Een klein stukje lopen
 

Haar hakken klikten op de straat toen ze de tram uitstapte. Ze was de enige. De tram, de laatste van die dag, reed leeg verder. De temperatuur was nog aangenaam, geen reden om zich naar huis te haasten. Ze kon er deze keer best zes minuten over doen in plaats van de gebruikelijke vijf.
Ze sloeg de hoek om. In die smalle straat weerkaatste het getik van haar hakken nog iets nadrukkelijker. Hier daar brandde nog licht achter een raam, maar de straat was verder geheel verlaten. Of ... Hoorde ze nu voetstappen achter zich of niet?
Ze bedwong de impuls om achterom te kijken, maar verschoof wel haar schoudertasje zodat het niet helemaal opzij, maar meer van voren hing. Ze pakte het hengsel iets steviger vast. Bijna onbewust versnelde ze haar passen toch iets. Met andere schoenen had ze nu zeker kunnen weten of er iemand achter haar liep.
"Zeur niet, trut," zei ze tegen zichzelf," je stapte alleen uit de tram en je hebt verder niemand gezien. En je bent zo thuis." Maar ze wist ineens ook zeker dat ze gevolgd werd. Er was meer dan het geluid van voetstappen, alsof ze iemand hoorde hijgen.
"Onzin", zei haar verstandige ik weer. "Wat je kunt horen hijgen, had je allang kunnen vastpakken."
Nog zo'n tweehonderd meter. In een huis op de begane grond zag ze een man achter zijn pc zitten. Als ze zou gillen zou er in ieder geval iemand zijn die haar hoorde.
Onwillekeurig ging ze toch meer in de richting van de stoeprand lopen toen ze aan het laatste stuk kwam met de portieken met hun trap naar de eerste etage. Ze was opgegroeid in een straat met net zulke portieken. Ze was een keer midden in de winter met haar oudere broertje, die een klas hoger zat, laat naar huis gekomen. Hij had haar bang gemaakt met verhalen over enge mannen die zich in die portieken verscholen hielden. Ze voelde nu dezelfde beklemming.
Ze slaakte bijna een zucht van verlichting toen ze haar eigen portiek bereikte en de trap opliep. Ze stak de sleutel in het slot en wachtte toen even. "Zie je wel, als er iemand vlak achter je had gelopen, was die nu al voorbij gekomen."
Ze wilde alleen zeker weten of ze zich weer eens voor niets had lopen opfokken. Anders zou ze niet rustig kunnen gaan slapen. Ze maakte de deur vast open en liep de trap weer af. Op de voorlaatste trede bleef ze staan, pakte de leuning vast en boog zich wat voorover. Ze zag niemand en stapte de laatste treden af. In beide richtingen was geen mens te zien. Gerustgesteld draaide ze zich weer om.
Het zat op de trap en nam de hele breedte in beslag. "Zeker weten?" vroeg het.