Speciale gaven
 

Peter fietste elke dag heen een weer tussen thuis en havo, een ritje van ongeveer een half uur, voor een groot deel tussen weilanden en akkers door. Tijdens die ritten fantaseerde hij van alles. Verhalen waarin hij de heldenrol vervulde, bijvoorbeeld door zijn zusje uit het brandende huis te redden. Nog liever zou hij de hele wereld willen redden, zoals Frodo, door de Ring te vernietigen. Maar ja, hobbits, tovenaars en orken bestonden nu eenmaal niet. Een leraar had wel eens verteld dat er best wezens uit de ruimte zouden kunnen komen om de aarde te veroveren. Er waren mensen zat die zulke wezens ontmoet hadden. Hij zag zo'n wezen een eindje voor zich achter een knotwilg vandaan komen. Het stak een arm omhoog om hem te laten stoppen. Kaal hoofd, grote ogen, maar wel een kop kleiner dan hij.
"Ik kom jullie waarschuwen", zei het wezen. "Er komt een geweldige macht aan die jullie wil uitroeien en jullie aarde wil overnemen. Hun voorhoede is er al, vermomd als de mensen hier. Alleen jij beschikt over de speciale gaven die nodig zijn om jullie te kunnen verdedigen."
Dat zou best een aardig begin zijn, bedacht Peter, maar wat voor speciale gaven zou je moeten hebben om de wereld te verdedigen? Zoiets als Batman of Spiderman? Nee, die hadden gewone, menselijke vijanden. "Wezens die uit de ruimte hierheen komen zijn slimmer dan wij", schoot door hem heen. "En ze vonden me niet eens geschikt voor het vwo."
Het eerste uur was wiskunde, het vak waar Peter het meeste plezier in had en ook het beste in was. Hij zat nog wat na te peinzen over zijn fietsfantasie. Zijn aandacht was niet bij de les, tot hij de leraar hoorde zeggen: "Wat zou jouw antwoord zijn, Peter?" Hij had geen antwoord, want hij had de vraag niet eens gehoord.
"Ik zou de les maar volgen", zei de leraar. "Misschien steek je er iets van op dat je later nog van pas komen." De rest van de klas lachte. Peter voelde dat hij een kleur kreeg. De rest van de les lette hij goed op en maakte hij driftig aantekeningen.
De leraar was best goed. Hij was er pas een maand omdat hij een leraar verving die ziek was en dat kon wel een tijd duren. Peter vond hem ook aardiger. Na korte tijd kende hij alle namen van de leerlingen al uit zijn hoofd. Bij andere tijdelijke leraren was je vaak na een paar maanden nog steeds "Jij daar met dat korte haar op de achterste bank."
Tegen het eind van de les bedacht Peter dat wiskunde best belangrijk was in het contact met buitenaardse wezens. Talen verschilden op aarde al heel veel van elkaar. Maar 100 was overal 100 en een cirkel was overal een cirkel. Misschien kon hij met goede cijfers voor wiskunde toch nog naar het vwo en daarna verder studeren. Met wiskunde moest je buitenaardse wezens bestrijden. Vr ze echt kwamen zou hij een belangrijke ontdekking doen. De bel ging. Iedereen pakte zijn spullen bij elkaar en stond op om naar de volgende les te gaan.
"Ik wil je nog even wat zeggen, Peter", zei de leraar. Hij wachtte tot de anderen allemaal het lokaal verlaten hadden. "Je bent beter in wiskunde dan je zelf beseft, beste kerel", zei hij. Er kwam een lach op zijn gezicht, maar zijn ogen deden niet mee. "Maar pas op dat je jezelf niet gaat overschatten. Pas er vooral voor op dat je ons niet gaat onderschatten. Er is meer dan taal en cijfers en wiskundige symbolen. O ja, je zult een belangrijke ontdekking doen, maar die hebben wij lang geleden al gedaan. De wereld redden? Daar ben je veel te laat voor."