Ruim een jaar na het overlijden van Boukje realiseerde ik me dat ik daar niet zonder hulp overheen zou komen. Ik ging dus naar een professioneel hulpverlener, een eerstelijnspsycholoog. Na enkele gesprekken gaf hij me als 'huiswerk' mee het schrijven van een afscheidsbrief aan Boukje. De tekst daarvan vind je hieronder. De passages in rood heb ik later - ter verduidelijking - toegevoegd.


Aan Boukje
p/a Het Roze Wolkje

(Dat 'Roze wolkje' heb ik niet zelf bedacht. Marie-Louise, een vriendin, heeft eens gezegd dat ze in haar gedachten Boukje vanaf een roze wolkje naar ons zag kijken.)

Lieve Boukje,

Hoe moet je afscheid nemen van iemand van wie je helemaal geen afscheid wilt nemen? Hoe neem je afscheid met alleen maar woorden? Wat moet je bij een afscheid zeggen, als je niet eens kunt besluiten met: "Het ga je verder goed." Ik heb nu het gevoel dat ik bij het beŽindigen van deze brief afscheid van mezelf zal hebben genomen. Ik ben bang dat deze brief, als ik er lang mee bezig ben, mij zal veranderen, maar wil ik dat? Zal die andere ik nog steeds het verlies voelen dat ik nu voel? Dat gevoel van verlies wil ik helemaal niet kwijt, omdat ik pas dan echt afscheid heb genomen. Dan heb ik je achter me gelaten. Je wordt iemand uit mijn verleden, aan wie ik zeer goede herinneringen heb. Hoe goed ik ook weet dat je er niet meer bent, wil ik dat je tot mijn heden blijft behoren. Ik wil je blijven missen, niet om me zielig en alleen te voelen, maar omdat je een deel van me was en eigenlijk nog bent. Als ik de kattenbak schoonmaak wil ik blijven denken: 'Zie je wel, dat ik dat niet vergeet!' Ik wil de bloemen voor je blijven kopen, die ik vroeger nooit voor je kocht.

donderdag 30 oktober 1997 (18.08 uur)

Nog nooit heb ik op het allerlaatste moment afscheid kunnen nemen van iemand uit mijn directe omgeving die overleed: mijn vader tijdens een zakenlunch, mijn broer toen hij een klusje aan het doen was, mijn moeder terwijl ik op weg naar haar toe was, jouw vader toen we in Amerika waren, Annemarie
(kreeg een ongeluk) toen we in Engeland waren, zelfs de kleine poes ging dood toen ik haar een nachtje bij de dierenarts had gelaten. Jij sliep en terwijl Sjouk, de dokter en ik nog even aan het bijpraten waren in de huiskamer, hield je voorgoed op met leven. Je was blij en opgewekt, misschien wel gelukkig, gaan slapen. Je had geen pijn en Sjouk en ik waren bij je. Je had nog genoten van een mooie romantische film. We wisten toen heel goed dat je er niet erg lang meer zou zijn, maar niet dat het nog maar zo kort zou zijn. We hebben alleen "Welterusten" gezegd. Veel meer hadden we toch niet kunnen praten, want je was wel een beetje wazig van de morfine. Die maandagmorgen heb ik de dokter nog gebeld of het wel goed was dat je nog steeds sliep. Ze vond dat ik je maar rustig moest laten liggen tot ze zou komen. Ik ging vaak even kijken en vond het ergste, waarom weet ik niet, dat je al die tijd helemaal niet bewogen had of van houding was veranderd.

vrijdag 31 oktober 1997 (9.48 uur)

Misschien zal ik pas echt afscheid van je nemen als ik door Nieuw Zeeland fiets. Verder weg van hier kan ik nauwelijks gaan. Ik ken er niemand. Onderweg kan ik veel met je praten, want zo veel mensen zal ik overdag niet ontmoeten. Maar als ik met je praat, neem ik nog geen afscheid. Ik weet gewoon niet goed hoe ik afscheid moet nemen. Als je van elkaar houdt neem je geen afscheid. Dat zou haast tegennatuurlijk zijn. Afscheid neem je als je uit elkaar gaat of een van de twee weg wil. Wij wilden helemaal niet uit elkaar. We wilden samen dingen doen, maar ook apart, zodat we elkaar daarover konden vertellen. We hadden geen andere keuze dan nog wat uitstel van het onvermijdelijke. Je was moedig en realistisch genoeg om niet voor dat uitstel te kiezen. Toen het er echt op aan kwam, deed je wat ik je in veel minder moeilijke situaties wel eens gezegd had: de feiten accepteren die niet te veranderen zijn. Nu pas begint wat duidelijker te blijken dat ik ook van jou geleerd heb. Collega's zeggen dat ik meer praat dan vroeger. Telefoongesprekken, met mijn zussen of Marie-Louise
(een vriendin die een paar jaar geleden aan borstkanker is overleden), of wie dan ook, duren stukken langer dan vroeger. Dat kan ook komen doordat ik niet meer met jou kan praten. Ik weet niet eens of ik nu met jou praat of eigenlijk over jou tegen mezelf zit te praten. Sinds mijn afspraak met Nico (de psycholoog) dat ik jou een afscheidsbrief zou schrijven is het leven er niet leuker op geworden. Nog niet eerder heb ik in zo korte tijd zoveel zitten huilen. Als jij dat zou meemaken zou je vinden dat het eindelijk de goede kant met me op ging. Je zou het nog beter vinden als ik dat niet mijn eentje deed. Maar jij was de enige bij wie ik dat kon.

vrijdag 31 oktober 1997 (17.12 uur)

Gisteravond bedacht ik dat ik helemaal niet plan ben afscheid van je te nemen. Ik hoef geen afscheid te nemen om heel goed te weten datje er niet meer bent. Ik geloof niet in een hiernamaals of in reÔncarnatie, maar zo lang ik er nog ben, ben jij er op een of andere manier. Jouw manier van leven, denken, voelen, praten blijft van invloed op mijn manier van leven. Al die rotkarweitjes als afwassen, stofzuigen, nieuwe kleren kopen, doe ik om jou een plezier te doen. Als je echt op je roze wolkje zou zitten toekijken, zou je, wat dat betreft, wel tevreden over me zijn. Ik hoef geen afscheid van je te nemen om te leren het zonder jou te doen. Ik doe het al meer dan een jaar zonder jou en ik leef nog. Misschien moet ik zeggen: ik functioneer nog, want veel meer is het soms niet. Als je nu nog met me zou kunnen praten, zou je zeggen, zoals je zo vaak hebt gedaan, dat ik moet laten zien hoe ik me echt voel; dat ik niet alleen moet zeggen, dat ik je ontzettend mis, maar dat ik dat moet laten blijken; dat ik niet in mijn eentje moet zitten huilen, maar dat ik dat ook moet doen op mijn werk of bij vrienden, of gewoon midden in de supermarkt.

zaterdag 1 november 1997 (12.31 uur)

We hebben 2Ĺ maand gehad om naar je overlijden toe te leven. Dat was nog wat korter dan we dachten. We waren het erover eens dat we de tijd die jij nog had en die we nog samen hadden, zo gewoon mogelijk zouden blijven doen; niet nog gauw even allerlei dingen doen die we ooit hadden willen doen. We zullen ook wel niet alles tegen elkaar hebben gezegd, wat we misschien nog hadden willen of moeten zeggen. We begrepen elkaar ook wel vaak zonder iets te zeggen. We hebben geen afscheid van elkaar genomen. Wanneer hadden we dat moeten doen? Wat hadden we daarna nog moeten doen? Na een afscheid valt er niets meer te zeggen en te doen. Als we echt afscheid hadden genomen vůůr 29 juli hadden we een tijdje als het ware in het luchtledige geleefd. We hadden door moeten gaan met iets wat we afgesloten hadden en hoe hadden we dat moeten doen? Maar we hebben niets afgesloten. Het is op een bepaald moment gewoon geŽindigd, 'not with a bang, but with a whisper'. Voor mij is er niets afgesloten en eigenlijk wil ik ook niets afsluiten. Als ik iets afsluit is het over en uit. Het is niets meer dan een stukje geheugenruimte. Op de dag dat ik overlijd wil ik kunnen huilen, omdat jij er niet bent.

zaterdag 1 november 1997 (16.01 uur)

Had ik je toen al moeten vertellen hoe erg ik zou je missen? Ik denk het niet. Ik zou het voor jou veel moeilijker gemaakt hebben en bovendien kon ik me toen nog nauwelijks voorstellen wat het zou betekenen om zonder jou te leven. Zelfs nu weet ik dat nog niet precies.

zaterdag 1 november 1997 (20.53 uur)

Verder kon ik niet meer gisteravond. Om negen uur ben ik naar bed gegaan: mijn laatste redmiddel als ik het allemaal niet meer zie zitten. Om half twaalf wakker geworden, een glaasje whisky gedronken en daarna verder geslapen tot kwart over acht. Het schrijven van deze brief begint bijna iets obsessiefs te worden. Ik ben er voortdurend mee bezig, ook als ik niet achter het toetsenbord zit. Ik zit me nu af te vragen of ik deze brief moet bewaren, op de harde schijf. Wil ik hem later nog eens kunnen nalezen of moet ik het allemaal juist achter me laten? Ben ik bezig met een soort finale afrekening, met jou of met mezelf? Niet met jou, denk ik. Je bent de enige in mijn leven die ik niet voorbij heb laten gaan. Voor niemand anders heb ik zo veel moeite gedaan om aan mij te binden. Maar tegelijkertijd heb ik niemand zo vrij gelaten als jou. Ik wilde niet dat je bij me bleef om mij een plezier te doen, maar omdat je dat voor jezelf zou willen. Ik heb het altijd wat vreemd gevonden om je 'mijn 'vrouw' te noemen. Je was niet 'van mij' en ik was niet 'van jou'. We waren bij elkaar. We deden veel dingen samen en we deden veel dingen apart. Juist in dat aparte ging jij, in je relatie met Han, nog veel verder dan ik. Zo moeten anderen dat tenminste gezien hebben. Wij wisten gewoon dat onze relatie niet bedreigd werd, of minder werd, door andere relaties. Alleen wij zelf konden onze relatie verslechteren, maar als het daar maar een beetje op begon te lijken, kwam de discussiegroep weer bij elkaar. Dat zal ik blijven missen. Ik kan met iedereen praten, maar het zullen altijd rationele discussies blijven. Met jou praten was meer dan het uitwisselen van argumenten. Het was elkaar aanraken, een omarming, zonder lichamelijk contact. Het was vaak een heel mooi 'voorspel'.

zondag 2 november 1997 (11.09 uur)

Dit is geen afscheid. Het is eerder het tegendeel. Ik ben eigenlijk bezig je weer wat dichter naar me toe te halen. Hans O.M. (
mijn chef) vroeg laatst of ik wel eens (in gedachten) met je praatte. Ik zei toen - en dat was ook zo - dat ik dat niet of nauwelijks deed. De laatste dagen doe ik weinig anders. Het is een monoloog, ik stel me geen reacties van jou voor. Ik weet alleen dat als je dit zou kunnen lezen, je er blij mee zou zijn; niet eens zo zeer vanwege de inhoud, maar vooral vanwege het feit dat ik er mee bezig ben. Niet zo lang na je overlijden heb ik me zelf voorgenomen dat jouw afwezigheid niet het allesoverheersende element in mijn leven mocht worden. Het mocht niet de maatstaf voor mijn verdere leven worden. Dat vind ik nog steeds, maar misschien heb ik dat wat te ver doorgedreven, ben ik weer eens te consequent geweest. Ik denk dat niemand van degenen die me een beetje kennen eraan twijfelt of ik je wel mis. Ze zullen erbij denken dat ik daar best goed mee weet om te gaan en in zekere zin is dat ook wel zo. Maar jij zou zeggen: "Je moet je verdriet delen met anderen." Dat zou ik best willen doen, maar het is ook zo ongeveer het moeilijkste wat ik me kan voorstellen. Ik weet zelfs met wie ik dat verdriet zou willen delen: met Marie-Louise, met Ems (collega van Boukje), met Jannie (vriendin) en, vooral, met Sjouk. Ik praat wel met ze, ook over jou en ik weet dat ze jou ook missen. Ik vind niet eens dat ik mag zeggen dat ik je wel meer zal missen dan zij. Je kende hun ook al zo lang, en zij jou, en ook met hun praatte je veel.

maandag 3 november 1997 (11.31 uur)

Een echt gezelschapsmens zal ik wel nooit worden. Eigenlijk heb ik altijd maar met ťťn mens tegelijk kunnen omgaan en zelfs dan bleef en blijf ik nog vaak op een afstand. Jij was de eerste en, voor zover ik weet, de enige - tot nu toe - met wie ik zelf het eerste contact heb geopend. Ik wachtte niet af of jij misschien bij mij zou komen, ik ging naar jou toe; tegen al mijn gewoontes, bijna tegen mijn natuur in. Hoe kwam dat toen ineens zo? Natuurlijk zag je er leuk en aantrekkelijk uit, maar dat was nog nooit een reden geweest om direct op een meisje of vrouw af te stappen. Ik was ook helemaal niet van plan om je te 'veroveren' of zoiets. Ik wilde in jouw buurt zijn, met je praten. Toen tegen zonsopgang een aantal mensen naar het strand wilde wandelen, gingen we mee, maar ik zei al snel dat ik een snellere weg wist en zo gingen we met ons tweeŽn verder. We zijn toen niet bij het strand gekomen, want ik had me gewoon vergist, maar dat hinderde niet. We liepen en we praatten en met dat praten zijn we nooit meer gestopt. Op een gegeven moment zei je dat je het wat koud begon te krijgen. Realistisch als altijd bood ik je mijn trui aan, terwijl je gewoon bedoelde: "Sla eens een arm om me heen." Ook dat was toen al tekenend voor de manier waarop we al die jaren met elkaar zijn omgegaan. Jij vond dat ik gewoon moest aanvoelen wat je wilde of bedoelde; ik vond dat je zoiets gewoon kon en moest zeggen. Daar zijn we nooit helemaal uitgekomen, maar we kwamen wel stapje voor stapje steeds weer wat dichter bij elkaar. Is het ophalen van herinneringen een vorm van afscheid nemen of juist het uitstellen van afscheid? Is het nu nog van belang te proberen te achterhalen waarom ik toen, op 2 juni 1967, naar je toe gegaan ben? Was ik gewoon ineens heel erg verliefd of 'wist' ik dat we op een of andere manier bij elkaar hoorden te zijn? Ik heb daar sindsdien nooit een moment aan getwijfeld. Jij wel af en toe, als ik weer eens een trui aanbood in plaats van een arm om je heen. Maar dan praatten we weer en dan hielden we elkaar ook letterlijk heel stevig vast. Ik weet niet hoe lang ik nog verder ga met deze brief, maar ik weet nu al wel dat ik geen afscheid van je neem. Je bent er niet meer, maar je bent meer dan ooit een deel van mij. Juist nu je er niet meer bent houd ik rekening met je. Jij kunt me nergens op wijzen en nergens aan herinneren, dus moet ik het zelf doen. Soms lukt dat ook nog.

woensdag 5 november 1997 (10.08 uur)

Ik ben er nog lang niet over heen dat je er niet meer bent. Dat kan nog lang duren en misschien wil ik er helemaal niet overheen komen. Ik wil met jou in gesprek blijven, zoals ik de afgelopen dagen heb gedaan en niet alleen tijdens het schrijven. Ik weet ook wel dat ik meer moet praten met mensen die er wel zijn. Maar niet alleen praten: ik moet ook zonder woorden laten blijken wat ik voel en ervaar. Jij hebt altijd geweten en ervaren hoe moeilijk ik dat vind. Er zijn wel een paar mensen die dat ook weten, maar die weten niet hoe ze daar door heen moeten breken. Ik geef ze daar ook niet de gelegenheid voor. Ik begin het nu pas een klein beetje te leren, maar ik heb jou nodig om dat verder te leren. Daarom kan ik geen afscheid van je nemen, maar houd ik je nog dicht bij me. Misschien moet ik wel afscheid van me zelf nemen.

vrijdag 7 november 1997 (11.09 uur)
pijl