In 1959, ik had net mijn onderwijzersakte behaald, ging ik samen met een vriend voor de eerste keer naar Lapland. Er was nog een jaar kweekschool te gaan voor het behalen van de hoofdakte. Mijn vriend en ik hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt in de schoolkrant een verslag van onze reis te plaatsen. Ik bewaar niet zo veel, dus dat verslag was ik al meer dan 45 jaar uit het oog verloren, al wist ik nog altijd hoe het eindigde.

In april 2006 nam ik deel aan een, zeer geslaagde, reünie van de leerlingen met wie ik op de kweekschol vijf jaar lang lief en leed gedeeld had. Naar aanleiding van mijn desbetreffende vraag bleek zowaar dat een medeleerlinge nog steeds die schoolkrant had en ze was zo lief mij een kopie van het artikel te sturen. Het verslag is niet buitengewoon goed, maar ook niet buitengewoon slecht geschreven, wel veel te wijdlopig. Toch leek het me wel aardig het nu wereldkundig te maken op een wijze waarvan we toen niet eens konden dromen.

Nacht in Lapland, ongeveer één uur. Het begint al weer wat lichter te worden, de bergtoppen zijn reeds flauw verlicht. In een dal tussen enkele van deze besneeuwde toppen ligt een meer, het Tjaddejaure. Dezelfde wind die het water van het meer doet golven, waait ook rond een plaggenhut, de Tjaddejaurekota, belachelijk klein tussen de steil oprijzende bergwanden.

Al begint het buiten al wat te schemeren, binnen in de hut is het nog aardedonker. Was het wat lichter geweest, dan zou men ter weerszijden van het primitieve kacheltje twee stapels rendierhuiden ontdekt hebben, die bij nader toezien geen stapels blijken te zijn, maar slechts twee huiden, waarvan het regelmatig rijzen en dalen bewijst dat er mensen liggen te slapen. Plotseling komt er meer beweging in een van de huiden, er verschijnt een hoofd dat zich luisterend opheft. Het wordt gevolg door een arm, die pogingen doet ook de andere rendierenhuid in beweging te brengen. Met succes, want na enige inleidende knorren kan men van onder de huid horen vragen: "Wat is er?" "Stil, luister." Buiten de hut klinken geluiden. In het monotone gebruis van de rivier mengt zich het staccato van hoefgetrappel. "Rendieren", fluistert de eerste. Maar de rendieren zijn niet de enige dieren in de naaste omgeving: geritsel aan alle kanten verraadt de aanwezigheid van een hele muizenfamilie. "Als dat gespuis toch aan mijn rijst komt, roei ik morgen de hele kolonie uit", zegt de tweede. "Hoe laat is het eigenlijk?" Het blijkt, dat er nog wel enkele uurtjes geslapen kan worden en nadat het vuur wat opgerakeld is, trekken beiden de huiden weer over zich heen. Even later zijn alleen nog de muizen wakker.

Op dat tijdstip bevonden we ons ongeveer 200 KM ten noorden van de Poolcirkel, omringd door bergen, moerassen en snel stromende rivieren. Eén van onze grootste wensen was vervuld: in de ongerepte natuur te zijn, zonder sporen van beschaving, daar waar bijna geen mensen komen, in het hart van Lapland, waar geen wegen zijn, geen huizen, slechts met sneeuw en ijs bedekte bergen, uitgestrekte toendra's, slechts doorkruist door de spoorlijn Kiruna-Narvik, waaraan kleine gehuchten liggen, bestaande uit enkele houten huizen.

In de buurt van Abisko hadden we bij een waterval onze tent opgeslagen, om de volgende dag naar Narvik (Noorwegen) te gaan, om proviand voor enige weken in te slaan. Het geluk was ons daarbij dikwijls tegen. Ons spoorkaartje was slechts geldig in Zweden. In het grensplaatsje Riksgränsen wilden we in de tijd dat de trein stil hield, gauw een kaartje kopen, maar door afwezigheid van de kaartjesjuf duurde het vrij lang voor we het verlangde bezaten. Intussen had onze trein zijn weg naar Narvik reeds voortgezet en pas 5 uur later zou de volgende trein gaan. Men raadde ons aan de grens maar lopend over te gaan naar het Noorse grensdorpje, waarvandaan eerder een locaalspoor naar Narvik zou gaan. Om half twaalf daar aangekomen, zagen we op een dienstregeling dat de eerste trein om kwart voor twaalf zou gaan, we zouden dus nog maar een kwartier behoeven te wachten. Doch wie schetst onze verbazing toen wij hoorden dat deze trein reeds drie kwartier geleden vertrokken was! Noorwegen heeft nl. zomertijd, zodat ze daar al een uur verder waren dan onze horloges aangaven. Maar om vier uur ging er dan toch echt een trein, waarmee we om even na vijven aankwamen in Narvik. Hier wachtte ons nieuwe pech, want de winkels sloten om vijf uur (Noorse zomertijd). Wat nu? Onze uitrusting bevond zich in Abisko. Het enige waardevolle dat we bij ons hadden, was onze portemonnaie. In een naburig restaurant hebben we ons getroost door een enorm maal te bestellen. De daarop volgende drie weken zou het voorkomen dat we één maal per dag een maaltijd gebruikten, bestaande uit noodrantsoenen, met een slok water om het wat uit te laten dijen, zodat je tenminste het gevoel hebt dat je maag vol zit.

We waren van plan de nacht door te brengen op het station van Narvik, maar dit werd om één uur gesloten. De dienstdoende "figuur met pet" verzocht ons het station te verlaten. Wij echter verstonden geen "ijzererts-engels". De man evenwel was onverbiddelijk en stuurde ons zonder pardon en regenjassen de regen in. We vonden voor enige tijd beschutting in een rotshol, maar uiteindelijk geeft zo'n slaapplaats geen bevrediging, temeer daar het nogal koud was. We verlieten dus het hol; een late dronkaard wees ons de weg naar de "politivakt". Men ontving ons, getuige de grote schotels van ogen, niet zonder verbazing: in een nette havenstad als Narvik verwacht men eerder dronken zeelui op bezoek, dan twee figuren die eruit zien als verlopen woudlopers. Na het "Passports, please!"bood men ons een tweepersoons cel aan met een houten brits voor ieder om op en een dunne deken om onder te liggen (de deur ging niet op slot).

De volgende ochtend deden we onze inkopen. De handelaar in kruideniers-, grutters- en koloniale waarden keek wel even bevreemd toen hij de hoeveelheden hoorde: 7 kilo rijst, twee en halve kilo meel, één pond vet, boter en enkele pakken knäckebrot. De terugtocht naar Zweden verliep gunstig en nog diezelfde dag verlieten we Abisko en daarmee de beschaving.

Bijna iedere ochtend was er hetzelfde karweitje: beslag maken en pannekoeken bakken, op de primus. (Dames even opgelet, hier volgt het recept: men vermengt een hoeveelheid meel met melkpoeder, onder roeren voegt men hier water aan toe tot het beslag de gewenste dikte bezit, met een eetlepel brengt men het beslag in de pan, die van te voren met boter en vet is ingesmeerd. Wil men iets zwaardere pannekoeken dan voegt men naar believen zand of mos toe.) Eventueel werd in het beslag ook nog noodrantsoen en knäckebrot verwerkt en soms, maar dit alleen op hoogtijdagen, Nescafé. Als we in een roekeloze stemming verkeerden besmeerden we de pannekoeken met een dun laagje boter, waarna er suiker over gestrooid werd, dit echter onder strenge controle, want ieder moest een gelijk aantal korrels hebben, om zodoende tot een een evenwichtige calorieënverdeling te komen.

Na het eten werd snel de "Bergans" (Noorse rugzak met draagstel) gepakt; eventueel werd een voet op de inhoud gezet, zodat alles er stevig in zat. Iedere Bergans met inhoud woog ongeveer 25 kilo. Voedsel, lucifers en andere waardevolle dingen, zoals kompas en dagboek, werden in plastic verpakt. Verder bestond de inhoud uit een ultralichtgewicht-tent (2 kg), een slaapzak, een primus, hiker-trio (in elkaar passende, stevige aluminium pannen), een opvouwbaar vlindernet, een herbarium (zwaar) en de nodige vloeistofjes en buisjes ten bederve van de insecten. Zeer belangrijk waren ook de op linnen geplakte kaarten van het door te trekken gebied. Slechts het hoogst nodige was meegenomen, want neem je iets te veel mee, dan loop je het later te verwensen.

Na dit zich elke ochtend herhalend ritueel gingen we op weg, de ene dag om 6 uur 's morgens, de andere dag om 1 uur 's middags, dit hing af van de die dag te lopen afstand. In het berekenen van die afstand vergisten we ons, door de betrekkelijke betrouwbaarheid van de kaart, nog al eens. Het kwam dus wel voor, dat we tegen middernacht eindelijk onze dagelijkse portie "rijst met niks" naar binnen konden werken. En die hadden we dan echt wel verdiend na een dag sjouwen, al deden we nog wel meer dan dat, want de wetenschappelijke interesse van één onzer deed ons nog wel eens hier of daar stilstaan om een bloemetje te plukken of door de kijker een vogel of ander dier te bestuderen. (We zullen op de wetenschappelijke kant van onze reis niet te diep ingaan, daar dit niet ieders belangstelling heeft. Mocht U hiervan meer willen weten, stelt U zich dan in verbinding met de schrijvers.)

In totaal hebben wij in die drie weken ongeveer 300 KM gelopen door de laatste wildernis van Europa, waar geen wegen zijn en men weken kan rondzwerven zonder een mens te zien. Er zijn onafzienbare moerassen (om onverklaarbare redenen spraken wij van Sümpfe), die men niet altijd omlopen kan, zodat we er meermalen doorheen moesten. Met enige oefening kan men reeds op grote afstand aan de vegetatie zien waar zich een moeras bevindt zodat men tijdig zijn maatregelen kan nemen. De moerassen zijn rijk aan vogelleven, o.a. sneeuwhoenders. Ook treft men oerbossen aan, voornamelijk bestaande uit berkebomen, de rivierdalen zijn dicht met wilgen begroeid. In de bergen treft men een machtige arctische flora aan, in bonte kleuren. Soms zweeft er boven de vlakte een steenarend of speurt een visarend naar buit. Grote kudden rendieren kan men ontmoeten tegen de vaak met sneeuw bedekte hellingen. Af en toe stort een rotswand in onder invloed van zeer snelle erosie. Een briesende rivier breekt zich een weg door de rotsmassieven. Zo ligt daar, onbekommerd, vrijwel onaangeroerd door mensenhanden, Lapland.

Deze streken zijn zo onbekend dat de Zweedse regering er ieder jaar een expeditie heen stuurt. Deze geschiedt te voet en wordt dikwijls uit de lucht bevoorraad. Werkelijk goede kaarten bestaan niet, sommige zijn ontstaan uit dagboeknotities, een enkele dateert van 1890.

We hebben niet altijd de bestaande routes gevolgd, wat echter veel kompaswerk en kaartkennis vereist en een behoorlijke dosis stom geluk. Deze bestaande routes zijn smalle rendierpaadjes die door de jaren heen door mensen zijn gemerkt met hopen stenen van ongeveer een meter hoog, welke rösen genoemd worden. Er zijn weinig van deze routes, sommige komen midden in een meer uit, geheel betrouwbaar zijn ze dus niet. Het terrein is zeer geaccidenteerd en wanneer men op één dag minder dan 5 rivieren moet doorwaden mag men van geluk spreken. Bruggen zijn een zeer zeldzaam verschijnsel en als ze er zijn bestaan ze uit een paar kabels met planken of slechts twee kabels, één om de voeten op te zetten en één om je vast te houden. In negen van de tien gevallen zal men dus een rivier moeten doorwaden soms tot aan het middel onder water. Dit kan allerlei complicaties opleveren als men met de volgende factoren rekening houdt: een zeer sterke stroom, ijskoud water, zodat je het gevoel in je voeten verliest, waardoor je niet meer weet waar je voeten neergezet moeten worden, scherpe en gladde stenen en een zware rugzak, die je, als hij verschuift, naar beneden trekt. Eén keer gebeurde het dat al deze factoren samen één van ons te machtig werden. De wadstelle, de doorwaadbare plaats, was ongeveer 50 meter breed en anderhalve meter diep. Door van het ene gladde rotslok op het andere scherpe rotsblok te springen, moesten we de overzijde zien te bereiken. Toen de eerste de veilige oever bereikte, riep hij: "Hé, houd je de rijst droog?" Zich tegelijkertijd omdraaiend zag hij dat de ander zich, half onder water, aan een rotsblok vastklemde om niet me de stroom meegesleurd te worden. Goed, de rijst was droog, maar de kleren niet meer. In de nabij gelegen Mesakjaurestugan hebben we toen maar enkele dagen gebivakkeerd. (Een stugan is een houten hut. Dit was een soort overwinteringshut voor rendierhoeders en hij was daarom voorzien van rendierbouten en -huiden.) Terwijl hier de één het maal bereidde ging de ander het gebergte in om planten te zoeken en hier en daar een insectje te snappen, waarbij het hem gelukte van zeer nabij een rendierfoto te maken.

Over de temperatuur in Lapland bestaan de meest uiteenlopende meningen, waaraan we de onze willen toevoegen. Het gedeelte van Zweeds Lapland, in de buurt van de Noorse grens, ligt vrij hoog. Zo ligt de top van de hoogste berg, de Kebnekaise, op 2123 meter. De temperatuur is door verschil in hoogte zeer verschillend. Het kan hier 's zomers vrij warm zijn overdag, terwijl het 's nachts door de snelle afkoeling t.g.v. de ijle lucht, behoorlijk koud kan zijn. In de winter kan de temperatuur dalen tot 40 graden onder nul. Doordat de regen door het Noorse gebergte wordt tegengehouden, zal men hier niet veel last van hebben.

De vegetatieperiode, in dagen uitgedrukt, is korter dan in Nederland. Ter verduidelijking het volgende: ons punt van vertrek in Lapland was hetzelfde als ons punt van terugkeer, nl. Abisko. Hier vertoonde zich bij onze terugkomst, drie weken na ons vertrek, een specifiek andere plantengroei. Wanneer men in Zweden van zuid naar noord reist, reist men a.h.w. de lente achterna.

Vele bloemen der arctische flora zijn evenals de alpine-planten fel gekleurd en hebben korte geledingen tussen de knopen. Dit is te danken aan de ultra-violette stralen, welker invloed met de hoogte toeneemt. Ondanks de moeilijkheden onderweg bleef er steeds de bewondering voor de prachtige plantengroei, waaronder ijsranonkel (ranunkulus glacialis), sedum roseum met mooie zacht-rose bloempjes. Het lopen werd soms zeer bemoeilijkt door de dwergberk (betula nana), op een hoogte van 1200 meter troffen wij op een onherbergzame plateau dit plantje aan, slecht 2 cm groot. Op de hellingen vindt men prachtige veldjes met gele viooltjes (viola biflora), hier treft men ook aan de zeer mooie witte Pinguicula alpina, en vleesetend plantje en de leuke blauwe klokjes van de Linnaea Borealis.lagere gedeelten bevindt zich een overweldigende bloemenweelde , doch op de hoogvlakte, hier en daar bedekt met sneeuw, is ze zeer arm, op grotere hoogte ontbreekt ze geheel.

We trokken enkele dagen door zeer zwaar terrein, een toendra, doorsneden door kale bergruggen, soms een onafzienbare stenen rijstebrijberg, waar we op handen en voeten tegenop moesten klimmen. Het overnachten in zulk een gebied is geen grapje als er een ijskoude sneeuwwind waait, die de tent heen en weer doet schudden en soms de aluminium pennen tussen de stenen wegtrekt. Dikwijls troffen wij kudden rendieren aan, bestaande uit enkele honderden exemplaren. Mannelijke zowel als vrouwelijke dieren dragen een gewei, dat grote afmetingen kan hebben. Eenmaal stonden we oog in oog met een "opa". We zaten uit te rusten en beknabbelden enkele rozijntjes, toen een geweldig mannelijk exemplaar ons nieuwsgierig naderde. Zijn brede hoeven maakten een dof geluid op de rotsgrond en duidelijk hoorden we het knapperend geluid van de beentjes in de achterpoten (wat een gewoon geluid is als deze dieren op harde grond lopen; in Artis kan men dit ook constateren).

Wanneer men over rendieren spreekt, gaat de gedachte ook uit naar hun eigenaars, de Lappen. De Lappen of Laplanders zijn van afkomst een Fins volk, hun taal is verwant met het Hongaars. Thans leven er 2100 in Noorwegen, 2000 in Finland, 7000 in Zweden en 2000 in de USSR. Denkt u vooral niet, dat al deze Lappen met hun kudden rondzwerven, vele plaatsen in Zweden en Noorwegen doen denken aan Marken en Volendam. Vele Lappen nl. hebben hun hele hebben en houden naar de Noorse kust of naar een plaatsje langs de spoorlijn gebracht, om geld te verdienen aan de toeristen. De Amerikanen stappen zo vanaf hun schip een Lappenlager in, waar ze allerlei prullaria kunnen kopen zoals messen, geweien, pantoffels en mutsen en tegen betaling een Lap in vol ornaat kunnen fotograferen; zelfs de kinderen kunnen het woord MONEY met een onberispelijk Amerikaans accent uitspreken. Meer in het binnenland leven gelukkig nog de echte Lappen, die 's zomers in hun grote tenten leven, 's winters in een plaggenhut. De Lap heeft een gedrongen figuur, een gezicht met mongoloïde trekken. (Niet van ons is de kenschetsing: een Lap is een kruising tussen een Chinees en een keuterboer.) Voortdurend trekken helaas meer en meer Lappen zich terug uit het nomadenleven, sommigen hebben hun eigen hélicoptère. Gaat men op bezoek bij de Lappen, dan krijgt men koffie met zout, wat bij ons niet dadelijk in de smaak valt. Een andere merkwaardigheid is het zich zeer snel voortbewegen in het zeer moeilijke terrein. Wij waren blij als we een gemiddelde afstand van twee en een halve kilometer per uur aflegden. Er waren dagen dat we ongeveer 12 uur onderweg waren. Een rivier oversteken kostte gemiddeld anderhalf uur, want het zoeken naar een doorwaadbare plaats kan lang duren.

Een heel bijzonder kenmerk van Lapland is het voorkomen van miljarden muggen, die zich vooral in moerassen en berkenbomen bevinden. Denkt U niet dat U weet wat muggen zijn als U nooit in Lapland geweest bent. Rol even Uw mouw op en Uw arm wordt bedekt muggen als U geen speciale voorzorgsmaatregelen neemt, zoals het insmeren met jungle oil. Linnaeus klaagde reeds in zijn dagboeknotities ( Lachesis Lapponica): "Ik werd aangevallen door onvoorstelbaar grote muggenhorden."


Na de Tjauro Lako te zijn overgestoken naar de Tarfala älka, daalden we af naar de vlakte Ladtjovagge, waarboven zich de indrukwekkende Kebnekaise verheft. In dit gebied waren net een dag te voren drie mensen naar beneden gestort, die slechts met behulp van hélicoptère gered konden worden. Vanaf de Kebnekaise ging onze tocht eerst nog een eindweegs westwaarts, daarna noordwaarts, terug naar ons uitgangspunt. Eén van ons liep de laatste 20 KM op blote voeten, zijn schoenen waren totaal versleten. Door een moeras gaat dit nog wel, maar vraagt U niet wat het betekent met blote voeten over rotsbodem te lopen. Abisko werd evenwel zonder stoornis bereikt en na ongeveer twee etmalen in de trein gezeten te hebben, zelfs Amsterdam C.S. Onze huisgenoten vonden ons beslist slanker dan toe we hen verlieten en dachten wij soms dat een baard ons goed stond?

Misschien heeft U door onze beschrijving ook lust gekregen eens een kijkje te nemen in Lapland. We kunnen het van harte aanbevelen, maar bezint eer ge begint: wanneer U op een toendra Uw voet verstuikt, is er binnen een omtrek van enkele dagmarsen niemand om U te helpen en wilt U graag wat aanspraak, gaat U dan liever tien dagen naar Italië. Maar wilt U: rust, een primitief leven en ontspanning door zeer zware inspanning, gaat U dan eens naar Lapland (maar niet allemaal alstublieft, nóg gaan er geen reisbureaus). Wat ons betreft is het: På återsyn, Lapland! Tot weerziens!

E. van Wijk 5a

W. de Vries 5b

Valid HTML 4.01 Transitional