooit."
Frans was er uiteraard blij mee dat hij alles mocht lezen. Hij voelde zich
zelfs een beetje vereerd. Ik vertelde hem wat Ineke gezegd had. Hij zei dat
ik niet al te veel hoop moest koesteren. "Ik lees wel eens een detective,
maar ik ben er nog nooit in geslaagd vóór de laatste bladzijde te weten te
komen wie de dader was. Je mag al blij wezen als ik een verschil zie tussen
wat jij schrijft en wat er allemaal al geschreven is. Als ik afga op wat ik
tot nu toe weet kan ik net als iedereen maar één conclusie trekken: je zit
hier terecht. Probleem is dat ik me dat steeds moeilijker kan voorstellen,
nu ik je wat beter leer kennen. Je lijkt me in ieder geval niet het type dat
in een opwelling handelt."
Van dat laatste was hij nog wat meer overtuigd nadat hij gelezen had wat ik
tot dan toe geschreven had. Hij vond het ook nog wat moeilijker te blijven
geloven dat ik hier terecht zit. "Je hebt dit niet voor mij geschreven. Je
wist niet eens dat ik het nog eens zou lezen. Ik kan me niet voorstellen dat
je het allemaal opschrijft om jezelf te belazeren. Je bent trouwens niet
alleen op zoek naar de waarheid. Sorry hoor, ik heb nu eenmaal mijn
beroepseigenaardigheden. Je bent ook nog steeds hard op zoek naar jezelf.
Als je alleen wilt blijven zoeken, ga rustig je gang, maar ... uh ..."
"Ja, ik weet het, Frans. Ik kan altijd een beroep op je doen. Heel aardig,
maar ga niet lopen aandringen, want dan klap ik meteen helemaal dicht. Als
ik echt iets kwijt wil kan ik het wel opzouten tot Ineke weer komt. Als het
dan niet opborrelt was het kennelijk ook weer niet zo belangrijk."
Hij moest lachen. "Daar zou ik nog eens goed over nadenken. OK, ik houd mijn
mond verder."
Dat nadenken deed ik natuurlijk. Ik wist wat hij bedoelde. In mijn
grotendeels solitaire bestaan zijn genoeg momenten dat ik het helemaal niet
meer zie zitten. Hoe graag ik ook zou willen, er is niemand direct
beschikbaar met wie ik het daarover kan hebben, althans niet degene met wie
ik het erover zou willen hebben. Je kan zeggen dat mijn oude manier van
leven hier goed van pas kwam. Negatieve gevoelens kun je wegstoppen,
wegduwen, wegrationaliseren. Je hoeft ze aan niemand te tonen. Je hoeft er
niemand mee lastig te vallen. Frans zag het gevaar en ik ook, misschien nog
wel beter dan hij. Het opzouten mocht niet gaan leiden tot definitief
wegstoppen. Ineke kwam niet op bezoek om te horen dat het prima met me ging.
We maken van haar bezoeken ook geen wekelijks terugkerende klaagzang waarin
we elkaar vertellen hoe het erg het weer geweest was. We hoeven elkaar niet
de put in te praten. Ineke heeft gelukkig haar ouders nog, die veel vaker
bij haar komen dan vroeger, zo'n beetje om de veertien dagen. Bij hen kan ze
een hoop kwijt. Een enkele keer komen ze met haar mee naar mij toe. Wat hun
betreft willen ze best vaker komen, maar ze willen niet als het ware tijd
van Ineke afpakken.
Eén keer kwamen Inekes ouders zonder haar, omdat ze met griep in bed lag.
Voordat ze kwamen wist ik niet zo goed wat ik er mee aan moest. Ik had
eerder schoonouders gehad, maar dat waren niet meer dan goede bekenden. Jaap
en Irma zijn meer dan goede vrienden en niet alleen omdat ze vanaf het begin
onvoorwaardelijk achter me gestaan hebben. Ouders waren voor mij lange tijd
een soort mensen waar ik me weinig bij kon voorstellen. Dat begon eigenlijk
pas toen ik zag hoe Ineke met Marja omging. Ik heb maar een paar keer kunnen
zien hoe Irma en Jaap met Ineke omgaan. Die keer dat ze zonder Ineke op
bezoek kwamen, was tegelijkertijd de eerste keer dat ik ze zag zonder dat
Ineke erbij was. Toen we zaten vroeg Irma: "Hoe gaat het, jongen?"
Ik kon geen antwoord geven. Ik barstte in huilen uit. Voor het eerst in mijn
leven zei iemand van een vorige generatie 'jongen' tegen mij op een toon die
ik niet eerder had gehoord. Ik kan niet precies zeggen wat ik in die toon
hoorde. Misschien komt 'warmte' er dichtste bij. Ik moet ook eerlijk zijn:
wanneer had ik ooit iets gedaan om die warmte van een vorige generatie te
verdienen?
●●●●●
Zo langzamerhand weet ik niet goed meer wat nu het belangrijkste aspect van
al mijn geschrijf is. Ik wilde feiten achterhalen die voorkomen zouden
hebben dat ik achter tralies belandde. Ben ik eigenlijk niet gewoon bang dat
ik die feiten toch niet vind? Ga ik daarom zitten schrijven over feiten die
er niet toe doen? Wat schiet ik op met het schrijven over een mislukt
huwelijk? Hoe komt het dat ik in zeven jaar huwelijk nauwelijks veranderd
ben, maar dat Ineke in heel korte tijd dingen in mij naar buiten wist te
brengen die ik zelf niet of nauwelijks kende? Waarom liet ik de politie, de
rechters en daarmee de hele buitenwereld alleen de 'oude' Rob zien? Ik was
zo zeker van mijn zaak. Ik was onschuldig en dus kon ik niet veroordeeld
worden. Ik ken mijn Nederlandse taal en drukte mij dus zorgvuldig uit, zo
zorgvuldig dat het arrogant en koel leek. Ik lijk op Lothario, de man die
Barbertje niet vermoord, niet in stukken gesneden en niet ingezouten had,
maar toch moest hangen omdat hij schuldig was aan eigenwaan.
Het meest bizarre is dat de enige die mij vrij had kunnen pleiten de
vermoorde Marja is en dat juist zij verantwoordelijk was voor de
belangrijkste bewijsmiddelen tegen mij. Dat betekent uiteraard niet dat zij
de schuld draagt voor mijn huidige situatie. Zij heeft, daar zijn Ineke en
ik intussen van overtuigd, van een ander meisje over incestervaringen
gehoord. Misschien was dat andere meisje er zelf slachtoffer van, misschien
had zij het ook weer van een ander gehoord. In ieder geval was het voor
Marja onduidelijker dan voor andere meisjes. Zij kon immers niet uit eigen
ervaring weten hoe gewone vaders, de meeste vaders, met hun dochters omgaan.
Haar zal ook gezegd zijn dat ze het niet verder moest vertellen. Het opstel
was haar manier om het mij te vertellen zonder het te vertellen. Ze hoopte,
daar ben ik ook van overtuigd, dat ik haar zou vragen wat ze nou precies
bedoelde met haar opstel. Haar laatste vraag was niet voor niets of ik haar
opstel al gelezen had. Als ik ooit een vraag met "Ja!" heb moeten
beantwoorden is het die wel.
Wat ik ook had moeten doen is dat opstel aan Derksen geven toen hij voor de
eerste keer aan me vroeg wat er die laatste zondag in Marja's leven gebeurd
was. Wat voor mij en Ineke incest betekende was voor de politie pedofilie.
In Derksens opinie was ik de vader in het verhaal en Marja de dochter. Die
'omhelzing' paste uitstekend in dat beeld. Waarom had ik dat opstel
verborgen gehouden? Mijn reactie was dat het niet echt een groot probleem
was, als ik dat nodig gevonden had, om twee velletjes papier tegelijk met een stapel kranten in de
oud-papierbak te laten verdwijnen. Maar nee, dat was te simpel geredeneerd.
Ik was er zo van overtuigd dat niemand mij wat zou kunnen maken, dat ik
zelfs niet verdacht zou worden, dat ik dat opstel als een soort trofee voor
mijn eigen slimheid wilde bewaren. Alles werd tegen mij uitgelegd. Ineke kon
bij hoog en laag beweren dat Marja voor mij niets anders was dan een lief
meisje, ze had zich ook door mij laten inpakken. In alle eerlijkheid had zij
verteld hoe ik die middag in haar tuin naar Marja gekeken had: als een
vader. "Mevrouw," had Derksen gezegd, "die man heeft nog nooit aan iemand
zijn ware gezicht laten zien. Uit dat opstel had hij begrepen dat Marja wel
eens zou kunnen gaan praten. Ze was eraan toe, zal hij gedacht hebben. Dat
moest hij tot elke prijs voorkomen." Marja had als het ware haar eigen graf
gegraven. Ineke kreeg niet alleen te horen dat ze van de verkeerde man
hield, maar ook nog dat haar dochter toch niet zo slim was als ze altijd
gedacht had.
Als dat opstel het enige geweest was dat ze geschreven had, zou de
bewijsvoering wel erg mager geweest zijn, maar ze had meer geschreven. Ik
had het haar zelfs zien schrijven, gewoon met een ballpoint op papier. Ik
had er verder geen aandacht geschonken. Voor leraren zijn schrijvende
kinderen niet iets waar je van opkijkt. Voor de politie was het wel
veelzeggend wat ze met het geschrevene gedaan had.
INTERMEZZO 1
(Passages uit het manuscript van het boek "De Eerste Steen" van Frans
Boonstra)
In mijn werk ontmoet ik vooral mensen die, één of meer malen, om het zacht
uit drukken afwijkend gedrag hebben vertoond. Hun gedrag was zo afwijkend dat de
rechter het noodzakelijk vond hen gedurende enige tijd van de maatschappij af
te zonderen. Hun gedrag had allerlei oorzaken of redenen, zoals woede,
frustratie, hebzucht, kille berekening, aangeboren defecten en ook de aan vele
borreltafels zo vaak gekritiseerde 'verkeerde opvoeding'. Ze vertoonden,
kortom, het gebruikelijke menselijk gedrag, maar dan in zo'n extreme mate dat
niet alleen normen, maar ook wettelijke regels overschreden werden.
****
Niemand zit in de gevangenis voor zijn plezier, al
worden het natje en droogje op tijd geleverd, mag er tv gekeken worden en mag er
sport gedaan worden. Er is altijd die alles overheersende beperking van de
vrijheid om zelf uit te maken hoe je je dagelijks leven inricht. Ik schrijf dat
niet om medelijden op te wekken. Hun handelen heeft anderen van geld of andere
materiële zaken beroofd, van hun lichamelijk of geestelijke welzijn, in het
ergste geval van het samenleven met een geliefd persoon, een partner, een
familielid, een vriend of vriendin. De maatschappij eist, terecht, vergelding.
Een moderne maatschappij doet er alles aan de veroordeelden als betere mensen in
de maatschappij te laten terugkeren.
*****
In dit boek beschrijf ik een aantal mensen die ik in de loop der jaren in mijn
werk ontmoet heb: een fraudeur, een inbreker, een pedofiel die zich niet kon
beheersen, een automobilist die onder invloed reed, een inbreker, een pyromaan,
een incestpleger, een drugsdealer, een overvaller, een mishandelaar van een
echtgenote en twee moordenaars.
Ik laat ze zoveel mogelijk zelf aan het woord. Iedereen mag zijn eigen
conclusies trekken, zijn eigen oordeel vellen. "Wie zonder zonde is ..."
*****
Rob was voor het gevangenispersoneel de ideale gevangene. Er kwam geen
onvertogen woord uit. Er kwamen hoe dan ook weinig woorden uit. Hij bemoeide
zich nauwelijks met zijn medegevangenen. Hij kende alle regeltjes en hield er
zich stipt aan. Toen hij na twee jaar een verzoek indiende om een laptop en een
printer in zijn cel te mogen hebben en gebruiken werd dat dan ook zonder
problemen ingewilligd.
Rob was één van de twee moordenaars. Er was een belangrijk verschil tussen de
twee. Rob had altijd ontkend de dochter van zijn vriendin en latere partner te
hebben vermoord. Hij wilde aanvankelijk geen enkel contact met geestelijke
verzorgers. Hij geloofde niet in enig opperwezen en humanisme was voor hem een
godsdienst zonder god. Uiteindelijk raakte ik toch een keer met hem in gesprek.
Sinds die tijd spraken we van tijd tot tijd met elkaar, als ik het maar niet in
mijn hoofd haalde de rol van geestelijk verzorger te spelen. We hadden het over
koetjes en kalfjes, maar vaker over dingen die in de maatschappij speelden,
boeken die we gelezen hadden, films die we gezien hadden.
Uit ervaring wist ik dat er maar heel weinig mensen zijn, die het leven
aankunnen zonder af en toe stoom af te blazen. Iedereen wil wel een keer zijn
positieve en negatieve emoties met een ander delen. Rob kon dat doen met zijn
partner, Ineke, die wekelijks op bezoek kwam. Tussendoor schreef hij, daarom had
hij het gebruik van die laptop aangevraagd. Ineke kreeg alles te lezen wat hij
schreef. Uiteindelijk kwam hij zo ver dat hij ook mij liet lezen wat hij
schreef.
Het is niet mijn taak me af te vragen of iemand terecht of onterecht achter de
tralies zit. Daar hebben we onze rechters voor. Rechters zijn mensen die moeten
oordelen op basis van feitenmateriaal dat door andere mensen, politie, getuigen,
deskundigen, wordt aangeleverd. Rob zelf heeft wel eens gezegd dat als hij
rechter was geweest in zijn eigen zaak, hij hetzelfde oordeel had geveld. Alleen
was hij de enige die voor honderd procent zeker wist dat het oordeel onjuist was
en waren er maar drie mensen die rotsvast in zijn onschuld geloofden. Ik was
uiteindelijk de vierde. Dat had aanvankelijk niets met feiten te maken. Ik begon
hem gewoon een aardige vent te vinden. Dat zegt natuurlijk helemaal niets. Als
er weer eens een seriemoordenaar in de kraag wordt gevat en de omgeving wordt om
commentaar gevraagd, dan is dat commentaar bijna zonder uitzondering: "Het was
zo'n aardige man. Hij stond altijd voor je klaar. Je kon altijd een beroep op
hem doen."
Gerechtelijke dwalingen komen voor. Rechters zijn mensen en
niets menselijks is hun vreemd. Hetzelfde geldt voor politiemensen en officieren
van justitie. Zij moeten en willen ook hun 'targets' halen. Zelfs deskundigen gaan
wel eens de mist in. Gelukkig bestaat er nog altijd de mogelijkheid om herziening
van een vonnis te vragen.
Was de veroordeling van Rob een gerechtelijke dwaling? In de meest strikte zin van
het woord: ja. Daar ben ik althans, niet gehinderd door feitenkennis, van overtuigd.
Op basis van de nu bekende feiten zal geen jurist of ander weldenkend mens in Robs
geval van een gerechtelijke dwaling spreken.
Terwijl ik dit schrijf graaft
Rob in zijn geheugen om dat ene feit te vinden dat alsnog zonneklaar aantoont dat
hij niet de moordenaar is waarvoor iedereen hem houdt. Nadat ik hem een paar keer
had gesproken raakte ik geïnteresseerd. Ik ging zoveel mogelijk verzamelen van alles
wat er over hem gesproken en geschreven was. Met zijn toestemming heb ik bij zijn
advocate alle processtukken kunnen inzien. Af en toe lijkt het of in die stukken over
een heel andere man gesproken wordt dan de Rob die ik heb leren kennen.
Naar mijn mening heeft Rob één stomme fout gemaakt: zich niet laten onderzoeken
door het Pieter Baan Centrum. Het was natuurlijk zeer principieel, maar ik ben ervan
overtuigd dat uit het onderzoek gebleken zou zijn dat hij niet de ijskoude, harteloze
man was die het grote publiek uit de persverslagen leerde kennen. Uit dat onderzoek zou
gebleken zijn dat zijn opvoeding hem geleerd had geen banden aan te knopen met andere mensen.
Na enige tijd zouden die banden toch weer verbroken worden. Wat in zijn jeugd en vroege
adolescentie wantrouwen was, veranderde in bedachtzaamheid. Mensen werden niet meer, haast
automatisch, gewantrouwd, maar hij keek wel eerst de kat uit de boom. De eerste grote omslag
kwam toen hij Marja, zijn ex-vrouw, ontmoette. Voor het eerst durfde hij zich zelf toe te
staan te geloven dat er iemand was die niet alleen werkelijk in hem geïnteresseerd was,
maar zelfs van hem hield. Typerend is wel dat Marja steeds het initiatief moest nemen om
van hun relatie meer te maken dan leuk samen dingen doen en af en toe ook het bed te delen.
Bij Rob bleef het: een gevoel ervaren, daarover nadenken en vervolgens besluiten of het
al dan niet in de gegeven situatie zinvol was die gevoelens, goed geformuleerd, naar
buiten te brengen. Het ging niet zo berekenend als ik het nu schrijf. In een van die
zeldzame ogenblikken dat we wel over hem praatten heeft hij me proberen uit te leggen
dat hij zich die manier van reageren in een jarenlang proces zo goed had aangeleerd,
dat het een automatisme was geworden. Tussen gevoel en uitdrukking ervan zaten niet
meer dan enkele onderdelen van een seconde. Uiteindelijk is Robs huwelijk daar toch
op stuk gelopen. Het is Marja niet kwalijk te nemen dat ze na zoveel jaar wat meer
spontaniteit wilde.
Ook Marja is door de politie ondervraagd. Uit niets blijkt dat zij enige wrok koesterde.
Ze kon het alleen niet meer opbrengen. Ergens zegt zij: "Ik geloofde hem als hij zei dat
hij van me hield. Ik wist zeker dat hij het meende. Hij was volstrekt eerlijk in alles wat
hij zei. Alleen had ik niet altijd behoefte aan eerlijkheid, maar aan spontane uitingen van
emoties, al was het maar een keer een woedeuitbarsting."
De scheiding kwam bij Rob keihard aan. Niet omdat Marja een ander boven hem verkoos.
Niet omdat hij zijn grote liefde verloor. Ik ben ervan overtuigd dat Rob dacht dat hij van
Marja hield. Ik denk dat wat Rob voor liefde hield een samenstel was van een gelijk gevoel
voor humor, gemeenschappelijke interesses, een gemeenschappelijke afkeer van wat 'men'
normaal en juist vond en seksuele compatibiliteit. Daar kwam voor Rob nog bij de
unieke ervaring dat iemand van hem hield.
Dat de scheiding toch zo hard aankwam, was dat opnieuw werd 'aangetoond' dat
een werkelijke band tussen mensen niet bestond, in ieder geval niet tussen hem
en andere mensen. Hij viel weer volledig terug in zijn oude leefpatroon.
De tweede grote doorbraak kwam door die andere Marja.
Rob heeft zich, zeker in het begin, niet
gerealiseerd wat de jonge Marja voor hem betekende. Hij was haar leraar
Nederlands, haar bijna-buurman en wat later de vriend van haar
alleenstaande moeder. Hij was voor haar de meest aangewezen persoon om
de tijd door te brengen als haar moeder in het weekend werkte en zij
niet alleen wilde zijn. Van meet af aan accepteerde ze hem zoals hij
was. Ze ging haar eigen gangetje en liet hem ook zijn eigen gang gaan.
Het enige wat ze van hem vroeg was zijn tijdelijk gezelschap.
Rob schrijft in wat ik wel eens zijn 'memoires' noem, dat hij in de
planning van zijn zaterdagen en zondagen er rekening mee hield dat zij
wel eens zou kunnen komen. Wat hij er niet bij schrijft, maar wat voor
mij zonneklaar is, is dat hij ernaar uitkeek. Er is nauwelijks een
maatschappij denkbaar waarin een volwassen man openlijk kan zeggen of
schrijven dat hij van een meisje van twaalf houdt, zonder dat er op zijn
minst enkele wenkbrauwen gefronst worden. Het was Ineke die niet lang na
Marja's dood bijna terloops zei dat Rob van haar hield. Ze zei erbij
dat Rob naar haar keek, toen ze een keer in de tuin in niet meer dan een
bikinibroekje lag te zonnen, zoals Marja's vader gekeken zou kunnen
hebben. Of dat een juiste interpretatie is weet ik niet. In ieder geval
duidt dat erop dat hij niet met onzuivere gevoelens of gedachten naar
haar keek. Er was hoe dan ook duidelijk sprake van genegenheid en voor
Rob was dat al heel wat. Het was geen stom toeval dat hij juist
tegenover haar voor het eerst openlijk toegeeft dat alleen zijn helemaal
niet altijd zo leuk is. Marja was een mens, hoe jong dan ook,
bij wie hij niet op zijn hoede was. Met haar jeugd had dat niets te
maken. Als leraar ontmoette hij genoeg jonge mensen bij wie hij wel
degelijk, net als bij volwassenen, op zijn hoede was. Kinderen zijn niet
beter dan volwassenen. Een Frans pedagoog heeft de jeugd ooit 'l'age
sans pitié' genoemd, de leeftijd zonder medelijden.
Rob probeert achteraf zijn gevoelens voor Marja te verklaren als een
projectie van zijn gevoelens voor Ineke. Zeker is dat al vrij snel na
hun kennismaking een vriendschappelijke relatie ontstaat. Je zou ook
kunnen zeggen dat Marja Rob het 'excuus' bood langzaam aan Ineke te
wennen. Om Ineke te spreken hoefde hij haar niet een avondje mee uit te
nemen. Ineke kwam nooit alleen bij hem op bezoek, Marja kwam altijd mee,
zoals ze er altijd was als hij bij Ineke op bezoek ging.
Beide Marja's waren vrij plotseling deel van Robs leven gaan uitmaken.
Ineke kwam als het ware van een zijlijn binnenwandelen en wandelde mee.
Ze moest toevallig dezelfde kant op. Het was een plezierige wandeling,
maar snel ging ze niet. Ineke had, net als Rob, de nodige bagage mee te
torsen. De herinneringen aan haar man Karel, die bij een ongeluk om het
leven was gekomen, waren nog springlevend. Het was voor haar geen
uitgemaakte zaak dat een andere man zijn plaats zou kunnen innemen.
Het was een wrange speling van het lot dat er iets vreselijks, iets
onherstelbaars moest gebeuren om Rob en Ineke duidelijk te maken dat ze
niet alleen in dezelfde richting wandelden, maar dat ze hetzelfde
einddoel hadden.
Rob had, zonder het te weten, zijn bagage achter zich gelaten. Hij wist
ineens wat het betekende een werkelijke band te hebben met iemand,
doordat die band ruw werd doorgesneden. Hij wist ineens wat verdriet
was. Hij wist wat gevoel was. Hij stelde er zich voor open. De dag na
Marja's dood vraagt hij zich nog af of er iets veranderd is tussen Ineke
en hem. Tegelijkertijd wéét hij dat er iets veranderd is en wat er
veranderd is en niet alleen bij hem. Zijn oude leefstijl kwam voor één
keer goed van pas. Het was niet de juiste tijd zijn werkelijke gevoelens
voor Ineke meteen te openbaren en hij was een meester in het verbergen
ervan. Heel bewust liet hij Ineke het initiatief, niet vermoedend dat
het al zo snel genomen zou worden.
Rob weigert met mij te praten over wat het betekent al
een aantal jaren ten onrechte gevangen te zitten en nog meer jaren voor de boeg
te hebben. Hij schrijft er ook niet over. Toen ik in ons eerste gesprek vroeg of
hij er niet door gefrustreerd was wilde hij niet meer kwijt dan dat het voor
Ineke nog veel erger was. Hij zei het niet letterlijk zo, maar het kwam neer op:
"Ik leef in een cel, Ineke leeft in een hel." Het geeft ook aan hoe hij
veranderd was, dat hij geleerd had over de grenzen van zijn eigen bestaan heen
te kijken. Het bleef nog altijd beperkt tot Ineke, maar veel gelegenheid om
anderen in zijn kring op te nemen had hij dan ook niet gekregen. Het kostte hem
weinig moeite in de gevangenis zijn contacten tot de meest noodzakelijke te
beperken. Zijn medegevangen hadden ook niet zo'n behoefte aan contact met hem.
In de pikorde van de gevangenis staan kindermoordenaars vrijwel onderaan.
Noot voor mezelf (nog eens over nadenken)
Soms vraag ik me af of het zinvol is wat ik nu zit te doen. In feite was mijn
boek al af. Ik zat het nog één keer na te lezen en hier en daar nog wat
correcties aan te brengen. Zolang Rob niet over zichzelf wil praten, kom ik
alleen meer over hem te weten uit wat hij schrijft. Dat kan nog wel enige tijd
doorgaan. Is het verstandig daar op te wachten of kan ik dat laatste hoofdstuk
beter vergeten? De andere personen die in mijn boek voorkomen konden, soms tot
in de meest weerzinwekkende details, beschrijven wat zij gedaan hadden. Zij
konden mij vertellen wat zij daarbij voelden of juist niet voelden. Rob heeft
mij wat dat betreft niets te vertellen. Hij kan me niets vertellen. Toch is het
interessant een onschuldige in mijn boek op te nemen. Misschien moet ik ook die
andere onschuldig gestrafte, Ineke, in dit verhaal opnemen. Ik zou eens aan Rob
moeten vragen of hij daar bezwaar tegen heeft. Uiteraard bepaalt Ineke zelf of
zij het wel of niet wil. Uit een enkele opmerking van Rob heb ik wel begrepen,
dat ze, ongewild, tamelijk geïsoleerd leeft. Nadat ze ging samenwonen met Rob
lieten de buren haar al snel links liggen. Nieuwe buren kregen al gauw te horen
wie ze was, "die rare vrouw die ging samenwonen met de man die haar dochter
vermoord had." Op haar werk wordt ze correct, maar ook niet meer dan dat
behandeld. Er is precies één collega die de moed heeft getoond er met haar over
te praten. Die gaat uit van het gezonde principe dat wat Rob ook gedaan heeft,
Ineke daar niet verantwoordelijk voor is en dat hij, die collega, niet gaat
uitmaken met wie Ineke een relatie mag hebben. Hij begrijpt de relatie
Rob-Ineke niet helemaal, maar hij zei erbij dat hij om zich heen heel wat
meer relaties zag waar hij ook helemaal niets van begreep. Misschien is het toch wel goed om het
laatste hoofdstuk aan Rob te wijden, omdat het gelegenheid biedt wat commentaar
te leveren. Dat laat ik in de andere hoofdstukken achterwege, maar af en toe
hebben mijn vingers wel gejeukt.
De maatschappij bergt haar misdadigers op en daarmee is de kous af. 'Men' is
niet geïnteresseerd in motieven en omstandigheden. 'Men' heeft het ook wel eens
moeilijk gehad, maar is toch ook op het rechte pad gebleven? O, kunnen die arme
zielen geen leuke baan meer krijgen als ze uit de gevangenis komen? Jammer dan,
hadden ze maar verstandig moeten wezen. Hebben hun partners en kinderen ook
onder de straf te lijden? Daar hadden zij dan maar eens aan moeten denken.
Een Engelse rechter uit de 19e eeuw, Sir Thomas Noon Talfourd, heeft eens
gezegd: "Fill the seats of justice with good men, not so absolute in goodness as
to forget what human frailty is."
Niet alleen de rechters, niemand zou moeten willen vergeten wat menselijke
zwakheid is.
●●●●●
DEEl 3: DE MOOISTE TIJD
"De mooiste dag van mijn leven." Dat hoor je mensen wel eens zeggen
als ze het hebben over iets wat ze vroeger hebben meegemaakt. De trouwdag wordt
dan vaak genoemd, of de dag dat ze elkaar ontmoet hebben. "De mooiste tijd van
mijn leven." Dat zeggen ze dan ook wel eens. Ik heb dat altijd een wat
merkwaardige opmerking gevonden. Strikt genomen immers betekent het dat het
daarna nooit meer zó mooi is geweest. Dat niet elke dag even leuk is en dat
sommige perioden leuker zijn dan andere, weet ik ook wel, maar als het mooiste
altijd in een meestal wat verdere verleden ligt, zou het leven niet zo geweldig
zijn. Het klinkt wat deprimerend.
Ik ga mezelf meteen tegenspreken. De mooiste periode in mijn leven ligt
inderdaad achter me. Ze heeft nauwelijks een jaar geduurd en het ergste
dieptepunt ligt er ook in. Tegen beter weten in blijf ik mezelf verwijten dat ik
Marja niet gezegd heb dat ik haar opstel nog niet had gelezen. Ik heb een kopie
ervan in mijn cel en ik heb het zo vaak gelezen dat ik het bijna uit mijn hoofd
ken.
MIJN VADER
Janneke, je moet vroeg naar bed, want we gaan heel vroeg weg, had mijn vader
gezegd. Hij wilde om twaalf uur bij Disneyland zijn. 's Morgens om vijf uur
maakte hij me al wakker. Onder de douche waste hij mijn haren en die maakte hij
droog met de föhn. Ik vroeg nog of mamma daar niet wakker van werd, maar die
slaapt overal door heen zei hij. Daarna trok ik mijn kleren aan. Mijn vader had
speciaal voor de gelegenheid een heel leuk kort rokje voor me gekocht. Dat had
hij me gegeven toen ik wakker werd.
Om kwart voor zes reden we weg. Ik had drie boterhammen gegeten en een glas melk
gedronken. Mijn vader had alleen koffie gedronken. Hij had de radio aangezet,
maar daar werd alleen maar op gepraat. Ik had mijn iPod meegenomen. Die had ik
van opa en oma gekregen. Daar stond best gave muziek op. Voor het eerst van mijn
leven zou ik in een hotel slapen. Dat vond ik best spannend. Ik haalde de
folders uit het handschoenenvakje. Die had ik er de vorige avond al in gelegd.
Mijn vader had de koffer ingepakt en ook vast in de auto gelegd.
Ze maakt een opsomming van diverse dingen die ze wel wil zien. De eerste middag gaan ze naar 'Main Street USA', waar ze in een paardentram door een straat uit het begin van de twintigste eeuw rijden. Ze zien ook nog een parade van alle bekende Disneyfiguren. Janneke gaat al vroeg naar bed, want ze is moe. Het blijkt dat ze vergeten zijn haar pyjama in te pakken.
Dan slaap je toch alleen in je
broekje, zei mijn vader. Hij zei ook dat ik niet moest schrikken als hij er niet
was als ik wakker werd. Dan was hij even naar de bar. Dat is een plek in een
hotel waar mensen wat kunnen drinken. Ik werd wakker van het gemorrel aan de
deur. Ik hoorde dat mijn vader wat zei. Ik hoorde ook een mevrouw wat zeggen.
Maar ze praatten niet hard, dus ik kon het niet verstaan. Ze moesten ook wel
lachen.
Ik was om half acht wakker. Mijn vader sliep nog. Hij snurkte. Hij had ook zijn
pyjama niet aan gedaan. Ik ging eerst douchen en me aankleden en toen maakte ik
mijn vader wakker.
Bij het ontbijt mocht je zelf allerlei dingen pakken die je lekker vond. Ik
vroeg aan mijn vader wie die mevrouw was waar hij mij gepraat had. Daar had hij
in de bar mee gepraat, zei hij. Zij was met twee kinderen, die net als ik vroeg
naar bed waren gegaan. Je had niet meteen onder de douche moeten gaan, zei hij
ook. Dan hadden we samen in dat mooie grote bad kunnen gaan. Zo'n mooi bad
hebben we thuis niet.
's Ochtends bezoeken ze een indianendorp en 's middags een dorp uit het Wilde Westen. Soms schrijft ze bijna letterlijk dingen uit een folder over, of iets wat ze op het internet gelezen heeft, bijvoorbeeld over het eten: "We kijken naar een wervelende dansvoorstelling terwijl we genieten van onze Westernmaaltijd: dat is pas genieten!"
Ik
ging weer vroeg naar bed want ik was best wel moe van de hele dag lopen. Ik
vroeg aan mijn vader of hij weer met die mevrouw ging praten in de bar. Hij zei
dat hij niet wist of ze er was, maar dat hij wel weer even naar de bar zou
gaan. Ik vroeg ook of we morgen ook nog de Eiffeltoren konden gaan bekijken.
Dat vond hij niet zo'n goed idee, want dan moest hij helemaal Parijs door. Ik
bleef doorzeuren en toen zei hij, weetje wat? Als we morgen samen in bad gaan,
gaan we daarna naar de Eiffeltoren. Ik zei dat ik het goed vond.
Mijn vader maakte mij wakker. Hij had het bad al laten vollopen. Hij waste mij
helemaal en ik hem. Daarna gingen we ontbijten en naar de Eiffeltoren. Je kunt
helemaal naar boven met de lift en dan kan je Parijs bekijken. Ik bekeek hoe
mijn vader Parijs bekeek. Dat was toch wel een goed idee van je, Janneke, zei
hij. Je kan hier heel Parijs zien.
Waarom spring je niet naar beneden? dacht ik.
●●●●●
Marja had duidelijk goed over haar opstel nagedacht. Niet voor niets was het
Ineke opgevallen dat ze op de dag dat ze aan het schrijven was zo stilletjes
was. De titel alleen al is opvallend. Je zou eerder iets verwachten als
"Mijn trip naar Disneyland". De vader zegt dat de moeder niet wakker wordt
van het geluid van de föhn. Moet je daar uit lezen: de moeder merkt niets,
de moeder weet van niets? De vader had een kort rokje gekocht. Ik weet niet
zo veel van het vaderschap, maar volgens mij zijn er niet veel vaders die
rokjes kopen voor hun dochters. Hij geeft het pas die ochtend. Moeder weet
hier dus ook niets van.
Het staat niet met zo veel worden in het opstel, maar je krijgt de indruk
dat Marja duidelijk wil maken dat het meisje zich bewust eerst douchet en
aankleedt en pas daarna haar vader wakker maakt. Waarom staat er zo
nadrukkelijk dat de vader ook geen pyjama droeg? Marja was eraan gewend dat
Ineke zonder pyjama sliep, maar in een opstel schrijf je niet over dingen
die heel gewoon, heel alledaags zijn. Ik weet niet waar kinderen onder
elkaar over praten, maar ze zullen het ook wel eens hebben over de gewoontes
van hun ouders. Zo kan Marja best eens gehoord hebben dat de meeste ouders
pyjama's dragen als ze naar bed gaan.
De tweede keer dat het bad genoemd wordt is heel duidelijk. De vader
gebruikt het als een voorwaarde. Als het meisje naar de Eiffeltoren wil,
moet ze daarvoor wat terugdoen: met hem in bad.
De cruciale zin uit het opstel is: "Hij waste mij helemaal en ik hem." Ik
kan mij niet voorstellen dat een pubermeisje, zelfs al zou ze een
ongebreidelde fantasie hebben, zo'n scène bedenkt. Daarover ben ik het met
iedereen eens. Dat Marja, die geen vader kende en thuis alleen maar een
douche had zoiets zou bedenken was nog onwaarschijnlijker. In mijn huis is
zo'n groot bad. Ik gebruikte het zelden, maar het zat er nou eenmaal toen we
het huis kochten. Ik heb geen idee of Marja dat wist. Ik kan me niet
herinneren of ze ooit op de bovenverdieping is geweest, maar ik kan ook niet
met zekerheid zeggen dat ze er nooit geweest is.
Ik ben neerlandicus. Ik heb geleerd teksten te analyseren. Opstellen van
schoolkinderen zijn geen literatuur. Die kinderen gaan echt niet zitten
nadenken over de wijze waarop ze door de juiste woordkeuze of zinsbouw het
meeste effect kunnen sorteren. Maar toch. Ik denk dat een kind normaliter
geschreven zou hebben: "Hij waste mij en ik hem." Marja wil of durft niet in
detail te treden, maar ze wil wel duidelijk maken dat het niet alleen om
wassen ging. Vandaar dat ze "helemaal" toevoegt.
Het was Ineke en mij na een tijdje wel duidelijk dat een meisje Marja
verteld had over een incest plegende vader. Na verloop van nog enige tijd,
ik was toen al hoog en breed verdachte nummer één, wisten we ook wie de
vader en de dochter waren.
Marja had niet verteld waarom haar vriendschap met Anneke afgelopen was. Het
was Ineke die zich ineens wat herinnerde: "Weet je nog die woordjes die we
op mijn laptop vonden en waar we niks van begrepen, och - joch, odium -
jodium? Wat dacht je van Anneke - Janneke?"
Het paste allemaal precies in elkaar: een vader die veel thuis is en een
werkende moeder; de vader brengt de dochter naar school en haalt haar weer
op; de vader gaat met de dochter zwemmen. Anneke vertelt Marja wat haar
overkomt. Marja wil die verhalen niet meer horen en verbreekt de
vriendschap. Ze wil haar wetenschap toch kwijt, maar weet niet goed hoe ze
het vertellen moet en doet dat versluierd in haar opstel, in de hoop dat ik
zou vragen wat ze er nou precies mee bedoelde. Nadat ze die laatste zondag
bij me weggegaan is, ontmoet ze, bewust of bij toeval, Annekes vader. Hij
merkt of Marja laat merken dat ze weet wat er gaande is en hij neemt zijn
maatregelen.
Ik gaf onze theorie, meer was het natuurlijk niet, door aan Derksen. Die
vond het in ieder geval de moeite waard om het te checken.
Helaas voor mij bleek Annekes vader te kunnen aantonen dat hij die zondag
van elf tot vier uur bij zijn demente moeder in een verpleeghuis op bezoek
was geweest. Van een incestueuze relatie met Anneke was ook niets gebleken.
Toen Derksen mij dat vertelde voegde hij er aan toe: "Leuk geprobeerd,
meneer Helder, maar u weet net zo goed als ik dat er meer is dan dat
opstel."
●●●●●
Als je langdurig in de gevangenis zit, is alle tijd daarvóór al gauw de
mooiste tijd van je leven. Alleen was bij mij de weg van up naar down wel
erg steil en kort geweest. Ineke en ik konden na onze terugkomst uit
Karpathos nog een paar weken samenleven. Een deel van de vakantie die ik nog
had besteedde ik aan aanpassingen in het huis die Ineke graag wilde. Zo
verhuisde ik mijn bureau en andere dingen die met mijn werk te maken hadden
naar een kamer boven die Marja vroeger als haar werkkamer gebruikt had en
sinds haar vertrek vrijwel leeg stond. Ik had er wel eens over gedacht daar
mijn werkkamer van te maken, maar het was er nooit van gekomen.
Een belangrijke verandering voor Ineke was dat ze, als ze uit haar werk
kwam, niet meteen hoefde door te hollen naar de keuken om te gaan koken.
Daar had ik tijd genoeg voor. Ze vond dat een prima regeling. "Daar moet je
vooral mee doorgaan als je ook weer aan het werk bent." Ik vond het best.
Het beviel Ineke ook wel een tijdje niet in de directe zorg te werken, maar
op het kantoor. Ze had al snel door dat daar veel geregeld en georganiseerd
werd voor het 'veldwerk' door mensen die geen idee hadden wat dat veldwerk
precies inhield. Ze had daarover met haar directeur gesproken die zowaar een
open oor had voor mening. Hij bood haar zelfs aan een cursus in de
managementsfeer te volgen, zodat ze te zijner tijd, als er een vacature
kwam, een definitieve functie op kantoor kon krijgen.
"Ik weet ook wel dat er veel meer handen aan het bed nodig zijn," zei Ineke,
"maar mag ik na zoveel jaren verplegen en verzorgen ook eens een keer aan
mezelf denken? Ze zeggen altijd dat het zo mooi is om met mensen te werken.
Dat is het vaak ook, maar zieke mensen zijn echt niet altijd even leuk en
even dankbaar. Vind jij het altijd zo leuk om met jonge mensen te werken?"
"Ik vind het vooral leuk om mensen te leren hun taal goed te gebruiken. Als
er een dagschool voor volwassenen was zou ik daar met evenveel plezier
werken. Dan zou ik ook een aantal leerlingen hebben die ik het liefste
achter het behang zou plakken."
Er waren nog heel wat momenten waarop Ineke behoorlijk in de put zat. Eén
keer kwam ze halverwege de middag thuis en holde meteen door naar de
slaapkamer. Ze lag op bed te huilen. Ik ging op de rand zitten en streelde
haar hoofd en rug. Toen ze uitgehuild was ging ze op haar rug liggen. "Je
bent een lieverd", zei ze. "Je laat me tenminste lekker uithuilen."
Ik vroeg of er wat bijzonders gebeurd was. Ze had een aantal dossiers met
werkrapporten doorgelezen. Een daarvan betrof een meisje van veertien met
terminale kanker. De ouders wilden haar in de laatste fase met de nodige
hulp thuis verzorgen. Ze was na twee maanden overleden.
"Ik zat na te denken over wat nou erger was, wat mij was overkomen of wat
die ouders was overkomen. Ik was Marja van het ene op het andere moment
kwijt. Die ouders moesten eerst nog een hele lijdensweg doormaken. Zij zagen
het aankomen. Toen werd ik kwaad op mezelf. Hoe kan je verdriet nou
vergelijken? Alsof je ooit tegen iemand kunt zeggen: 'Ik heb veel meer
verdriet dan jij. Mijn verlies is veel groter.' Nou ja, toen kwamen alles
weer door me heen. Gelukkig is er weer iemand bij wij ik kan uithuilen."
Ineke had gelijk, vond ik, maar ik durfde niet te zeggen dat mijn verlies en
verdriet net zo groot waren als de hare. Ik kon misschien alleen wat beter
dan anderen invoelen wat het verlies van Marja voor haar betekende.
Omdat het in die vakantieweken vrij vaak mooi weer was, heb ik ook nog veel
gefietst. Eén keer kwam ik daarbij op het Ericapad terecht. Mijn eerste
impuls was om te keren, maar ik fietste toch door. Ik stopte niet bij de
plaats waar ik Marja had gevonden. Ongeveer vijftig meter verder sloeg ik
een zijpad in. Ik wist dat een kleine honderd meter verder een picknicktafel
stond. Daar dronk ik mijn laatste iced tea en heb ik nog een tijdje zitten
lezen.
●●●●●
Een tijdje
geleden is Ineke ook begonnen met schrijven. Ik ga niet alles wat ze
schrijft hier overnemen.
Frans zei kortgeleden tegen me dat hij wat ik schrijf mijn 'memoires' noemt.
Daar heeft hij wel een beetje gelijk in. Misschien is te zijner tijd een
uitgever wel geïnteresseerd. Ik ga daar in ieder geval van nu af wat meer
rekening mee houden. Als het dan toch memoires worden passen daar ook wel in
dingen in die Ineke schrijft. De eerste brief was een complete verrassing
voor me. Laat me eerlijk zijn: ik schrok eerst. Was er iets wat ze me niet
kon of durfde zeggen? Ik zou me moeten schamen dat ik dat van Ineke dacht en
dat deed ik. Ik heb het haar eerlijk opgebiecht bij haar eerste bezoek
daarna. Ik laat hier die eerste brief lezen.
Lieve Rob,
Wat een ontzettend traditioneel begin van een brief, vind je niet? Ik weet
best heel wat origineler beginnetjes, maar dan denk ik: misschien zitten ze
daar in de gevangenis eerst alle binnenkomende post driftig door te lezen op
geheime boodschappen en zo en het gaat ze geen bal aan wat voor lieve
dingen ik af toe tegen je zeg en hoe ik je soms noem als ik je geen Rob
noem.
Gisteravond toen ik weer thuis kwam na mijn bezoek zat ik weer eens stukken
te herlezen van wat je tot nu toe geschreven hebt. Ik bedacht me ineens dat
ik op allerlei momenten wel eens denk: dat zou ik Rob moeten vertellen.
Als het echt belangrijk is onthoudt ik het ook wel, maar er zal best eens
wat verloren gaan. Dat vind ik eigenlijk wel jammer. Bovendien is schrijven
ook een beetje praten-op-afstand en één keer in de week met elkaar praten is
veel te weinig.
Ik heb nog eens nagedacht over wat je schreef over dat bezoek zonder
toezicht. Daar hebben we het al een tijd niet over gehad en het is nog veel
langer geleden dat we 'het' gedaan hebben.
Het moeilijkste vind ik eigenlijk dat je dat bezoek zonder toezicht van
tevoren moet aanvragen. Dan is het eindelijk zo ver en dan is er net iets
gebeurd waardoor je toch niet zo nodig hoeft, maar de ander wil best wel en daar
zit je dan tegen elkaar aan te kijken. Moet je dan maar doen alsof?
Is dat iets wat je voor elkaar over moet hebben? Thuis is dat allemaal geen
punt. Als je vandaag geen zin hebt, heb je die morgen wel. Maar in de
gevangenis is de volgende keer pas over vier weken en misschien is die
"daartoe geschikt bevonden en ingerichte ruimte" dan toevallig net bezet.
Dat zou zomaar kunnen, toch?
Je begrijpt wel dat ik niet plotseling overvallen ben door een geweldige
behoefte aan seks. Ik ben elf jaar zonder man in mijn leven doorgekomen en
dat lukt me nu ook wel weer. Als het in die ruimte niet tot seks komt is er
ook geen man overboord. Je bent in ieder geval een tijdje weer eens met z'n
tweeën. Je kunt weer eens dicht tegen elkaar aan zitten of liggen. Dat zou
ik al heel fijn vinden en ik weet zeker dat jij dat net zo fijn zou vinden.
Misschien wordt het afscheid nemen nog moeilijker, maar dat zien we dan wel.
Afscheid nemen is een beetje sterven, zeggen ze. Als er twee keer iemand uit
je leven is verdwenen die alles voor je betekende zonder dat je zelfs maar
afscheid hebt kunnen nemen, wordt afscheid nemen voor een week wat
makkelijker, al zit ik af en toe in de auto op weg naar huis de hele wereld
te vervloeken omdat ik weer een hele week zonder jou tegemoet ga. Dat is
heel egoïstisch gedacht, dat weet ik.
Dit schrijf ik een dag later. Het werd me gisteren even teveel. Ik heb een
lekker potje zitten janken, bijna driekwart fles wijn opgedronken en een
grote zak chips leeggegeten. Vanochtend had ik dus een behoorlijke kater,
maar die heb er vanmiddag uitgefietst, met alle chipscalorieën. Als we toch
een keer bezoek zonder toezicht zullen meemaken wil ik wel dat je met
stijgende bewondering naar me kijkt als ik het ene kledingstuk na het andere
uittrek.
Misschien moeten we ook eens gaan denken over verhuizen. De mensen in de
buurt hier zitten nog steeds niet te springen om contact met me te hebben.
Ik ben nog altijd dat rare mens dat tegen beter weten in een relatie heeft
met de moordenaar van haar kind. Aan dat dorp hier bindt me ook niets. Ik
kan wel sentimenteel gaan zitten doen over plekken waar ik met Marja geweest
ben, maar dat onthoud ik toch wel. Het zou best handig zijn als ik wat
dichter bij de gevangenis zou wonen. Dan kan ik gewoon op de fiets naar je
toekomen. In de zorg kan ik overal een baan krijgen, zeker als ik weer
gewoon in de verpleging ga werken. Het maakt nu toch niet uit dat ik dan
weer onregelmatige werktijden heb.
In een
andere plaats kan ik weer gewoon contact met buren hebben. Dat mis ik toch
wel. Ik ben nu eenmaal niet zo'n doorgewinterde 'loner' als jij bent. In het
algemeen lukt het me wel. Dat weet je. Maar er zijn gewoon van die momenten
dat je iets tegen een ander wilt zeggen, maakt niet uit wie en het hoeft
helemaal niets belangrijks te zijn. Je zit bijvoorbeeld naar een
tv-programma te kijken en je denkt: wat een shit! Dat wil je dan gewoon wel
eens tegen iemand kunnen zeggen.
Gisteren
ben ik uit eten geweest met Mark, die collega die tenminste een beetje zijn
best doet om te begrijpen hoe het met ons zit. Hij zat een beetje in de put,
want zijn vriendin is met een oudere zus voor twee weken naar Vlieland
gegaan om nog eens goed na te denken over hun relatie. Hij is bang dat er
als ze terugkomt geen relatie meer is. Hij heeft die zus natuurlijk wel
een paar keer ontmoet en daar was hij niet gillend enthousiast over. Ze zal
zeker niet voortdurend roepen dat zijn vriendin vooral bij hem moet
blijven.
Mark
vroeg nog of ik jou zou vertellen dat ik met hem was wezen eten. Hij begreep
het niet helemaal toen ik zei dat ik dat inderdaad zou doen. Dat moest toch
heel vervelend voor jou zijn? Ik heb geprobeerd hem uit te leggen hoe onze
relatie zo'n beetje in elkaar zit, maar hoe tolerant hij ook is, hij zou het
toch wel moeilijk vinden als zijn vriendin met een andere man zou gaan eten.
Ik heb hem er voorzichtigjes op gewezen dat hij met een andere vrouw zat te
eten. Dat was wel zo, maar dat had te maken met de situatie. Sommige mensen
weten niet eens dat ze er een dubbele moraal op nahouden.
Morgen komen mijn ouders. Ze zijn drie dagen naar een cursus geweest waar ze
hebben geleerd hoe ze er mee om moeten gaan als mijn vader met pensioen
is. Ze hebben die hele cursus niet nodig, want ze zitten er nu al naar uit
te kijken, maar ze wilden wel eens horen hoe problematisch het schijnt te
zijn als je de hele dag moet optrekken met iemand van wie je verondersteld
wordt te houden. Zouden die cursisten enig idee hebben dat ze het over een
luxeprobleem hebben?
Mijn
ouders willen ook weer een keer bij je op bezoek komen. Daar moeten we
komende woensdag een afspraak over maken. Ik vind dat ze ook weer eens met
je moeten praten zonder mij er bij. Ik zal je natuurlijk vreselijk missen,
maar die tijd gebruik ik dan om een extra lange brief aan je te schrijven.
Ik kan de fantasieën opschrijven die ik wel eens heb over hoe je vrij komt
omdat de werkelijke dader zich berouwvol bij de politie heeft
gemeld. Dan gaat de tv
mee om te laten zien hoe wij elkaar weer liefdevol in de armen sluiten en
dan zeg ik: "Op zo'n man wil toch iedere vrouw jaren blijven wachten?" Onzin
natuurlijk, ik heb heel andere fantasieën, die heel wat dichter bij de
werkelijkheid liggen. Ik weet één ding heel zeker: de eerst mogelijke
gelegenheid na je vrijlating nemen we het vliegtuig naar Karpathos. Daar
denken we niet over de toekomst en ook niet over het verleden. Dan denken we
alleen maar aan onszelf. Dan gaan we naar dat afgelegen strandje en daar
gaan we geweldig vrijen in het zand. Dan gaan we samen iets tegen de zee
roepen: "WE ... ZIJN ... WEER ... GE ... LUK ... KIG."
Ik houd van je.
●●●●●
Kan je gelukkig zijn in de gevangenis? Het zal wel vreemd klinken, maar dat
kan inderdaad. Geluk is meestal een herinnering, maar soms ben je hier en nu
gelukkig, ondanks de omstandigheden. Ik was gelukkig na het lezen van Inekes
brief. Er staat voor een objectieve buitenstaander niet zo veel
buitengewoons in, denk ik. Het gaat ook niet om de mededelingen sec of de
bespiegelingen die ze maakt. Ik zie de vrouw achter die woorden. Het kan ook
te maken hebben met die verwijzing naar Karpathos. Die twee weken daar, met
die mengeling van tegenstrijdige een nogal heftige moties, zijn zo bepalend
geweest voor onze relatie.
Ik denk soms te veel na of te ver door. Dat krijg je als je veel alleen zit.
Ik heb Ineke eens gevraagd, ik zat hier toen al een tijdje, of ze zo trouw
bleef komen, omdat ik daar op Karpathos een steun voor haar geweest was. Ze
werd bijna kwaad. "Ik kom hier niet alleen voor jou, Rob. Ik kom hier niet
uit dankbaarheid of liefdadigheid. Ik kom hier ook voor mezelf. Je bent niet
de enige die een beetje steun nodig heeft en af en toe van zich af moet
praten. Ik heb twee keer iemand verloren zonder dat ik iets kon doen om het
te voorkomen. Nu kan ik er wel iets aan doen, niet omdat ik een vent nodig
heb, maar omdat ik jou nodig heb. Met al je eigenaardigheden ben je toch wel
de moeite waard om op te wachten. Ik kom hier niet om te kijken of jij nog
wel van mij houdt. IK kom hier om te zien en te voelen dat ik nog van jou
houd, zodat ik wil knokken om dat te blijven voelen. Duidelijk?"
Veel duidelijker kon ze niet zijn.
Het was geen vakantie op Karpathos, dus we hebben er ook nauwelijks foto's
van, een stuk of tien hoogstens. Ik had dat toestel bijna automatisch
ingepakt. Ik heb ooit eens een lijstje gemaakt van dingen die mee moeten als
je op vakantie gaat. Ik heb daar één foto van Ineke gemaakt, terwijl ze op
dat strandje in de zon zit op te drogen. Ik mag maximaal vijftien foto's in
mijn cel hebben. Ik heb er één: die foto van Ineke in haar blootje op een
gladde rots. Hij hangt niet op mijn prikbord. Ik wil niet het risico lopen
dat iemand van het personeel die toevallig eens in mijn cel moet wezen
tussen neus en lippen opmerkt: "Goh, dat is best een lekker stuk, zeg." Daar
zou ik niet tegen kunnen. Hij ligt gewoon in de kast.
Terwijl ik over foto's schrijf voel ik iets knagen. Er is iets wat eruit wil
komen, maar dat niet komt. Het heeft niets te maken met die paar foto's die
ik daar gemaakt heb. Dat weet ik bijna zeker. Wat is er met een foto? Heeft
het iets te maken met waarom ik hier zit? Van mezelf heb ik geen andere
foto's dan pasfoto's. Na onze scheiding mocht Marja al onze vakantiefoto's
hebben. Foto's van Ineke en Marja van voor mijn tijd heb ik nog nooit
gezien. In het opstel van Marja wordt het maken van foto's in Disneyland
niet genoemd. Er bestaan geen foto's van mij in een compromitterende
situatie, want bij mijn weten heb ik mij nooit in zo'n situatie bevonden.
Over een tijdje zal ik het wel weer vergeten zijn of het springt me op een
onverwacht moment te binnen. Dan zal het wel iets totaal onbelangrijks
blijken te zijn.
Die laatste zin schrijf ik, denk ik, vooral om mezelf een beetje gerust te
stellen. Ik denk ook dat er in ons onderbewuste van alles zit opgeslagen wat
er op de meest onverwachte momenten uit kan komen. De afgelopen tijd zit ik
voortdurend in mijn geheugen te wroeten. Het zou best zo kunnen zijn dat ik
daarbij in de buurt kan komen van dingen die van belang kunnen zijn. Ik rijd
als het ware langs een parallelweg die van de hoofdweg gescheiden wordt door
een sloot. Na een tijdje is er een verbinding tussen die twee wegen. Ik kan
dan de hoofdweg op gaan en zo veel sneller mijn doel bereiken. Een foto, wat
er dan ook op te zien valt, zou zo'n verbinding kunnen zijn.
●●●●●
Strafregels.
Daar leek het op. Ze waren geschreven op een velletje papier dat uit een
gewoon schoolschrift was gescheurd. Alle lijnen waren aan beide kanten
beschreven. Ze waren geschreven in Marja's handschrift. Daar bestond geen
enkele twijfel aan. Dat velletje papier was door de politie gevonden in mijn
auto. Het zat in het vakje in de rechter deur, waarin ook wegenkaarten
zitten. In dat vakje kijk ik ook niet iedere dag, dus was me dat velletje
nog niet opgevallen.
Het kan niet
anders dan dat Marja dat velletje in dat vakje gedaan heeft. De enige
gelegenheid dat ze dat heeft kunnen doen zonder dat ik het kon zien was die
laatste keer dat ze vanwege de regen van school met mij mee naar huis reed
en ik even een fles olijfolie ging halen in de supermarkt. Ik ben er ook
bijna zeker van dat ze die regels heeft geschreven terwijl ze in de
bibliotheek op me zat te wachten. Ze was aan het schrijven toen ik haar kwam
zeggen dat het zover was. Ze kon alleen niet weten dat ze voor een paar
minuten alleen in de auto zou zitten. Wat had ze met die 'strafregels'
gedaan als ik niet tussendoor die boodschap had gedaan? Zou ze die dan die
fatale zondag ergens in mijn huis achtergelaten hebben? Ze hangen duidelijk
samen met het opstel, waarover ze toen al aan het nadenken was. Terwijl ik
dit schrijf voel ik weerstand, omdat het erop zou kunnen lijken dat ik Marja
beschuldig en dat wil ik helemaal niet. Ze was een meisje met een probleem
dat naar een oplossing zocht en niet het geringste vermoeden kon hebben dat
die oplossing voor mij zulke nadelige gevolgen kon hebben. Ze werd heen en
weer geslingerd tussen haar belofte iets geheim te houden en de stellige
overtuiging dat ze aan een vertrouwde volwassene moest laten weten dat er
iets gebeurde wat niet juist was.
"Meisjes willen niet met mannenpiemels spelen."
Met die zin was
het velletje papier aan beide kanten volgeschreven.
Voor de
politie, de officier van de justitie, de deskundigen, de rechters en het
grote publiek was het zonneklaar: Marja deelt haar buurman/leraar/vriend van
haar moeder mee dat het nu maar eens afgelopen moet zijn met die vieze
spelletjes. Ineke en ik hadden wat vragen bij die algemene overtuiging.
Vraag: waarom had Marja niets tegen haar moeder gezegd?
Antwoord: kinderen vertelen niet alles aan hun ouders en over zulke dingen
praten ze zeker heel moeilijk.
Vraag: als ze mij zo'n vieze vent vond, waarom zei ze dan, niet lang
voordat ze wegging, dat ze me heel lief vond?
Antwoord: is er iemand die kan bevestigen dat ze dat gezegd heeft? U heeft
gewoon een verklaring verzonnen voor die 'omhelzing'.
Vraag: waarom kwam ze steeds weer vrijwillig bij me terug als ze van
die vreselijke dingen moest doen?
Antwoord: u was ook haar leraar en leraren kun je maar beter te vriend
houden.
Vraag: je houdt de leraar te vriend door het niet te zeggen, maar op
te schrijven?
Antwoord: ze voelde zichzelf ook schuldig aan alles wat er gebeurd was en
wilde laten zien dat ze straf verdiend had en zelfs al aan de uitvoering van
die straf begonnen was.
Vraag: waarom staat in die zin "willen" en niet "mogen"? Dat is een
mededeling, geen beschuldiging.
Antwoord: we mogen van een meisje van twaalf niet verwachten dat ze haar
taal net zo goed beheerst als haar leraar Nederlands. In die emotionele
situatie gaat ze niet uitgebreid zitten wikken en wegen over de juiste
woordkeus.
Zou ik zelf
zoveel anders gedacht hebben als het niet over mij maar over een ander
gegaan was? Als ik heel eerlijk ben zeg ik "nee". Dat is een van mijn
problemen. Was er nou maar een persoon of instantie waartegen ik eens
lekker, als is het dan maar in gedachten, tekeer zou kunnen gaan. Dan zou ik
net zo hard tegen mezelf te keer moeten gaan.
Nu ik die
'strafregel' nog eens analyseer, valt me opnieuw iets op. Laten we nou eens
aannemen dat er werkelijk gebeurd is waar ik voor veroordeeld ben. Als ik
Marja al misbruikt zou hebben en ze wilde dat ik daarmee zou stoppen, zou ze
dan geschreven hebben "Meisjes willen niet ..."? Dan zou ze, volgens mij,
geschreven hebben "Ik wil niet ...".
●●●●●
Marja, mijn ex,
heeft me verrast. Ineke vertelde gisteren tijdens het bezoek dat Marja haar
regelmatig belt om te vragen hoe het me gaat. Ze wilde eigenlijk liever niet
dat ik dat wist, dus Ineke had dat ook nog nooit verteld. Eergisteren had ze
weer gebeld en toen heeft Ineke haar ervan weten te overtuigen dat er
helemaal niets mis mee was dat ze gewoon menselijke belangstelling had voor
iemand met wie ze toch zeven jaar lief en leed gedeeld had en dat het voor
mij vast een opsteker zou wezen om te weten dat ik niet helemaal vergeten
was.
Die twee
vrouwen praten aan de telefoon wel eens door, met name over hun ervaringen
met mij. Het heeft wel even geduurd voor Ineke Marja kon duidelijk
maken dat ze eigenlijk twee verschillende Robben kenden. Ineke had nog wel
iets van de 'oude' Rob gezien - en soms steekt die zijn kop nog wel eens op
- maar ik was toch wel zo veel veranderd dat er best van een 'nieuwe' Rob
gesproken mocht worden, in ieder geval van een andere Rob. Door Inekes
verhalen was Marja ook wel iets anders tegen mijn 'zaak' aan gaan kijken.
Destijds had ze het wel onbegrijpelijk gevonden dat ik tot zoiets in staat
was, maar aan de 'feiten' had ze niet getwijfeld en wie zou haar dat kwalijk
nemen?
&";Ik zou haar
best een keer persoonlijk willen ontmoeten&";, zei Ineke. &";Ze lijkt me heel
aardig. Of vind jij dat vervelend?&";
Ik zei dat ik
dat helemaal niet vervelend vond. Per slot van rekening kon Marja haar niets
vertellen waarvoor ik me zou moeten schamen, afgezien dan van het feit dat
ik haar nooit voldoende in staat gesteld heb de echte Rob te leren kennen.
Mijn enige excuus is dat ik die toen zelf ook nog niet al te goed kende.
Misschien zou
ik nu eens eerlijk moeten toegeven dat ik in zekere zin Marja beduveld heb,
niet opzettelijk, niet bewust, maar toch. Dat ik haar bijzonder aardig vond
staat buiten kijf, maar houden van is nog heel wat anders. Ik had op mijn
eigen rationele manier vastgesteld dat als aan een aantal voorwaarden
voldaan werd ik 'dus' van haar hield. Zij hield van mij en dus waren ook de
volgende stappen, samenwonen, trouwen, logisch. Marja verdient goed
beschouwd mijn bewondering dat ze het nog zeven jaar met me heeft
uitgehouden.
Van Ineke heb
ik ook begrepen dat Marja het nog steeds een goed idee vindt dat ze mij
destijds voor Peter heeft ingeruild. Ik kan me nu voorstellen dat wanneer ik
niet hier terecht gekomen was, we zelfs weer goede vrienden hadden kunnen
worden. Na de scheiding kwam ik haar in schoolverband natuurlijk wel eens
tegen, maar dan gedroeg ik me op zijn best correct. Op een van die
jaarlijkse bijeenkomsten heeft ze, toen ik weer eens alleen aan een tafeltje
gezet, nog wel eens een poging gedaan een gewoon gesprek met me te voeren,
maar daar heb ik me toen met een Jantje van Leiden af gemaakt. Er zat nog
teveel oud zeer, al was dat helemaal onterecht. Het was niet haar schuld dat
het misgelopen was.
Het was dus
inderdaad een opsteker te horen dat ze nog belangstelling heeft in mijn wel
en wee. Ik ben ook echt blij voor haar dat het met haar en Peter nog steeds
goed gaat. Ik zou haar natuurlijk een brief kunnen schrijven, maar dat zou
dan weer tijd innemen die ik aan dit verhaal wil besteden. Een simpele
oplossing is dus dat Ineke van de kopieën die ze van mij krijgt een kopie
voor Marja maakt, als ze daar tenminste in geïnteresseerd is. Als ze dan
leest wat ik net geschreven heb moet dat haar toch enige genoegdoening
geven.
Met Marja erbij
hebben deze 'memoires' dan al drie lezers, vier eigenlijk, want ik neem aan
dat Marja ze ook door Peter laat lezen. Ook als ik iemand in vertrouwen iets
vertel ga ik er altijd vanuit dat die persoon, als die een partner heeft,
het aan zijn partner vertelt. Dat zou ik zelf ook doen. In een goed
partnerschap bestaan geen geheimen.
Marja ken ik
goed genoeg om te weten dat ze niet met mijn verhaal te koop gaat lopen. Peter
ken ik nauwelijks - ik heb hem twee keer ontmoet op de tennisbaan - maar ik
heb ook voldoende vertrouwen in Marja's mensenkennis.
●●●●●
Dankzij mijn
nette gedrag mag ik hier een laptop gebruiken, maar e-mailen en surfen op
het internet is niet toegestaan. Omdat ik thuis niet bepaald dik in de
vrienden en kennissen zat e-mailde ik maar weinig. De meeste e-mail ging nog
naar mijn e-mailadres op school. Dingen die ik thuis schreef kon ik daar dan
voor een hele klas printen, bijvoorbeeld de hoofdpunten uit een bepaalde les
die ik gegeven had. Het gebeurde ook wel dat ik van school naar huis
e-mailde, als mij iets te binnen schoot wat ik thuis misschien zou vergeten,
simpele dingen meestal, zoals "Waspoeder kopen." Sommige van mijn collega's
vonden dat een goed idee en hadden het overgenomen. Ik had het ooit eens
verteld tijdens een lerarenbijeenkomst over het gebruik van het intranet op
school. Dat had ik dus nooit moeten doen.
Toen ik eenmaal
een echte verdachte was werd ook mijn pc in beslag genomen en onderzocht. De
politie wilde natuurlijk weten of ik op het internet sites met kinderporno
of gewone porno bezocht had of sites van pedofiele netwerken.
Veel
pc-gebruikers denken dat wanneer je op 'delete' drukt de gegevens die
daarmee verdwijnen ook echt van de harde schijf verdwenen zijn. Niets is
minder waar. Zelfs na het opnieuw formatteren van de harde schijf zijn de
meeste gegevens, met speciale programma's, dat wel, gewoon terug te vinden.
Uiteraard kun
je op een harde schijf niet vinden wat er nooit is op gezet, dus de politie
vond niets van door mij bezochte verdachte sites. De diverse brieven,
allemaal zakelijk, waren ook niet wereldschokkend. Alleen dat ene e-mailtje
bleef over. Het was door mezelf van school aan mezelf verzonden op de
vrijdag vóór de zondag dat Marja vermoord werd. Alleen ik wist voor honderd
procent zeker dat ik op die dag geen e-mail aan mezelf gestuurd had.
Ik las het
mailtje pas twee dagen nadat we van Karpathos terug waren gekomen. Eerder
had ik mijn pc nog niet aangeraakt. Ik was eerst verbaasd over de tekst:
"Zondag is er een goede dag voor." Meer stond er niet. Pas daarna zag ik dat
het van mijn eigen e-mailadres op school afkomstig was. Daar begreep ik
helemaal niets van. Ik deed het verder af als een slechte grap van een
collega die op een of andere manier achter mijn wachtwoord was gekomen dat
we op school moeten gebruiken om in te loggen. Ik heb het er toen zelfs met
Ineke niet over gehad. Op de verzenddatum heb ik toen niet eens gelet. Pas
later werd het duidelijk dat het bericht die bewuste vrijdag verstuurd was.
Ik kon om het
hardst beweren dat ik, als ik op vrijdag al van plan was Marja op zondag
iets aan te doen, ik daar echt geen geheugensteuntje voor nodig had, het
e-mailtje stond op mijn harde schijf om te bewijzen dat ik het verstuurd
had. Onderzoek op de schoolcomputer wees uit dat ik het daar verstuurd had.
Een man die een meisje vermoordt is tot meer gekke dingen in staat.
Misschien had ik me vrijdag al zitten verkneukelen en had ik in een
overmoedige bui dat mailtje verstuurd. Dat iemand mijn wachtwoord wist was
natuurlijk wel erg ver gezocht.
Dat mailtje zit
in mijn dossier en ik heb Ineke gevraagd er een kopie voor mij van te maken.
Ze vroeg waarom ik daar ineens een kopie van moest hebben, maar ik wilde
haar niet blij maken met een dode mus en dat zei ik haar ook. Ik ben er van
overtuigd - goed, bijna overtuigd - dat het een behoorlijk levende mus is.
Ik denk dat ik op zijn minst een klein kinkje in die hele kabel van
bewijsvoering gevonden heb. Als ik het mij goed herinner staat er op de
kopie van dat mailtje wel de datum waarop het verzonden is, maar niet de
datum waarop het ontvangen is. Die tweede datum is cruciaal. Er is namelijk
geen keihard bewijs dat het mailtje verzonden is op de datum die erop staat
Daarmee wil ik niet zeggen dat de politie met bewijsmiddelen knoeit. Ik ben
ervan overtuigd dat de datum die op de kopie staat ook in het
oorspronkelijke mailtje voorkomt, maar dat zegt ook nog lang niet alles. .
Het is heel goed mogelijk dat het pas verzonden is een aantal dagen nadat
Marja vermoord is en met de wetenschap dat ze voor het laatst bij mij gezien
is.
●●●●●
Het is vervelend dat ik hier niet kan e-mailen. Dan had ik meteen kunnen
checken of het klopte wat ik hiervoor schreef over die datum van dat
mailtje. Ik was wat al te hoopvol en te overtuigd van mijn eigen slimheid.
Omdat ik toevallig net Frans weer eens sprak, kon ik het niet laten hem over
mijn vondst te vertellen. Die vond het mooi bedacht, maar hij weet nu ook
weer niet zo veel van computers dat hij meteen kon bevestigen dat ik gelijk
had. Hij had het wel 's avonds thuis uitgeprobeerd, dus de datum van zijn pc
een week teruggezet en een mailtje aan zijn buurman gestuurd. Bij die
buurman kon hij zien wat het resultaat was. Hij kwam me de volgende dag dat
resultaat meedelen. Ik had gedeeltelijk gelijk.
Wat is dat iets kleinere kinkje dan dat ik denk gevonden te hebben? Wanneer
je e-mail verzendt hoef je daar geen datum in te zetten. Dat doet je pc
zelf. Ieder pc heeft immers zijn eigen interne klok en datum. Om twaalf uur
's nachts verspringt dus automatisch de datum. Je hebt er geen omkijken
naar. Maar je kunt er wel naar omkijken. Sterker nog, zelfs de meest
ondeskundige pc-gebruiker kan met een simpele muisklik die datum wijzigen,
bijvoorbeeld de datum van een week terug aanklikken. Vervolgens schrijft en
verstuurt hij een mailtje, waarna hij de datum van zijn pc weer verandert in
de juiste.
De ontvanger van een e-mail kan op zijn monitor zien op welke datum en hoe
laat het mailtje verzonden is, maar wie let daar eigenlijk op? Dus wie valt
het op dat hij of zij een mailtje ontvangt dat, zo lijkt het tenminste, een
week eerder is verzonden? Het is mij toen in ieder geval niet opgevallen.
Wanneer de ontvanger nu dat mailtje als tekstbestand opslaat - en dat heeft
de politie met dat bewuste mailtje gedaan - staat daar de ontvangstdatum op.
Normaliter is er geen noemenswaardig verschil tussen de verzend- en
ontvangsttijdstippen van een e-mail. Als mijn theorietje klopt, moet er een
duidelijk verschil, dagen verschil zelfs, tussen die tijdstippen zijn. Dat
zou dan toch iemand opgevallen moeten zijn, maar het is nooit ter sprake
gekomen.
Het moet als volgt gegaan zijn. De politieman of andere deskundige die mijn
pc heeft onderzocht, heeft ook in mijn e-mail gekeken en kwam dat berichtje
tegen. Bij "Verzonden" stond de datum van die vrijdag plus een tijdstip. Die
datum en tijdstip zijn genoteerd. Het mailtje is opgeslagen als tekstbestand
met daarop de datum en het tijdstip waarop het ontvangen is. Op die datum en
vrijwel op dat zelfde tijdstip is het mailtje ook verzonden. Als ik nu eens
kan aantonen dat ik op die datum en dat tijdstip dat mailtje helemaal niet
van school uit heb kunnen versturen, is er vast één bewijs onderuit gehaald.
Dan moet er hier en daar toch ook twijfel ontstaan over die andere
'bewijzen'?
Het zou het mooiste zijn als het mailtje was verstuurd toen ik met Ineke op
Karpathos was. Dan is er helemaal geen twijfel meer mogelijk.
Maar het was toch vakantie toen wij op Karpathos zaten? Inderdaad, maar alle
leraren hebben een sleutel van de school. Ik ben er ook wel eens in een
vakantie heen gegaan omdat ik een boek nodig had dat ik daar had laten
liggen.
De grote vraag
is nu: was er een leraar of andere schoolmedewerker met zo'n geweldige hekel
aan mij dat hij (ik ga maar van een 'hij' uit) het een goed idee vond mij
verdacht te maken? Hij moet dan ook wel heel erg zeker van zijn zaak geweest
zijn dat de politie een keer mijn pc zou onderzoeken. Waar haalde hij die
zekerheid vandaan? Moet ik er vanuit gaan dat hij en de moordenaar dezelfde
persoon zijn? Dat lijkt me stug. Voor zover ik weet woonde geen van mijn
collega's dicht bij ons in de buurt en er kan niet veel tijd verstreken zijn
tussen Marja's vertrek bij mij en de ontmoeting met die man. Dan zou je ook
moeten veronderstellen dat Marja dicht bij mij in de buurt een afspraak met
hem had. Ik kan me dat heel moeilijk voorstellen.
Wat ik nu
ontdekt heb ga ik ook aan mijn advocate schrijven. Het moet voor haar een
klein kunstje zijn een deskundige te vinden die binnen de kortste keren kan
zeggen of er een grond van waarheid zit in mijn theorie. Zij kan dan
beslissen of het zinnig is er meer werk van te maken.
●●●●●
Bij het schrijven over die maildatum was ik duidelijk wat opgewonden.
Verward zou je het ook mogen noemen. Dat is te merken. Erg duidelijk is het
allemaal niet. Ik kan het gaan herschrijven, maar als ik ooit nog eens
teruglees wat ik hier schrijf wil ik als het ware opnieuw kunnen ervaren wat
ik voelde op het moment dat ik het schreef. Als ooit een groter publiek dan
die paar mensen nu het zullen lezen, moeten ze dat ook kunnen ervaren.
Als ik meer
feiten wil achterhalen zal ik ook wat systematischer te werk moeten gaan.
Tot nu toe schreef ik op wat me in gedachten viel als ik mijn pc had
aangezet: een mengeling van herinneringen aan wat me hier gebracht heeft en
wat me gemaakt heeft tot wie en wat ik nu ben. Ik moet het hoofddoel niet
uit het oog verliezen. Dat is en blijft het vinden van meer kinken in de
kabel.
Het nadenken
over de datum waarop het mailtje verzonden is heeft me doen realiseren dat
data wel eens een belangrijke rol kunnen spelen.
Om
te beginnen heb ik maar eens een tabelletje gemaakt van de dagen in die
korte maar zo belangrijke periode.
Het bewuste
mailtje moet verstuurd zijn tussen dag 0 en dag 27. Wanneer ik de kopie van
Ineke heb gekregen kan ik de werkelijke verzenddatum in deze tabel
invullen.
Waarom bel ik
Ineke niet gewoon even? Dan weet ik het meteen. Dat is heel simpel: we
bellen nooit. Ik heb altijd al een hekel aan telefoneren gehad, als het niet
om puur zakelijke dingen ging. In de huidige situatie met Ineke bellen lijkt
me het toppunt van frustratie: wel haar stem horen, maar haar niet kunnen
zien en niet even kunnen aanraken, al is het dan maar, zoals bij het bezoek,
oppervlakkig.
De verzender
van die e-mail - ik noem hem 'mr. X' - moet heel wat verstand van computers
hebben. Hij moet weten hoe dat schoolnetwerk in elkaar zit en hij moet een
wachtwoord weten te achterhalen. Vooral dat laatste lijkt me geen geringe
klus. Ik heb nooit iemand van mijn collega's horen zeggen dat hij veel
verstand van computers heeft. Dat is ook niet zo vreemd. Iemand die slecht
genoeg is om een bijdrage te bedenken aan de verdachtmaking van een collega,
zal niet te koop lopen met zijn computerkennis als hij die kennis mogelijk
ook gebruikt voor andere zaken die het daglicht niet kunnen verdragen.
Ik heb ook nog
iets bij mezelf ontdekt dat ik bijna verontrustend vind. In de tabel typte
ik in "Marja wordt vermoord." Pas toen ik klaar was met de tabel en hem nog
even doorlas realiseerde ik me dat ik dat als een droog feit had
neergeschreven. Heb ik al zo vaak aan de combinatie Marja-vermoord gedacht
dat die 'normaal' geworden is, iets zo alledaags dat je er geen emoties meer
bij voelt? Dat wil ik absoluut niet. Het is niet nodig dat ik elke keer als
ik aan Marja denk in huilen uitbarst. Net als Ineke heb ik het feit dat ze
er niet meer is, dat we haar niet zien opgroeien, aanvaard. Als we over haar
praten vervallen we niet in zinloze wensdromen. Maar ik zou het wel erg
vinden als haar dood niet meer zou zijn dan een feitje in een lange rij
andere feiten. We moeten het leven aanvaarden zoals het komt, maar als Ineke
het definitieve verlies van Marja minder erg zou vinden dan mijn tijdelijke
afwezigheid, hoe lang die ook duurt, zou ik dat niet begrijpen. Zo is het
ook niet. Van het begin af aan hebben we steeds ons best gedaan zo eerlijk
mogelijk tegen elkaar te zijn. Ik heb haar eens gevraagd, dat soort vragen
komt hier nu eenmaal bij op, of ze mij zou opgeven als ze daar Marja mee
terug kon krijgen.
"Daar wil ik niet eens over
nadenken, Rob. Dat soort stomme vragen moet jij je niet willen stellen. Ze
is er niet meer. Jij bent er wel. Haar kan ik niet terugkrijgen. Jij komt
wel een keer terug. Ik blijf bij de feiten."
●●●●●
Ik lees veel en
ik heb een goed geheugen, maar wat ik nooit heb kunnen onthouden is de
bladzijde waar ik gebleven ben. Ik gebruik dus altijd een boekenlegger.
Vroeger kon dat van alles zijn: een kassabon, een volle strippenkaart of een
willekeurig stukje papier. Ik heb nu een heel mooie, van dun zilver. Het was
een cadeautje geweest van Marja. Ze had hem gevonden op een rommelmarkt en
voor een habbekrats gekocht. Hij stelde een zittende uil voor, was ongeveer
drie bij twee centimeter groot en werkte op dezelfde manier als een
paperclip. Het bijzondere was dat er "R.H." (de vroegere eigenaar?) in
gegraveerd stond.
Die paperclip
heb ik een keer verloren, maar hij is gevonden door een zeer attent persoon.
Die dacht dat het wel eens een erfstuk zou kunnen zijn en heeft hem dus bij
'gevonden voorwerpen' van de politie gebracht.
Soms zou je
willen dat mensen niet zo attent waren. Ik had die boekenlegger verloren bij
de laatste picknicktafel waar ik had zitten lezen, dicht bij de plek waar ik
Marja gevonden had. Hij was een week of drie, vier later gevonden. Alles wat
er gebeurd was lag nog redelijk vers in ieders geheugen, ook in dat van de
politieman die een rapportje over de boekenlegger moest schrijven. Dat
"R.H." deed een belletje bij hem rinkelen, helemaal in combinatie met de
plaats waar de boekenlegger gevonden was. De politieman was er dus mee naar
Derksen gestapt. Die hoefde niet lang na te denken. Ik was om twaalf uur met
Marja vertrokken. Ergens in het bos, misschien wel bij die picknicktafel,
had ik haar vermoord. Daarna had ik doodgemoedereerd een uurtje zitten lezen
om te kunnen verklaren dat ik pas een uur na Marja mijn huis verlaten had.
Die
boekenlegger was alles wat Derksen nog nodig had om verdere stappen te
ondernemen. Hij had het ook nog slim gespeeld. Hij had die andere politieman
mij laten bellen met de vraag of ik wellicht een boekenlegger verloren had.
Ik kon dat alleen maar bevestigen.
De volgende dag
kwam ik rond vijf uur 's middags thuis. Ineke was er tegen half zes. Het was
nog een mooie, redelijke warme dag, dus we dronken een biertje en een wijn
op het terras voor ik me met het eten ging bezighouden. Om een uur of kwart
voor zes werd er gebeld. Er stond een busje voor de deur. Daarmee waren vijf
mannen gekomen. Eén van hen stelde zich voor als de rechter-commissaris en
liet mij een bevel tot huiszoeking zien. De andere vier waren van de
recherche. Zij gingen meteen aan de slag.
Ineke en ik
gingen weer op het terras zitten. We waren verrast, verslagen, boos, maar
we waren er ook van overtuigd dat er niets gevonden zou worden dat er ook
maar enigszins op zou kunnen wijzen dat ik iets met de dood van Marja te
maken had. Dat hadden we dus heel erg mis, want het opstel werd in een la
van mijn bureau gevonden. In mijn auto werden de 'strafregels' van Marja
gevonden. Wij zagen die ook voor het eerst en begrepen er niets van. Laat
staan dat wij, in het gedoe van die dag, een verklaring konden geven voor
het feit dat zij in mijn auto gevonden werden.
Van koken kwam
niet veel. We beperkten ons tot pizza uit de diepvries. Ineke was zelfs nog
zo aardig om voor de huiszoekende mannen koffie te maken. Ze deden immers
ook alleen maar hun werk, hoe storend dat ook voor ons was.
Ik kon er ook
nog mee leven dat mijn pc werd meegenomen. De rechter-commissaris was zelfs
zo vriendelijk mij van een aantal recente documenten kopieën te laten maken,
zodat ik daarmee verder kon op Inekes computer. Ik mocht de kopieën niet
zelf maken. Stel je voor dat ik gauw even alles op mijn pc zou wissen. Een
van de rechercheurs maakte ze op mijn aanwijzingen.
Het werd laat
die avond. We hebben nog een tijd doorgepraat. Vooral over die 'strafregels'
hebben we een tijd zitten bedenken wat die nu konden betekenen. Dat er een
verband was met het opstel was ons wel duidelijk, maar meer konden we er ook
niet van maken.
We gingen in
een niet al te beste stemming naar bed. Ineke lag nog een tijd te huilen,
omdat alles wat er gebeurd was weer helemaal naar boven kwam.
De volgende dag
fietste ik op de normale tijd naar school. Daar werd ik tijdens de
lunchpauze gearresteerd op verdenking van moord.
●●●●●
Het ene moment
ben je Rob Helder, partner van Ineke van 't Riet, gerespecteerd leraar
Nederlands en onopvallend burger in een even onopvallende buurt. Het
volgende moment ben je gereduceerd tot Rob H., verdachte. Je bent
voorpaginanieuws en je wordt genoemd in alle tv-journaals. In alle
nieuwsberichten wordt vermeld dat de "verdachte ontkent iets met de moord te
maken te hebben." De politie maakt bekend op welke feiten de beschuldigingen
zijn gebaseerd.
Die avond trok
Ineke de stekker van de telefoon eruit nadat diverse even brave als anonieme
burgers haar telefonisch wilden laten weten hoe zij over mij en niet minder
over haar dachten. Een week lang liet ze de stekker eruit. Er was een rij
voicemails die ze onbeluisterd verwijderde. Ze gebruikte haar mobiele
telefoon om met haar ouders te bellen die ook nog een weekend bij haar kwamen.
De verhoren
waren een eindeloze herhaling van vragen en antwoorden. Op een bepaald
moment was ik het zat en heb ik de politiemensen gezegd dat ik geen antwoord
meer gaf op vragen waarop ik al eerder een antwoord had gegeven. Daar hield
ik me consequent aan, al leidde dat niet tot verhoging van de waardering
voor mijn bereidheid tot medewerking.
Mijn weigering
me te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum had nog een andere reden
dan ik al vermeld heb: ik wilde tot geen prijs het risico lopen dat ik ter
beschikking zou worden gesteld. Ik moest er niet aan denken voor onbepaalde
tijd met psychiaters, psychologen en maatschappelijk werkers in gesprek te
moeten om te achterhalen waarom ik iets gedaan had wat ik nooit gedaan had.
Achteraf gezien
mag ik ook nog blij zijn dat het gerechtshof het niet overtuigend bewezen
achtte dat ik met voorbedachten rade had gehandeld, wat tot levenslange
gevangenisstraf had kunnen leiden. Strikt genomen zit ik hier ook niet voor
moord, maar voor doodslag.
Tijdens die
verhoren heb ik nog eens gevraagd of er bij het forensisch onderzoek wel
gezocht was naar vingerafdrukken op de hals van Marja. Dan zou immers
gebleken zijn dat die vingerafdrukken niet van mij waren. Helaas staat de
wetenschap ook niet aan mijn kant. Het is nog niet mogelijk vingerafdrukken
zichtbaar te maken die op een nog levende huid zouden zijn achtergelaten.
Het had dus ook geen zin daarnaar te zoeken. Ook ander DNA-materiaal dan dat
van Marja zelf was in haar hals niet gevonden. Dat zei natuurlijk ook niets
over mijn onschuld. Pas als er DNA-materiaal van iemand anders was
aangetroffen zou het verhaal helemaal anders zijn geweest en zat ik nu
vlijtig een les voor te bereiden of met Ineke naar de tv te kijken.
Het zal er wel
op lijken dat ik dit allemaal koeltjes en zakelijk zit op te schrijven. De
werkelijkheid is anders. Ik zit koel en zakelijk te formuleren. Alle
krachttermen die me spontaan te binnen schieten, alle emoties die door me
heen gaan als ik terug denk aan alle momenten die ik hier weergeef, worden
als het ware gecondenseerd of gecomprimeerd tot enkele zakelijke zinnen. Als
ik hier uit ben zou ik wat ik nu schrijf kunnen omwerken tot een roman.
Daarin zou ik ruimte kunnen inlassen voor die krachttermen en die emoties.
Dan zou ik meer aandacht wijden aan Ineke. Ik zou onze ontmoeting veel
uitvoeriger beschrijven. Ik zie de valkuilen al voor me. Ik zou haar
beschrijven vanuit de emoties die pas maanden later een rol gingen spelen.
Aan de andere kant hoef ik me in een roman niet aan de feiten te houden. Het
hoeft geen autobiografie te worden. Daar ben ik nu min of meer mee bezig. In
een roman zou ik geen twee Marja's laten optreden, dat maakt het maar
lastig. Ik vind het nu al onplezierig om af en toe ter verduidelijking "mijn
ex" te moeten schrijven. Ik heb een hekel aan die uitdrukking. Het zal wel
niet terecht zijn, maar ik hoor daar altijd een denigrerende ondertoon in.
Er is niets gebeurd wat mij aanleiding zou kunnen geven denigrerend over
Marja te doen. Na de scheiding voelde ik me veronachtzaamd, aan de dijk
gezet en meer van dat soort dingen. Ik voelde me vooral zielig. Waar had ik
dat aan verdiend? Ik weet nu dat ik het allemaal aan mezelf verdiend had en
dat Marja er terecht een eind aangemaakt heeft. Uiteindelijk moet ik haar
dankbaar zijn, want ze heeft ook voor mij de weg vrijgemaakt voor het
aangaan van een werkelijke relatie, die inmiddels bewezen heeft echte
problemen te kunnen weerstaan.
●●●●●
Ineke was
opgetogen! Ze had de kopie van dat mailtje meegenomen en toen ik de datum
gezien had kon ik haar vertellen waarom ik het wilde zien. Het mailtje was
ontvangen EN DUS VERZONDEN op de dag vóór de begrafenis van Marja. Ik had
mij dus niet al twee dagen voor de moord zitten verkneukelen. Geen
verstandig mens zou nog willen aannemen dat ik acht dagen nadat ik Marja
vermoord had nog zo'n nonsensmail aan mezelf zou sturen. Wat zou het dan
moeten betekenen? Het kon niet op de daarop volgende zondag slaan. Toen
zaten we op Karpathos, maar dat wisten we op de dag voor de begrafenis nog
niet. Waarom trouwens zou ik een e-mail aan mezelf antidateren?
Het was
natuurlijk een feestje om Ineke weer eens echt blij te zien en ik was zelf
ook niet helemaal ontevreden, maar ik vond toch dat ik Ineke moest
waarschuwen dat we er nog lang niet waren en dat ik niet al over een paar
dagen met opgeheven hoofd de gevangenis zou verlaten.
"Maar we gaan
hier toch wel meteen wat mee doen?" zei Ineke.
Ik vertelde dat
ik mijn advocate al schriftelijk op het spoor had gezet. Het leek me het
beste haar te laten bepalen wat de beste volgende stap zou kunnen zijn.
"Waarom heeft
ze nog niets laten horen?" vroeg Ineke.
"Die laat er
een deskundige naar kijken, neem ik aan. Dat kost tijd."
"Dat zal best, maar die advocate mist je niet iedere nacht in haar bed en
iedere morgen aan het ontbijt en iedere minuut van iedere godvergeten dag.
Ik heb geen zin om alleen maar te gaan zitten afwachten wat anderen hiermee
doen. Hier vandaan ga ik rechtstreeks naar de politie en ik ga ze vertellen
dat ze hun werk nog maar eens een keertje dunnetjes moeten overdoen. Nee,
niet dunnetjes overdoen, heel goed overdoen. Ik zal ze vertellen dat ik er
recht op heb te weten wie mijn dochter werkelijk vermoord heeft en wie jou
een gigantische loer heeft gedraaid. Na de politie ga ik naar de redactie
van de dichtstbijzijnde krant en vervolgens naar de redactie van de
regionale omroep. Die moeten er maar eens een journalist op zetten. Het zou
toch mooi zijn voor zo'n journalist als hij er aan kon meewerken dat jij
weer vrij komt?"
Ze was blij, ze
was kwaad en ze was vooral zeer vastbesloten. Ik wist dat ik niet hoefde te
proberen haar van haar plannetje af te brengen. Ik had het graag zelf willen
doen, maar mijn mogelijkheden zijn hier nogal beperkt. Ik knikte alleen
maar, maar dat vond Ineke niet genoeg.
"Verdomme, Rob.
Laat nou eens zien dat je ook blij bent. Ik weet dat het maar een klein
stapje is. Als het niet met grote stappen kan, doen we het met een heleboel
kleine stapjes. Dit is het begin, Rob! Het duurt geen jaren meer voor we
weer bij elkaar zijn, elke dag, elke nacht."
Ik wás blij,
maar als ik Ineke zo zag en hoorde realiseerde ik me weer wat ik al zo'n
vier jaar gemist had en wat ik hoe dan ook nog een tijd zou moeten missen.
Die gemengde gevoelens wilden er allemaal wel uit, maar door het gedrang
kwam er niets uit.
Gelukkig kent
Ineke me wel een beetje. "Je hoeft niet alles tegen elkaar af te wegen,
Robbie. Zo lang ik hier zit ben je blij en als ik weg ben ga je weer lekker
zitten broeden over wat er nog verkeerd kan gaan. Dan schrijf je het maar
weer van je af."
Dat "Robbie"
deed het hem. Ze zegt het niet zo vaak, maar ik weet dat als ze het zegt ze
heel dicht bij me is. Op zo'n moment zou ik bezoek zonder toezicht willen om
zonder woorden duidelijk te maken wat ik voel. Zo moet ik ook gekeken
hebben, een beetje hulpeloos, denk ik.
Ineke zag het
wel. "Ik begrijp je wel, hoor. Kijk nog maar een tijdje zo. Dat heb je
gelukkig nooit helemaal onder controle gekregen. Dat had ik eerder moeten
weten. Dan had ik een paar weken na het eerste glaasje wijn dat ik van je
kreeg al kunnen zien wat er bij jou aan het spelen was. Dan had ik mezelf
ook eerder door gehad. Wat een ander leven zouden we dan gehad hebben. Ja,
ik weet het. We zouden het nooit hebben over 'wat als', maar we mogen toch
wel een keertje dagdromen?"
INTERMEZZO 2
E-mail geantidateerd. Toen ik die kop in de krant zag wist ik meteen over welk e-mail het ging: de
e-mail waarvan iedereen dacht dat die Helder het aan zichzelf gestuurd had.
Dat wijf van hem kwam het ook nog in het televisienieuws vertellen. Als ik
de kop van dat mens zie word ik al een klein beetje niet goed. Ze moest ook
zo nodig weer zielig doen over d'r dochter die ze kwijt was geraakt. Had ze
maar beter moeten opletten.
De politie heeft gezegd
dat ze de mededeling van dat mens van Helder heel serieus nemen. Ze doen
maar. Ze komen er nou van ze lang zal ze leven niet meer achter dat ik het
verstuurd heb. De eerste paar dagen na het begin van de zomervakantie komen
er nog genoeg mensen naar school. Na al die jaren kan niemand zich
herinneren wie ze daar nog meer gezien hebben. Als iemand zich al herinnert
dat ik er was kan hij dat nooit bewijzen.
Het mooiste vind ik nog
altijd dat ze al die tijd in de verkeerde richting hebben gezocht en nog wat
gevonden hebben ook. Ik heb wel eens een
detective gelezen die ging over een man die, dacht hij zelf tenminste, de
perfecte moord had gepleegd. Dat had ie dus niet zo perfect gedaan. Dat heb
ik wel gedaan. Ik wist natuurlijk ook niet dat dat meisje dat opstelletje en
die andere dingen had geschreven, maar het kwam heel mooi van pas. Hoefde ik
er niet meer over na te denken hoe ik de politie zo ver moest krijgen om
eens in de computer van Helder te kijken. Ik had bedacht dat ik dat anoniem
zou kunnen melden, maar ik wist nog niet zo goed hoe ik zou kunnen verklaren
dat ik wist dat hij op die vrijdag dat mailtje verstuurd had. Ik kon ze
moeilijk gaan vertellen dat het computernetwerk op school een open boek voor
me is en dat ik er ook van huis uit aardig mee kan spelen
Het is natuurlijk niet
voor honderd procent slim dat ik hier zit te schrijven, maar ik sla het wel
zo op dat het een hele tijd duurt voordat er iemand achter komt dat ik wat
geschreven heb. Dat mens waar ik nog steeds mee getrouwd ben komt sowieso
nooit in de buurt van een computer en denkt dat ik een computerspelletje doe
terwijl zij naar een soap zit te kijken. Ze vond het toen ook zo erg voor
die arme moeder. Ze zat vreselijk te snotteren voor de tv en zei dat wij
toch wisten wat het betekende om een kind te verliezen. Ik heb toen een
plechtig gezicht getrokken en gezegd dat ik dat heel goed wist en dat ik het
vreselijk vond voor die vrouw. Stomme trut, dacht ik erbij en ik bedoelde ze
allebei.
Ik moet er nog wel eens
goed over nadenken of de politie echt niets kan vinden als ze de hele zaak
weer opnieuw gaan onderzoeken. Als ik rechercheur was zou ik er om te
beginnen van uitgaan dat die Helder het dus helemaal niet gedaan had en eens
goed kijken wat voor aanwijzingen er waren. Volgens mij helemaal geen
enkele, noppes, niets. Het enige wat ze nu weten is dat Helder zeer
waarschijnlijk niet dat mailtje heeft verstuurd. Misschien komen ze nog eens
zover dat hij wordt vrijgelaten. Dat zal mij verder worst wezen. Op zich heb
ik niets tegen die man. Hij heeft een beroerde smaak voor vrouwen, maar dat
is ook alles. Het is alleen jammer dat wanneer hij vrij komt zij weer een
vent in huis heeft. Het is niet alleen jammer, daar zou ik behoorlijk de
pest over in hebben. Ik zou iets moeten bedenken dat ervoor kon zorgen dat
zij niet weer zo'n gelukkig huisvrouwtje wordt dat braaf elke dag voor hem
kookt, zijn kleren wast en zich in bed door hem laat verwennen. Dat heeft ze
in ieder geval een paar jaar moeten missen. Wat mij betreft blijft ze nog
jaren droog staan, of liggen. Ik kan me niet voorstellen wat die Helder in
dat mens ziet. Ik zou nog liever monnik worden dan daarmee in bed kruipen.
Vrijdagavond
Gisteravond moest ik
ophouden omdat die trut ineens naar boven kwam. Ze had ook een keer het
nieuws gezien. Ze vond het zó fijn voor meneer Helder. Ze had toch al nooit
geloofd dat zo'n nette man zoiets kon doen. Ik had haar bijna gevraagd of ze
mij dan geen nette man vond. Ze zei dat ze naar bed ging en ik bedacht dat
dat ook precies de enige reden is dat ik haar nog niet het huis heb
uitgegooid. Met al haar truttigheid weet ze in bed tenminste wat ze moet
doen om het leven van een man een beetje plezierig te maken. Ik heb eerst
nog een half uurtje een paar leuke websites bezocht om in de stemming te
komen.
Theoretisch zou de
politie erachter kunnen komen dat ik in de maanden voordat dat meisje
plotseling doodging nogal eens in de buurt van hun huis te zien ben geweest.
Maar ja, een Afghaanse windhond moet je veel laten lopen. Ik bemoeide me
nooit zoveel met dat beest. Zij moest er zo nodig eentje hebben, dus zij
moest hem maar uitlaten ook. Ze vond het ook zó lief van me toen ik zei dat
ik hem wel in de weekends wilde uitlaten. Ik had haar gezegd dat ik wat meer
aan mijn conditie moest doen en als ik dan een flink eind ging wandelen, kon
ik net zo goed die hond meenemen. Het was logisch dat ik op weg naar de
Beukendreef in de buurt van het huis van dat mens en haar dochter kwam. In
het najaar was ik dat meisje een keer op een zaterdag tegengekomen. Ze kende
mij natuurlijk ook en vertelde dat ze vaak naar Helder toe ging als haar
moeder moest werken.
Een beetje bedrijf of
organisatie heeft tegenwoordig wel zijn eigen website, dus die van die club
waar dat mens werkte had ik gauw gevonden en het duurde ook niet zo lang tot
ik gewoon kon inloggen en alles kon bekijken, bijvoorbeeld de werkroosters
van dat mens.
Dat meisje vond de hond
mooi. Ze zei dat ze het best leuk zou vinden daar eens een tijdje mee te
wandelen. Toen kwam het idee bij me op. Het was gewoon een kwestie van
rustig wachten op het moment dat ik haar een keer 'toevallig' zou ontmoeten
als ze bij Helder vandaan kwam. Ik hoefde er alleen maar op te letten of
iemand ons samen zag. Als dat zou gebeuren konden we rustig naar huis
terugwandelen en moest ik het een volgende keer proberen.
Die zondag was het
"Bingo!" Ze was net van plan om naar huis te gaan, zei ze, toen ze mij
voorbij Helder zijn huis zag lopen. Ze kwam achter me aan en vroeg of ze een
eindje mee mocht lopen en of zij de ketting mocht vasthouden. Dat mocht
natuurlijk van me. We liepen in de richting van het bos. Ze vroeg wel een
keer waarom ik steeds zo om me heen keek. Ik zei haar dat ze dat ook moest
doen, want dat kon ze genieten van de prachtige omgeving.
Ik vond dat kind
eigenlijk best aardig. Ze liep voortdurend te praten en vertelde over dat
mens en Helder. Volgens haar vonden die twee elkaar best lief en zouden ze
eigenlijk moeten trouwen. Dat vond ik dus helemaal niet. Dat mens mocht
absoluut niet gelukkiger worden en ja, dat dat meisje daar het slachtoffer
van moest worden kon ik ook niet helpen.
Bij zo'n picknicktafel
zei ik dat ik even moest uitrusten. Ik ging op de bank zitten met mijn rug
tegen de tafel. Zij kwam naast me zitten. Ze zei dat ze wel weer naar huis
moest, want anders werd haar moeder misschien ongerust. Nou, dat zou ze
zeker worden en heel wat meer dan ongerust.
Het was in een
handomdraai gebeurd. Ze stribbelde eerst wel tegen, maar dat hield al gauw
op. Na een tijd heb ik haar pols gevoeld. Ik voelde niets. De hond maakte ik
vast aan de picknicktafel en met haar ben ik een eind dwars door het bos
gelopen. Ik heb haar aan de rand neergelegd en goed gekeken of er iemand aan
kwam. Dat was het meeste linke moment. Daarna heb ik haar snel aan de rand
van de weg neergelegd. De rest was kinderspel: door het bos terug naar de
picknicktafel, de hond losgemaakt en langs een andere route naar huis. Die
totebel lag in haar bikini in de tuin en dat zag er best appetijtelijk uit.
Ik zei dat ze als de wiedeweerga naar boven moest, want ik had wat af te
reageren.
Na afloop vroeg ze wat ik af te reageren had. Ik vertelde haar, dat ik in het bos een stel padvindsters had
gezien die daar naakt lagen te zonnen. Daardoor moest ik gelijk aan haar denken. Die domme muts gelooft alles wat ik zeg.
DEEL 4: HOOP DOET LEVEN
De eerste paar
dagen nadat mijn e-mailtheorie bevestigd was, was ik nog een beetje
euforisch. De toekomst zag er ineens een stuk zonniger uit. Van mijn
advocate kreeg ik een brief waarin ze schreef dat ze contact zou opnemen met
de politie en het openbaar ministerie en zou aandringen op verder
onderzoek. Ze schreef erbij dat ze het niet verstandig vond dat Ineke met
het verhaal rechtstreeks naar de pers was gegaan. Het zou erop kunnen lijken
dat we kritiek op de politie hadden en die konden we beter te vriend houden.
Dan zouden ze vanuit een wat meer positieve houding verder gaan zoeken.
Die euforie kon
geen stand houden want daarna kwamen er geen nieuwe ontwikkelingen. Ik had
niet verwacht dat de politie meteen met iets nieuws zou komen, maar hoe ik
ook nadacht, ik kwam zelf ook geen stap verder. Ik had goed beschouwd ook
geen idee in welke richting er dan gezocht zou moeten worden. Het was Frans
die met een idee kwam.
Frans leest
mijn 'memoires' niet alleen goed, hij denkt er ook nog over na. "Weet je wat
ik bedacht heb?" vroeg hij me.
Dat wist ik dus
niet, want ik kan nog steeds geen gedachten lezen.
"Het leek
allemaal zo logisch", zei Frans. "Jij was een stiekeme pedofiel en Marja
dreigde dat wereldkundig te maken. Alles wees in die richting. Dat Marja
iets over pedofilie of incest had gehoord, daar twijfel ik niet aan en ook
niet aan het feit dat ze dat aan jou wilde laten weten. Maar stel nou eens
dat iemand haar vermoord heeft om een heel andere reden, die helemaal niets
met pedofilie of incest te maken heeft, dat het puur toeval was dat zij daar
net mee bezig was?"
"Onzin!" zei
ik. "Je denkt toch niet dat iemand haar vermoord heeft omdat ze iets
verkeerds zei of door iemands tuin gelopen was? Waar kon zo'n lief kind
iemand nou zo kwaad mee maken dat hij tot het meest brute geweld overging?"
Hij schudde met
zijn hoofd. "Dat kan ik me ook niet voorstellen. Ik kan me wat anders
voorstellen. Iemand, laat ik hem ook maar mr. X noemen, had om wat voor
reden dan ook grotelijks de pest aan jou. Hij wist, vraag me niet hoe, dat
Marja nogal eens bij jou kwam en dat jij haar heel leuk vond. Mr. X wil jouw
leven zo miserabel mogelijk maken. Hij kan of durft niets tegen jou zelf te
doen. Dus doet hij dat door Marja te vermoorden."
"Denk je nou
echt," vroeg ik, "dat iemand zo'n verwrongen geest heeft dat hij een meisje
vermoordt alleen maar om mij het leven zuur te maken?"
"Je vergeet
even dat ik heel wat mensen ontmoet heb die hier allemaal zeer terecht zaten
of nog zitten en je moest eens weten wat voor verwrongen geesten daar bij
zitten. Ik kan me heel goed voorstellen dat mannen pissig worden als ze
merken dat hun vrouw vreemd gegaan is. Dat komt regelmatig voor, maar er
zijn maar weinig mannen die er dan ook maar meteen definitief een einde aan
maken. Meestal gebeurt dat nog in een opwelling, maar ik heb ook een man
gekend die dat heel zorgvuldig had voorbereid. De details zal ik je
besparen. Ik kan je wel zeggen dat ze uit een behoorlijk verwrongen geest
kwamen. Het ging daarbij om de vrouw waarvan hij zei heel veel te houden.
Mr. X had de pest aan jou, Marja deed hem niks en je mag stellen dat hij jou
het leven behoorlijk zuur gemaakt heeft."
"Als je gelijk
hebt tenminste", moest ik toch nog even opmerken.
Nadat Frans was
vertrokken heb ik verder nagedacht over zijn theorie. Ik denk er nog steeds
over na. Helemaal onzinnig is die theorie niet, dat moet ik wel toegeven. Ik
heb alleen geen idee wie er nou zo vreselijk de pest aan me kon hebben. Ik
was zeker niet de populairste leraar en populairste collega van de hele
school, maar voor zover ik wist had ik nooit iets gezegd of gedaan waar
iemand zich vreselijk over zou opwinden. In de buurt was het van hetzelfde
laken een pak. Ik was geen gezellige buurman, maar dat kun je nauwelijks een
reden noemen om zo'n hekel aan me te krijgen dat je wel zeer drastische
maatregelen gaat nemen.
Wat zou de
politie met de theorie van Frans aan moeten? Ze konden iedereen die me kende
ondervragen, maar ik betwijfel of mr. X, als die tot de ondervraagden zou
behoren, meteen zou zeggen: "Ja, natuurlijk had ik vreselijk de pest aan
meneer H., want ..." Volgt een heel verhaal, waarop de politie mr. X ter
plekke arresteert. Ik vrees dat het niet zo zal gaan.
●●●●●
Tot mijn niet
geringe verbazing kreeg ik te horen dat Derksen bij me op bezoek komt. Ik
kan niet zeggen dat ik er naar uitkeek. Zijn manier van optreden had me van
het begin af tegengestaan. Er zat altijd, ook in zijn manier van praten, een
ondertoon in van "Denk jij slim te zijn? Ik krijg jou wel." Bij het eerste
verhoor na mijn arrestatie zat hij ronduit tevreden te kijken. Ik vind zijn
bezoek ook een beetje vreemd. Ik kan me niet voorstellen dat hij zijn eigen
werk moet overdoen. Ik weet dat er af en toe zogenaamde 'cold cases' bekeken
werden, maar dat gebeurt volgens mij door andere mensen. Mijn geval is toch
ook een soort cold case?
Ik ben van plan
Derksen in ieder geval de theorie van Frans voor te leggen. Ik had er nog de
theorie bij dat er naast mr. X ook een mr. Y kon zijn: de eerste de
moordenaar, de tweede degene die van de gelegenheid gebruik gemaakt had door
mij in een verkeerd daglicht te stellen. Ik ben ook bang dat mijn zaak
inmiddels zo koud is dat mr. X en mr. Y niet te achterhalen zijn. Alleen de
verkeerde beoordeling van dat mailtje leek me onvoldoende om van Rob H.
gewoon weer Rob Helder te maken. Die bui van dat smartengeld zien ze
uiteraard ook al hangen.
Verrast werd ik
door een brief van Marja. Ze had intussen de kopie van mijn 'memoires' van
Ineke gekregen en ze gelezen. Wat ik vooral heel aardig vond - en dat is een
understatement - is dat ze met zoveel bewondering over Ineke schrijft. Ze
hebben elkaar nog niet persoonlijk ontmoet, maar dat gaat zeker gebeuren. Ze
schrijft ook dat ze blij voor me is dat Ineke door de muur heeft weten heen
te breken waar zij nog veel te vaak tegen op liep. Ze schrijft er eerlijk
bij dat ze er niet zeker van is of zij het had kunnen opbrengen al die jaren
wekelijks naar me toe te komen en pal achter me te blijven staan.
Ik weet niet
goed hoe ik moet beschrijven wat ik voelde bij het lezen van die brief. Wat
het meest overheerste was, denk ik, een gevoel van nostalgie. Ik hoef zeker
niet terug naar die tijd, maar ik kan ook niet zomaar wegcijferen dat er in
die zeven jaar aardig wat mooie momenten waren. Vooral onze vakanties waren
zonder uitzondering zeer geslaagd. Ze waren een mengeling van mijn voorkeur
voor hele einden fietsen en Marja's wens om wat meer mooie dingen dan alleen
de natuur te zien. Als we eenmaal een land en een streek hadden uitgezocht
ging zij reisgidsen bestuderen of het internet afzoeken naar musea en andere
bezienswaardigheden. Ik bestudeerde kaarten en zocht mooie fietsroutes uit.
De meeste keren zijn we in Frankrijk geweest. Marja was na de middelbare
school een jaar als au pair in Frankrijk geweest. Ze had de taal dus goed
leren spreken en had dat ook altijd bijgehouden. Ze hield net als ik van
kamperen.
We hadden een
soort stilzwijgende afspraak dat we het in de vakantie nooit over het werk
zouden hebben en niet vast onze bezigheden na de vakantie zouden plannen. We
waren vrij om per dag, per uur soms, te besluiten wat we wilden doen en als
het zo uitkwam een uur later weer iets anders te besluiten. Al tijdens onze
eerste vakantie in Frankrijk waren we bij toeval op een naturistencamping
terecht gekomen. Sindsdien gingen we als het even kon altijd naar zo'n
camping. Ook dat simpele in je blootje de tent uitkruipen en naar een ander
deel van de camping gaan droegen bij aan dat gevoel van vrijheid en
ontspanning. Ik denk dat ik tijdens die vakanties ook wat 'losser' was dan
gebruikelijk, dat ik af en toe spontaan riep dat ik iets mooi vond of dat ik
me plezierig voelde. Als je fysiek niets verbergt draagt dat er misschien
toe bij dat je geneigd bent ook mentaal minder achter te houden. Ik kan me
niet herinneren dat Marja ooit tijdens een vakantie iets gezegd heeft over
mijn geslotenheid.
De brief begint
met "Lieve Rob,". Daarna gaat ze verder: "Eerst had ik geschreven 'Beste
Rob', maar dat zou ik schrijven aan iedere gewone vriend en ik kan je nog
steeds niet beschouwen als één uit een rijtje gewone vrienden. Daarvoor
hebben we teveel samen meegemaakt en dat was echt niet alleen maar kommer en
kwel. Er waren genoeg momenten waarop ik je echt lief vond en van Ineke heb
ik begrepen dat je dat nog steeds kunt zijn. Vandaar."
●●●●●
Derksen zat al
te wachten in de spreekruimte toen ik daar heengebracht werd. Hij stond
zelfs op en stak als eerste zijn hand uit. Hij verbaasde me opnieuw.
Hij nam een
slok van zijn koffie en begon. "Ik zit hier niet omdat ik bij het nieuwe
onderzoek betrokken ben, meneer Helder. Ik moest hier vandaag om een andere
reden zijn, maar ik maak van de gelegenheid gebruik om met u te spreken."
Hij nam weer
een slok van zijn koffie. Wat hij wilde zeggen kwam er kennelijk niet
makkelijk uit.
"Ik zit hier
dus ... eh ... persoonlijk, zeg maar."
Ik voelde niet
de behoefte het hem makkelijker te maken dus ik wachtte rustig af wat hij
verder ging zeggen.
"Er is destijds
een fout gemaakt."
Hij was nog
niet zover om te zeggen dat "ik" een fout had gemaakt of "wij". Dat liet hij
maar in het midden.
"Dat verschil
in die data van die e-mail had moeten opvallen."
Nu kon ik me
niet meer stil houden. "Het is mij toen ook niet opgevallen, meneer Derksen,
maar ik ben dan ook niet opgeleid voor dat soort onderzoeken. Als u hier
gekomen bent om te zeggen dat het u spijt dat u dat destijds over het hoofd
heeft gezien, mooi. Excuses aanvaard. Ik weet dat bij politie en justitie
gewone mensen werken die gewone fouten maken. Nu heb ik jullie een klein
eindje op weg geholpen, maar het belangrijkste voor mij is waar die weg heen
gaat."
Nu het hoge
woord "excuses" eruit was, al had hij die dan niet zelf gebruikt, kon
Derksen wat ontspannen.
"Het spijt me
inderdaad, maar ik kwam niet alleen om u dat te zeggen. Er komt een nieuw
onderzoek, maar ik wil u waarschuwen niet al te optimistisch te zijn. Die
e-mail was maar een bescheiden onderdeel van de bewijsvoering."
Ik hief mijn
hand op om hem te laten zwijgen. Ik wist niet goed of ik nu kwaad op hem
moest worden. Was hij nou serieus bezorgd over mogelijk te groot optimisme
van mijn kant, of wilde hij nog eens laten voelen dat ik wel kon vergeten
dat ik hier ooit eerder uit zou komen dan nadat het voorgeschreven aantal
jaren was verlopen?
"Meneer
Derksen, het aantal mensen dat in mijn onschuld gelooft is inmiddels
gegroeid van drie naar vijf. Ik ben me er goed van bewust dat dit geen
gigantisch groot aantal is, maar alle kleine beetjes helpen. Ook zonder uw
waarschuwing weet ik heel goed dat het, zeker na verloop van vier jaar, geen
gemakkelijke opgave zal zijn de werkelijke dader te vinden. Ik weet niet
eens of daar wel naar gezocht wordt."
Zonder de naam
van Frans te noemen vertelde ik hem vervolgens van onze theorieën over mr. X
en mr. Y. Hij noemde die theorieën "interessant".
"Gaat u er ook
iets mee doen?" vroeg ik.
Hij ging er
niets mee doen, maar hij beloofde dat hij ze zou doorgeven aan het team dat
zich nu met mijn zaak bezighield.
"Daar zou ik
juist vanaf willen", zei ik. "Ze moeten zich niet met mijn zaak bezig
houden. Ze moeten onderzoeken wie die moord op Marja gepleegd heeft. Als ze
uiteindelijk tot dezelfde conclusie komen als u en uw mensen, dat zien we
dan wel weer. Er loopt nog een onbestrafte moordenaar vrij rond, meneer
Derksen. Het zou niet alleen voor mij plezierig zijn als hij alsnog gevonden
wordt. Iemand die zoiets doet zou het misschien nog een keer kunnen doen."
Hij knikte
alleen en stond op. Wat hem betreft was het gesprek afgelopen. Ik had hem
best nog wat willen zeggen, maar ik dacht aan wat mijn advocate geschreven
had: ik kon de politie maar beter te vriend houden. Derksen hield zich dan
wel niet met het nieuwe onderzoek bezig, maar ik kon ook niet inschatten in
wat voor netwerkjes hij allemaal zat. Ik gaf hem dus braaf een hand en liet
me naar mijn cel terugbrengen.
In mijn cel zat
ik het gesprek nog eens te overdenken. Het was toch vreemd dat Derksen bij
me op bezoek kwam, al was hij dan in de buurt. Hij had niet de indruk
gegeven dat hij werkelijk zijn excuses kwam aanbieden en waarvoor hij me
kwam waarschuwen had ik ook al zelf bedacht. Hij kon weten dat ieder
verstandig mens dat zelf kon bedenken. Was het toch alleen maar de
gelegenheid te baat nemen nog even 'na te genieten' of zat er meer of iets
anders achter?
●●●●●
De dag dat Jaap
en Irma bij me op bezoek kwamen gebruikte Ineke voor haar eerste ontmoeting
met Marja. Ze had Marja bij ons thuis uitgenodigd, maar dat vond Marja wat
ongemakkelijk, terugkomen in haar "oude" huis, waaraan ze goede en minder
goede herinneringen had. Ineke kon zich dat wel voorstellen en dus hadden ze
afgesproken in een café en zouden ze later ergens gaan eten. Ik was zeer
benieuwd naar de uitkomst en zat daar over te praten met Jaap en Irma.
Irma maakt er
een grapje van: "Je bent toch niet bang dat Ineke allerlei vreselijke
geheimen over je te horen krijgt?"
Ik verzekerde
haar dat Marja wat mij betreft geen enkel blad voor de mond hoefde te nemen.
Ineke zou best een paar dingen te horen krijgen die ze nog niet over me
wist, maar dat zouden echt niet de meest belangrijke dingen zijn. "Als je
zoveel in je eentje zit wordt je een beetje narcistisch. Daar zal het mee te
maken hebben. Ik vraag me af of ik werkelijk veranderd ben en in welke
mate."
"Ik kan je dit
vertellen", zei Jaap. "Het is voor Ineke helemaal niet van belang of je
veranderd bent en hoe je vroeger was. Ze heeft te maken met de Rob die ze
zelf ontmoet heeft en heeft leren kennen. Het lijkt me duidelijk dat ze dat
ruim voldoende vindt om jaar in jaar uit elke week naar je toe te komen."
"Het is
eigenlijk heel simpel", voegde Irma eraan toe. "Ze heeft maar heel weinig
mensen met wie ze over jou kan praten. Eigenlijk zijn wij de enige. Ze wil
graag over je praten. Wil jij niet af en toe met iemand over Ineke praten?
Wil je niet eens tegen iemand zeggen dat het een leuke meid is, dat je trots
op haar bent, dat je haar mist?"
Ze sloeg de
spijker precies op de kop. Dat gaf ik ook meteen eerlijk toe. "Jullie weten
wel zo'n beetje hoe ik in elkaar zit. Behalve Ineke, jullie en Frans hier is
er al een paar jaar niemand anders met wie ik praat. Dat ik daar redelijk
mee kan leven komt op zich wel goed uit hier, anders zou ik misschien allang
gek geworden zijn. Ik denk ook te gauw dat ik geen dingen hoef te zeggen die
voor iedereen duidelijk zijn, maar ik weet dat jullie me best eens willen
horen zeggen dat ik me een leven zonder Ineke niet meer kan voorstellen. Ik
vind het geweldig dat jullie hier bij me komen. Hoeveel mensen komen hoe dan
ook op bezoek bij een schoonzoon die voor moord in de gevangenis zit, laat
staan als hij hun kleindochter vermoord heeft. Ik weet dat jullie dat niet
geloven en daar ben ik heel blij mee, maar toch."
"We komen
graag, jongen," ze Irma, "niet alleen voor jou, ook voor Ineke. Ze weet dat
ze er niet in haar eentje voor staat. Over dat 'schoonzoon' moeten we het
trouwens ook nog eens hebben."
"Hoe bedoel
je?" vroeg ik.
"Om te
beginnen," zei Jaap, "met Ineke hebben we het hier niet over gehad. We
hebben het er nooit over gehad. We vinden het prima dat jij ons als
schoonouders beschouwt, maar strikt genomen zijn we dat niet. We weten dat
jullie van plan waren een geregistreerd partnerschap aan te gaan, maar ja,
daar kwam wat tussen. Ondertussen woont Ineke in een huis dat, al weer:
strikt genomen, niet van haar is. Sorry hoor, ik ben nu eenmaal gewend over
dat soort dingen na te denken."
Jaap zou
binnenkort een eind maken aan een lange carrière als verzekeringsadviseur.
"Ik begrijp wat
je bedoelt", zei ik. "Zelfs terwijl ik hier zit kan er ook wat met mij
gebeuren en als ik plotseling overlijd kan Ineke geen enkel recht op dat
huis claimen. Jullie hebben helemaal gelijk. We hebben er geen van beiden
bij stilgestaan. Ik had het me iets feestelijker voorgesteld, maar ik zal
eens nagaan wat ik moet doen om in deze omstandigheden te trouwen. Trouwen,
ja", benadrukte ik, toen ze wat verwonderd keken. "Formeel maakt het
allemaal weinig verschil, maar als we de zaken toch goed gaan regelen wil ik
de buitenwereld, voor zover die geïnteresseerd is, laten merken dat ik het
zeer serieus neem. Uiteraard moet Ineke het ook willen."
"Ik ken dat kind al een tijdje",
zei Irma. "Ik ben er zeker van dat ze dat wil. Ze is in staat er ook nog de
pers bij te halen om nog maar eens een keer een statement te maken. Zo noem
je dat toch tegenwoordig? Nou, reken er maar op dat wij erbij zijn om
hetzelfde statement te maken. Toen ze met Karel trouwde hield ze gewoon haar
eigen naam, maar ik durf erom te wedden dat zolang je hier zit ze zich ook
nog mevrouw Helder gaat laten noemen."
●●●●●
Als je op
bezoek gaat bij of bezoek krijgt van mensen met wie je het goed kunt vinden
wil het wel eens laat worden. Je blijft maar doorpraten, vaak niet eens
omdat het onderwerp zo geweldig interessant is, maar omdat het plezierig is
dat die mensen er zijn en met ze te praten. "We zouden eigenlijk moeten
opstappen, maar ...". Dus je schenkt nog maar eens wat in.
Hier ligt dat
wat anders. Einde bezoektijd is einde bezoektijd. Er wordt niet gevraagd of
je toevallig net iets belangrijks aan het bespreken was. Het zal wel heel
gezellig zijn dat die mensen er zijn, maar regel is regel.
Met Jaap en
Irma had ik nog uren kunnen en willen doorpraten. Niet alleen omdat het
gewoon heel aardige mensen zijn. Mijn vorige schoonouders waren meer als
goede buren met wie je gemakkelijk een praatje over de heg maakt en met wie
je soms eens een borreltje drinkt. Ik heb bij mijn huwelijk met Marja gezegd
dat ik me voor het eerst deel van een familie voelde en dat meende ik toen
ook. Met Jaap en Irma ligt dat heel anders. Ze zij geen buren, ze zijn
vrienden. Dat zal ook wel te maken hebben met het verschil tussen Marja en
Ineke, of beter gezegd: het verschil tussen mijn gevoelens ten opzichte van
deze twee vrouwen.
Terug in mijn
cel zat ik weer een tijdje kwaad te wezen omdat ons gesprek zo ruw werd
afgebroken. Zelfs als je hier volkomen terecht zit zal je daar kwaad of
gefrustreerd van worden, zeker als je hier lang moet zitten. Een van de
veronderstellingen van gevangenschap als straf is dat je er van leert. Je
moet er als een beter mens uitkomen dan je erin gegaan bent.
Ik heb hier een
discman, zodat ik af en toe naar mijn "eigen" muziek kan luisteren. Het is
een allegaartje van klassiek, pop en country en western. Een nummer dat hier
wel past komt uit een live concert dat Johnny Cash ooit heeft gegeven in San
Quentin, een van de bekendste Amerikaanse gevangenissen. Daar komen een paar
behartigenswaardige zinnen in voor, bijvoorbeeld:
San Quentin,
what good do you think you do?>
Do you think I'll be different when you're through?
Deze is ook mooi:
And may all the world regret you did no good.
Ik pleit niet
voor het afschaffen van gevangenisstraf. Mensen die op ernstige wijze
algemeen aanvaarde regels overtreden verdienen straf, maar laat ons niet de
illusie koesteren dat er ook maar iemand beter wordt van gevangenisstraf.
Dat zegt Johnny Cash heel treffend: "Moge de hele wereld betreuren dat je
geen goed gedaan hebt."
Het klinkt onlogisch, maar ik
denk dat ik hier wel als een beter mens uitkom. Dat heeft te maken, denk ik,
met het feit dat ik hier niet, althans niet voor mijn gevoel, "voor straf"
zit. Ik heb niets vreselijks gedaan, dus ik verdien geen straf. Ik zit hier
ten gevolge van een menselijke fout. Iemand anders kan door een fout van een
arts voor de rest van zijn leven volledig verlamd raken. Ik heb inmiddels
voldoende geleerd over het omgaan met frustraties, ik weet exact wat het
betekent om in je vrijheid beperkt te worden. Maar anders dan van een
verlamming kom ik hier uiteindelijk weer vanaf. Het kan voor mij alleen maar
beter worden. Dat heb ik ook geleerd: met enige hoop naar de toekomst
kijken. Vroeger dacht ik niet aan de toekomst. Ik was bezig met mijn werk
voor de volgende dag. Ik dacht wat verder als we de vakantie aan het
voorbereiden waren, maar verder ging de toekomst niet. Die toekomst van nu
ziet er heel simpel uit: 's ochtends wakker worden, mijn bed uitgaan en in
de huiskamer Ineke aan tafel zien zitten met een krant en een kop thee. Het
is zo'n alledaags beeld dat geen mens er meer bij stil staat. Het omgekeerde
is trouwens even mooi: je krant zitten te lezen en dan de vrouw in de
deuropening zien staan die je kort daarvoor heel voorzichtig gezoend heb om
haar niet wakker te maken. Een sinaasappel voor Ineke uitpersen kon soms net
zo plezierig zijn als met haar vrijen. Ik moet hier niet al te lang over
doorgaan, want dan ga ik me weer precies herinneren wat ik nu al jaren mis
en daar wordt ik niet veel vrolijker van. Ik ga nog maar even naar Johnny
Cash luisteren.
●●●●●
Ik lees hier twee kranten, een landelijke en een
regionale. Die regionale lees ik nog steeds omdat ik, als ik hieruit kom,
niet in een "onbekende" omgeving terecht wil komen. Ik ga er nog steeds
vanuit dat ik als onschuldig mens deze gevangenis verlaat en dat ik me
vrijuit door het dorp kan bewegen. Als de mensen al denken "O jee, daar heb
hem", zullen ze er in ieder geval niet bij denken "die vuile moordenaar".
Ik wil op hoogte blijven omdat ik er wel eens aan denk
de politiek in te gaan, dat wil zeggen de gemeentepolitiek. Ik was en ben
nog steeds lid van een partij, al ben ik daar nooit actief in geweest. Welke
partij dat is zal te zijner tijd wel blijken. Als het inderdaad zover komt
hoef ik me in ieder geval geen zorgen te maken over de vraag of de kiezers
mij wel kennen.
In die regionale krant van gisteren stonden twee
berichten die ik uitgeknipt heb.
Het eerste bericht deed me weer iets hoopvoller worden:
in een gehucht niet ver van ons dorp was een man aangehouden op verdenking
van incest. Ik ga er vanuit dat het de politie niet ontgaat dat er een
mogelijk verband bestaat met mijn zaak. In ieder geval zou onderzocht moeten
worden of het meisje waar het om gaat via school Marja kende en of ze samen
optrokken. In de krant stond dat ze nu zestien is, net zo oud als Marja
geweest zou zijn. Voor alle zekerheid heb ik toch maar een kopie van dat
bericht aan mijn advocate gestuurd, zodat zij dat in de gaten kan houden.
Het andere bericht ging over de zorg en met name over
de stichting waar Ineke bij werkt. Daar ging heel wat behoorlijk fout. Voor
mij was het allemaal niet zo heel erg nieuw, want ik hoor natuurlijk van
Ineke zelf het nodige.
De thuiszorg waar Ineke voor werkt is formeel een
zelfstandige stichting, maar sinds een jaar of twee maakt die met twee ander
stichtingen deel uit van een 'moederstichting'. Die andere twee beheren
verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Het gevolg van al die 'samenwerking' is
dat de managers van de diverse stichtingen vooral bezig zijn met die vraag
hoe zij moeten samenwerken en nauwelijks meer toekomen aan de vraag hoe er
wordt samengewerkt binnen de stichtingen waarvoor zij direct
verantwoordelijk zijn. Daar vallen dus de gaten met als gevolg dat er weer
eens een manager moet opstappen, wiens taken dan weer worden overgenomen
door een duurbetaalde interim-manager. Die gaat welgemoed aan de slag door
iedereen van zijn gewone werk af te houden, want hij wil graag van de
'werkvloer' weten hoe zij hun werk zouden organiseren. Dus de ene 'seminar'
wordt in rap tempo gevolgd door de volgende 'workshop'.
Nadat Ineke twee van die workshops had meegemaakt heeft
ze haar functie op het spel gezet door ronduit mee te delen dat ze aan dat
soort flauwekul niet meer meedeed. Ze had in minder dan drie A4'tjes
opgeschreven wat naar haar mening haar taak was en met wie en op welke wijze
zij daarvoor met anderen moest samenwerken. Als de interim-manager daar niet
uitkwam wilde ze dat nog wel een keer toelichten en voor de rest bekeek hij
het maar. Ze zou wel zien wat er uitkwam en dan besluiten wat ze zou gaan
doen: gewoon met haar werk doorgaan of een andere baan zoeken. Dat laatste
wilde niemand graag, want op haar eigen informele manier wist ze vaak dingen
te regelen al gingen die dan tegen alle regels in. Maar de cliënten werden
wel geholpen. Dat was ook altijd haar laatste argument. "Heeft u het
personeel of de cliënt horen klagen over mijn beslissing?"
De schrijver van het artikel wil objectief zijn door te
laten blijken dat de fouten niet alleen liggen in de samenvoeging van de
drie organisaties. Hij geeft dus een aantal voorbeelden van fouten die
gemaakt werden toen ze alle drie nog zelfstandig waren. Toch blijft de
tendens van het verhaal wel duidelijk: schaalvergroting leidt niet
automatisch tot verbetering van de kwaliteit. Ik kan me van vroeger nog
herinneren dat een argument om scholen samen te voegen was dat je dan minder
directeuren en minder boekhouders en zo nodig had, om over alle voordelen
van 'interactie' tussen al die scholen nog maar te zwijgen. In al die jaren
heb ik niet het aantal leraren per zoveel leerlingen duidelijk zien
toenemen, maar wel het aantal mensen dat zich niet met gewoon lesgeven
bezighoudt. Ik deed dus hetzelfde als Ineke. Ik liet ze lekker van alles
regelen als ze ze zich maar niet bemoeiden met mijn lessen.
●●●●●
"Dus u wilt trouwen? Dat maken we
hier niet ieder dag mee. Dat begrijpt u wel."
Ik was bij de
directeur zelf geroepen, want die moet zijn goedkeuring verlenen als één van
de gevangenen zijn gevangenis wil gebruiken als huwelijkslocatie. Ik had dus
schriftelijk een verzoek ingediend. Het was me niet helemaal duidelijk
waarom de directeur dat persoonlijk afhandelde. Misschien was het zo
bijzonder dat hij het niet aan een medewerker wilde overlaten.
Ik voelde me er
niet lekker bij. Ik kreeg het idee als een vreemde diersoort bekeken te
worden. "Kijk eens wat we nou hebben. Die moet nog zeker tien jaar zitten.
Dat kan je een vrouw toch niet aandoen?" Ik zat natuurlijk weer veel te ver
door te denken, maar ik kon me voorstellen dat mijn verzoek zo rondgegaan
was op de afdeling waar zoiets behandeld wordt en dus zat ik me al weer bij
voorbaat te ergeren. Daar kwam dat toontje van die man ook nog bij.
Dat ik wilde
trouwen hoefde ik niet nog eens te zeggen. Hij had mijn schriftelijk verzoek
voor zijn neus liggen. Dat er niet doorlopend getrouwd werd leek me ook wel
aannemelijk.
Omdat ik niet
reageerde ging de directeur zelf maar verder. "Hebben u en uw aanstaande al
een datum in gedachten?"
Ook als ik
kwaad ben, misschien zelfs juist als ik kwaad ben, blijf ik me correct
uitdrukken, om niet te zeggen hypercorrect.
"Mijn
aanstaande echtgenote en ik zouden dat natuurlijk graag op de kortst
mogelijke termijn willen doen, maar we zijn uiteraard bereid om een en ander
te regelen in goed overleg met u of degene die daarover namens u een
beslissing moet nemen. Ik kan u nu al vertellen dat het aantal
belangstellenden dat de plechtigheid zal bijwonen maximaal zes zal zijn,
mijn aanstaande schoonouders en vier andere getuigen waarop wij ons nog
beraden. Ik begrijp heel goed dat er geen uitgebreide festiviteiten zullen
kunnen plaatsvinden, maar wellicht is het mogelijk dat die zes personen en
ik na afloop nog enige tijd, laten we zeggen een kwartiertje of zo, bij
elkaar kunnen zitten en een kopje koffie kunnen drinken. Ik kan me zelfs
voorstellen dat ik daarbij gevulde koeken aanbied om het geheel toch een
feestelijk tintje te geven."
De directeur
had niet meteen een reactie klaar, maar omdat ik lekker op gang was, ging ik
nog maar even door.
"U zult zich
misschien afvragen of ik wel in staat ben mijn aanstaande echtgenote in
voldoende mate materieel te onderhouden. Ik heb haar uitgebreid voorgehouden
dat ik daar de komende tijd niet toe in staat zal zijn, maar zij wil
nochtans deze niet geringe stap met mij ondernemen, omdat zij erop vertrouwt
dat zij voorlopig aan haar eigen inkomen en financiële reserves voldoende
heeft."
De directeur
had het intussen door.
"OK, meneer
Helder, u heeft uw punt gemaakt. Ik ben misschien niet goed aan dit gesprek
begonnen. Sorry. Ik heb u juist uitgenodigd om u persoonlijk te vertellen
dat we best bereid zijn u en uw vrouw in de gelegenheid te stellen die dag
toch een beetje tot een bijzondere dag te maken. Die goedkeuring is geen
punt. Ik zal u laten weten met wie u dat het best kunt regelen."
Het werd toch
nog een redelijk plezierig gesprek. Omdat er op mijn gedrag nooit iets aan
te merken was geweest, kon ik wel een potje breken. Het samenzijn met de
gasten na afloop mocht wel wat langer duren dan een kwartiertje en daar was
wel een passende ruimte voor te vinden. Met een van zijn medewerkers kon ik
afspraken maken over het laten bezorgen van wat hapjes en over enkele
flessen wijn zou hij ook niet moeilijk doen.
Nadat we de
nodige afspraken gemaakte hadden, maakte hij niet meteen een eind aan het
gesprek.
"Ik weet
natuurlijk, meneer Helder, dat u altijd heeft volgehouden onschuldig te
zijn. Daar kan ik uiteraard niets zinnigs over zeggen. Ik mag daar als
directeur hier niet eens een oordeel over geven. Ik ga misschien nu al
buiten mijn boekje, maar ik ben gewoon nieuwsgierig. Hoe houdt u het
eigenlijk vol, hier als onschuldige te zitten? Hoe kunt u zo rustig blijven?
Waarom barst u niet eens een keer uit tegen het personeel? We hebben hier
regelmatig werkoverleg op basis van werkrapporten. Een enkele keer valt uw
naam omdat er voor de zoveelste keer gemeld wordt dat er niets bijzonders te
melden is. Op zich is dat heel bijzonder."
Ik vertelde hem
dat het niet zo moeilijk was. "In de eerste plaats is dat jarenlang mijn
manier van leven geweest. In de tweede plaats weet ik waar ik naartoe leef,
hoe lang het ook nog kan duren. Op de dag dat ik vrij kom staat mijn vrouw
op me te wachten. Als we thuis zijn kan alles eruit komen. Zij weet hoe ze
dat moet opvangen."
●●●●●
Het leven hangt van
toevalligheden aan elkaar. Met Jaap en Irma was ik bij wijze van spreken nog
niet uitgepraat over trouwen of Ineke had het erover met Marja. Niet Ineke,
maar Marja was erover begonnen, gewoon met de simpele vraag of we eigenlijk
getrouwd waren of zoiets. Daarover doorpratend had ook Marja gezegd dat het
toch wel handig was als we tenminste iets geregeld hadden. Na enig
doorpraten was Ineke het daar wel mee eens.
Het klikte
trouwens tussen die twee vrouwen. Voordat ze aan het trouwen toekwamen
hadden ze al uitgebreid gepraat over wat ik dan maar even 'een
gemeenschappelijke interesse' zal noemen. Ineke deed daar even uitgebreid
verslag van, maar dat ga ik hier niet allemaal neerschrijven. Laat me
volstaan met een zeer korte samenvatting: ze waren het vrijwel roerend eens
over de meeste positieve en negatieve punten en in het algemeen kon ik
alleen maar concluderen dat ze wel gelijk hadden.
"En we hebben
het echt niet alleen over jou gehad", zei Ineke. "Er waren nog genoeg andere
interessante onderwerpen, zoals het beste wasmiddel voor de bonte was en wat
nou echt een goed middel is tegen een vermoeide gezichtshuid. Vind je niet
dat ik er wat jonger uitzie dan vorige week?"
Ik speelde haar
spelletje even mee. "Ik neem aan dat jullie het ook over kleding gehad
hebben. Ik heb het je nooit willen zeggen, maar het moet er nu maar eens
uit. Je ziet er altijd best leuk uit, hoor, maar als ik weer thuis ben heb
je natuurlijk wel eens wat minder aan. Je zou toch eens aan Marja advies
moeten vragen over wat een beetje aantrekkelijk ondergoed is dat die typisch
vrouwelijke vormen optimaal tot hun recht laat komen."
"Enge seksist.
Je bedoelt uittrekkelijk ondergoed, zeker. Zonder dollen, ik vind Marja een
heel leuk en aardig mens en het is nog een mooi mens ook. Ik kan moeilijk
zeggen dat je bij haar had moeten blijven, maar ik kan me heel goed voorstellen
dat je een tijdje van de kaart was na jullie scheiding. Over scheiding
gesproken, wij moeten het dus hebben over trouwen."
Ze had
inmiddels van haar ouders gehoord dat die het daar met mij over gehad hadden
en ik had intussen het een en ander uitgezocht, onder andere dat de
directeur toestemming moest geven. Ondertrouw konden we schriftelijk regelen
en er kon een ambtenaar van de burgerlijke stand naar de gevangenis komen.
Het huwelijk op
zich vonden we geen van beiden verschrikkelijk belangrijk, maar Ineke was
het helemaal met me eens dat voor de buitenwereld trouwen toch net iets meer
zei dan een geregistreerd partnerschap. Zoals haar moeder al voorspeld had
was ze inderdaad van plan de pers van te voren mee te delen wat we plan
waren. "Ik wil iedereen nog eens heel duidelijk laten weten dat je niet het
monster bent waar ze je voor houden. De pers vindt het vast wel een mooi
sensationeel item. Er zullen ook wel ingezonden brieven komen en er zullen
hele weblogs volgeschreven worden met teksten over gevangenen die het toch
maar mooi voor elkaar hebben. 'Die viezerik wil natuurlijk af en toe zonder
toezicht een vrouw ontmoeten.' Alsof dat nu niet kan en alsof we daar nu zo
om zitten te springen."
Ineke hoefde
niet na te denken over getuigen. Dat zouden haar ouders zijn.
Het ligt nog
wat ingewikkelder", zei ik. "Als je niet in het gemeentehuis trouwt en dat
doen we niet, heb je zes getuigen nodig. Dat geldt niet alleen voor mensen
als ik, maar voor iedereen die zelf een mooie plaats wil uitkiezen.
"Ik kan Mark
vragen, mijn collega," zei Ineke, "maar waar haal jij drie getuigen
vandaan?" Ik zag dat ze een ingeving kreeg. "Zal ik Marja vragen en haar
man? Of vind jij dat wat moeilijk?"
Ik moest er
even over nadenken en kreeg mijn eigen ingeving. "Het klinkt misschien
vreemd, maar zou het op een of andere manier toch niet ... hoe moet ik dat nou
zeggen ... plezierig of fijn zijn als er toch een Marja bij is? Ik weet wel
dat ze niets met elkaar te maken hebben, maar toch."
"We hebben het
erover gehad", zei Ineke. "Dat ik met twee Marja's te maken hebt, bedoel ik.
Ze vroeg of ik het niet moeilijk vond iemand anders Marja te noemen, omdat
ik bij die naam toch allerlei associaties heb, maar daar heb ik geen
probleem mee. Zonder dat denk ik ook dagelijks wel een keer aan mijn Marja.
Misschien heb je wel gelijk dat het fijn is dat er toch een Marja bij is.
Dan moeten we toch nog een derde vinden. Zou Frans een idee zijn?"
Dat was een idee, maar ik had nog
een ingeving gekregen.
●●●●●
Frans vond het
een prima idee dat we gingen trouwen. Ik had niet anders verwacht. Ik
vertelde hem dat we zes getuigen nodig hadden en dat ik geen uitgebreide
vriendenkring had.
"Ik begrijp het
al", zei Frans. "Je zou het wel leuk vinden als ik ook een krabbeltje op die
huwelijksakte zou willen zetten. Ik zal eens kijken of ik nog ergens een
redelijk net pak heb, oftewel: ik ben je man."
"Dat is al heel
fijn en ik houd het in gedachten, maar eigenlijk wilde ik vragen of je een
andere functie bij ons huwelijk zou willen vervullen."
Dat begreep hij
niet meteen en dat kon ik me voorstellen.
"Ik weet niet
hoeveel huwelijken jij hebt bijgewoond," ging ik door, "maar het is mij
opgevallen dat niet alle ambtenaren van de burgerlijke stand begenadigde
sprekers zijn. De ambtenaar die ons mag trouwen vindt dat natuurlijk heel
bijzonder. Die gaat er eens goed voor zitten om de toespraak van zijn leven
te houden. Ik zie die hele bui van gemeenplaatsen al hangen. Nu kan in
principe iedereen tot buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
benoemd worden. Mijn vraag is: zou jij je willen laten benoemen en ons
huwelijk willen voltrekken, om het maar eens plechtig te zeggen."
"Tjee, daar
vraag je wat." Frans was verrast, maar niet onaangenaam verrast. "Wie geeft
je de garantie dat je van mij niet een hele serie gemeenplaatsen krijgt
voorgeschoteld? Je moest eens weten hoeveel gemeenplaatsen ik hier in mijn
werk gebruik. De meeste mensen horen ze nog graag ook. Het zijn trouwens
niet voor niets gemeenplaatsen geworden. Daar moet jij als Neerlandicus toch
enig begrip voor hebben. Toen iemand voor de allereerste keer zei dat achter
de wolken altijd de zon schijnt werd hij waarschijnlijk om zijn grote
wijsheid bewonderd. Het is bijna een uitdaging: een toespraak die alleen
maar uit gemeenplaatsen bestaat, maar zo gebracht dat ze als het ware een
diepere betekenis krijgen."
Ik onderbrak
hem lachend: "Ik begrijp dus dat je het wel wilt doen."
"Ik voel me
vereerd", zei hij. "Dat meen ik echt. Laat nou toevallig een wethouder van
deze gemeente mijn buurman zijn. Ik zal met hem overleggen hoe we die
benoeming een beetje snel kunnen regelen. Dan zit je nog wel met het vinden
van een getuige."
Ik dacht dat er
nog voldoende tijd was om daarover na te denken.
"Waarom vraag
je de directeur niet?" vroeg Frans.
Ik had hem
verteld van mijn gesprek met de directeur dat na het stroeve begin toch
plezierig verlopen was.
"Het is echt
wel een aardige vent", zei Frans. "Hij is niet zo'n type van 'Dit zijn de
regeltjes en daar houd ik me aan.' Zal ik hem eens heel voorzichtig langs
mijn neus weg polsen?"
"Doe maar," gaf
ik toe, "maar wacht nog even tot ik het er met Ineke over heb gehad. Ze
krijgt altijd een beetje kriebels als het om autoriteiten gaat en die man is
hier nou eenmaal een autoriteit."
's Avonds zat
ik nog een tijdje na te denken. Was het nou een grote stap die we gingen
maken? Ik was er een beetje dubbel in. Onder normale omstandigheden zouden
we bij wijze van spreken even heen en weer gerend zijn tussen huis en
gemeentehuis. Daarna zouden we ergens lekker zijn gaan eten met Inekes
ouders. We hadden geen Burgerlijk Wetboek en zelfs geen trouwboekje nodig om
te weten wat we voor elkaar moesten doen en waar we 'recht op hadden'. Die
afspraken konden we heel goed zelf maken. We hoefden ze zelfs niet op papier
te zetten.
Nu ligt het
toch wat anders. Als ik eerlijk ben geef ik toe dat trouwen in de gevangenis
niet de meest alledaagse gebeurtenis is. Voor Ineke was het belangrijker,
denk ik. Zij wilde inderdaad een 'statement' maken: "Het interesseert me
geen ene malle moer wat jullie allemaal denken. Ik weet hoe het echt zit en
ik wil de rest van mijn leven met deze man doorbrengen."
Mijn
gedachtegang werd onderbroken door een bewaker die op het ruitje tikte. Ik
gaf aan dat hij binnen mocht komen. "Of je zo gauw mogelijk je vriendin wil
bellen. Ik moest erbij zeggen dat je het heel graag wilde horen. Wil je nu
meteen?"
●●●●●
Terwijl ik naar
de telefoon liep, of eigenlijk holde, ging er van alles door me heen. Als
Ineke me, voor de allereerste keer, belde moest het wel iets heel moois
zijn. Had er iemand bekend? "Rustig, Rob", zei ik meteen tegen mezelf. "Dan
had je dat wel in het NOS-journaal gezien."
Ineke begon
meteen te praten nadat ze de telefoon had opgenomen. "Robbie! Fantastisch!
Voor jou, voor ons tenminste. Het was net op het nieuws van de regionale tv.
Dat kan jij daar niet zien natuurlijk. De politie heeft wat bekend gemaakt.
Ik heb meteen een fles wijn opengetrokken."
Ze was even
stil, om een slokje van haar wijn te nemen, denk ik.
"Dat meisje van
die incest heeft gezegd dat ze daar inderdaad met Marja over gepraat heeft.
Je moet haar kennen, want ze zat bij Marja in de klas. Ik weet niet hoe ze
heet, want die naam wordt uiteraard niet genoemd in het nieuws." Ze was weer
even stil.
"Robbie! Zeg
eens wat. Je bent toch wel blij? Dit is toch geweldig?"
"Ik ben heel
blij, lief." Dat was ik ook. "Het is geweldig. We hadden gelijk met onze
theorie over het opstel van Marja. Het ging niet over haar, maar over een
ander meisje."
"Ik zit al te
wachten op het 'maar'. Waarom moet ik nou weer van een doorgewinterde
realist houden? Laat toch maar horen."
"Ik ga pas echt
uit mijn dak als de vader van dat meisje bekent dat hij Marja vermoord
heeft. Dan weet ik helemaal zeker dat ik hier heel gauw vandaan kom. Dan
gaan we gewoon in het gemeentehuis trouwen en dan maken we van ons
huwelijksfeest een bevrijdingsfeest. Je mag heel voorzichtig een erepoort
voor in de tuin gaan bedenken met een mooie tekst erboven, iets van 'Welkom
thuis, lieve Rob.' Lijkt je dat wat?"
"Als je niet
oppast, doe ik het ook nog. Ik wou dat we samen die fles konden leegdrinken,
Robbie. Ik mis je nu wel heel erg. Ik ga iedereen nog bellen. Nou ja,
iedereen, mijn ouders en Marja. Die moeten het in ieder geval weten." Ze nam
nog een slok een wijn. "Zullen we nu maar ophangen? Hoe langer ik je hoor,
hoe meer ik je wil voelen."
"Ga maar lekker
blij die andere mensen bellen en zeg erbij dat ik ook blij ben. Ik houd van
je."
"Ik houd van
jou. Dag lief."
De bewaker liep
met me terug. "Je ziet er niet echt uit alsof je iets moois gehoord hebt."
"O, dat heb ik
zeker. Ik loop er nog wat over na te denken. Ik durf nog niet al te hoopvol
te zijn, maar het zou best kunnen dat ik mijn langste tijd hier wel gezeten
heb. Misschien zeggen ze wel wat in het late NOS-journaal."
Het late
NOS-journaal bracht het nieuws ook, maar ik bleef mezelf voorhouden dat ik
niet moest denken dat ik hier binnen korte tijd weg zou zijn. Die man, als
hij het al gedaan had, moest nog bekennen. Zolang hij dat niet deed en de
politie daar geen bewijzen voor had, kon ze nog altijd volhouden dat Marja
en dat meisje met elkaar gepraat hadden omdat ze gemeenschappelijke
ervaringen hadden. In haar 'strafregels' had ze het toch over 'meisjes',
meervoud, gehad? Er was, kortom, weer iets meer reden om te hopen, maar er
was nog geen beer geschoten en dus geen reden om de huid te verkopen.
De volgende
ochtend was er het nodige commentaar. Het nieuws was wel rondgegaan. Ik deed
mijn best er zo vrolijk mogelijk uit te zien en wist mijn bedenkingen voor
me te houden.
Frans kwam
speciaal voor de gelegenheid naar me toe en feliciteerde me. Tegen hem zei
ik wel dat ik nog de nodige bedenkingen had. Ik vertelde hem ook dat ik het
nieuws van Ineke gehoord had.
"En je kon het
natuurlijk niet laten om ook Ineke te laten weten dat je die bedenkingen
had."
Ik zei dat hij
daar helemaal gelijk in had.
"Ik krijg
steeds meer bewondering voor Ineke. Hoe houdt ze uit met een vent die altijd
nog gauw even de wat zwartgalliger kanten van een zaak wil laten zien? Ik
heb dat nieuws trouwens bij mijn buurman gezien. Hij zal die benoeming van
mij regelen. Denk je nog steeds dat je hier trouwt?"
"Wel eens van
een beer en een huid gehoord?"
●●●●●
Het blijkt niet
helemaal onterecht te zijn dat ik op een wat voorzichtige manier blij ben
met de laatste ontwikkelingen. Het was zo'n beetje het eerste wat Saskia,
mijn advocate, zei toen ze bij me op bezoek kwam om alles door te praten.
"Het ziet er
redelijk hoopvol uit, maar we zijn er nog lang niet. Die man ontkent in alle
toonaarden dat hij zijn dochter ook maar iets heeft aangedaan. Die dochter
is na haar gesprek met de politie volledig ingestort en zit momenteel in een
psychiatrische inrichting. Die man beweert dat ze wraak op hem wilde nemen
omdat hij haar een soort uitgaansverbod voor een half jaar had opgelegd,
nadat hij erachter was gekomen dat ze een abortus had laten uitvoeren omdat
ze zwanger bleek van een vriendje."
Ik vertelde
haar wat ik zo al bedacht had, bijvoorbeeld dat, al werd die incest bewezen,
het nog helemaal niet bewezen was dat hij ook de moordenaar van Marja was.
Zou het wat zeggen als hij geen alibi had?
"Hij kan rustig
zeggen dat hij niet weet wat hij op de dag van de moord tussen één en twee
uur deed of waar hij was", zei Saskia. "Wie kan zich nou van minuut tot
minuut herinneren wat hij op een bepaalde dag een paar jaar geleden deed?
Als hij wel een alibi had, zou dat al lang bekend zijn gemaakt, maar geen
alibi zegt dus ook niet zo veel."
Waar het
allemaal op neerkwam was dat Saskia het nog even te vroeg vond om maar
meteen naar de Hoge Raad te stappen om herziening van het vonnis te vragen.
"Dat meisje kan ook nog altijd zeggen dat ze helemaal niet met Marja gepraat
heeft, maar dat ze zich herinnerde dat ze over dat opstel in de krant had
gelezen en dat ze dat mooi in haar verhaal kon gebruiken."
"Je hebt nooit
gezegd wat je zelf van mijn zaak vond", zei ik. "Ben ik volgens jou nou wel
of niet schuldig?"
"Dat ga ik je
nu ook niet vertellen. Ik ben geen strafrechtadvocate geworden om ervoor te
zorgen dat zelfs de meest smerige crimineel helemaal niet of zo licht
mogelijk gestraft wordt. Als iemand met voorbedachten rade een moord
gepleegd heeft mag hij wat mij betreft levenslang de gevangenis in, maar
diezelfde crimineel kan me wel inhuren. Ik noem mezelf nooit verdediger.
Ik verdedig geen misdaad of misdadiger. Ik verleen de rechtskundige bijstand
waar iedereen recht op heeft, omdat ik daarvoor doorgeleerd heb. Ik zoek
haarfijn uit of alle regeltjes zijn gevolgd die we met ons allen hebben
afgesproken. Ik beoordeel alle feiten die het openbaar ministerie naar
voren brengt op hun juistheid en breng alle andere feiten naar voren die ik
van belang vind. Het gaat er uiteindelijk niet om wat ik ervan vind, maar
wat de rechters ervan vinden. Jij schiet er totaal niets mee op als ik zeg
dat jij volgens mij onschuldig bent."
"Het zou me een
goed gevoel geven en ik kan van het clubje van vijf een clubje van zes
maken."
"En je zou een
rot gevoel krijgen als ik zei dat je volgens mij schuldig was. Dus ik zeg
niks. Het maakt voor mijn werk niet uit wat ik vind. Tot nog toe werkt het
goed."
Daar had ze
gelijk in. Ze was intussen een bekend persoon geworden, niet alleen in de
wereld van het strafrecht, ook daarbuiten. Ik hoefde er geen moment over in
te zitten of ik wel de goede advocate had. Ik had een zeer goede.
"Ik had je dit
natuurlijk via de telefoon kunnen vertellen", zei Saskia, "maar als de
boodschap niet echt leuk is, doe ik het liever persoonlijk. Als het kan laat
ik de cliënt dan naar mij toekomen, maar dat is in jouw geval wat
ingewikkeld."
We praatten nog
een tijdje door over mijn leven hier en ook onze trouwplannen kwamen ter
sprake.
"Hoe lang
hebben jullie samengewoond voordat je gearresteerd werd?" vroeg Saskia.
"Een paar
weken. Een maand of negen daarvoor heb ik haar ontmoet, via Marja. Nou ja, dat weet
je."
"Ze heeft in
ieder geval lef. Misschien is dat niet het juiste woord.
Doorzettingsvermogen is beter, denk ik. Hoe zou jij het noemen?"
"Wat dacht je
van vertrouwen, hoop, liefde?"
Ze zat een
tijdje nadenkend voor zich uit te staren.
"Ik ben nogal
christelijk opgevoed", zei ze. "Ik moet denken aan een tekst uit de Bijbel:
'maar de meeste van deze is de liefde'. Daar zou ik het maar op houden."
●●●●●
De terugslag
moest natuurlijk komen. Daar kon je op wachten. Ik kon nog zo best doen mijn
enthousiasme over het incestverhaal van dat meisje te temperen, ik zat ook
wel eens te dagdromen over een nabije zonnige toekomst. Maar als er dan een
paar dagen helemaal niets nieuws gebeurt, begint ook het gematigde
enthousiasme te zakken. Het slaat zelfs om in het tegendeel. Dat wordt dan
nog wat aangewakkerd door de omgeving, die met een zeker leedvermaak
toekijkt.
"Hé, Helder,
zit je hier nog steeds?" riep een grapjas vanochtend.
Er was nog een
humorist: "De politie ziet alles niet even helder, vrees ik."
De politie was
nog helemaal nergens mee gekomen. Ik was zelf met dat idee van die
geantidateerde e-mail gekomen. Dat meisje was uit zichzelf naar de politie
gegaan.
Wat heb ik zelf
helemaal bereikt? Ik ben met dit schrijven begonnen omdat ik hoopte op die
manier nieuwe invallen te krijgen, maar tot nu toe is het bij die ene
gebleven.
De werkelijke
moordenaar moet een motief gehad hebben. Als het geen pedofiel was - en
niets had in die richting gewezen - want kon dan het motief geweest zijn? De
tijd tussen Marja's vertrek uit mijn huis en haar dood was zo kort dat ik
mij niet kan voorstellen dat er iets gebeurd kan zijn tussen haar en een
toevallige passant dat hem tot doodslag in een opwelling leidde.
Dat kan maar
tot één conclusie leiden: moord met voorbedachten rade. Daar zit ook precies
de crux van de hele zaak. Wat voor reden kan Marja iemand gegeven hebben om
haar voorgoed uit zijn leven en uit het leven van anderen te verwijderen? Ik
kan me heel veel voorstellen maar niet dat Marja iemand die reden gegeven kán
hebben. Dan kom ik terug bij iets wat ik me eerder afgevraagd heb: was er
iemand die zo ontzettend de pest aan me had dat hij me wilde treffen door
niet alleen Marja te doden, maar ook nog eens mij daarvoor te laten
opdraaien? Die iemand moest vrije toegang tot de school hebben om die e-mail
te versturen, maar voor zover ik weet was niemand van school er op de hoogte
van dat Marja vaak bij me kwam. Hans, de directeur, had dat zelfs expliciet
gezegd. Niemand van school kon dus weten hoe de dood van Marja mij zou
raken.
De laatste zin
had ik nauwelijks geschreven toen die flits door mijn hersens ging: iedereen
weet hoe ouders getroffen kunnen worden door de dood van hun kind. Heb ik al
die tijd veel te egocentrisch gedacht? Waarom heb ik altijd gedacht dat
iemand mij moest hebben? Ik was Marja kwijt geraakt, ja, maar Ineke was
Marja nog veel meer kwijt geraakt. Wie kon er zo de pest hebben aan Ineke
dat het hem waard was daarvoor Marja te vermoorden? Dat was net zo moeilijk
voorstelbaar als de pest aan Marja hebben. Ze had geen ruzie met buren. Ze
had geen huwelijken om zeep geholpen. In haar werk hielp ze mensen. Ze had
niemands carrière in de weg gezeten.
Ik zat meteen
met een nieuw probleem: kon ik Ineke vragen in haar verleden te gaan graven
om erachter te komen of er misschien iemand was die om wat voor reden dan
ook de pest aan haar had? Ze leest alles wat ik schrijf, maar voordat ik dit
print kan ik nog altijd op 'delete' drukken.
Er is nog een
andere mogelijkheid: ik kan buiten Ineke om Saskia vragen dit idee aan de
politie door te geven. Zij kunnen in Inekes verleden gaan graven.
Dat klinkt niet
goed. Ik wil niets buiten Ineke om doen. Dat past absoluut niet in onze
relatie. Als ik daar eenmaal aan begin komt er een volgende keer. Ik ken
mezelf zo langzamerhand. Dan kan ik beter hier blijven zitten in plaats van
naar huis gaan. Ze moet het alleen niet lezen. Ze moet het van mezelf horen.
Ik zou het ook eerst met Frans
kunnen doornemen. Die kijkt toch wat objectiever tegen alles aan, niet
gehinderd door de emoties die toch steeds een rol spelen bij Ineke en mij
als we het over Marja hebben, al hoeven dat niet altijd negatieve emoties te
zijn. Ineke heeft wel eens gezegd dat het maar zelden gebeurt dat anderen
over Marja beginnen, terwijl ze dat helemaal niet erg vindt, want die
anderen schijnen dan te denken: "Dan schiet ze vast helemaal vol." Ze vindt
het juist fijn om over Marja te praten omdat in haar korte leven zoveel
plezierige dingen gebeurd zijn, waar ze graag aan herinnerd wordt.
●●●●●
"Je zadelt haar wel met heel wat op", zei Frans toen ik
hem mijn theorie voorlegde van iemand die het mogelijk op Ineke had gemunt.
"Aan de andere kant is het niet helemaal onmogelijk en zij zal toch niets
liever willen dan jou hier zo snel mogelijk uit krijgen. Heb je het ook met
je advocate besproken?"
"Nog niet, maar dat ga ik zeker doen. Waarom komt de
politie niet op dat soort gedachten? Daar betaal ik ze toch voor?"
"Momenteel betaal je helemaal niets", zei Frans. "Je
kost alleen maar geld. Los daarvan: ik zou het Ineke toch maar vragen."
Veel tijd om er verder over te dubben had ik niet meer.
Ineke kwam de volgende dag al. Ze had meteen door dat ik ergens mee zat. Ik
dwaalde nog al eens af van de dingen die zij zei.
"Zeg het maar, Rob. Daar kom ik hier voor, weet je
wel?"
Ik moest nog wel een aanloop nemen. "Ik heb er hard
over zitten denken of ik het jou wel mocht vragen."
"Wat is er dan zo moeilijk aan mij te vragen?"
"Ik heb zitten bedenken dat ik veel te veel met me zelf
bezig was. Dat het helemaal niet om mij ging."
"Lieve Robbie, ik weet nog steeds niet waar je het over
hebt. Is het zo moeilijk?" Ze moest ineens lachen. "Je gaat me toch niet
vertellen dat je een andere, zeer aantrekkelijke vrouw ontmoet hebt?"
Die ontspanning kon ik wel gebruiken. Ik pakte haar
handen beet. "Ik heb een nieuwe theorie ontwikkeld. Het lijkt me mogelijk
dat iemand niet mij, maar jou iets vreselijks wilde aandoen en daarvoor
Marja heeft gebruikt; nou ja, misbruikt. Daarom wilde ik je vragen of je in
je geheugen wilt duiken om te kijken of er misschien iemand is of was die
heel erg de pest aan je had, of nog heeft. Dat bedenk ik nu pas. Als hij nog
de pest aan je heeft, kun je zelf wel gevaar lopen. Als zo'n gek hoort dat
we gaan trouwen gaat hij helemaal uit zijn bol."
Ineke vond het helemaal niet zo'n moeilijke vraag. "Ik
heb alleen geen idee in welke richting ik zou moeten zoeken. De laatste keer
dat ik met iemand echt ruzie had was ergens op de middelbare school volgens
mij. Ik wil niet zeggen dat ik de alleraardigste vrouw ter wereld ben, maar
ik ben ook niet zo'n heks waar iedereen graag vanaf wil, toch?"
"Dat moet je mij niet vragen", zei ik. "Ik ben een
klein beetje bevooroordeeld."
"Als ik al op iemand kom, hoe kunnen ze dan ooit nog
bewijzen dat hij er iets mee te maken heeft?"
Ik zei dat dat ook mijn grote probleem was. "Maar je
weet nooit. De politie kan iemand ook onder druk zetten als we een beetje
aannemelijk kunnen maken dat iemand echt de pest aan je had. Iemand die
onder druk staat gaat fouten maken, de verkeerde dingen zeggen, smoesjes
vertellen die niet blijken te kloppen."
"Is er iemand die je sindsdien ontwijkt? Of iemand die
je juist de laatste tijd weer meer ziet, alsof hij je in de gaten houdt?"
Ineke moest weer lachen. "Ga nog even zo door en ik
wordt paranoïde. In dat rustige buurtje van ons valt iedere vreemdeling
direct op. Je kent na een tijdje iedereen die langs komt, al wonen ze niet
onze straat. Ik ken zo langzamerhand ook alle honden in de omtrek omdat ze
daarmee altijd in de richting van de Beukendreef lopen. Ik ben wel niet zo
gek op honden, maar ik heb er ook nog nooit eentje iets gedaan. Over honden
gesproken: de laatste tijd zie ik weer die Afghaanse windhond. Die is een
tijd niet in de buurt geweest. Dat vind ik wel een mooi soort. Ze hebben
zo'n elegante manier van lopen."
Er stond me vaagjes bij dat ik die hond ook wel eens
gezien had, maar we waren niet op zoek naar een hond. We zochten naar een
mens van vlees en bloed, al was het dan iemand met zeer koud bloed.
We kwamen er op dat moment natuurlijk niet uit, maar
Ineke zou serieus bij zichzelf te rade gaan. "Dan heb ik in ieder geval iets
om over te denken als ik heen en weer fiets naar mijn werk. Ik hoef toch
niet voortdurend aan jou te denken?"
Vlak voordat Ineke wegging vroeg ze nog: "Wat was nou
die moeilijke vraag die je me wilde stellen?"
●●●●●
Het laat me niet los, dat idee dat er iemand
rondloopt die Ineke iets zou willen aandoen en niet zomaar iets. Ik moet
mezelf er eigenlijk van overtuigen dat het maar een waanidee van me is dat
er iemand rondloopt die volkomen geobsedeerd is door gevoelens van wraak of
haat. Hij heeft zijn gram toch al gehaald? Hij zal haar niet willen
vermoorden, dan valt er voor hem immers niets meer te 'genieten'. Hij wil
haar ongelukkig zien. Aan mij kan hij niet komen. Hij zal eerder denken aan
iets dat op een ongeluk lijkt. Een brand zou ook nog kunnen.
De belangrijkste vraag blijft: wat kan het motief
zijn? Net als ik had Ineke weinig sociale contacten buiten haar werk. Niet
omdat ze, net als ik, contacten zoveel mogelijk afhield. Ze concentreerde
zich op Marja, zonder haar voortdurend te betuttelen of haar niet de nodige
vrijheid te geven. Ze was er gewoon altijd als Marja haar nodig had. Ze vond
het juist daarom zo fijn dat het zo klikte tussen Marja en mij. Ze kon weer
zonder zorgen de weekends gaan werken.
Ik zette me weer eens op de plaats van een
politieman. Er is een meisje vermoord en al heel snel wordt duidelijk dat
meneer Helder het niet gedaan kan hebben. Een pedofiel is niet
waarschijnlijk, want uit het forensisch onderzoek blijkt daar niets van.
Meneer Helder komt de politie een paar dagen na de moord vertellen dat hij
een vreemd e-mail heeft gekregen, duidelijk geantidateerd. Hij neemt een
kopie van een opstel van het meisje mee en ontdekt later in zijn auto een
velletje paper met iets dat op strafregels lijkt. Meer harde gegevens zijn
er niet. Dan komt een meisje vertellen dat ze het slachtoffer van incest is
en dat ze daar met Marja over gepraat heeft. Opstel en strafregels hebben
een verklaring gekregen. De vader ontkent de incest en zegt ook helemaal
niets met de moord te maken te hebben. In mijn dagdroom wordt het laatste
ook nog eens door een onafhankelijke getuige bevestigd. Wat staat
rechercheur Slim nu te doen? In geen velden of wegen is een verdachte te
ontdekken. De handdoek in de ring gooien is niet zijn stijl. Hij laat
gesprekken voeren met iedereen die Marja maar een beetje gekend heeft. Heeft
zij het wel eens gehad over een man die ze vaker zag, behalve meneer Helder
dan? Daar heeft niemand ooit iets over gehoord. Heeft ze wel eens laten
merken dat ze bang of ongerust was? Niets van gemerkt.
Waar is Marja vermoord? Niet op de plaats waar ze
gevonden is, maar waar dan wel? Is haar lichaam daar heen gebracht met een
auto? Ze kan ook met iemand naar het bos gewandeld zijn en vermoord zijn
dicht bij de plaats waar ze door meneer Helder gevonden was en hij niet meer
kon doen dan vaststellen dat ze dood was.
Rechercheur Slim was ineens weer Rob Helder. Ik had
haar pols gevoeld, haar linker pols. Ik zag haar weer een kop koffie voor me
neerzetten. Ze had toch een armband om die pols gehad? Het was helemaal niks
bijzonders, een goedkoop ding van plastic, blauwig van kleur. Maar toen ik
haar pols voelde was die armband er niet. Ik was er zeker van, alsof ik het
gisteren nog gezien had. Had de moordenaar die bewaard als een soort
ziekelijk souvenir? Of was ze hem, terwijl ze zich verzette, verloren? Waar
was die armband dan? Had het zin om daar na zoveel jaar nog naar te gaan
zoeken? De enige zinnige plaats om te zoeken was het bos in de buurt van de
plaats waar ze vermoord was. Als ze daar vermoord was, zou hij daar ergens
kunnen liggen. Zo groot was het bos niet. Met een aantal mensen moest je dat
in een halve dag kunnen doorzoeken.
Wacht even, Rob. Als die armband daar inderdaad
gevonden wordt, kom je dan zelf ook niet weer in beeld? Jij was daar in
ieder geval. Nee, want we hadden al vastgesteld dat ik het niet kon zijn.
Waarom herinner ik me die armband nu pas? Waarom
heeft Ineke die armband niet gemist? Zou het toen wat uitgemaakt hebben?
Maakt het nu nog wat uit als hij gevonden zou worden? Zegt het iets over de
dader? Nee, maar het kan wel een aanwijzing zijn voor de plaats van de
moord. Dat zegt dan weer iets over de manier waarop Marja met de moordenaar
naar het bos is gegaan: lopend. Dat zegt nog iets veel belangrijkers: zij
moet de moordenaar gekend hebben en goed genoeg gekend hebben om met hem mee
te lopen.
●●●●●
Mijn gevoelens
bij al dit geschrijf en het nadenken erover beginnen een beetje door elkaar
te lopen. De ene keer is het hoop omdat ik weer een, volgens mij tenminste,
acceptabele theorie heb ontwikkeld. Daarop volgt dan weer een gevoel: maar
wat doe je en vooral wat doet de politie ermee? Als ze er wat mee doen, kunnen
ze er dan ook iets mee? De boekenlegger die ik verloren had kon meteen met
mij in verband gebracht geworden, maar een eventueel gevonden armband kan
met niemand behalve Marja in verband gebracht geworden.
Ik zit mezelf
verwijten te maken: waarom heb ik dat soort dingen niet een paar jaar eerder
bedacht? Vervolgens ga ik de politie weer verwijten maken: daar hadden zij
toch aan moeten denken? Als ze dat toen niet deden, waarom zouden ze dat nu
dan doen?
Moet ik de hele
zaak gewoon en tijdje laten rusten? Ik ben bang dat dat niet meer mogelijk
is. Ik kan wel stoppen met schrijven, maar hoe stop je met denken?
Het meest
vervelende is eigenlijk dat ik weer voortdurend met mezelf bezig ben. Moet
ik me hier toch maar eens wat socialer gaan gedragen en met anderen gaan
bemoeien? Moet ik gewoon eens een keer naar de recreatieruimte gaan? Het zal
wel elitair zijn, maar de conversaties waar ik af en toe wat van oppik
liggen niet echt op een onbereikbaar hoog niveau. Van voetballen weet ik
niets, auto's interesseren me niet en het weer is helemaal niet belangrijk.
De manier waarop vrouwen ter sprake komen laat ik maar helemaal buiten
beschouwing.
Ik probeer me
ook wel eens de moordenaar voor te stellen. Wat voelt zo'n man nou als hij
aan die dag terugdenkt? Denkt hij er nog wel eens aan terug? Het lijkt me
niet iets wat je kan vergeten. Is er nog altijd dat gevoel van: dat heb ik
toch maar mooi bereikt? Ik heb dat mens goed ongelukkig gemaakt.
Ik heb pas vrij
laat geleerd iets met anderen te delen. Die man heeft iets dat hij nooit met
iemand kan delen. Hij heeft iets bereikt, maar kan daar, na anderen toe,
niet trots op zijn.
Al heb ik daar
geen goede verklaring voor, ik ga er nu vanuit dat de moordenaar die e-mail
heeft gestuurd. Hij was een medewerker van de school, dus Marja moet hem
gekend hebben, al was het maar van gezicht. Het is daarom niet vreemd dat ze
met hem meegelopen is. Vreemd is alleen dat ze dat deed op een tijdstip
waarop ze naar huis zou gaan om met haar moeder te eten. Was die man
toevallig in de buurt, of wist hij, hoe dan ook, dat ze vaak op zaterdagen
en zondagen bij mij was?
Moet ik mij in
de huid van die man verplaatsen? Hoe zou ik een moord op een meisje
voorbereiden? Als ik niet in haar directe omgeving woon moet ik er voor
zorgen dat ik toch niet opval als ik in die buurt kom. Ik zou bijvoorbeeld
kunnen gaan joggen. Dat is een goed excuus om via onze straat naar de
Beukendreef en het bosgebied aan het eind daarvan te hollen. Maar een jogger
vraagt niet aan een meisje dat hij al of niet toevallig tegenkomt of ze mee
gaat hollen. Dat zou opvallen, nog afgezien van het feit dat er weinig kans
is dat een meisje daar zin in heeft. Hoe zou ik het een meisje aantrekkelijk
maken met mij mee te lopen? Er was in dat bos en het gebied er omheen niets
bijzonders te zien. De eekhoorn was wel het meest exotische dier dat er
voorkwam. Veel mensen zag je er dan ook niet. Het gebied is te klein om een
toeristische trekpleister te zijn. Ik zag er wel eens een wandelaar uit de
buurt, of inderdaad iemand die aan het joggen was. Er werden ook wel eens
honden uitgelaten. Die konden daar lekker los lopen. Een hond! Zou Marja
geïnteresseerd geweest zijn in een hond? Ik had geen idee of ze honden leuk
vond. Ik kan me niet herinneren dat we het daar ooit over gehad hebben. Zou
je een meisje zo enthousiast kunnen vertellen dat die hond zo leuk achter
een bal aan rent om die weer terug te brengen, dat ze dat wel eens wil
meemaken? Ik zou het niet kunnen, maar dat zegt niet zo veel. Ik zou het
meer moeten hebben van een bijzondere hond.
Waren er nog
meer mogelijkheden om een meisje zo ver te krijgen dat ze met je meeloopt?
●●●●●
Het is iedere keer weer fijn om een brief van Ineke te krijgen, maar de laatste maakte me wel heel blij. Ik laat hem hier niet volledig zien. Ik haal er de stukken uit die in het kader van deze memoires van belang zijn. Daarna zal ik schrijven wat het bij mij teweeg bracht.
Gistermiddag was ik wat
aan het rommelen in het voortuintje. Op een gegeven hoor ik iemand vragen:
"Mag ik u even storen?"
Ik sta op en draai me
om. Daar stond die man met de Afghaanse windhond, waar we het laatst nog over
hadden.
Hij is wat de mensen een
"een keurig nette man" noemen. Een paar maanden geleden heb ik "Gone with
the wind" nog eens op tv gezien. Ik vond hem wel wat weg hebben van Clark
Gable. Hij is een jaar of vijftig, denk ik.
"Ik kom hier af en toe
langs met de hond", zei hij, "en dan moet ik altijd even denken aan wat u
doorgemaakt heeft en nog moet doormaken. U weet dat natuurlijk niet, maar ik
werk op dezelfde school als uw man. Ik ben geen leraar, hoor, ik doe de
boekhouding, zeg maar. Ik zit in een kamertje dat wat achteraf ligt, dus ik
kwam uw man natuurlijk niet zo vaak tegen, maar ik ken hem dus wel van
gezicht. Ik wilde eigenlijk alleen maar zeggen dat er mensen zijn die nog
wel eens aan u denken."
Ik zei dat ik het heel
aardig van hem vond en vroeg of hij jou niet tegenkwam in vergaderingen of
zo. Dat was dus niet het geval. Hij moest als dat nodig was zijn cijfertjes
aan de directeur geven en die vertelde in de vergaderingen daar dan wel zijn
eigen verhaal bij. Uit de toon waarop hij dat zei begreep ik dat hij en de
directeur geen grote vrienden waren. Ik vroeg hem of hij Marja ook gekend
had en inderdaad. Hij gaat ook over de computers op school en als kinderen
daar een of ander probleem mee hebben komen ze hem om uitleg vragen. Marja
wilde altijd alles precies weten, dus die kwam nog wel eens bij hem. Ik
herinnerde me dat ze wel eens gezegd had, toen ik vroeg hoe ze dat zo goed
wist, dat ze dat van 'die man op school' had geleerd. Ik vertelde hem dus
dat ze veel van hem had geleerd over computers en dat ze er veel meer
verstand van had dan ik. Dat vond hij leuk om te horen en toen ging hij
maar eens verder.
Een eindje
verder lost Ineke een probleempje op waar ik een tijdje geleden mee zat
Bij het drinken van een
glaasje wijn voor het eten was ik in een wat melancholische bui. Ik haalde
die paar foto's van Karpathos weer eens tevoorschijn. Er zijn twee foto's
waar ik op sta. De mooiste heb jij natuurlijk. Die andere heb je op dat
terras gemaakt waar we steeds lunchten. Er staat ook een stel op dat net het
terras komt oplopen. Ik durf er heel wat om te verwedden dat hij die man van
die Afghaan is. Zij is duidelijk een paar jaar jonger en ziet er uit als een
'stuk'.
Dat knagende
gevoel dat ik een tijdje geleden had, had dus toch iets met de foto's van
Karpathos te maken. Die man is me daar helemaal niet opgevallen. Ik ken hem
ook nauwelijks. Die enkele keer dat ik hem bij ons in de buurt gezien heb,
lette ik niet op hem, maar op die hond. Toch kan het menselijk brein
kennelijk de meest onverwachte associaties maken.
Dat hij
tegelijk met ons op Karpathos was kan alleen maar toeval zijn. Dat heeft
niets met mijn zaak te maken.
Wat wel
interessant is, is het feit dat hij het computernetwerk op school beheert.
Dat maak ik tenminste uit Inekes brief op. Dan heeft hij iets meer verstand
van computers dan de gemiddelde Nederlander. Dan zou hij achter wachtwoorden
kunnen komen en de datum van het systeem kunnen veranderen.
Als ik op dat
moment een fles wijn had gehad, had ik hem opengetrokken en een toast op
mezelf uitgebracht. Dit zou de doorbraak kunnen zijn.
Er was nog een
klein probleempje: Ineke kende de hele man niet, anders had ze dat wel
geschreven. Kende hij Ineke dus wel en goed genoeg om iets tegen haar te
hebben?
Ik kwam tot een
simpele conclusie: daar kon ik niet achter komen, maar daar hebben we toch
de politie voor? Ik ga mijn hele theorie op papier zetten en naar Saskia
sturen. Ze mag er vinden wat ze wil, maar ze zal het ook moeten doorsturen
naar de politie. Die moet dan maar eens in de achtergronden van die meneer
gaan duiken en proberen te ontdekken of en waar er ergens een connectie met
Ineke ligt.
●●●●●
"Wil je geloven
dat ik zenuwachtig was? Hoewel, niet zenuwachtig, gespannen."
Marja keek
geamuseerd. "Een aantal jaren geleden zou je dat niet gezegd hebben. Je zou
er ook wel in geslaagd zijn het te verbergen. Nu liet je het ook gewoon
merken. Je mag wel blij wezen dat ik bij je weggelopen ben."
Het had nog
even geduurd, maar Marja gebruikte een dag van een korte vakantie om bij me
op bezoek te komen. Er waren momenten geweest dat ik er tegenop zag dat ze
zou komen. Ze was per slot van rekening niet zomaar een vrouw die ik wat
beter kende dan anderen. Ik had niet van haar gehouden zoals ik van Ineke
hield, maar met elkaar alleen maar wel aardig vinden houd je het zelfs geen
maanden samen vol als je elke dag bij elkaar bent. Echte vrienden,
mannelijke vrienden heb ik nooit gehad. Ik kan me bij zo'n vriendschap dus
ook niet veel voorstellen. Uit wat ik daarover gehoord heb of gelezen heb
zou ik kunnen opmaken dat Marja en ik vrienden waren geweest. Misschien
waren we dat nog wel.
We hadden
elkaar een kleine tien jaar niet gezien of gesproken. Ik was zeker
veranderd. Was Marja ook veranderd? Ik zat me serieus af te vragen wat ik
moest doen bij onze ontmoeting. Een hand geven of zoenen? Hoe zoenen? Mocht
ik mijn armen om haar heen slaan? Ik besefte weer eens dat ik nog altijd in
sociaal opzicht een behoorlijke achterstand had.
Marja had dat
probleem niet. Ze sloeg haar armen om me heen en zoende mij op mijn mond.
Wat kon ik anders doen dan ook mijn armen om haar heen slaan?
"Ik heb het er
met Ineke over gehad dat ik beter een keer onverwacht zou kunnen komen," zei
Marja, "maar ja, dat mag nu eenmaal niet van alle regeltjes hier."
"Daar hebben
jullie dan helemaal gelijk in. Zal ik alles eerlijk opbiechten?" Ik vertelde
haar wat er allemaal door mijn hoofd gespookt had.
"Ineke zei het
wat anders, maar daar kwam het wel op neer. Ik bewonder haar echt. Als alles
tegen zit, zit ze nog tien jaar op je wachten en ze doet het gewoon. Ik heb
haar gevraagd waar ze de moed, de rust, de hoop of wat dan ook vandaan
haalt."
Ze ging niet
meteen door. Ze wachtte op een reactie van mij, maar ik reageerde niet,
althans niet met woorden. Ik dacht aan Ineke en Marja kon op mijn gezicht
lezen wat ik dacht.
"Dat zei ze,
ja", zei ze. "Ze houdt van je. Meer heeft ze niet nodig. Het klinkt een
beetje vreemd in deze omgeving, maar jij moet een gelukkig mens zijn."
Dat kon ik
alleen maar beamen. "Ik heb hier natuurlijk redelijk vaak de pest in, maar
dat overkomt mensen hier buiten ook nogal eens. Dat komen ze thuis en dat
daar iemand is maakt dan geen enkele verschil. Ik weet tenminste dat het wel
verschil maakt als ik weer thuiskom."
"Was dat
verschil er bij ons?" vroeg Marja.
Ik vond van
wel. "We leefden niet langs elkaar heen. Alleen die laatste stap heb ik toen
nog niet kunnen zetten. Ik weet nu pas wat jij toen miste. Ik weet ook niet
waarom Ineke dat wel in mij wakker wist te maken en jij niet. Het zegt ook
helemaal niets negatiefs over jou. Jij kwam dicht in de buurt."
"Tussen Ineke
en mij was er nog iemand", zei Marja. "Die heeft als het ware de weg vrij
gemaakt voor haar moeder, zonder dat ze het wist."
Ik vertelde
haar dat ik het daar met Frans over had gehad. Waarschijnlijk had hij en dus
Marja wel gelijk.
"Ik wil daar
eigenlijk niet teveel over denken. Dan ga ik het kapot redeneren. Ik hoef
daar geen verklaring voor te vinden. Ik mis dat meisje ook nog steeds. Ik
had haar graag zien opgroeien."
We praatten nog
een tijd door en haalden heel wat herinneringen op aan de leuke dingen die
we samen gedaan hadden.
Ik vertelde
Marja ook van mijn recente theorie. Ze was daar heel enthousiast over.
"Dat zou toch
heel goed kunnen? Toen Marja bij jou wegging kon hij toch net zijn
langsgekomen met die hond? Hij was geen vreemde man, dus waarom zou Marja
niet even met hem en die hond zijn meegelopen? Zei je ook niet dat Ineke zei
dat ze hem een tijd niet gezien had? Sinds wanneer ziet ze hem weer? Sinds
die laatste keer dat ze weer in het tv-nieuws was? Kan dat ermee te maken
hebben? Opeens blijkt dat dat vrouwtje niet zielig thuis zit te zijn, maar
nog altijd een relatie heeft met de man die gevangen zit en ze is ook nog
steeds zeer strijdbaar. Dat kan zo'n man niet hebben."
●●●●●
De moordenaar
had nu een gezicht, voor mij tenminste. Het was nog een vaag gezicht, maar
dat paste wel goed bij de situatie. Uit wat Ineke schreef zou je kunnen
opmaken dat hij zich achtergesteld voelde. Hij zat in een kamertje achteraf
en de directeur gaf hem nooit de kans zijn kennis in een vergadering te
etaleren. Ik wist ook niet eens hoe hij heette. Was dat 'stuk' zijn vrouw of
was hij alleen op Karpathos geweest en had hij haar daar ergens ontmoet? Als
hij, al of niet met haar, getrouwd was, had hij dan kinderen? Hij was geen
kinderhater, want hij hielp ze met computerproblemen.
Een van de
dingen die nooit opgehelderd zijn is waarom Marja door de voordeur mijn huis
uit ging. Dat deed ze nooit. Ze ging altijd achterom. De 'officiële'
verklaring is: ze ging met mij de voordeur uit. Ze kwam van het terras naar
binnen om te zeggen dat ze naar huis ging. Daarbij kon ze langs mij naar de
straat kijken. Had ze daar iets gezien dat haar deed besluiten door de
voordeur naar buiten te gaan, bijvoorbeeld een man, een bekende man, met een
soort hond die je ook niet iedere dag ziet?
Nu verplaats ik
me even in de rol van Marja die met die man meeloopt. Als haar moeder
thuiskomt is ze niet thuis, maar mamma denkt: zie is nog bij Rob. Rob denkt
dat ze bij mamma is. Er is dus niemand die haar mist.
Was Marja zo
berekenend? Nee, zo was ze helemaal niet. Dat hoeft ook helemaal niet de
verklaring te zijn. Het kan een gewone spontane opwelling geweest zijn: wat
een leuke hond! Daar wil ik ook even mee lopen.
Theoretisch kon
die man weten dat Marja wel eens in de weekends bij mij was. Dat zou ze hem
een keer verteld kunnen hebben, maar hij kon niet weten op welke precieze
data dat was. Dat wist ik niet eens. Ik wilde het ook niet weten. Het moest
steeds weer een verrassing zijn.
Wacht even. Ik
wilde het niet weten, maar ik hoefde het maar aan Ineke te vragen om het te
kunnen weten. Kende hij iemand bij de thuiszorg die de werkroosters kende?
Als dat 'stuk' zijn vrouw was, werkte ze niet bij de thuiszorg, want dan had
Ineke haar gekend.
Laat me
intussen die andere man niet vergeten, die incestpleger. Waar werkte die?
Kenden die twee elkaar? Hadden ze samengewerkt? In dat j-rijtje van Marja
kwamen twee namen voor: Jaap en Joost. Het zou wel heel mooi zijn als die
twee mannen zo heetten.
Op het ogenblik
ben ik wel heel erg bezig kris kras door het bos te hollen waar ik deze
memoires mee begon. Ik hoef het bos niet te zien. Ik moet op de bomen
letten. Ik moet rustig wandelen. Soms vallen dingen je uit een ooghoek op.
Ik ben wel in
een goede stemming. Het is geen euforie zoals een tijdje geleden. Het is
meer een gevoel van: er zit weer schot in de zaak.
Ik ben hier
terecht gekomen door een serie toevalligheden waartussen een soort logische
samenhang schijnt te zitten. Een zelfde serie toevalligheden kan die
samenhang op losse schroeven zetten.
Als er
voldoende schroeven los blijken te zitten kan ik hier uitkomen, maar in wat
voor situatie zit ik dan? Dan word ik alsnog vrijgesproken wegens gebrek aan
bewijs. Dan kom ik terug in mijn buurt en je hoort de mensen denken: gebrek
aan bewijs, ja, dat hebben ze weer handig gespeeld. Laten we toch maar een
beetje afstand van die man houden en de kinderen binnen.
Is dat wat ik
wil? Eerlijk gezegd: nee. Ik wil hier uitkomen als de man waarvan iedereen
weet dat hij het niet gedaan heeft omdat is komen vast te staan dat een
ander het gedaan heeft. Ik heb geen behoefte aan excuses. Ik heb geen
behoefte aan een schadevergoeding. Ik heb geen behoefte aan medeleven. Het
enige wat ik wil is mijn leven weer oppakken. Ik wil kinderen weer leren
waarom het niet is "ik loopd" maar "ik loopt". Ik wil een sleutel in de deur
horen en naar de hal lopen omdat zij thuiskomt. Ik wil naast haar op de bank
naar een film op de tv kijken en intussen met mijn hand onder haar bloes
over haar rug gaan.
●●●●●
Gisteren, toen Ineke op bezoek was, was het ook de
verjaardag van Marja. Voor Ineke maakt dat niet uit. Ze heeft al eens
eerder gezegd dat ze op feestdagen Marja niet meer mist dan op gewone
dagen. Herinneringen aan Marja kunnen op allerlei momenten en bij
allerlei gelegenheden naar boven komen. "Een paar dagen geleden nog",
vertelde Ineke, "liep ik in de supermarkt te zoeken naar diepvries
spinazie. Daar viel mijn oog toen op een soort ijs waar Marja gek op
was. Ik moest mijn best doen om daar niet te gaan staan janken. Je hebt
het nooit helemaal verwerkt, denk ik. Dat hoeft van mij ook niet. Als ik
tachtig ben wil ik haar nog missen."
Ze vertelde ook dat ruim een half jaar na het
overlijden van Karel een collega haar had verteld dat er clubs waren
voor mensen die iemand verloren hadden en waar ze elkaar konden steunen
bij de rouwverwerking. Ze had het toen nog behoorlijk moeilijk en was
eens naar een voorlichtingsmiddag gegaan. Er was een vrij grote opkomst,
zodat er eigenlijk niet veel kwam van met elkaar praten. Er werden
vooral vragen gesteld die beantwoord werden door mensen achter een
tafel. Op een gegegeven moment had iemand gezegd dat hij een dochter was
verloren. Dat was toch wel het ergste wat iemand kon overkomen: een kind
verliezen. Daar was ze een beetje kwaad over geworden. Hoe kon iemand
beoordelen hoe erg het voor haar was om haar man te verliezen? Kon je
verdriet dan meten? Dat had ze daar ook gezegd.
"Ik heb het toevallig allebei meegemaakt", zei
Ineke gisteren. "Ik durf echt niet te zeggen dat het verliezen van Marja
erger was dan het verliezen van Karel. Het was allebei heel erg. Het
kwam beide keren onverwacht en plotseling. Ik wil bij mezelf niet eens
gaan zitten nameten wat het ergste was. Hoe kan ik het dan bij anderen
meten? Ik kan me voorstellen dat iemand het erger vindt een broer of zus
te verliezen dan een vader of moeder. Het ligt toch allemaal aan de
relatie die je met iemand hebt? Dat ligt toch voor iedereen anders?"
Ik had hoe dan ook geen vergelijkingsmateriaal.
Marja is tot nu toe de enige persoon van wie ik hield die overleden is.
Met Ineke was ik het wel eens dat we ons geen oordeel moeten aanmatigen
over de omvang of de diepte van het gevoel van verlies bij anderen en er
dan ook nog als het ware een wedstrijdje van maken: "Ik heb meer geleden
dan jij."
We hebben het natuurlijk ook uitgebreid gehad over
'de boekhouder', zoals ik hem noem. Het is geen Mr. X meer. We konden
rustig afwachten op wat de politie allemaal deed, maar zou Ineke ook
niet, voorzichtigjes, wat meer gegevens kunnen achterhalen? Zou ze niet
met een of ander smoesje naar de school kunnen gaan over iets dat ze
moest weten en dat hij haar zou kunnen vertellen? Lang haar neus weg kon
ze dan wat meer persoonlijke vragen stellen, zoals: hebben uw kinderen
hier ook op school gezeten?
Ik had wel een idee: "Hij zal vast ook de
salarisadministratie doen. Zou je niet kunnen zeggen dat je voor de bank
of voor de verzekering, zoiets, moet weten wat mijn salaris in die tijd
was?"
Dat vond Ineke niet echt aannemelijk. Dan kon ze
net zo goed wachten tot hij weer eens langs kwam met die hond en hem
gewoon aanspreken. Per slot van rekening had hij haar ook zomaar
aangesproken. Wat vooral van belang was, was erachter komen of er enige
reden voor hem was een hekel aan haar te hebben en dat kon ze hem
moeilijk op de man af vragen. Kon ik niet beter, gewoon eens, ook met
een smoesje, Hans, de directeur bellen?
"Waarom zou ik hier ineens iets moeten of willen
weten van een boekhouder die je als leraar zelden of nooit zag?"
We zouden er allebei nog eens over nadenken en
konden het toen over iets belangrijkers hebben: over twee weken is de
grote dag. Dan gaan we trouwen.
De plechtigheid, als je het zo noemen wilt, begint
om vier uur. We krijgen een redelijk zaaltje tot onze beschikking. Met
iemand van de administratie hier heb ik een cateraar geregeld die een
soort koud buffet en wat flessen wijn komt brengen. We mogen het feestje
tot een uur of acht laten duren. Ik heb, zoals Frans voorstelde, de
directeur gevraagd of hij getuige wilde zijn. Dat zou hij persoonlijk
best willen, maar gezien zijn functie, dacht hij toch dat dit hier of
daar verkeerd zou kunnen worden opgevat. Hij zou er geen bezwaar tegen
hebben als iemand anders van het personeel getuige zou willen zijn. Ik
heb Henk, een van de bewakers hier die ik wel een aardige vent vind,
gevraagd. Hij zei meteen ja.
●●●●●
Ineke zat niet stil. Dat had ik ook niet echt verwacht. In de auto op weg naar huis had ze het goede 'excuus' gevonden: de foto van haar op het terrasje op Karpathos. Het was of de duvel er mee speelde: twee dagen later kwam hij weer langs met zijn hond. Dit schreef Ineke:
Ik was de planten in
de vensterbank aan het water geven en zag hem aankomen. Die foto had ik
klaar liggen. Toen hij bij ons huis was, vroeg ik of ik hem een
misschien beetje rare vraag mocht stellen. Dat mocht. Ik liet hem de
foto zien en zei dat ik dacht hij er op stond.
Hij hoefde niet lang
te kijken. "Wat grappig. Was u daar ook? Ja, domme vraag. Natuurlijk was
u daar ook. En het is toen niemand opgevallen. Was het geen vier jaar
geleden?"
Ik zei dat het
inderdaad vier jaar geleden was en gokte toen maar even: "Leuke vrouw
heeft u."
"Ja, die ziet er
goed uit, hè? Ik heb wel eens gezegd dat ik maar geluk gehad heb dat
zo'n leuke vrouw op een saaie boekhouder valt."
Ik vroeg of hij
kinderen had. Het leek even of zijn gezicht wat betrok. Ik was al bang
een verkeerde vraag gesteld te hebben, maar toen zei hij dat hij een
zoon van zestien had. "Hij doet dit jaar havo-examen. Alles wijst erop
dat hij gaat slagen en dan gaat hij naar het vwo. Hij zit bij mij op
school, zogezegd. Het is toch wel jammer voor u dat u uw dochter niet
zo'n succes kunt zien hebben."
Dat laatste vond ik
een beetje vreemd. Het is fijn als mensen iets zeggen waaruit blijkt dat
ze met je meeleven, maar dit klonk niet zo. Als jouw theorie klopt zou je
zeggen dat hij het er nog eens even goed inwreef.
Ik had meteen geen
zin meer verder met hem te praten en zei dus maar dat er iets op het gas
stond waar ik naar moest kijken.
Eén zo'n opmerking
zegt helemaal niks, dat weet ik ook wel, en iets aan je water voelen is
ook flauwekul. In ieder geval klopt er iets niet aan die man. Hij vindt
het helemaal niet erg dat ik Marja niet zie opgroeien. Jij hebt weer
iets om verder over na te denken.
Dat had ik
inderdaad. Ik denk dat de boekhouder zijn eerste fout heeft gemaakt. Hij
is zo overtuigd van zijn onkwetsbare positie dat hij niet kan nalaten
nog even een trap na te geven, zonder zich te realiseren dat mensen niet
alleen de exacte betekenis van woorden horen, maar ook de manier waarop
ze uitgesproken worden. Hij zal gedacht hebben dat hij die woorden op
een warme en meelevende manier uitsprak, maar als hij de werkelijke
moordenaar is, is hij gewoon iemand die geen idee heeft van wat warm en
meelevend betekent. Ik heb een ruime ervaring in het zeggen van dingen
waar ik niets van meen of waarbij ik niets voel. Ik kan het bijpassende
gezicht trekken, maar de bijpassende gevoelens kan ik er niet bij
leveren.
De zoon van
de boekhouder is dus ongeveer de leeftijd van Marja. Het is helemaal
niet onmogelijk dat die twee elkaar gekend hebben. Zou daar de link
kunnen liggen? Zijn gezicht scheen even te betrekken, schrijft Ineke,
toen ze hem naar kinderen vroeg. Zou die jongen zijn vader verteld
kunnen hebben dat Marja hem iets had aangedaan? Die jongen zegt
bijvoorbeeld tegen Marja dat hij verliefd op haar is, maar zij zegt dat
hij maar een duffe droplul is. Op die leeftijd kan dat hard aankomen.
Aan de andere kant is het ook niet waarschijnlijk dat een jongen zo'n
nederlaag direct aan zijn vader vertelt.
Ik kan me
ook voorstellen dat die jongen het helemaal niet zo goed doet op school
en dat hij maar een mooi verhaal ophing om indruk te maken. Hij kende
Marja immers en wist dus dat die wel degelijk slim was. Daar kon hij
zijn zoon natuurlijk niet bij achter stellen.
Er is nog
geen enkel hard feit, maar ik begin er toch meer en meer van overtuigd
te raken dat de boekhouder de man is waarop de politie zich moet
concentreren. Een dezer dagen ga ik weer eens met Saskia bellen om te
vragen of zij wat weet van de vorderingen die de politie maakt en in
welke richting dat onderzoek gaat.
●●●●●
Ineke en ik hadden het niet verteld, Jaap en Irma, Marja en Frans evenmin. Ik kon het me tenminste niet
voorstellen. Ik denk haast dat het iemand van de gevangenis hier geweest is. Het is natuurlijk als
een lopend vuurtje rondgegaan dat ik binnenkort ga trouwen. Iemand had het in ieder geval nodig gevonden
een van de commerciële omroepen op de hoogte stellen. Die zijn natuurlijk nooit vies van een onderwerp
dat enige emotie oproept, wat voor emotie dan ook. Ze hadden dus gevraagd om een interview met mij en, als het even kon, met Ineke er bij.
Mijn eerste reactie was botweg te weigeren, maar ik was weer eens verstandig en zei dat ik daar eerst
met mijn toekomstige echtgenote over wilde overleggen. Het was ook maar zeer de vraag of de directeur het
zou toestaan. Nou, dat was geen probleem, dat hadden ze tevoren al gecheckt. Als ik het hem zou vragen, zou hij het zeker toestaan.
Voor de tweede keer hier sprak ik Ineke via de telefoon en ik begon dus met te zeggen dat ik helemaal geen
zin had om aan goedkope sensatie mee te werken.
In principe was ze het helemaal met me eens. Ze zou er dan ook niet bij zijn. "Maar," zei ze, "het is wel een mooie gelegenheid voor
jou om een keer jouw verhaal te vertellen. Daar komen ze niet voor, dat weet ik ook wel. Het liefste willen ze zien dat ik een beetje blij kijk,
maar toch ook een beetje treurig. Ze willen graag de dood van Marja erbij halen, zodat ik een traantje kan wegpinken en
jij me over mijn bol kunt aaien."
"Precies", zei ik. "Wat willen ze dan van mij horen? Dat ik het hier zo moeilijk heb en voortdurend smachtend
naar je uitkijk? Willen de mensen in het land graag horen dat het heel moeilijk is voor een man als hij het al zo
lang zonder die bijzonder mooie vrouw moet doen? Weet ik wat ze ervan maken als ik hier een half uur met ze
zit te praten? Ze gaan er daarna lekker in zitten knippen en plakken, zodat het uiteindelijk een heel
ander verhaal wordt dan ik vertel. Zij kunnen er dan ook nog eens commentaar bij geven, zonder dat ik een weerwoord
krijg. Ik weet het niet. Of eigenlijk weet ik het wel: ik moet het gewoon niet doen."
"Waarom bel je me dan?"
"Ik had eindelijk een goed excuus om je te bellen. Nee hoor, het zou theoretisch belangrijk kunnen zijn
en daarom wil ik gewoon weten wat jij ervan denkt."
"Ze kunnen niet alles eruit snijden wat jij zegt. Je kan in ieder geval dat mailtje nog eens onder
ieders aandacht brengen. Je kan zeggen dat de politie nog steeds bezig is met dat nieuwe onderzoek. Je zou
zelfs kunnen zeggen dat je zelf inmiddels aanwijzingen hebt over de mogelijke echte dader. Dat zet die
enge vent misschien een beetje onder druk."
Dat leek me niet ineens zo'n slecht idee. Ik vertelde Ineke wat ik dacht over dat foutje dat hij naar mijn
idee had gemaakt. Ze was het helemaal met me eens.
Het maakte me ook een beetje bezorgd. "Blijf maar een beetje uit de buurt van die vent. Die is tot alles
in staat. Dat is wel gebleken."
"Je doet of je er al helemaal zeker van bent, dat hij het is. Ik heb nog steeds niet het flauwste vermoeden
waar ik die man ontmoet kan hebben. Laat staan dat ik weet hoe ik hem vreselijk kwaad heb kunnen maken."
We praatten nog wat door over andere dingen. Aan het eind zei Ineke dat ik het helemaal zelf mocht beslissen en
dat zij, wat ik ook zou doen, het zou begrijpen.
Daarna zeiden we nog wat dingen tegen elkaar die hier verder niet ter zake doen, maar die wel maakten dat ik in
een opgewekte stemming naar mijn cel terug ging.
Rustig nadenkend kwam ik tot de conclusie dat ik dat interview zou toestaan als zij bereid waren mij
een paar toezeggingen te doen, bijvoorbeeld dat het een redelijk feitelijk verhaal moest worden.
Ik wilde best zeggen dat het voor Ineke en mij wel bijzonder was onder deze omstandigheden te trouwen,
maar ik wilde ook duidelijk kunnen laten uitkomen wat mijn verhaal was.
Toen ik al in bed lag ontdekte ik een nog een laatste goede reden om het te doen: ik zou het grote publiek
kunnen vertellen met wat voor een bijzondere vrouw ik ging trouwen.
Verdomme! Wat zou die Helder kunnen weten? Vanavond riep die trut van beneden dat Helder op de tv was.
Dat moest ik wel even zien, natuurlijk. Ik begrijp trouwens niet waarom ze iemand die voor moord in de
gevangenis zit op de tv zijn woordje laten doen. Ik weet wel dat hij onschuldig is, maar dat weten zij niet.
Die muts zat me ook nog eens behoorlijk af te leiden. Ze had niet meer aan dan die peignoir die ik haar
een paar maanden geleden voor haar verjaardag gegeven had. Met die peignoir is niks mis. Je kan prima zien
wat erin zit en daar is ook niks mee. Alleen wat er bovenuit komt spoort niet altijd even goed. Ze heeft
nog steeds geen flauw idee wat het goede moment is om dat ding aan te trekken. Ik heb haar al vaak genoeg
gezegd dat ze dat niet moet doen als onze zoon thuis is of ieder moment kan thuiskomen. Het goede moment is
in ieder geval niet als ik iets op de tv echt wil zien en horen.
Die tv-mensen wilden dat interview omdat Helder over een paar dagen met dat mens gaat trouwen. Zijn ze
wel goed snik? De eerste paar jaar komen ze toch nergens aan toe, tenminste niet aan de dingen
waaraan normale getrouwde mensen toekomen en waar zo'n peignoir een leuke rol bij kan spelen.
Dat vroegen ze natuurlijk ook: "Waarom gaat u juist nu trouwen? U zult hier nog geruime tijd moet zitten?"
Die Helder ziet eruit alsof het hem niks zou kunnen schelen al zou hij daar nog honderd jaar moeten zitten.
"In de eerste plaats," zei hij, "kan me ook hier iets gebeuren en ik wil gewoon geregeld hebben dat
het huis dan gewoon het eigendom van Ineke is. Trouwen is de meest simpele manier om dat te regelen.
Ik had geen idee dat iemand belangstelling voor ons huwelijk zou hebben, maar nu die belangstelling er
toch is kan ik van de gelegenheid gebruik maken om en plein public te zeggen dat ik met een geweldige
vrouw ga trouwen. Het zegt al genoeg, denk ik, dat ze ook met mij wil trouwen al kan het nog jaren duren
dat ze me niet meer dan een paar uur in de week ziet. Dat huis is voor haar pas echt belangrijk als ik er ook weer woon."
Ineke heet dat wijf dus. Ze is in ieder geval niet te stom om te zien dat die muts van mij er goed
uitziet. Eerlijk gezegd ziet zij er ook helemaal niet slecht uit en als ze een zak over d'r kop zou
willen doen, dan zou ik wel weten wat ik met de rest zou moeten doen.
Wat die Helder over die e-mail zei was allemaal oud nieuws en iedereen weet dat de politie opnieuw aan
het onderzoeken is. Over dat onderzoek maak ik me geen zorgen. Tot nu toe heb ik geen rechercheur bij
mij in de buurt gezien en ik zou niet weten waarom ze wel in mijn buurt zouden komen.
Het enige opvallende in dat hele interview was eigenlijk dat Helder zei dat hij inmiddels over
aanwijzingen beschikte over de werkelijke dader. Hij keek erbij alsof hij de zaak al vrijwel had opgelost,
maar hoe kan iemand die in de gevangenis zit nou aanwijzingen krijgen over iets wat een paar jaar geleden
gebeurd is? Hij kan een privédetective hebben ingeschakeld, maar het lijkt me niet waarschijnlijk dat
die meer ontdekt dan de politie.
Toch zit het me om de een of andere reden niet helemaal lekker. Vandaar dat ik hier maar wat opschrijf
om mijn gedachten wat te ordenen. Goed, ik schrijf er ook wat bij over dingen die er niets mee te maken
hebben, bijvoorbeeld dat ik na die tv-uitzending zei dat ik lang genoeg was afgeleid door wat er allemaal
door die peignoir heen te zien was en dat ze dat ding boven maar snel moest uitrekken. Ik zou bij d'r
komen als ik nog een keer de opname van dat interview bekeken had.
Ze lag braaf te wachten en ik moet zeggen dat ze in topvorm was. Ik ben zeker nog een kwartiertje
blijven liggen voor ik weer achter mijn pc kroop.
Ik heb nu twee keer met dat mens gepraat. Ik heb volgens mij niets gezegd waar ze iets uit zou kunnen
halen dat ze dan aan Helder zou kunnen doorvertellen. Ik heb zelfs nog laten doorschemeren hoe erg
ik het vind van die dochter. Ik heb niet van die grote woorden gebruikt, maar ze zou het toch op prijs
moeten stellen dat iemand die haar dochter gekend heeft nog steeds aan haar denkt.
Er kan toch niets fout gegaan
zijn? Tussen die zondag dat ik mijn gram gehaald heb en vandaag heb ik niets
gedaan of gezegd wat daar ook maar iets mee te maken heeft. Ik heb tut hola
toen een bosje bloemen in de voortuin laten leggen en ik ben netjes naar de
begrafenis geweest. Daarna was het over en uit. Dat mens was ongelukkig en ik
was zeer tevreden. Als Helder over aanwijzingen beschikt kunnen die geen
betrekking hebben op de afgelopen jaren.
Ja, ik loop sinds die
tv-uitzending over die e-mail weer af en toe langs hun huis, maar wat is er nou
verdacht aan het uitlaten van een hond? Ik kom daar heel wat meer honden met hun
baasjes tegen. Gisteren zag ik nog een fraaie setter, maar wat aan de andere
kant van de lijn liep was nog veel fraaier. Bij de meeste korte rokjes denk ik:
had maar een heel lange rok aangetrokken. Maar dat was een zeer terecht kort
rokje. Door er zo bij te lopen vragen die meiden er ook om. Dan lopen ze nog in
de buurt van een bos ook. Ze weten niet half wat voor gevaarlijks er allemaal in
zo'n bos kan gebeuren. Deze dame had nog de mazzel dat ik een nette man ben die
uitgaat van het principe: buiten de deur honger krijgen, maar thuis eten. Nou,
van deze kreeg ik behoorlijk honger.
"Wat ben je gauw terug", zei
mevrouw die net aan het eten begonnen was. Ze had voor haar doen al vrij snel
door dat ik op dat moment niet stond te springen om een kruimig aardappeltje,
maar dat ik wel op springen stond. Dat zou ze even fijn voor me in orde maken.
Ik zit mezelf weer te veel af
te leiden, maar ik ben ook nog steeds een beetje trots op wat ik gepresteerd
heb. Aan die bovenkamer van haar kan ik niet veel veranderen en dat hoeft ook
niet, want waar zou ik het met haar over moeten hebben? Vijftien jaar geleden
had ik alles wat er aan haar te zien was wel zo'n beetje gezien. Ik kon haar aan
de dijk zetten, maar waar haal je zo gauw een plaatsvervangster vandaan? Ik
besloot dus dat zij maar een andere vrouw moest worden. Eerst werd die stomme
bril vervangen door contactlenzen. Ik wou het meteen goed doen en heb haar een
paar dagen naar zo'n beauty farm gestuurd. Bij een goede kapper liet ze zich, op
mijn aanwijzingen een nieuw kapsel aanmeten in een nieuwe kleur. Ik houd nou
eenmaal van behoorlijk rossig haar. Ze begon het zelf leuk te vinden en ging
helemaal uit zichzelf naar zo'n sportschool om d'r lijf in de goede vorm te
krijgen. Dat doet ze trouwens nog wekelijks. Ze ging zich ook wat meer verdiepen
in wat voor soort kleding het beste bij haar vormen past. Dat lukt haar
redelijk, maar als er iets meer gekocht moet worden dan een nieuwe doordeweekse panty
ga ik toch maar mee. Per slot van rekening moet ik er naar kijken.
Ik heb haar ook nog een
eenvoudig boekje laten lezen waarin stond hoe een vrouw het een man naar de zin
kan maken, niet alleen in de keuken, maar ook, vooral eigenlijk, in de
slaapkamer. Daar heeft ze aardig wat uit opgestoken en ik moet eerlijk zeggen
dat ze zelf ook wel eens wat origineels wist te bedenken.
Intussen is nu het nieuwtje
er ook wel weer vanaf, maar ja, als ik haar ga inruilen voor een nieuw model,
zal ik in de jongere leeftijdsklassen moeten gaan rondkijken. Wat dat betreft
zie ik op school vaak genoeg wat rondlopen, waar het water je bij in de mond
loopt, maar ik ben gelukkig niet zo stom daar mijn handen naar uit te steken.
Die jonge meiden laten zich bovendien liever pakken door de eerste de beste stoere
bink die belangstelling heeft in al het fraais wat ze te bieden hebben.
Die stomme trut zal toch haar
mond niet voorbij gepraat hebben? Ik heb haar natuurlijk nooit iets verteld,
maar ik weet ook niet voor honderd procent zeker of ik niet eens hardop gedroomd
heb. Ik weet ook niet wat ik allemaal zeg als zij weer eens goed met me bezig is
in bed. Ze heeft wel eens gezegd dat ik dan allerlei onzin zit uit te kramen.
Daar moet ik toch wat op gaan letten. Het is wel leuk om af en toe helemaal
nergens aan te denken, maar het moet niet in stommiteiten gaan ontaarden.
DEEL 5: CONCLUSIES
Een mens kan zo rationeel zijn
als hij wil, maar er zullen altijd emoties zijn die niet weg te redeneren
vallen. Die moet je dan ook maar gewoon over je heen, of door je heen, laten
komen. Dat overkwam mij op onze trouwdag. Alles verliep heel plezierig, maar aan
alles komt een eind. De getuigen en 'de ambtenaar van de burgerlijke stand'
hadden al afscheid genomen en ik was nog even alleen met Ineke. Toen klapte ik
volledig in elkaar.
Het had er niets mee te maken
dat ik nu afscheid moest nemen van 'mijn vrouw'. Ik had een paar uur in een
droomwereld geleefd. Het leek op zo'n avond waarop je een aantal goede vrienden
of familieleden bij je thuis uitnodigt en waarop het heel gezellig wordt. De
meeste blijven langer plakken dan ze bedoeld hadden, maar vooruit, nog één
glaasje dan. Aan ons feestje kwam onverbiddelijk een einde en ik realiseerde me
dat ik gewoon weer terug ging naar de keiharde werkelijkheid van mijn cel.
Ik heb zeker een kwartier
zitten huilen als een kind. Ineke hield me alleen maar vast. Ze zei niets. Ze
begreep dat ze niet moest proberen iets tegen te houden, dat ik er doorheen
moest.
Toen ik haar weer aankeek, keek
ze alleen maar terug. Ze zei nog steeds niets. Ze hoefde ook niets te zeggen.
Wat ik zag was voldoende om te weten dat ik er weer uit zou komen.
"Ik houd van je," zei ik, "en
ik weet dat jij van mij houdt. Ik zal het wel weer redden verder."
"Daar ben ik zeker van, lief.
Ik ben er gewoon als je thuiskomt. Ik ga nu, anders wordt het alleen maar
moeilijker."
Ik liep met haar mee naar de
deur. We kusten en hielden elkaar nog even stevig vast.
De anderen stonden nog te
wachten. Ze konden wel zien dat ik gehuild had, maar daar zullen ze niet van
opgekeken hebben. Ik liep zo ver als ik kon met ze mee. Daar hield ik Ineke nog
even stevig vast. Daarna liep ik met Henk terug naar mijn cel.
"Ik heb een tijdje met je vrouw
zitten praten", zei hij. "Mag ik zeggen dat ik haar een geweldig mens vind?"
"Dat mag je zeker zeggen. Dat
vind ik zelf namelijk ook. Nog eens bedankt dat je getuige wilde zijn."
In mijn cel las ik nog eens na
wat Frans had gezegd. Hij had er inderdaad voor gezorgd dat het geen
standaardtoespraakje was geworden. Hij had het opgeschreven en Ineke en mij
kopieën gegeven. Hij had het niet voorgelezen. Hij had het zo'n beetje uit zijn
hoofd geleerd. Hier volgen een paar stukjes uit die toespraak.
"Tot de dood ons scheidt."
Dat hoor je nog wel eens zeggen bij een huwelijk. Jullie leven al een paar jaar
gescheiden. Dat zal na vanavond ook weer zo zijn en dat kan nog een tijd duren.
Dat klinkt niet zo vrolijk bij een gelegenheid als deze. We weten het hier
allemaal en toch zie ik niemand echt sip kijken. Hoe zou dat nou komen? Het
antwoord ligt nogal voor de hand. Wij, de getuigen en ik, zien twee mensen die
hun ogen niet sluiten voor de harde realiteit van het leven, maar die geen
moment vergeten dat er ook nog een heel andere realiteit is. (...)
Het huwelijk dat ik straks
mag gaan voltrekken is voor jullie niet meer dan een formaliteit. Ik heb pas nog
ergens gelezen dat dit niet de mooiste dag van jullie leven is. Die mooiste dag
moet nog komen. Als het goed is, moet de mooiste dag altijd in de toekomst
liggen.
Dit is dus niet de mooiste
dag, maar hoe je het ook wendt of keert, een bijzondere dag is het wel. Vanaf
vandaag gaat Ineke zich tegenover buitenstaanders mevrouw Helder noemen. Ineke,
je wilt jezelf geen feministe noemen, maar ik denk dat zelfs de meest
doorgewinterde feministe er helemaal achter zal staan dat jij, geheel uit vrije
wil, Robs naam gaat gebruiken. Voor zover dat nog nodig is wil jij ook op die
manier laten blijken dat, wat de mensen ook van Rob denken, jij hem kent en
daarom jouw leven met het zijne wil blijven delen. (...)
Rob, je praat niet zo
graag en niet zo veel over jezelf, maar je hebt wel een aardige hand van
schrijven. Ik zie het als een voorrecht dat ik het mag lezen. Het heeft een hele
tijd geduurd voor jij je medemensen ging vertrouwen. Er waren twee Marja's voor
nodig. De eerste heeft je tot de drempel gebracht, de tweede heeft je er, in
alle onschuld, over heen geduwd. Aan de andere kant van de drempel stond al een
tijdje iemand op je te wachten.
●●●●●
Terwijl ik Frans' toespraak zat
te lezen kreeg ik een heel goed idee. Ik vind het geweldig dat Ineke zich
mevrouw Helder gaat noemen, maar het is niet mijn oorspronkelijke naam. Na mijn
geboorte ben ik bij de burgerlijke stand ingeschreven met de naam van mijn
natuurlijke moeder. Mijn adoptiefouders, die toen nog heel blij met me waren,
hebben mij officieel hun naam laten geven. Zij en mijn natuurlijke moeder zeggen
mij niets meer en hun namen dus ook niet. Als Ineke zich mevrouw Helder mag
laten noemen, mag ik me meneer Van 't Riet laten noemen. In de bibliotheek hier
hebben ze zo'n beetje alle folders van Postbus 51. Over naamswijziging is er ook
een. Zodra ik hier uit ben stap ik naar de gemeente en laat daar registreren dat
ik in het zogenaamde dagelijks verkeer Rob van 't Riet heet. Het is geen
officiële naamswijziging, in officiële stukken blijf ik gewoon Rob Helder, maar
voor iedereen zal ik verder Rob van 't Riet zijn en ik zal er nog trots op zijn
ook.
Ik heb al geschreven dat ik een
paar uur in een droomwereld geleefd heb. Henk kwam me halen en we gingen samen
naar de 'trouwzaal'. Iedereen was er al. Dat was al even een schok, maar op dat
moment wist ik me nog in te houden. Ik kreeg ook niet veel tijd om er aan toe te
geven, want ik moest handen schudden en zoenen geven. Ik had liever Ineke eerst
even alleen ontmoet, maar je kunt niet alles hebben in dit leven.
We hielden het allemaal zo
informeel mogelijk. We zaten gewoon om een tafel. Na de koffie zei Frans:
"Zullen we dan maar?" Hij ging er bij staan, maar dat was dan ook het enige
officiële naast die paar teksten die een ambtenaar van de burgerlijke stand nou
eenmaal moet uitspreken. Ineke en ik moesten ook nog even gaan staan om heel
officieel "ja" te zeggen.
Ik had er absoluut niet aan
gedacht, maar Ineke wel: ze had twee simpele ringen gekocht. Ze had gegokt wat
de maat voor mijn ring moest zijn en ze had goed gegokt. Dat was het tweede
moment dat ik me moest inhouden. Het moest natuurlijk helemaal niet. Geen mens
had ervan opgekeken als ik op dat moment van enige emotie openlijk had blijk
gegeven. Er is nog steeds wat 'oude Rob' over.
Ik zag nog wel meer over het
hoofd. Dat maakte Marja me duidelijk. We zaten al aan de wijn toen ze me vroeg
wat er in de ring gegraveerd stond. Ik haalde hem van mijn vinger en keek. De
datum stond erin, geen naam, wel: "Ik wacht op je."
Ineke zat een paar meter bij me
vandaan te praten met haar ouders, maar zag wat ik deed. Ze lachte.
Dat was geen moment om me in te
houden. Ik was met een paar grote stappen bij haar. Ik weet niet meer wat ik
tegen haar gezegd heb. Ik weet alleen dat ik haar lang heel stevig heb
vastgehouden.
Na een tijdje was ik zo ver
haar te vragen wat er in haar ring stond.
"Heel traditioneel," zei ze,
"de datum van vandaag en 'Robbie'. Praat nog maar even door met Marja. Ze heeft
je nog steeds aardig door." Dat zei ik ook tegen Marja.
"Klopt," zei ze, "en ik ken
Ineke intussen ook wel een beetje. Ik vermoedde al dat er iets bijzonders in die
ring zou staan en ik wist zeker dat jij er niet in zou kijken. Mag ik weten wat
erin staat?"
Dat kon ik haar moeilijk
weigeren en dat wilde ik ook niet. Ik liet het haar zien.
"Ik ben echt heel blij voor je,
Rob", zei ze. "Ik had dit voor geen goud willen missen."
De enige die nieuw voor me was,
was Mark, Inekes collega. Ik bedankte hem dat hij onder de wat ongewone
omstandigheden toch getuige had willen zijn.
"Voor Ineke wil ik heel wat
doen", zei hij. "Dankzij haar weet ik zeker dat mijn vriendin er gewoon is, als
ik vanavond thuiskom."
"Heeft ze met je vriendin
gepraat?"
"Nee, veel beter nog: ze heeft
me geleerd zelf met mijn vriendin te praten, echt praten, bedoel ik dan."
Ik had het kunnen weten.
Aan Irma en Jaap vroeg ik of ze
er blij mee waren dat ze weer een echte schoonzoon hadden, al was het dan een
bajesklant.
Irma vond dat ik daar eigenlijk
geen grapjes over moest maken. Zo leuk was het niet, niet voor mij en niet voor
Ineke. Ik zei dat ik over alles grappen kon maken, behalve over onbenullige
dingen. Over het feit dat ik hier zit kan ik van alles zeggen, maar niet dat het
iets onbenulligs is.
Zoals het op de meeste feestjes
gaat, praat je met iedereen over van alles en nog wat en het minste met je eigen
partner. De eerstkomende bezoekdag gaan we uitgebreid evalueren.
●●●●●
Marja's armband is gevonden!
Een aantal politiemensen heeft systematisch het hele bos doorzocht en kwamen hem
zo tegen. Ik hoorde het via de telefoon van Saskia, want de politie wil er nog
geen ruchtbaarheid aan geven. Ze zei er meteen bij dat het niet automatisch iets
goeds voor mijn zaak betekende. Er kon als het ware een rechte lijn getrokken
worden tussen die picknickplaats waar mijn boekenlegger gevonden was en de
plaats waar ik Marja gevonden had.
"Zegt het ze dan helemaal
niets," vroeg ik, "dat ik zelf over die armband begonnen ben? Denken ze soms dat
ik het hier zo leuk vind dat ik mijn best doe om nog nieuwe bewijzen aan te
dragen dat ik wel de schuldige ben? Ik had net zo goed mijn mond kunnen houden.
Niemand wist iets van die armband."
Zelfs Ineke kon zich die
armband niet herinneren toen ik het er met haar over had. Zij had hem Marja niet
gegeven. Ze kon hem gevonden hebben of met een ander meisje voor iets geruild
hebben. Waarschijnlijk had ze hem die zondag voor het eerst gedragen. Toen Ineke
die dag de deur uitging had Marja zich nog niet aangekleed en dus ook die
armband niet omgedaan.
Tegen Saskia zei ik dat de
politie het juist wel bekend moest maken. Het kon mijn zaak niet erger maken,
maar het zou de werkelijke dader wel ongerust kunnen maken. Hij had immers iets
over het hoofd gezien. Misschien had hij nog wel meer over het hoofd gezien. Het
zou hem tot nadenken kunnen stemmen en wie nadenkt kan fouten maken.
Ik zag de boekhouder voor me.
Ik zag hem met Marja bij die picknicktafel zitten om uit te rusten. Daar zou hij
ook over nadenken. Was daar, zelfs na een paar jaar, toch nog iets te vinden dat
erop zou kunnen wijzen dat hij daar gezeten had? De politie was het hele bos aan
het doorzoeken, anders hadden ze die armband niet gevonden. Zouden ze nog wat
anders gevonden hebben, maar dat verzwijgen? Als dat meisje een armband verloren
had, had hij ook iets kunnen verliezen, al was het maar iets simpels als een
zakdoek. Hij zou voor alle zekerheid zelf die hele wandeling nog eens na moeten
lopen. Doe dat vooral, boekhouder, dacht ik bij mezelf, dan val je lekker op.
Al had ik geen enkel bewijs, ik
was er meer en meer van overtuigd dat de boekhouder de moordenaar was. Het enige
wat me nog ontbrak was het motief, maar als Ineke zich geen enkele connectie
tussen haar en die man kon herinneren, hoe moest ik daar dan achter komen? Zou
het met iets heel basaals als seks te maken kunnen hebben. Zijn vrouw was
duidelijk jonger, schreef Ineke, en een 'stuk'. Ik zal wel bevooroordeeld zijn,
maar volgens mij ziet Ineke er voor veel mannen ook zeer aantrekkelijk uit. Ze
ging wekelijks met Marja zwemmen. Was de boekhouder ook een regelmatige zwemmer?
Dan zou hij Ineke vaker gezien kunnen hebben in een bikini of zwempak; in ieder
geval met zo weinig aan dat er weinig te raden overbleef. Of wilde hij ze nog
jonger dan zijn vrouw? Ik moest denken aan wat Marja vertelde over die
onherkenbare man in het zwembad die aan haar gezeten had. Had hij die zondag
heel onverwacht zijn kans schoon gezien, maar was er toch iets tussengekomen en
had hij haar, uit frustratie of kans op ontdekking, vermoord?
Hij werkt in een kamertje
'achteraf', waar Marja af en toe kwam met een computervraag. "Daar wil ik je wel
mee helpen, meisje, maar dan moet jij ook iets aardigs voor mij doen." Stonden
die 'strafregels' misschien helemaal los van dat opstel? Was het zijn piemel
waar Marja niet mee wilde spelen? Nee, nu draaf ik door, vrees ik. Dat zou Marja
vast en zeker rechtstreeks aan haar moeder verteld hebben.
Het was veel waarschijnlijker
dat er zich, mogelijk vlak voor die zondag, iets had afgespeeld tussen Marja en
zijn zoon. Stel nou dat Marja niet wist dat het zijn zoon was. Tussen neus en
lippen door zegt zij tegen die jongen: "Die man weet wel veel van computers,
hoor, dus ik vraag hem wel eens wat, maar ik vind hem ook een beetje een
engerd." De zoon vertelt het aan het vader en vader komt haar tegen. De man
denkt: ik zal jou eens laten merken hoe eng ik echt kan zijn, eigenwijs trutje,
en hij voegt de daad bij het woord.
●●●●●
"Ik ben er zeker van dat ik op
de goede weg zit", zei ik tegen Ineke, toen ze me weer eens waarschuwde voor al
te groot optimisme. "Ik wou dat ik eens in jouw geheugen kon rondkruipen.
Misschien zie ik dan iets wat jou niet opvalt. Ik neem je echt niet kwalijk dat
je niets weet. Het is waarschijnlijk zoiets kleins dat het wegvalt tussen al het
andere. Het kan best zoiets zijn als die armband die mij ook pas een paar jaar
later weer te binnen schoot, zonder duidelijke reden of aanleiding."
"Aanleiding genoeg", vond
Ineke. "Je bent er constant mee bezig. Ook als je slaapt of met iets heel anders
bezig bent, blijft je onderbewuste gewoon doorzoeken. Ik ben er ook voortdurend
mee bezig. Als alles meezit krijg ik ook een keer zo'n ingeving. Jij had toen
dat knagende gevoel over een foto. Een paar dagen geleden heb ik je memoires
weer eens van begin tot eind gelezen. Op een gegeven moment had ik ook zo'n
knagend gevoel."
"Weet je nog wat je toen las?"
"Nee, maar het was niet ver van
het einde. Je moet het zelf nog maar eens doorlezen. Je weet nooit of jou dan
weer iets opvalt."
Ineke vond me heel lief toen ik
haar zei dat ik mijn naam wilde veranderen. "Zal ik dan nog maar even wachten
met het bestellen van een nieuw naambordje? Ik was al van plan een bordje met
'Rob en Ineke Helder' te laten maken, maar hoe gauwer ik weer Ineke van 't Riet
heet, hoe liever. Ik wil dat gespierde lijf van jou ook wel weer eens naast me
op het terras zien zitten. Ja, daar dacht ik gisteren aan. Het was de eerste dag
van het jaar dat ik weer in mijn bikini buiten kon zitten. Uiteraard kwam de
overbuurman ook prompt naar buiten, maar ik heb hem niet de lol gegund me zonder
bovenstukje te zien. Dat doe ik pas uit als jij weer thuis bent. Gaan we net als
toen ook weer leren hoe we lekker moeten vrijen. Ik mis je elke dag, maar
gisteren toch net iets meer. Als je samen een tijd bijna bloot in de zon hebt
gelegen wil je er ook wel een mooi eind aan maken. Daar dacht ik even aan."
Het was niets voor Ineke om
over seks te beginnen. Ze heeft wel eens gezegd dat ze er altijd goed over
nadenkt wat ze moet aantrekken als ze naar mij gaat. "Je moet niet beginnen aan
iets dat je niet kunt afmaken. Ik trek nooit iets aan wat zeg maar prikkelend
zou kunnen zijn."
Ik heb haar toen gezegd dat ze
zelfs in de dikste winterkleren nog prikkelend zou kunnen zijn, in ieder geval
voor mij. Ik weet precies wat er onder die kleren zit.
"Mis je het?" vroeg ik.
"Natuurlijk mis ik het. Ik ben
een gewone gezonde vrouw. Jij mist het ook, toch? We kunnen ermee leven. Dat
hebben we eerder gedaan, maar er zijn van die momenten dat je wel eens aan het
dromen en fantaseren bent. Het valt jou niet zo op met die airconditioning hier,
maar het is behoorlijk warm. Ik heb even geaarzeld, maar ik heb toch een kort
rokje aan gedaan. In de auto viel me pas op hoe kort het was. Vind je het niet
vervelend?"
"Vervelend? Ik vind je mooi.
Zie je er prikkelend uit nu? Reken maar. Vind ik dat erg? Helemaal niet. Kunnen
we afmaken wat je begonnen bent? Nu niet, nee, maar er komt een dag dat we het
wel kunnen afmaken. Ik ben onze eerste keer nog niet vergeten. Het was geweldig
en daarna kwam al jouw verdriet er pas goed uit. Zo zal het weer gaan, denk ik.
Dan zal bij mij alles eruit komen. Ik hoef niet te roepen dat ik weer gelukkig
mag worden. Dat ben ik dan al. Dat was ik al toen ik je zonet binnen zag komen
in dat korte rokje, hartstikke prikkelend, hartstikke mooi en heel erg lief. Ik
wil niet zo gauw mogelijk naar huis alleen voor dat mooie lijf van je, dat weet
je, maar het heeft er ook wel degelijk wat mee te maken. Ik ben ook een gewone
gezonde man, maar ik heb geen vrouw nodig, niet zomaar een willekeurige vrouw.
Ik ben nogal eenkennig. Ik heb alleen die ene heel speciale vrouw nodig. Bij
haar ben ik weer helemaal mezelf. Rob van 't Riet zit ik ook op zijn vrouw te
wachten."
Het duurde een tijdje voor Ineke wat zei. "Ik houd ook van jou, Robbie."
●●●●●
Wat kan Ineke nou dat knagende
gevoel gegeven hebben? Ik heb het laatste kwart van mijn memoires nog eens heel
goed doorgelezen, maar er is me niets opgevallen. Voor alle zekerheid heb ik ook
haar brieven allemaal doorgelezen, maar daarin heeft ze het maar zelden over het
verleden. Die gaan over wat ze nu denkt en voelt en over de toekomst. Verder
schrijft ze gewoon over dingen die ze dagelijks meemaakt, zoals het ontmoeten
van de boekhouder.
Ik las ook weer wat Ineke
schreef over eventuele verhuisplannen. Daar heeft ze toch van afgezien. Het zou
erop lijken, zei ze, dat ze er vanuit ging dat ik hier toch nooit eerder vandaan
zou komen en daar wilde ze ook in blijven geloven. Dan maar geen contact met
buren.
Ik zou wel eens willen praten met de
politiemensen die nu met het onderzoek bezig zijn. Ik weet dat Saskia mijn
theorietjes trouw heeft doorgegeven, maar doen ze er iets mee, behalve het
zoeken naar die armband? Dat was geen theorie maar lekker concreet en het
leverde ook nog resultaat op. Met dat resultaat kwamen ze alleen geen stap
verder.
Die boekhouder, daar was ik
voor negenennegentig procent zeker van, had hoe dan ook geprobeerd me in een
verkeerd daglicht te stellen, door het versturen van dat mailtje. Diezelfde truc
kon ik ook uithalen. Ik geloofde er zelf niet in dat die 'strafregels' iets met
hem te maken hadden, maar ik kon de politie toch vertellen dat ik die
mogelijkheid zag? Ik zou dat zwembadverhaal erbij kunnen vertellen. Die man had
dat brilletje op omdat hij niet door Marja herkend wilde worden. Ik kon er een
badmuts bij verzinnen voor nog meer onherkenbaarheid, al had Marja daar niets
van gezegd. Het zou voldoende reden voor de politie kunnen zijn toch eens met de
man te gaan praten of hier en daar wat inlichtingen in te winnen. In de beperkte
gemeenschappen van die school en het dorp zou hij gauw genoeg via via horen dat
de politie vragen over hem stelde.
Ik sprak erover met Frans.
"Het is heel gemeen en
oneerlijk," zei hij, "maar als je gelijk hebt wat dat mailtje betreft en dat zou
best kunnen, heeft hij het wel verdiend ook. Doe het gewoon. Het kan jouw zaak
niet slechter maken."
Ik heb het verhaal dus op
papier gezet en naar Saskia gestuurd. Die hoeft het alleen maar door te sturen.
Daarmee was de kous niet af. Ik
was niet van plan rustig af te wachten tot het de politie behaagde iets met mijn
theorieën te doen. Ik verplaatste mij in de rol van rechercheur Slim die van
plan was eens onverwacht bij de boekhouder op zijn werkplek op bezoek te gaan.
Ik moest hem zo veel mogelijk laten praten en hem zo in de gelegenheid stellen
verkeerde dingen te zeggen.
"Dat meisje dat toen vermoord
is kwam u ook nog wel eens om computerhulp vragen, heb ik gehoord. Klopt dat?"
Dat kon hij niet ontkennen.
"Vond u haar een aardig meisje?"
Daar kon hij zonder problemen ja op zeggen.
"Wist u dat ze regelmatig bij Helder op bezoek ging?"
Dat was de cruciale vraag. Of
hij nou ja of nee zei, geen van beide bewees iets. De vraag op zich was niet
belangrijk, maar zijn reactie daarop. Die vraag zou hem aan het schrikken kunnen
maken: zou de politie iets weten of vermoeden? Hij zou kunnen gaan nadenken: wat
is het beste antwoord? In de verhoren die ik moest ondergaan hoefde ik nooit na
te denken over een antwoord. De waarheid die ik vertelde was steeds hetzelfde.
Alleen een schuldige zal zich gedwongen voelen tot liegen om de waarheid te
verbergen en wie liegt moet een goed geheugen hebben. De boekhouder kon vast
goed cijfertjes onthouden, maar gold dat ook voor gesproken woord?
"U kwam destijds vaak met uw
hond door de straat van Helder en dat meisje. Na haar dood kwam u daar nooit
meer, de laatste tijd weer wel. Hoe zit dat eigenlijk?"
Dat zou hij ook geen leuke
vraag vinden. Werd hij in de gaten gehouden? Werd hij door de politie gevolgd?
Helaas is rechercheur Slim geen
lid van het team dat de zaak Helder onderzoekt, als het al een team is. Het is
dus zeer vraag of die vragen ooit aan de boekhouder worden gesteld.
●●●●●
Het wordt de hoogste tijd dat ik hier uit kom. Niet eens voor mezelf, voor Ineke. Ik ben zo bezig met mijn eigen probleem, dat ik er veel te weinig aan denk dat Ineke niet voor de eerste keer zonder man zit. Ze heeft het al een keer meegemaakt. Ze kon al haar aandacht, energie en liefde aan Marja besteden. Ze had niet zo veel tijd over om zich rekenschap te geven van het afwezig zijn van Karel. Nu komt ze elke dag in een leeg huis en zit ze elke avond alleen, tijd genoeg om zich te realiseren wat ze mist. Dat kan haar wel eens teveel worden. Dit schreef ze:
Lieve Robbie,
Vanmiddag zat ik er helemaal doorheen. Ik was vroeg, al om zeven uur op. Ik was best
opgewekt, zelfs in een beetje baldadige stemming. Ik wou even lak aan alles en
iedereen om me heen hebben. Ik weet niet waarom. Na het douchen trok ik niets
aan en maakte mijn ontbijtje in mijn blootje klaar. Het was al lekker weer, dus
ik wilde op het terras ontbijten, ook in mijn blootje. Wie komt er op
zaterdagochtend rond die tijd nou langs om zich door een blote vrouw te laten
verrassen? Zou er toch iemand langs komen dan zou die dat alleen maar een
aangename verrassing vinden, dacht ik.
Ik dacht aan jouw wijze woorden en was dus toch maar verstandig. Een beetje
verstandig, want meer dan dat lange blauwe T-shirt van jou trok ik niet
aan. Je weet hoe ik er uitzie in dat, voor mij, minimini-jurkje: als ik rechtop sta
bedekt het net wat een net meisje bedekt hoort te houden. Een plotseling opwaaiend rukwindje zou
alsnog voor een verrassing kunnen zorgen, maar het waaide niet.
Sinds we laatst weer eens over vrijen gepraat hebben, begin ik te beseffen dat ik, jij
misschien ook wel, de gevoelens die daarbij horen een beetje onderdrukt hebben,
omdat we er toch niets mee konden doen. Vanochtend dacht ik daar helemaal niet
aan, hoor. Het was mooi weer, het was nog heel stil, geen gepraat of radio's op
een afstandje en ik voelde me sexy en een beetje ondeugend. Ik dacht aan jou
zonder daar meteen weer verdrietig van te worden. Dat lukt me wel eens.
Ik was al voor de grote zaterdagse drukte bij de supermarkt en behalve de gewone dingen
heb ik ook wat speciale lekkere dingen gekocht, zoals gamba's met knoflook die
je alleen maar even in de magnetron hoeft te leggen.
Ik borg de boodschappen op en dronk een espresso in de keuken. Ik vroeg me af wat ik zou
doen: mijn bikini aantrekken of net als vanochtend alleen dat T-shirt. Ik wilde
provoceren. Dat kon ik doen door topless te gaan, maar zo kennen oplettende buurmannen
me langzamerhand wel. Dat kun je geen provoceren meer noemen. Niemand had me, voor
zover ik weet, die ochtend gezien. Ik trok alles uit en weer alleen dat T-shirt
aan.
Ik heb een tijd voor de boekenkast gestaan. Ik wist niet zeker of ik aan een nieuw boek zou
beginnen of iets wilde lezen dat ik al kende en waarvan ik wist dat ik me daar
gewoon lekker bij zou voelen. Ik besloot tot het laatste, maar toen viel er nog
genoeg te kiezen. Mijn oog viel op "Wampie" van Den Doolaard, "de roman van een
zorgeloze zomer". Het zal geen grote literatuur zijn, maar het is wel leuk,
lekker romantisch en Wampie heeft wel iets van mij.
Als Wampie en Dolf elkaar ontmoeten zijn ze meteen hevig verliefd op elkaar. Dolf zegt dan
op een bepaald moment: "En als het geluk dan een keer op een holletje komt,
kijken jullie eerst in het kookboek van het burgerlijk fatsoen; en als het
soepje te gauw gaar is volgens de voorschriften, gooien jullie het liever in de
gootsteen dan het op te eten." Dat schreef Den Doolaard al in 1938. Toen ik zo
kort na het overlijden van Marja met jou naar Griekenland ging en daarna bij je
introk, zaten mensen nog steeds in hetzelfde kookboek te kijken of dat wel kon.
Ik ben nog altijd heel blij dat wij ons niets aan dat kookboek gelegen lieten
liggen.
Ik heb "Wampie" weer helemaal uitgelezen, lekker in de zon. Ik had een tijdje dat
gevoel van die zorgeloze zomer. Ik heb er ook helemaal niet op gelet hoe ik
zat: knietjes tegen elkaar zoals een net meisje met een heel kort 'jurkje' en
zonder slipje betaamt. Ik lette trouwens ook niet op of er iemand langs kwam.
Als ik eenmaal in een boek verdiept ben, let ik nergens meer op, dat weet je.
Om een uur of vier las ik de laatste regels.
'Het bos zegt, dat het goed is,' zei Wampie.
'Dan nog maar een zoen,' vond Dolf.
En dat deden ze.
Ik was helemaal in de stemming voor een glaasje wijn met een paar grote garnalen. Ik
ging eerst een plasje doen. Toen ik uit het toilet kwam zag ik mezelf in de
spiegel in de hal. Ik keek een tijdje naar het spiegelbeeld. Ik trok het shirt
wat omhoog. Dat zou jij, elke man trouwens, wel spannend gevonden hebben. Ik
draaide me om en keek over mijn schouder in de spiegel: ook spannend voor de
liefhebbers. Ik trok het shirt uit en keek weer. Ik dacht: dat ziet er nog best
goed uit en dat heeft Robbie al geen vier jaar gezien. Op dat lijf heb ik al
vier jaar zijn handen niet gevoeld. Ik heb al vier jaar zijn lijf niet tegen dat
lijf gevoeld, niet huid op huid.
Ik miste je ineens verschrikkelijk. Ik had op dat moment helemaal
geen behoefte aan lieve woorden. Ik wilde je handen voelen, je lippen, overal.
Ik wilde jouw hele lichaam tegen het mijne voelen.
Ik ben naar boven gegaan en heb op bed liggen janken, vrij lang, want jij was er niet om
mijn rug te strelen. Ik kreeg visioenen dat ik het niet meer zou volhouden, dat
ik weg zou lopen naar ik weet niet waar heen. Ik was toch alles kwijt: eerst
Karel, toen Marja, toen jou. Ik moest ervoor zorgen dat mensen niet van me gaan
houden, want het wordt toch niks. Er gebeurt altijd weer iets dat er een einde
aan maakt. Ik mag gewoon niet gelukkig worden, in ieder geval niet lang.
Na een uur of zo ben ik naar beneden gegaan en heb die fles wijn opengetrokken en
geprobeerd rustig na te denken. Pas bij het tweede glas had ik door dat ik nog
steeds in mijn blootje zat; niet op het terras, hoor, in de woonkamer, maar
iedereen die voorbij kwam kon me zo zien zitten. Het kon me geen malle moer
schelen. Kijk maar, dacht ik, dit is Ineke Helder zoals ze is, zonder enige
vermomming. Hier houdt mijn Rob van. Naar deze borsten, benen, billen, buik en
alles wat er nog meer bij hoort kijkt hij uit. Het zou ze geen bal interesseren
wat ik wel weet: dat je gek bent op al die b's, maar dat je verder kijkt.
Het luchtte me op. Ik kreeg weer wat van dat gevoel van vanochtend terug. Ik zit nu, nog
steeds in mijn blootje, voor de pc om dit aan je vertellen, want ik moest het
meteen even kwijt.
Ik verlang heel erg naar je, maar het is niet meer dat wanhopige gevoel van vanmiddag. Ik
weet dat ik anderen geen ongeluk aanbreng, jou al helemaal niet.
Ik wil dat ongeremde gevoel nog even vasthouden. Zometeen ga ik deze brief posten in
alleen het T-shirt en een paar slippers. Dan is het toch al donker en meer dan honderd
meter is het niet. Daarna ga ik weer alleen naar bed, maar ik ga niet weer liggen janken. Ik ga liggen
fantaseren dat je gewoon naast me ligt en me aanraakt. Ik voel je hand over mijn
hand rug gaan. Zo begin je meestal, dus vul de rest zelf maar in. Pak die foto
er maar bij en bekijk al je favoriete plekjes.
Ik houd van
je en ik wacht op je.
●●●●●
Ik weet dat een paar andere mensen nu ook die brief van Ineke zullen lezen. Ik
heb heel even geaarzeld om hem hier op te nemen, maar dat "ongeremde" gevoel van
Ineke was aanstekelijk. Ineke zelf zal het ook prima vinden. Ze heeft nooit een
geheim gemaakt van haar gevoelens. Onze relatie speelt zich af in een bijzondere
situatie. Andere mensen, zeker goede vrienden, mogen weten tot wat voor emoties
die bijzondere situatie kan leiden.
Ineke heeft nog gelijk ook: al een paar jaar onderdrukken we die gevoelens.
Alleen heb ik het daar iets minder moeilijk mee dan zij. Ik heb inderdaad die
foto erbij gepakt. Ik kijk daar niet dagelijks naar, zelfs niet wekelijks. Ik
stelde me voor dat mijn lange T-shirt om haar heen hing. Dat zou ik sexy vinden,
ja. Merkwaardig is dat eigenlijk. In de korte tijd dat we samenwoonden zag ik
haar dagelijks zonder kleren, gingen we vaak samen onder de douche. Ik heb haar
twee keer in dat T-shirt gezien. Dat trok ze aan als ze zich 's ochtends nog
niet aan wilde kleden, maar het net even te fris vond om helemaal niets aan te
hebben. Als ze dan rondliep, zich even bukte of zich uitrekte, keek ik. Als ze
een andere man zo naar haar zou kijken, of als ik zo naar een andere vrouw zou
kijken, zou je het loeren of gluren noemen. Ik zag niets onbekends, maar vond
het toch spannend op de een of andere manier. Ik kan me ook voorstellen dat
Ineke het spannend vond om zo op het terras te zitten. Als ik thuis ben gaan we
zeker zo een keer samen zitten, al zal ik weinig aan dat ongeremde toevoegen.
Sinds ons huwelijk spreek ik Frans vaker dan ervoor. Die indruk had ik
tenminste, dus ik vroeg hem of ik daar gelijk in had. Of was het gewoon puur
toeval?
"Het is geen toeval", zei Frans. "Je kan het vervelend vinden, maar ik ben nu
eenmaal geestelijk verzorger. Ik zie het als mijn taak mensen een beetje in de
gaten houden. Jullie vinden jullie huwelijk niet meer dan een formaliteit, maar
er is toch iets veranderd en elke verandering heeft gevolgen, hoe klein ook. Jij
zit veel na te denken, denk er eens over na of er wat tussen jullie veranderd
is. Ik observeer intussen wel. Tot nu toe heb ik niets gemerkt overigens."
Ik had net de laatste toevoegingen aan mijn memoires gekopieerd en gaf Frans
zijn exemplaar. "Lees maar", zei ik. "Je weet dat ik je weinig meer zal vertellen."
Hij begon meteen te lezen en las dus ook de brief van Ineke. Daarna keek hij me
onderzoekend aan. "Jij gaat daar vast nog op in. Ik ben daar wel benieuwd naar.
Je gaat behoorlijk ver door die brief van Ineke in je memoires op te nemen. Het
is behoorlijk persoonlijk wat ze schrijft, toch?"
"Het is helemaal Ineke", zei ik.
Ik zette mijn laptop aan en liet hem het stukje lezen dat ik de avond daarvoor
al geschreven had.
"Ik kan moeilijk zeggen dat jullie door je huwelijk ineens vonden dat jullie
over vrijen mochten praten", zei Frans. "In het normale leven heeft de eerste
huwelijksnacht ook niet zo gek veel betekenis meer. Ik kan me toch voorstellen
dat het voor Ineke, meer dan voor jou, wel iets veranderd heeft. Voor de buren,
de omgeving, is ze niet langer meer je vriendin of je liefje, maar heel
officieel je vrouw. Dat kan iets bij haar wakker gemaakt hebben. Na jullie
huwelijk komt ze voor het eerst bij je op bezoek in wat ze zelf prikkelende
kleding noemt. Ze gaat op het terras zitten en waarschijnlijk ook nog wat heen
en weer lopen in één enkel kledingstuk dat ook maar net iets aan het oog ontrok.
Als ik buurman geweest was had ik ook zitten gluren, dat zeg ik eerlijk. Ik
proef daar bij haar iets in van: bekijk me maar, ik ben er toch alleen voor hem.
Ik ben zijn vrouw. Begrijp je wat ik bedoel?"
Ik begreep het en zei dat er misschien wel iets zat in wat hij meende te zien.
Frans herinnerde er ook aan dat Ineke me een keer verteld had over een
bijeenkomst van een club voor rouwverwerking. "Er is ook een club van vrouwen
van gedetineerden, lotgenotencontact en zo, weet je wel? Zou dat iets voor haar zijn?"
Volgens mij was dat niets voor Ineke, zei ik tegen Frans. Met die club voor
rouwverwerking was ze niet doorgegaan. Ze zou best hartverscheurende, echt
gemeende en gevoelde verhalen horen. Ze was ook bang dat ze zich zou ergeren aan
mensen die toch niet verder kwamen dan gemeenplaatsen, zoals het verlies van een
kind dat het ergste was dat iemand kon overkomen. Dan kon ze toch haar mond niet
houden en zou ze het hardop zeggen. Dat zouden andere mensen niet op prijs
stellen. "Ze zou misschien lid worden van een club van vrouwen van onterecht
gedetineerden", zei ik nog. "Dat zou een mooi overzichtelijk clubje worden."
●●●●●
Ik moet me in bedwang houden en gewoon met het begin beginnen, al zou ik dit het
liefst in grote gekleurde hoofdletters schrijven.
Toen ik gisteravond na het schrijven naar bed ging dacht ik nog wat na over wat
ik met Frans besproken had. Ik kreeg weer dat knagende gevoel. Wat ik met Frans
besproken had over Ineke en mogelijke veranderingen kon volgens mij niets
knagends veroorzaken. Ik las het vandaag na. We hadden het ook nog even gehad
over rouwverwerking, waar ik eerder over schreef. Nog niet zo lang geleden had
ik het daar met Ineke over gehad. Het stond in het laatste kwart van mijn
memoires, waar zij dat knagende gevoel had gekregen. Gisteren zei ik tegen Frans
dat Ineke niet tegen mensen kon die gemeenplaatsen gebruikten in plaats van hun
werkelijke gevoelens te tonen. Dan zou ze hardop iets zeggen. Dat had ze ooit
gedaan toen het over het verlies van een kind ging.
Ik had het gevoel of een heel zware deur plotseling openzwaaide.
Het was allemaal te onwaarschijnlijk om waar te zijn, maar ik rende naar de
telefoon om Hans te bellen, de directeur van mijn school, als je dat nog 'mijn
school' kon noemen.
Hans was uiteraard heel verrast dat hij mij zomaar ineens aan de lijn kreeg. We
wisselden wat algemeenheden uit en toen kwam ik tot de zaak. "Hans, je zult het
wel een vreemde vraag vinden, maar weet jij toevallig of die boekhouder van ons,
hoe heet ie ook weer, nog een kind heeft gehad behalve die zoon die bij ons op
school zit?"
Ik betrapte me erop dat ik het over "ons" had, niet over ''jou", alsof ik al
weer terug was of nooit weggeweest.
"Ja," zei Hans, "vóór die zoon heeft hij een dochter gehad. Die is maar een jaar
of één, twee geworden. Hij heeft het me lang geleden verteld. Daarna heb ik hem
er nooit meer over gehoord."
Er ging van alles door me heen. Het was zeker geen medelijden met die man. Het
was vooral iets van: ik heb je, schoft. Daarna dacht ik: ik moet Ineke bellen.
Ze moet weten dat ik binnenkort bij haar ben.
Hans maakte een eind aan alles wat er door mijn hoofd raasde: "Rob? Ben je daar
nog? Waarom moet je dat ineens weten?"
"Sorry, Hans. Heel erg bedankt. Je zult binnenkort horen waarom ik het wilde
weten. Tot gauw!"
Ik hing op en belde meteen Ineke.
"Ineke Helder."
"Met Rob." Ik kon er verder even geen woord uitkrijgen.
"Rob, wat is er? Is er iets gebeurd?"
"Ik ben heel gauw bij je." Meer kon ik nog steeds niet zeggen.
"Heb je iets gehoord? Vertel nou."
"Sorry, lief. Ik weet het pas net zeker. Ik moet nog tot me zelf komen. Het ís
die boekhouder. Hij heeft jaren geleden ook een dochter verloren."
"Dat was het", riep Ineke. "Hij moet toen bij diezelfde bijeenkomst geweest
zijn. Ik kan me absoluut niet herinneren dat ik hem gezien heb. Hij moet toen
gezegd hebben dat er niets vreselijker is dan een kind verliezen. Ik moet iets
in die stem herkend hebben. Dat wilde bij mij naar buiten komen. Toen heb ik hem
kwaad gemaakt en waarschijnlijk heeft die rotzak een geheugen als een olifant."
Ze hield op. Ik hoorde dat ze haar neus snoot.
"Ik sta hier ook te snotteren", zei ik. "We gaan deze zomer nog vrijen in het
zand, lief. Ik ga je persoonlijk uitkleden. Ik ga je onthullen."
Zo gingen we nog een tijdje door, tot ik zei dat ik moest ophangen, want ik
wilde die avond, als het even kon, ook Saskia nog te pakken krijgen. Ineke zou
haar ouders en Marja bellen.
Ik holde naar mijn cel om het privé nummer van Saskia op te zoeken. Ze was nog
thuis ook.
Ik excuseerde me dat ik haar thuis belde, maar dat ik niet kon wachten. Ik
vertelde mijn verhaal.
"Dat is heel goed nieuws, Rob. Daar moet de politie wel wat mee doen. Ik moet
voorzichtig blijven, maar het zou best kunnen dat ik voor het eerst in mijn
carrière een zaak voor de Hoge Raad mag brengen en dat het geen vreselijk
moeilijke zaak zal worden. Ik ga er morgenochtend meteen werk van maken. Slaap
lekker."
Ik heb een tijdje niet geschreven. Het was niet meer nodig. Als ik nu klaar ben,
gaat de laptop bij de andere spullen in de koffer die in de kofferbak gaat van
de auto waarmee Ineke me morgen komt halen.
Het verzet van de boekhouder was na een dag gebroken. Het was allemaal vrijwel
precies zo gegaan als ik in mijn theorieën bedacht had. Wat ik niet kon weten
was dat hij en zijn gezin een jaar of vijf voor de moord in ons dorp waren komen
wonen. Hij had Ineke bij toeval een keer gezien bij de supermarkt en haar meteen
herkend als de vrouw die hem destijds diep beledigd had en in zijn diepste
gevoelens gekwetst. Van toen af was het idee gegroeid dat hij haar nog wel eens
zou krijgen. De gelegenheid deed zich voor toen hij Marja leerde kennen. Hij zou
de moeder eens laten ervaren dat het erger is een kind te verliezen dan een man.
Waar hij geen rekening mee gehouden had was dat haar tweede man het niet meer
pikte onschuldig gevangen te zitten en eens goed ging nadenken.
●●●●●
EPILOOG
Rob weet niet dat ik dit schrijf. Ik laat het hem lezen als hij thuiskomt van de
lerarenvergadering. Ik heb een heel lekkere whisky gekocht en ik heb zijn
T-shirt al aan en verder niks. Ik heb een paar dagen geleden zijn memoires nog
eens gelezen. Het sluitstuk ontbrak, vond ik.
Het was een donderdag toen ik Rob ging ophalen. Er stond pers bij de gevangenis. Ik zei dat
ik met ze wilde praten onder één voorwaarde: ze moesten ons absoluut met rust
laten als ik met Rob naar buiten kwam. De vragen die ze stelden waren te
onbenullig om hier te herhalen, van het soort "Wat ging er door u heen?"
In de auto op weg naar huis hebben we nauwelijks iets gezegd. Ik reed. Zijn hand lag al die
tijd op mijn linkerschouder. Ik had de mensen die we kenden duidelijk gemaakt
dat we vóór zondag niemand wilden zien. Ik had voor drie dagen eten en drank in
huis gehaald en we zijn de deur ook niet uitgeweest. Tot zondag heb ik niets
anders gedragen dan dat T-shirt. Ik ga het bewaren zoals andere vrouwen hun
trouwjurk bewaren. Het heeft een soort symboolwaarde gekregen. Het betekent
zoiets als: jullie mogen allemaal heel veel van me weten, maar de enige die het
randje mag optillen, die het hele ding over mijn hoofd mag trekken, is Rob. Het
betekent ook dat we door niets meer geremd werden.
We moesten weer aan elkaars directe nabijheid wennen. We konden weer gewoon aan elkaar
zitten. Rob kon weer met zijn handen onder mijn T-shirt. Hij kon weer mijn
billen en borsten strelen. Hij kon alles strelen wat er maar te strelen viel en
na die eerste donderdag maakte hij daar ruimschoots gebruik van.
De geschiedenis herhaalde zich. De eerste avond hebben we niet gevreeën, alleen
maar dicht tegen elkaar aan gelegen. De vrijdag daarop had Rob het ontbijt
gemaakt. We hebben die dag veel gepraat. We draaiden ook als het ware om elkaar
heen. We wisten allebei wat er ging gebeuren en we stelden het steeds nog even
uit. Aan de warme maaltijd zijn we niet toegekomen. Om een uur of vijf had Rob
net een pilsje ingeschonken en wijn voor mij. Toen zei hij: "Nu."
Ik zou hier bijna kunnen overschrijven wat Rob over onze eerste keer geschreven heeft, al
hoefden we deze keer alleen maar het verlies aan jaren en ervaringen goed te
maken. Daarna hebben we samen gehuild en gelachen. We hebben ook weer om het
verlies van Marja gehuild. Dat kon ik eindelijk weer samen met hem doen.
De zaterdag was heel ontspannen. Ik lag alleen in bed toen ik wakker werd, maar ik hoorde
Rob in de keuken scharrelen. Een kwartier later kwam hij naar boven met het
ontbijt. Daarna vreeën we uitgebreid en gingen we samen onder de douche. 's
Middags hebben we zitten lezen op het terras. Ik las meer dan Rob, want die zat
een deel van zijn tijd nog te besteden aan gluren.
"Heb ik wat van je aan, enge voyeur?" vroeg ik.
"Ja, je hebt wat van mij aan, exhibitionistische lellebel. Trek de volgende keer je
eigen T-shirt aan."
"Je had er
vanochtend best een van mij mogen aantrekken, hoor. Had iedereen kunnen zien dat
je een echte vent bent."
's Avonds hebben we naast elkaar op de bank naar een onbenullige film gekeken. De aandacht
die we overhielden besteedden we aan elkaar. Het eind van de film hebben we niet
gezien. We zochten liever de romantiek van onze slaapkamer.
Zoals ik het geschreven heb lijkt het of we twee dagen lang alleen maar aan seks dachten
en alleen maar daarmee bezig waren. Het was zeker een belangrijk onderdeel van
ons opnieuw samenzijn, maar we hebben vooral heel veel gepraat. We konden weer
eens praten zonder tijdslimiet. Er kwam niemand zeggen dat ik moest vertrekken.
Als ons iets te binnen schoot hoefden we geen dagen te wachten om het te kunnen
vertellen.
's Zondags kwamen dezelfde mensen die bij ons huwelijk waren. Het was mooi weer, dus we
maakten er een tuinfeest van. De mensen uit de buurt die langs kwamen lopen
negeerden we, zoals ze mij jaren genegeerd hebben.
Al die tijd zaten we heel traditioneel in een kringetje en praatten we allemaal met elkaar.
Rob had de stoelen klaargezet. Marja zei op een gegeven moment dat ze Rob nog
nooit zo op dreef had gezien in een gezelschap en zij kan het beter weten dan
ik.
We vertelden dat we op dinsdag voor acht dagen naar Karpathos gingen. Die reis
hadden we op zaterdag geboekt.
"Eén dag zou eigenlijk genoeg zijn," zei Rob, "maar zulke reizen hadden ze niet in de
aanbieding."
Alleen Henk en Mark begrepen het niet. Zij kenden de memoires niet. Mijn moeder legde het
voor ze uit. "Ze gaan er alleen maar heen omdat ze nog één keer op een afgelegen
strandje in het zand willen vrijen. Dan hebben ze pas echt een punt achter alles
gezet. Ik wens jullie een heel mooie vrijpartij toe, kinderen."
Rob moest wat tranen uit zijn ogen vegen. Marja zag het en keek naar mij. Ze stak een duim
omhoog.
Alle dagen op Karpathos verliepen volgens het vertrouwde patroon. We huurden de brommers op
de laatste dag. Het strandje lag erbij als toen. We hadden bewust geen
handdoeken meegenomen. Rob onthulde me zoals hij beloofd had. Hij heeft nog
nooit zo langzaam mijn T-shirt over mijn hoofd getrokken en zo ongeveer alles
wat er onthuld werd moest hij kussen. Hij maakte even langzaam de knoopjes van
mijn korte broek los en liet die naar beneden zakken. Het slipje ging gelijk mee
omlaag. Ik maakte er niet zo veel werk van hem uit zijn kleren te helpen.
We liepen
niet hand in hand de zee in. Rob droeg me naar het water. Hij liet me er niet in
plonsen, maar liep door tot hij me kon laten drijven. Daar begon het en we
maakten het weer af in het mulle, warme zand. We zaten nog een hele tijd dicht
tegen elkaar aan voor we opstonden. Rob pakte mijn handen. We stonden tegenover
elkaar. Hij trok me tegen zich aan en sloeg zijn armen om heen. Hij fluisterde
in mijn oor: "Ik ga het niet roepen, Ineke. Het is alleen belangrijk voor ons.
We zijn weer gelukkig."
Ik had er niets aan toe te voegen.
●●●●●